← België

ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.186

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 18 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.186 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.20081218.5 Arrest- Rolnummer: 186/2008 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-12-22 Raadplegingen: 208 - laatst gezien 2026-06-29 11:02 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: STRAFRECHT - POLITIE - Geïntegreerde politiediensten PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 15 van de wet van 15 mei 2007 op de Algemene Inspectie en houdende diverse bepalingen betreffende de rechtspositie van sommige leden van de politiediensten, ingesteld door de vzw « Nationaal Syndicaat van het Politie- en Veiligheidspersoneel » en anderen. Geïntegreerde politiedienst - Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie - Tuchtprocedure - Bevoegdheid tot het voeren van een voorafgaand onderzoek - Lid van de Algemene Inspectie. Wettelijke bepalingen: Wet - 15-05-2007 - 15 - 43 ELI link Pub nr 2007000560 Tekst van de beslissing Rolnummer 4393 Arrest nr. 186/2008 van 18 december 2008 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 15 van de wet van 15 mei 2007 op de Algemene Inspectie en houdende diverse bepalingen betreffende de rechtspositie van sommige leden van de politiediensten, ingesteld door de vzw « Nationaal Syndicaat van het Politie- en Veiligheidspersoneel » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 14 december 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 17 december 2007, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 15 van de wet van 15 mei 2007 op de Algemene Inspectie en houdende diverse bepalingen betreffende de rechtspositie van sommige leden van de politiediensten (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 juni 2007, derde editie) door de vzw « Nationaal Syndicaat van het Politie- en Veiligheidspersoneel », met zetel te 1040 Brussel, Generaal Bernheimlaan 18-20, Michel Brasseur, wonende te 4500 Hoei, chaussée de Waremme 54, Marc Claerhout, wonende te 8500 Kortrijk, Condédreef 127, Philip Van Hamme, wonende te 8310 Brugge, Astridlaan 112, en Jérôme Aoust, wonende te 7021 Havré, rue Salvador Allende

  1. De Ministerraad heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 21 oktober 2008 : - zijn verschenen : . Mr. C. Flamend, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; . Mr. L. Schellekens, tevens loco Mr. D. D’Hooghe, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers T. Merckx-Van Goey en P. Martens verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A– A.
  2. In het enige middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, door artikel 15 van de wet van 15 mei 2007 op de Algemene Inspectie en houdende diverse bepalingen betreffende de rechtspositie van sommige leden van de politiediensten (hierna : de Wet op de Algemene Inspectie). Dat middel valt uiteen in vier onderdelen. 3 Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.2.
  3. De Ministerraad voert aan dat de verzoekende partijen niet doen blijken van het rechtens vereiste belang. Ten aanzien van de eerste verzoekende partij, een representatieve vakorganisatie, werpt de Ministerraad op dat zij niet kan optreden om een bepaling vernietigd te zien die enkel van toepassing is op personeelsleden van de Algemene Inspectie, terwijl de eerste verzoekende partij tevens de representatieve vakorganisatie is van de personeelsleden van de lokale en de federale politie. Bijgevolg zou het belang van de eerste verzoekende partij beperkt zijn tot de belangen van sommige van haar individuele leden. A.2.
  4. De tweede verzoeker doet volgens de Ministerraad niet blijken van het rechtens vereiste belang aangezien hij hoofdcommissaris van politie is en de functie van adjunct-diensthoofd Directie Audit en Inspectie bij de Algemene Inspectie bekleedt. De derde, de vierde en de vijfde verzoekende partijen zouden niet doen blijken van het rechtens vereiste belang, aangezien zij momenteel met vakbondsverlof zijn, zodat hun bevoegdheden van agent van gerechtelijke politie of officier van gerechtelijke politie zijn opgeschort. A.3.
