← België

ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.178

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 11 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.178 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20081211.1 Arrest- Rolnummer: 178/2008 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-12-15 Raadplegingen: 246 - laatst gezien 2026-07-01 22:20 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: STRAFRECHT - POLITIE - Geïntegreerde politiediensten PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen 17 en 18 van de wet van 15 mei 2007 op de Algemene Inspectie en houdende diverse bepalingen betreffende de rechtspositie van sommige leden van de politiediensten, ingesteld door Marc Claerhout en anderen. Geïntegreerde politiedienst - Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie - Personeel - Statuut - Bevorderingsvoorwaarden - Vrijstellingen. Wettelijke bepalingen: Wet - 15-05-2007 - 17 - 43 ELI link Pub nr 2007000560 Wet - 15-05-2007 - 18 - 43 ELI link Pub nr 2007000560 Tekst van de beslissing Rolnummer 4383 Arrest nr. 178/2008 van 11 december 2008 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 17 en 18 van de wet van 15 mei 2007 op de Algemene Inspectie en houdende diverse bepalingen betreffende de rechtspositie van sommige leden van de politiediensten, ingesteld door Marc Claerhout en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit rechter E. De Groot, waarnemend voorzitter, voorzitter M. Melchior, en de rechters P. Martens, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van rechter E. De Groot, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 15 december 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 17 december 2007, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 17 en 18 van de wet van 15 mei 2007 op de Algemene Inspectie en houdende diverse bepalingen betreffende de rechtspositie van sommige leden van de politiediensten (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 juni 2007, derde editie) door Marc Claerhout, wonende te 8500 Kortrijk, Condédreef 127, Philip Van Hamme, wonende te 8310 Brugge, Astridlaan 112, en Martin De Keyzer, wonende te 2800 Mechelen, Galgestraat

  1. De Ministerraad heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 17 september 2008 : - zijn verschenen : . Mr. C. Flamend, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; . Mr. L. Schellekens, tevens loco Mr. D. D’Hooghe, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers T. Merckx-Van Goey en P. Martens verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep A.1.
  2. De verzoekende partijen wijzen op hun hoedanigheid van commissaris (eerste en tweede verzoeker) of van hoofdinspecteur (derde verzoeker) bij de federale politie. Zij doen opmerken dat hun collega’s bij de dienst Algemene Inspectie vrijgesteld worden van de verplichting om te beschikken over een directiebrevet (voor commissarissen) en van de verplichting om selectieproeven te doorstaan en vorming te volgen (voor hoofdinspecteurs), terwijl zij zelf niet die vrijstellingen kunnen genieten. 3 Zij stellen dat zij dan ook rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door de bestreden bepalingen. A.1.
  3. De Ministerraad voert als exceptie van niet-ontvankelijkheid aan dat de verzoekende partijen niet doen blijken van het rechtens vereiste belang. Een vernietiging van de bestreden bepalingen zou tot gevolg hebben dat leden van de Algemene Inspectie de nieuwe voorwaarden voor een bevordering niet meer zouden kunnen genieten. Aangezien geen van de verzoekende partijen lid is van de Algemene Inspectie, zou de vernietiging voor hen geen enkele weerslag hebben. Een vernietiging zou niet tot gevolg hebben dat de verzoekende partijen de vrijstellingen zouden kunnen genieten om bevorderd te kunnen worden. De Ministerraad doet opmerken dat Marc Claerhout en Philip Van Damme hun functie niet uitoefenen bij de politie maar met vakbondsverlof zijn en dat Martin De Keyzer « heel wat tijd [besteedt] aan de taak van Afdelingsvoorzitter Luchthaven Zaventem voor het Nationaal Syndicaat van het Politie- en veiligheidspersoneel ». Wat de derde verzoekende partij betreft, rijst volgens de Ministerraad de vraag of hij geen tuchtstraf heeft opgelopen, wat hem zou verhinderen aanspraak te maken op een evaluatie met de vermelding « goed » zoals vereist voor een bevordering in de Algemene Inspectie. De Ministerraad voert tevens aan dat de verzoekende partijen niet aantonen dat zij voldoen aan de andere wettelijke vereisten om in aanmerking te komen voor een bevordering in graad of een kaderverhoging bij de politie. Aangezien zij geen nadeel ervan ondervinden, zou een vernietiging hun ook geen voordeel kunnen opleveren. De Ministerraad voert ten slotte aan dat de beweerde discriminatie haar oorsprong niet vindt in de bestreden bepalingen, maar in het ontbreken van een soortgelijke regeling voor de categorie van personen waartoe de verzoekende partijen behoren, en dat het Hof niet bevoegd is om een « impliciete weigering » tot het nemen van een wetgevende maatregel te vernietigen. A.1.
  4. De verzoekende partijen antwoorden dat de hoofdinspecteurs van de Algemene Inspectie leiding en gezag krijgen over anderen, zoals de derde verzoekende partij, terwijl er geen verschil is wat opleiding, titels of verdiensten betreft. Zij betogen dat de bestreden bepalingen een wettelijke fictie creëren die hen zal benadelen wanneer zij solliciteren naar vacante mandaatfuncties. De opmerking van de Ministerraad over het vakbondsverlof van de eerste twee verzoekende partijen is irrelevant. Het oplopen van een tuchtstraf verhindert geen bevordering voor zover het geen zware tuchtsanctie betreft die nog niet is uitgewist. De verzoekende partijen besluiten dat hun statutaire rechten en bevorderingsmogelijkheden wel degelijk ongunstig worden geraakt door het « uitzonderingsregime » van de bestreden bepalingen. A.1.
  5. De Ministerraad repliceert dat de verzoekende partijen in gebreke blijven om aan te tonen dat zij benadeeld zouden worden wanneer ze solliciteren naar vacante mandaatfuncties. De bewering dat zij in hun statutaire rechten worden geraakt, is niet van dien aard dat hun belang wordt aangetoond. Er is geen stelsel van automatische bevorderingen, maar een evenwichtig uitgewerkt bevorderingssysteem waaraan verschillende voorwaarden zijn verbonden. De Ministerraad herhaalt dat de verzoekende partijen niet aantonen dat zij voldoen aan de wettelijke voorwaarden voor een bevordering of verhoging in kader en dat zij niet benadeeld worden door de bestreden bepalingen. Hij besluit dat de verzoekende partijen niet aantonen dat zij rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door de bestreden bepalingen en dat het beroep tot vernietiging bijgevolg onontvankelijk is. 4 Ten gronde A.2.
  6. De verzoekende partijen voeren in een enig middel de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zij doen opmerken dat de leden van de dienst Algemene Inspectie die commissaris van politie zijn, door het bestreden artikel 17 worden vrijgesteld van de vereiste houder te zijn van een directiebrevet en dit louter en alleen op grond van vijf jaren dienstervaring bij de Algemene Inspectie. Na tien jaren dienst bij de Algemene Inspectie is de vrijstelling eveneens van toepassing voor de bevordering door verhoging in graad bij de politiediensten en krijgt het personeelslid gedurende twee jaar de selectietoelage. Voor de hoofdinspecteurs van politie die een overgang naar een hoger kader binnen de Algemene Inspectie ambiëren, verleent het eveneens bestreden artikel 18 een vrijstelling van de basisopleiding en van de selectieproeven bedoeld in de artikelen 37 en 39 van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten. A.2.
  7. De verzoekende partijen betogen dat zij aan veel strengere voorwaarden moeten voldoen om bevorderd te kunnen worden tot hoofdcommissaris (eerste en tweede verzoeker) of tot commissaris (derde verzoeker). Niet enkel de verzoekende partijen worden gediscrimineerd, maar alle commissarissen en hoofdinspecteurs bij de lokale en federale politie. De verzoekende partijen zijn het niet eens met de motivering, in de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepalingen, dat het de bedoeling is om de functies in de Algemene Inspectie te valoriseren. Zij wijzen erop dat ook zij functies uitoefenen met zeer belangrijke verantwoordelijkheden. Door de leden van de Algemene Inspectie « bevorderingen in de schoot te werpen » zal het omgekeerde effect worden veroorzaakt, namelijk een nivellering naar beneden toe. Het respect dat de leden van de Algemene Inspectie nu genieten, zal afzwakken. A.2.