  5. De verzoekende partijen wijzen erop dat de tweede verzoeker door middel van een voorlopige maatregel op grond van artikel 22 van de Wet op de Algemene Inspectie vanuit de Algemene Inspectie werd teruggezonden naar de federale politie, waar hij hoofdcommissaris is. Hij kan bijkomend het voorwerp uitmaken van een voorafgaand onderzoek, dat op grond van de bestreden bepaling kan worden uitgevoerd door een personeelslid van de Algemene Inspectie dat niet met dezelfde graad is bekleed. Daarnaast wijzen de verzoekende partijen erop dat de derde, de vierde en de vijfde verzoekende partij personeelsleden zijn van de federale en van de lokale politie. Het feit dat zij met vakbondsverlof zijn, heeft volgens de verzoekende partijen niet tot gevolg dat het verzoekschrift wat hen betreft onontvankelijk is, daar dat vakbondsverlof steeds een einde kan nemen. Wat de derde verzoeker betreft, doen zij bovendien gelden dat die voor een functie heeft gekandideerd die, indien hij in aanmerking wordt genomen, tot gevolg zou hebben dat zijn vakbondsverlof meteen een einde neemt. A.3.
  6. Wat de eerste verzoekende partij betreft, betogen de verzoekende partijen dat het belang van de representatieve vakorganisatie voortvloeit uit het feit dat haar leden rechtstreeks en ongunstig in hun belangen worden geraakt. Ten aanzien van het eerste onderdeel van het middel A.
  7. In het eerste onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen aan dat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden doordat personeelsleden van de lokale en de federale politie tegen wie een voorafgaand onderzoek loopt waarmee de minister van Binnenlandse Zaken de Algemene Inspectie heeft belast, worden benadeeld ten opzichte van de personeelsleden tegen wie een voorafgaand onderzoek loopt volgens de normale procedure. Volgens de verzoekende partijen kan immers alleen de eerste categorie van personeelsleden worden geconfronteerd met een onderzoeker die met een lagere rang is bekleed dan zijzelf. A.5.
  8. Volgens de Ministerraad zijn de leden van de Algemene Inspectie niet vergelijkbaar met de leden van de federale en van de lokale politie, omdat de Algemene Inspectie geen politiedienst is, maar een aan de politiediensten extern controleorgaan. De onafhankelijkheid van de Algemene Inspectie zou ook blijken uit het feit dat zij onder gezag staat van de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken. A.5.
  9. Volgens de verzoekende partijen zijn de leden van de Algemene Inspectie vergelijkbaar met de leden van de federale en van de lokale politie, omdat het uitgangspunt bij de politiehervorming was dat het statuut van alle personeelsleden van de politiediensten gelijk moet zijn. A.6.
  10. De verzoekende partijen zetten uiteen dat een onderzoek voorafgaand aan een tuchtonderzoek tegen personeelsleden van de lokale of van de federale politie in beginsel wordt gevoerd door een personeelslid dat minstens is bekleed met een graad die gelijkwaardig is met de graad van het personeelslid dat het voorwerp van de procedure uitmaakt. 4 Slechts indien de tuchtoverheid of de tuchtraad van oordeel zijn dat er ernstige redenen zijn om een onderzoek niet toe te vertrouwen aan de hiërarchische overheid, kan zij daarvoor een beroep doen op de Algemene Inspectie van de federale politie en de lokale politie. Die ernst van de aangevoerde redenen wordt door de minister van Binnenlandse Zaken beoordeeld. A.6.
  11. De verzoekende partijen zijn van mening dat de personeelsleden tegen wie een voorafgaand onderzoek wordt gevoerd door de Algemene Inspectie, en die worden geconfronteerd met een onderzoeker van een lagere rang, worden benadeeld, doordat een personeelslid dat met een hogere rang is bekleed, doorgaans over meer kwaliteiten, een hogere anciënniteit, een betere opleiding en meer ervaring beschikt. A.7.