  8. De verzoekende partijen doen nog opmerken dat de nieuwe regeling niet behoort tot enig overgangsrecht. Bovendien doen de bestreden bepalingen volgens hen afbreuk aan artikel 128 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, wat de mobiliteitsregeling betreft en aan artikel 122 van diezelfde wet, wat de objectiviteit bij aanwijzing in een betrekking betreft. De commissarissen van de federale en lokale politie kunnen enkel vakante plaatsen van hoofdcommissaris ambiëren voor zover ze houder zijn van het directiebrevet, terwijl dat niet geldt voor de commissarissen van de Algemene Inspectie. A.2.
  9. De verzoekende partijen besluiten dat de bestreden bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden. A.3.
  10. De Ministerraad voert aan dat de leden van de Algemene Inspectie en de leden van de federale en lokale politie onvoldoende vergelijkbare categorieën zijn. De Algemene Inspectie is immers geen politiedienst, maar een extern controleorgaan, onder het gezag van de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie, dat waakt over het functioneren van de politiediensten. A.3.
  11. Volgens de Ministerraad blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet dat de wetgever beoogde de functies binnen de Algemene Inspectie te valoriseren en de onafhankelijkheid van de Algemene Inspectie te waarborgen. De Ministerraad betoogt dat die doelstellingen de bestreden bepalingen kunnen verantwoorden. De Algemene Inspectie is een extern en onafhankelijk orgaan van de uitvoerende macht dat bestuurscontrole uitoefent over de federale en lokale politie. De wetgever wilde vermijden dat de leden van de Algemene Inspectie afhankelijk zouden zijn, met het oog op een verhoging in graad, van het oordeel van leden van de politie waarover ze reeds hebben moeten oordelen in het kader van hun opdracht of dat zij het voorwerp zouden kunnen zijn van « represailles » van de politie wanneer zij de Algemene Inspectie zouden verlaten. 5 Het valoriseren van de functies binnen de Algemene Inspectie is volgens de Ministerraad ingegeven door de wil van de wetgever om te beschikken over een kwaliteitsvol, doeltreffend en flexibel controleorgaan. Bovendien wordt aldus een verschil in behandeling vermeden tussen de commissarissen en hoofdinspecteurs van de Algemene Inspectie en die van het « Vast Comité P ». Die laatsten kunnen immers reeds op grond van artikel 22bis van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten aanspraak maken op een bevordering door verhoging in graad onder voorwaarden die soortgelijk zijn aan die waarin de bestreden bepalingen voorzien. In het licht van die doelstellingen is het naar de mening van de Ministerraad objectief en redelijk verantwoord dat een bevorderingsregeling die toepasselijk is op de Algemene Inspectie niet automatisch met zich meebrengt dat ze ook van toepassing moet zijn op de lokale of federale politie of op beide. A.3.
  12. Volgens de Ministerraad is het uitgewerkte bevorderingssysteem evenwichtig. De bevorderingen vereisen een voorafgaande gunstige evaluatie door een bijzondere commissie die de nodige waarborgen biedt inzake objectieve evaluaties. Enkel personeelsleden die een « bepaald niveau » halen, komen in aanmerking voor bevordering. Naast de gunstige evaluatie komen de kandidaten slechts in aanmerking als ze reeds vijf jaren in dienst zijn en mits er een betrekking openstaat bij de Algemene Inspectie. Bovendien is de bevordering enkel geldig binnen de Algemene Inspectie, en komt de interne kandidaat in concurrentie met externe kandidaten. Enkel na tien jaren dienstanciënniteit is de bevordering ook geldig voor de diensten van de federale of lokale politie. De verzoekende partijen insinueren volgens de Ministerraad dan ook ten onrechte dat de bestreden bepalingen hun kansen op bevordering zouden hypothekeren. A.3.
  13. Wat betreft de opmerking van de verzoekende partijen dat de regeling niet zou behoren tot enig overgangsrecht, antwoordt de Ministerraad dat de wetgever steeds kan beslissen een nieuwe regeling in te voeren zonder daarbij overgangsmaatregelen te nemen. A.3.
  14. De Ministerraad besluit dat voor het aangeklaagde verschil in behandeling een objectieve en redelijke verantwoording bestaat die niet onevenredig is met de door de wetgever nagestreefde doelstellingen en dat het middel derhalve niet gegrond is. A.4.
  15. De verzoekende partijen antwoorden dat de Ministerraad geenszins aannemelijk maakt waarom de bestreden bepalingen na zes jaar werking van de Algemene Inspectie vereist zouden zijn om de onafhankelijke positie van die dienst te vrijwaren. Er is geen enkele aanwijzing dat de autonome werking van de Algemene Inspectie op enigerlei wijze in het gedrang zou zijn gekomen. Reeds bij de oprichting van de Algemene Inspectie werden diverse statutaire bepalingen aangenomen om de belangen van de personeelsleden te beschermen en de werking van de dienst te vrijwaren. Er zijn volgens de verzoekende partijen aangepaste maatregelen genomen voor de bevordering in de Algemene Inspectie (artikelen 71 en 72 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de werking en het personeel van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie) alsook een voorrangsregeling voor overgang naar een andere betrekking bij de politiediensten (artikelen 73 en 74 van het voormelde koninklijk besluit van 20 juli 2001). Daarnaast is er voor de voormalige leden van de Algemene Inspectie een specifieke regeling voor het geval dat zij klachten zouden hebben over nadelige maatregelen die tegen hen zouden worden genomen vanwege de functies die ze bij de Algemene Inspectie hebben vervuld (artikel 78 van het voormelde koninklijk besluit van 20 juli 2001). De verzoekende partijen stellen dat zij vanwege hun vakbondsactiviteiten meer risico lopen op « represailles » dan de voormalige leden van de Algemene Inspectie. De verzoekende partijen doen nog opmerken dat diverse selectiecommissies gemengd zijn samengesteld uit leden van de lokale politie, de federale politie en de Algemene Inspectie. A.4.
  16. Volgens de verzoekende partijen kunnen de argumenten op basis waarvan een aparte valorisering van de functies binnen de Algemene Inspectie gebaseerd zijn, evenmin een verschil in behandeling verantwoorden. Ook de federale en lokale politie streven ernaar kwaliteitsvol werk af te leveren, waarbij doeltreffendheid en flexibel optreden evenzeer centraal staan. Nergens wordt aangegeven waarom de normale uitoefening van een ambt bij de Algemene Inspectie een zo substantieel gunstigere valorisering verantwoordt. In 6 het raam van een goede bedrijfsvoering is er voor elke politiedienst evenzeer nood aan interne controle als aan externe controle. A.4.
  17. De opmerking van de Ministerraad dat de wetgever een verschil in behandeling tussen de Algemene Inspectie en het « Vast Comité P » heeft willen vermijden, is volgens de verzoekende partijen niet dienstig. Het « Vast Comité P » maakt geen deel uit van de geïntegreerde politie. De Algemene Inspectie en het « Vast Comité P » kunnen noch organiek, noch inzake werking en opdrachten met elkaar worden vergeleken. A.5.
  18. De Ministerraad repliceert dat uit het bestaan van een eenheidsstatuut voor de geïntegreerde politie niet kan worden afgeleid dat alle categorieën van personeelsleden vergelijkbaar zijn. De Ministerraad herhaalt dat de leden van de Algemene Inspectie en de leden van de federale en lokale politie onvoldoende vergelijkbare categorieën zijn. A.5.