  12. Volgens de Ministerraad zijn de in de bestreden bepalingen vervatte maatregelen verantwoord in het licht van het statuut van de Algemene Inspectie en de belangrijke bevoegdheden die haar door de wetgever zijn toevertrouwd. De Algemene Inspectie zou het enige orgaan zijn dat ten dienste van de Regering op doeltreffende en flexibele wijze een onderzoek kan voeren naar aanleiding van een bijzondere gebeurtenis, dat op het terrein de informatie rechtstreeks in kan winnen, en dat een klacht kan analyseren. Dit alles dient volgens hem te gebeuren met de nodige professionele kennis en met de garantie van onpartijdigheid, twee vereisten die onontbeerlijk zijn voor een democratische controle op de politie. In het licht van die bevoegdheden is het volgens de Ministerraad redelijk verantwoord aan de personeelsleden van de Algemene Inspectie de bevoegdheden toe te kennen om alle handelingen te stellen die voortvloeien uit het vervullen van hun opdracht ten aanzien van de federale en de lokale politiediensten, waaronder de bevoegdheden nodig voor het uitoefenen van een voorafgaand onderzoek. A.7.
  13. De Ministerraad betoogt voorts dat het door de verzoekende partijen aangevochten onderscheid niet voortvloeit uit de bestreden bepaling, maar uit artikel 27 van de wet van 13 mei 1999, dat de leden van de Algemene Inspectie, ongeacht hun graad, de bevoegdheid verleent om op te treden in het kader van tuchtprocedures tegen leden van de lokale en de federale politie. A.7.
  14. Bovendien voert de Ministerraad aan dat de leden van de Algemene Inspectie niet organiek tot een politiedienst behoren, en dat zij met de nodige afstand een materiële steun voor de tuchtoverheid kunnen betekenen, zonder zelf evenwel over een tuchtbevoegdheid te beschikken. De onafhankelijkheid en de bijzondere opdrachten van de Algemene Inspectie zouden verantwoorden dat aan die instantie een algemene inspectiebevoegdheid werd opgedragen, ongeacht de rang van het personeelslid dat het voorwerp van het onderzoek uitmaakt. Bovendien zou de aan de Algemene Inspectie toevertrouwde bevoegdheid evenredig zijn met de beoogde doelstellingen, aangezien er ernstige redenen dienen te zijn, die door de minister van Binnenlandse Zaken dienen te worden beoordeeld, vooraleer de Algemene Inspectie met het tuchtrechtelijk vooronderzoek kan worden belast. A.7.
  15. Daarnaast wijst de Ministerraad erop dat de titel van lid van de Algemene Inspectie gelijkstaat met de graad van hoofdcommissaris, zodat een lid van de Algemene Inspectie nooit een onderzoek kan voeren tegen iemand die een hogere rang dan hijzelf bekleedt. A.7.
  16. Tot slot wijst de Ministerraad erop dat de bijzondere samenstelling van de Algemene Inspectie voldoende waarborgen biedt tegen onderzoeken van een mindere kwaliteit. Bovendien zou de eindverantwoordelijkheid van elk onderzoek bij de inspecteur-generaal liggen. Ten aanzien van het tweede onderdeel van het middel A.
  17. In het tweede onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen aan dat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden doordat onderzoekers die deel uitmaken van de lokale of de federale politie, bekleed dienen te zijn met minstens dezelfde graad als die van het personeelslid tegen wie ze een onderzoek voeren, terwijl onderzoekers die tot de Algemene Inspectie behoren, door de bestreden bepaling van die verplichting worden ontslagen. 5 A.
  18. De verzoekende partijen betogen dat een personeelslid van de Algemene Inspectie slechts optreedt in de meest delicate onderzoeken, terwijl een personeelslid van de lokale en de federale politie in beginsel met minder delicate onderzoeken wordt belast. Zij zijn van mening dat de bestreden bepaling in het licht van die vaststelling ten onrechte het hiërarchische principe doorbreekt ten gunste van onderzoekers van de Algemene Inspectie. A.10.