  19. De Ministerraad stelt dat de wetgever beoogde de functies binnen de Algemene Inspectie te valoriseren en de onafhankelijkheid van de dienst te waarborgen. Het staat niet aan de verzoekende partijen noch aan het Hof de beleidsdoelstellingen van de wetgever ter discussie te stellen. De Ministerraad blijft erbij dat voor het aangeklaagde verschil in behandeling een objectieve en redelijke verantwoording bestaat en dat de maatregel niet onevenredig is met de beoogde doelstellingen. Volgens de Ministerraad is de bewering van de verzoekende partijen dat zij als vakbondsafgevaardigden meer risico lopen op « represailles » niet bewezen en niet van dien aard dat de pertinentie van de bestreden bepalingen ter discussie wordt gesteld. A.5.
  20. De Ministerraad stelt tot slot dat de Algemene Inspectie en het « Vast Comité P » beide controlerende organen zijn en dat het redelijk verantwoord was om een verschil in behandeling tussen die instellingen te vermijden. -B- Ten aanzien van de bestreden en aanverwante bepalingen B.1.
  21. Het bestreden artikel 17 van de wet van 15 mei 2007 op de Algemene Inspectie en houdende diverse bepalingen betreffende de rechtspositie van sommige leden van de politiediensten (hierna : Wet op de Algemene Inspectie) bepaalt : « Voor de bevordering door verhoging in graad binnen de Algemene Inspectie, wordt het lid van de Algemene Inspectie, benoemd in de graad van commissaris van politie, dat na vijf jaar dienst bij de Algemene Inspectie, een laatste evaluatie met de vermelding ‘ goed ’ in het kader van dit artikel heeft verkregen vanwege een commissie door de Inspecteur-generaal met dit opzicht ingesteld binnen de Algemene Inspectie, vrijgesteld van de voorwaarde bedoeld in artikel 32, 3°, van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten. 7 Na tien jaar dienst bij de Algemene Inspectie is huidig artikel eveneens van toepassing voor de bevordering door verhoging in graad in de schoot van de politiediensten. Het betrokken personeelslid geniet gedurende twee jaar de selectietoelage zoals voorzien in het statuut van het personeel van de politiediensten. De commissie waarvan sprake in dit artikel wordt georganiseerd door de Koning ». B.1.
  22. Het eveneens bestreden artikel 18 van de Wet op de Algemene Inspectie bepaalt : « Voor de bevordering door overgang naar een hoger kader binnen de Algemene Inspectie, wordt het lid van de Algemene Inspectie, bekleed met de graad van hoofdinspecteur, dat na vijf jaar dienst bij de Algemene Inspectie, een laatste evaluatie met vermelding ‘ goed ’ in het kader van dit artikel heeft verkregen vanwege een commissie met dit opzicht ingesteld binnen de Algemene Inspectie door de Inspecteur-generaal, vrijgesteld van de selectieproeven en de vorming bedoeld in de artikelen 37 en 39 van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten. Na tien jaar dienst bij de Algemene Inspectie is huidig artikel eveneens van toepassing voor de bevordering door overgang naar een hoger kader in de schoot van de politiediensten ». B.1.
  23. Het voormelde artikel 17 van de Wet op de Algemene Inspectie refereert aan de voorwaarde bedoeld in artikel 32, 3°, van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten. Artikel 32 van de wet van 26 april 2002 bepaalt : « Tot de graad van hoofdcommissaris van politie kan worden bevorderd, de commissaris van politie die : 1° ten minste negen jaar kaderanciënniteit heeft in het officierskader; 2° houder is van het door de Koning bepaald diploma; 3° houder is van het door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaalde directiebrevet; 4° geen laatste evaluatie met de eindvermelding ‘ onvoldoende ’ heeft; 5° geen zware tuchtstraf heeft opgelopen die nog niet is uitgewist ». 8 B.1.
  24. Het voormelde artikel 18 van de Wet op de Algemene Inspectie refereert aan de selectieproeven en de vorming bedoeld in de artikelen 37 en 39 van de voormelde wet van 26 april
  25. Artikel 37 van de wet van 26 april 2002 bepaalt : « De personeelsleden die slagen voor de basisopleiding van een hoger kader, worden bevorderd door overgang naar het beoogde hoger kader ». Artikel 39 van de wet van 26 april 2002 bepaalt : « Om te worden toegelaten tot de selectieproeven voor overgang naar een hoger kader moet het personeelslid voldoen aan de volgende voorwaarden op de datum van het afsluiten van de inschrijving voor deze selectieproeven : 1° over de door de Koning vastgestelde kaderanciënniteit beschikken; 2° onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 40 en 41, voldoen aan de diplomavereisten bedoeld in de artikelen 15 en 18; 3° geen laatste evaluatie met eindvermelding ‘ onvoldoende ’ hebben; 4° niet eerder herplaatst zijn wegens beroepsongeschiktheid volgens de regels bepaald door de Koning; 5° geen zware tuchtstraf hebben opgelopen die nog niet is uitgewist ». Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.
  26. De Ministerraad voert als excepties van niet-ontvankelijkheid aan dat de verzoekende partijen niet doen blijken van het rechtens vereiste belang en dat de beweerde discriminatie haar oorsprong niet vindt in de aangevochten bepalingen, maar in het ontbreken van een soortgelijke regeling voor de categorie van personen waartoe de verzoekende partijen behoren. B.
  27. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. 9 B.
  28. De verzoekende partijen worden in de door hen aangevoerde hoedanigheid van commissaris (eerste en tweede verzoeker) of van hoofdinspecteur (derde verzoeker) bij de federale politie niet rechtstreeks en ongunstig geraakt door de bestreden bepalingen in zoverre die de voorwaarden tot bevordering door verhoging in graad (artikel 17, eerste lid) en tot bevordering door overgang naar een hoger kader (artikel 18, eerste lid) binnen de externe controledienst Algemene Inspectie versoepelen voor leden met vijf jaar of meer ervaring binnen die dienst. De verzoekende partijen voeren niet aan dat zij zelf een dergelijke bevordering binnen de dienst Algemene Inspectie zouden ambiëren en daarbij in concurrentie zouden komen met personen die niet in aanmerking zouden komen als de bestreden bepalingen niet bestonden. B.
  29. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepalingen hun bevorderingsmogelijkheden beïnvloeden (A.1.3). In dit opzicht kunnen zij als commissaris of hoofdinspecteur van de federale politie wel worden geraakt door artikel 17, tweede lid, en artikel 18, tweede lid, van de Wet op de Algemene Inspectie. Die bepalingen hebben immers tot gevolg dat zij voor een bevordering door verhoging in graad of door overgang naar een hoger kader binnen de politiediensten in concurrentie kunnen komen met leden van de Algemene Inspectie die zonder die bepalingen niet in aanmerking zouden komen. B.
  30. Het beroep is ontvankelijk in de mate aangegeven in B.
  31. Ten gronde B.
  32. De verzoekende partijen voeren in een enig middel de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zij klagen aan dat zij bij een eventuele bevordering moeten voldoen aan alle gestelde vereisten terwijl kandidaten uit de Algemene Inspectie ingevolge de bestreden bepalingen vrijgesteld zijn van bepaalde van die voorwaarden. 10 B.8.
  33. De Ministerraad voert aan dat de verschillende categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn, omdat de Algemene Inspectie geen politiedienst is, maar een extern controleorgaan, onder het gezag van de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie, dat waakt over het functioneren van de politiediensten. B.8.
  34. Als kandidaten voor een bevordering door een verhoging in graad of door een overgang naar een hoger kader in de politiediensten zijn, enerzijds, de leden van de federale of lokale politie en, anderzijds, de leden van de Algemene Inspectie, voldoende vergelijkbaar wat de vereisten voor hun kandidatuurstelling betreft. B.9.