  19. De Ministerraad voert aan dat het bestreden onderscheid niet voortvloeit uit de bestreden bepaling, maar uit artikel 27 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten. A.10.
  20. Voor het overige verwijst de Ministerraad naar de argumenten die hij hanteerde bij de weerlegging van het eerste onderdeel. Ten aanzien van het derde onderdeel van het middel A.
  21. In het derde onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen aan dat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden doordat de bestreden bepaling de hoedanigheid van « officier van gerechtelijke politie » en van « hulpofficier van de procureur des Konings » toekent aan elk lid van de Algemene Inspectie, terwijl personeelsleden van de lokale en de federale politie minstens hoofdinspecteur of commissaris van politie dienen te zijn om die hoedanigheid te kunnen hebben. A.12.
  22. De verzoekende partijen zetten uiteen dat elk personeelslid van de Algemene Inspectie ingevolge de bestreden bepaling alle opdrachten waarin het ruim gestelde artikel 5 van de Wet op de Algemene Inspectie voorziet, mag uitvoeren. De bestreden bepaling beperkt die bevoegdheid niet, zodat die bevoegdheid volgens de verzoekende partijen ook opdrachten omvat die de hoedanigheid van « officier van gerechtelijke politie » of van « hulpofficier van de procureur des Konings » vereisen, zelfs indien het personeelslid van de Algemene Inspectie in kwestie die hoedanigheid niet heeft. A.12.
  23. Volgens de verzoekende partijen kan de hoedanigheid van « officier van gerechtelijke politie » of van « hulpofficier van de procureur des Konings » binnen de lokale en de federale politie enkel worden toegekend aan personeelsleden van het basiskader krachtens twee uitdovende overgangsregelingen, terwijl bij de Algemene Inspectie elk personeelslid automatisch die titels mag voeren. A.
  24. De Ministerraad ziet niet in hoe de bestreden bepaling aan elk lid van de Algemene Inspectie de titel van « officier van gerechtelijke politie » of van « hulpofficier van de procureur des Konings » zou toekennen. Die hoedanigheden zouden enkel op grond van andere bepalingen worden toegekend. A.
  25. Daarnaast wijst de Ministerraad erop dat artikel 5 van de Wet op de Algemene Inspectie, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren, alleen betrekking heeft op niet-gerechtelijke opdrachten, zodat er op basis van die bepaling geen gelijkstelling kan zijn met de officieren van gerechtelijke politie of van hulpofficieren van de procureur des Konings. Ten aanzien van het vierde onderdeel van het middel A.
  26. In het vierde onderdeel van het middel betogen de verzoekende partijen dat er geen redelijke verantwoording bestaat voor het in de eerste drie onderdelen gemaakte onderscheid. De verzoekende partijen wijzen op de verklaring in de parlementaire voorbereiding die inhoudt dat de graad van hoofdcommissaris wordt toegekend aan alle personeelsleden van de Algemene Inspectie omdat de Algemene Inspectie over een gering aantal effectieven beschikt. Zij zijn van mening dat die verklaring niet volstaat om het in de eerste drie onderdelen gemaakte onderscheid te verantwoorden. A.
  27. De verzoekende partijen zijn van mening dat overbelasting van de Algemene Inspectie overigens wordt vermeden doordat het toevertrouwen van voorafgaande onderzoeken aan de Algemene Inspectie een uitzonderlijke situatie is, en doordat de Algemene Inspectie zou kunnen weigeren om een voorafgaand onderzoek te voeren. 6 Bovendien zou de geringe personeelsbezetting volgens hen nog geen aanleiding hebben gegeven tot problemen, en zou het aantal personeelsleden van de Algemene Inspectie de laatste jaren sterk zijn uitgebreid. A.
  28. Volgens de Ministerraad is dat onderdeel van het middel onontvankelijk, aangezien de verzoekende partijen zich geenszins beroepen op een beweerde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en evenmin aangeven tussen welke categorieën er een ongelijke behandeling zou bestaan. A.