  35. Uit artikel 17, tweede lid, van de Wet op de Algemene Inspectie volgt dat leden van de Algemene Inspectie die in de graad van commissaris van politie zijn benoemd en die positief worden geëvalueerd door een door de inspecteur-generaal ingestelde commissie, na tien jaar dienst binnen de Algemene Inspectie, in aanmerking kunnen komen voor een bevordering door verhoging in graad, binnen de politiediensten, met vrijstelling van het behalen van het directiebrevet vermeld in artikel 32, 3°, van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten. Op dezelfde wijze vloeit uit artikel 18, tweede lid, van de Wet op de Algemene Inspectie voort dat leden van de Algemene Inspectie die in de graad van hoofdinspecteur zijn benoemd en die positief worden geëvalueerd door een door de inspecteur-generaal ingestelde commissie, na tien jaar dienst binnen de Algemene Inspectie, in aanmerking komen voor een bevordering door overgang naar een hoger kader binnen de politiediensten, met vrijstelling van de selectieproeven en de vorming bedoeld in de artikelen 37 en 39 van de wet van 26 april
  36. B.9.
  37. Die bepalingen maken deel uit van een reeks van artikelen die beogen, enerzijds, « de onafhankelijkheid van de Algemene Inspectie te garanderen » en, anderzijds, « [te vermijden] dat er discrepanties zouden optreden in de teksten die de onafhankelijkheid van de diverse controleorganen verzekeren » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2947/002, p. 29). 11 B.9.
  38. Wat de bepalingen betreft die de artikelen 17 en 18 van de Wet op de Algemene Inspectie zijn geworden, wordt in de parlementaire voorbereiding het volgende overwogen : « Overigens dient vermeden te worden dat de onafhankelijkheid van de inspectie in het gedrang zou komen doordat sommige van haar leden, met het oog op een verhoging in graad, zouden moeten verschijnen voor selectiecommissies, samengesteld uit leden van de lokale en/of van de federale politie. Dit geldt des te meer voor de Algemene Inspectie waarbinnen zich beroepsinstanties bevinden die al aanbevelingen uitvaardigden t.a.v. personen of selectiecommissies die mogelijk betrokken kunnen worden bij de aanwerving of de bevordering van leden van de inspectie. Er zou in hoofde van die personen of diensten een probleem van onpartijdigheid en onafhankelijkheid ontstaan t.a.v. de leden van de inspectie over wie ze zouden moeten oordelen. Na 5 jaar wordt het lid van de inspectie, politiecommissaris, dat positief geëvalueerd werd door een commissie die specifiek in het kader van dit artikel in het leven geroepen werd, vrijgesteld van de selectieproeven en het volgen van een vorming, of, naargelang het geval, van het behalen van een directiebrevet. Hij zal eventueel een bevordering tot een hogere graad bekomen nadat een commissie hem selecteerde voor een nieuwe overeenkomstige betrekking en in overeenstemming met de nieuwe graad. Deze bevordering geldt enkel binnen de inspectie. Na 10 jaar geldt deze bevordering eveneens buiten de inspectie voor zover dat belanghebbende een betrekking bekomt die overeenkomt met zijn nieuwe graad. Na 10 jaar kan het wenselijk blijken dat men zich in andere diensten gaat herbronnen. Het toekennen van de selectietoelage vloeit voort uit de toepassing van het statuut. De desbetreffende maatregelen hebben enerzijds tot doel de functies binnen de algemene inspectie te valoriseren en moeten anderzijds voorkomen dat leden die de inspectie verlaten het voorwerp zouden uitmaken van represailles » (Parl. St., Kamer 2006-07, DOC 51- 2947/002, pp. 29-30). B.10.
  39. Luidens artikel 5, eerste lid, van de Wet op de Algemene Inspectie is de Algemene Inspectie een « van de politiediensten onafhankelijk controleorgaan dat ressorteert onder de uitvoerende macht » en dat « waakt over het optimaliseren van het functioneren van de federale politie en de lokale politie evenals van hun componenten, en dit met respect voor de democratie en de bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden ». B.10.