  29. Daarnaast is de Ministerraad van mening dat de toekenning van de graad van hoofdcommissaris aan de leden van de Algemene Inspectie redelijk verantwoord is. De parlementaire voorbereiding zou daarvoor immers niet alleen verwijzen naar de geringe personeelsbezetting, maar eveneens naar het feit dat zo kan worden vermeden dat de leden van de Algemene Inspectie een onderzoek voeren tegen personen die met een hogere graad dan zijzelf bekleed zijn. Overigens zou de Algemene Inspectie niet kunnen weigeren een voorafgaand onderzoek te voeren. -B– Ten aanzien van het belang B.
  30. Wat de eerste verzoekende partij betreft, werpt de Ministerraad op dat haar belang beperkt zou zijn tot de belangen van haar individuele leden. Wat de tweede verzoeker betreft, voert de Ministerraad aan dat deze deel uitmaakt van de « Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie » (hierna : de Algemene Inspectie). Wat de derde, de vierde en de vijfde verzoekende partij betreft, voert de Ministerraad aan dat zij momenteel met vakbondsverlof zijn, zodat hun bevoegdheden van agent van gerechtelijke politie of officier van gerechtelijke politie zijn opgeschort. B.2.
  31. De tweede verzoeker werd door middel van een voorlopige maatregel op grond van artikel 22 van de wet van 15 mei 2007 op de Algemene Inspectie en houdende diverse bepalingen betreffende de rechtspositie van sommige leden van de politiediensten (hierna : de Wet op de Algemene Inspectie) vanuit de Algemene Inspectie teruggezonden naar de federale politie, waar hij hoofdcommissaris is. Hij kan bijkomend het voorwerp uitmaken van een voorafgaand onderzoek. Bijgevolg doet de tweede verzoeker blijken van het rechtens vereiste belang. B.2.
  32. Aangezien het beroep ontvankelijk is wat de tweede verzoekende partij betreft is het niet nodig het belang van de eerste, de derde, de vierde en de vijfde verzoekende partij te onderzoeken. 7 Ten gronde B.3.
  33. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van artikel 15 van de Wet op de Algemene Inspectie, dat bepaalt : « De personeelsleden van de Algemene Inspectie dragen de titel van ‘ Lid van de Algemene Inspectie ’ wat hen de bevoegdheid verleent tot het uitvoeren van alle plichten die voortvloeien uit het vervullen van hun opdrachten ten aanzien van de personen bepaald in artikel 5, hierin begrepen de opdrachten die kunnen voortvloeien uit de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, wat ook hun graad en functie weze ». B.3.
  34. In de parlementaire voorbereiding wordt betreffende de bestreden bepaling het volgende uiteengezet : « Deze wet heeft tot doel de onafhankelijkheid van de Algemene Inspectie te garanderen. Er dient overigens vermeden te worden dat er discrepanties zouden optreden in de teksten die de onafhankelijkheid van de diverse controleorganen verzekeren. Het toewijzen van de titel van ‘ Lid van de Algemene Inspectie ’ is een middel om de functies binnen de inspectie te valoriseren en dit vooral ten opzichte van de lokale en federale politiebeambten evenals van de administratieve en gerechtelijke overheden waarmee de leden van de inspectie in contact treden. Het artikel 10 van het Koninklijk Besluit van 26 november 2001 ter uitvoering van de Wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut bepaalt dat het onderzoek voorafgaandelijk aan een tuchtprocedure toevertrouwd moet worden aan een personeelslid dat tenminste bekleed is met een gelijkwaardige graad waarmee het personeelslid dat het voorwerp van de procedure uitmaakt, is bekleed. Teneinde aan deze vereiste te kunnen voldoen en gezien het geringe aantal effectieven waarover de inspectie beschikt, is het noodzakelijk om aan de leden van de Algemene Inspectie deze titel die gelijkwaardig is aan de graad van hoofdcommissaris te verlenen » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2947/002, p. 29). B.
  35. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, doordat zij toelaat dat een aan een tuchtonderzoek voorafgaand onderzoek kan worden gevoerd door een onderzoeker die met een lagere graad is bekleed dan de politieambtenaar die het voorwerp van dat voorafgaand onderzoek uitmaakt. Volgens de verzoekende partijen schendt die gang van zaken het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie op twee manieren : enerzijds zou een personeelslid naar wie een voorafgaand onderzoek wordt gevoerd door de Algemene Inspectie, het risico lopen te 8 worden geconfronteerd met een onderzoeker met een lagere anciënniteit, minder ervaring en een geringere opleiding, terwijl een personeelslid naar wie een voorafgaand onderzoek wordt gevoerd door een lid van de lokale of de federale politie, dat risico niet zou lopen; anderzijds zou een onderzoeker verbonden aan de lokale of de federale politie, die met minder delicate onderzoeken wordt belast, steeds minstens dezelfde graad dienen te bekleden als de persoon die het voorwerp van het voorafgaand onderzoek uitmaakt, terwijl een onderzoeker binnen de Algemene Inspectie, die doorgaans met delicatere onderzoeken wordt belast, van die vereiste zou zijn vrijgesteld. B.5.
  36. De Ministerraad werpt op dat de personeelsleden van de federale en de lokale politie onvoldoende vergelijkbaar zijn met de personeelsleden van de Algemene Inspectie, aangezien de Algemene Inspectie een orgaan extern aan de politiediensten is. B.5.
  37. Zoals ook blijkt uit artikel 2 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna : de Tuchtwet), betrof één van de uitgangspunten van de politiehervorming de vereiste dat het statuut van alle ambtenaren van het operationeel kader en van het administratief en logistiek kader van de politiediensten en de algemene inspectie zoveel mogelijk diende te worden gelijkgeschakeld. Bijgevolg zijn de personeelsleden van de lokale en de federale politie, enerzijds, en de personeelsleden van de Algemene Inspectie, anderzijds, voldoende vergelijkbaar. B.6.
  38. Krachtens artikel 10 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 tot uitvoering van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten wordt het aan de tuchtprocedure voorafgaand onderzoek naar een politieambtenaar in beginsel toevertrouwd aan een personeelslid dat is bekleed met ten minste dezelfde graad als de graad waarmee het personeelslid dat het voorwerp van de procedure uitmaakt, is bekleed. B.6.
  39. Artikel 27 van de Tuchtwet bepaalt evenwel : « Indien de tuchtoverheid of de tuchtraad van oordeel is dat er ernstige redenen zijn om een onderzoek, onder andere in het raam van de procedures bedoeld in de artikelen 26, 32, 38 en 49, derde lid, niet toe te vertrouwen aan de hiërarchische overheid, kan zij daarvoor een beroep doen op de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie. Elk geschil betreffende de grondslag van de ernstige redenen opgeroepen om de algemene 9 inspectie te vorderen, wordt voorgelegd, voor definitieve beslissing, aan de minister van Binnenlandse Zaken ». B.
  40. De wetgever vermocht redelijkerwijze te oordelen dat het in bepaalde omstandigheden verkieslijk is het voorafgaand onderzoek te laten voeren door een instantie die organiek niet tot de politiediensten behoort, en die zich zodoende met de nodige afstand van die opdracht kan kwijten. Eveneens vermocht de wetgever redelijkerwijze te oordelen dat de Algemene Inspectie het meest geschikte orgaan is om dat voorafgaand onderzoek te voeren. Luidens artikel 5 van de Wet op de Algemene Inspectie heeft die instantie immers tot taak te waken over « het optimaliseren van het functioneren van de federale politie en de lokale politie evenals van hun componenten ». De Algemene Inspectie kan bijgevolg een werkelijke materiële steun bieden aan de tuchtoverheid, met name inzake het voeren van het voorafgaand onderzoek of het opstellen van een inleidend verslag (Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 1965/1, p. 14). B.