  40. Teneinde de onafhankelijkheid van de Algemene Inspectie ten aanzien van de diensten van de lokale politie en de federale politie te waarborgen, vermocht de wetgever redelijkerwijs aan te nemen dat de evaluatie van een lid van de Algemene Inspectie die in de graad van commissaris, respectievelijk van hoofdinspecteur van politie is benoemd en die 12 kandidaat is, respectievelijk voor een bevordering door verhoging in graad of voor een bevordering door overgang naar een hoger kader, dient te geschieden door een binnen de Algemene Inspectie opgerichte commissie. Aldus wordt immers vermeden dat een lid van de politiediensten die het voorwerp heeft uitgemaakt van een onderzoek van de Algemene Inspectie zich in de evaluatiecommissie bevindt van het lid van de Algemene Inspectie. B.10.
  41. Die doelstelling verantwoordt tevens dat een lid van de Algemene Inspectie dat in de graad van commissaris van politie is benoemd en dat kandidaat is voor een bevordering door verhoging in graad binnen de politiediensten, wordt vrijgesteld van het behalen van het directiebrevet vermeld in artikel 32, 3°, van de wet van 26 april
  42. Het behalen van dat brevet veronderstelt immers dat een kandidaat slaagt voor de promotieopleiding bepaald in het koninklijk besluit van 12 oktober 2006 tot bepaling van het directiebrevet dat vereist is voor de bevordering tot de graad van hoofdcommissaris van politie. Luidens artikel 7 van dat koninklijk besluit is de jury die beslist over de toelating tot die opleiding en over het al dan niet slagen voor die opleiding, samengesteld uit leden van de federale politie en van de lokale politie. Die doelstelling verantwoordt ook dat een lid van de Algemene Inspectie dat in de graad van hoofdinspecteur is benoemd en dat kandidaat is voor een bevordering door overgang naar een hoger kader binnen de politiediensten, wordt vrijgesteld van de basisopleiding bedoeld in artikel 37 van de wet van 26 april 2002 en van de in artikel 39 van die wet bedoelde selectieproeven. De beoordeling van de basisopleiding overeenkomstig het koninklijk besluit van 20 november 2001 betreffende de basisopleidingen van de personeelsleden van het operationeel kader van de politiediensten en houdende diverse overgangsbepalingen, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 20 december 2007, gebeurt door een commissie en een jury die minstens gedeeltelijk zijn samengesteld uit leden van de federale en lokale politie. Ook de selectiecommissie die de selectieproeven bedoeld in artikel 39 van de wet van 26 april 2002 evalueert, bestaat minstens gedeeltelijk uit leden van de politiediensten. B.10.
  43. Aangezien het personeel van de Algemene Inspectie is samengesteld uit personeel afkomstig uit de politiediensten (artikel 4, § 3, van de Wet op de Algemene Inspectie) en de maatregel enkel geldt voor personeelsleden met meer dan tien jaar ervaring in een dienst die de politiediensten controleert, hebben de betrokken kandidaten normaliter een staat van dienst die het hun moet mogelijk maken met voldoende kennis van zaken de 13 beoogde functies uit te oefenen. Nu de kandidaten van de Algemene Inspectie enkel van het directiebrevet, respectievelijk de selectieproeven en vorming worden vrijgesteld om de in B.10.2 en B.10.3 vermelde redenen, en onder het voorbehoud dat de vermelding « goed » door de binnen de Algemene Inspectie georganiseerde commissie, als vervanging van het directiebrevet, respectievelijk de selectieproeven en vorming, enkel wordt verleend na een evaluatie die borg staat voor het goede niveau van de kandidaten van de Algemene Inspectie, is de maatregel niet onevenredig. B.
  44. Het middel is niet gegrond. 14 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 11 december
  45. De griffier, De wnd. voorzitter, P.-Y. Dutilleux E. De Groot PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.178 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.