  41. De maatregel staat bovendien in verband met de door de wetgever nagestreefde doelstelling. De Algemene Inspectie kan immers niet ambtshalve een onderzoek uitvoeren, maar treedt slechts op indien zij daartoe wordt verzocht door de tuchtoverheid, die daartoe bovendien ernstige redenen dient te hebben. Indien hieromtrent een geschil ontstaat, neemt de minister van Binnenlandse Zaken de definitieve beslissing. Daarnaast dient elke kandidaat voor de functie van lid van de Algemene Inspectie krachtens artikel 10, § 1, van de Wet op de Algemene Inspectie aan strenge criteria te voldoen om te kunnen worden benoemd. De kandidaat dient met name van onberispelijk gedrag te zijn, te beantwoorden aan het opgelegde profiel, te slagen voor de voorgeschreven selectieproeven en nuttig te zijn gerangschikt. Die strenge selectiecriteria waarborgen de kwaliteit van het voorafgaand onderzoek. Bovendien oefent de Algemene Inspectie, indien toepassing wordt gemaakt van artikel 27 van de Tuchtwet, zelf geen tuchtbevoegdheid uit. De in de artikelen 19 en 20 van de Tuchtwet bedoelde organen behouden hun tuchtbevoegdheid, terwijl de rol van de Algemene Inspectie zich beperkt tot het bieden van een materiële hulp bij het onderzoek. 10 B.
  42. In zoverre het middel een ongelijkheid van behandeling aanvoert tussen, enerzijds, de personeelsleden van de federale en de lokale politie en, anderzijds, de personeelsleden van de Algemene Inspectie, is het ongegrond. B.
  43. Daarnaast verwijten de verzoekende partijen de bestreden bepaling dat zij elk lid van de Algemene Inspectie de bevoegdheid geeft alle opdrachten uit te voeren die zijn omschreven in artikel 5 van de Wet op de Algemene Inspectie, waardoor het volgens de verzoekende partijen de facto de bevoegdheden van een « officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings » zou hebben. Zodoende zouden de personeelsleden van de geïntegreerde politie die niet tot de Algemene Inspectie behoren, worden gediscrimineerd, aangezien zij minstens tot het middenkader of het officierskader dienen te behoren om die hoedanigheid te hebben, terwijl leden van de Algemene Inspectie die hoedanigheid zouden bezitten ongeacht de graad die ze bij de geïntegreerde politie bekleden. B.
  44. Artikel 5 van de Wet op de Algemene Inspectie bepaalt : « De Algemene Inspectie, als van de politiediensten onafhankelijk controleorgaan dat ressorteert onder de uitvoerende macht, waakt over het optimaliseren van het functioneren van de federale politie en de lokale politie evenals van hun componenten, en dit met respect voor de democratie en de bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden. De personeelsleden zijn, onder het gezag en de leiding van de Inspecteur-generaal en de adjuncten-Inspecteur-generaal, belast met taken met betrekking tot de bevoegdheden die aan de Algemene Inspectie zijn toegekend. De Algemene Inspectie onderzoekt de werking, activiteiten en de werkwijzen van de politiediensten. Zij gaat in het bijzonder de toepassing na van de wetten, verordeningen, bevelen, onderrichtingen en richtlijnen, alsook van de normen en standaarden. Zij neemt deel aan de definiëring, het naleven en de actualisering van de politionele deontologie. Zij onderzoekt regelmatig de efficiëntie en de doeltreffendheid van de federale politie en van de korpsen van de lokale politie, onverminderd de interne procedures van die diensten. De Algemene Inspectie oefent haar bevoegdheden uit betreffende de evaluatie en de opleiding van het personeel ». 11 B.
  45. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren, kent die bepaling de leden van de Algemene Inspectie niet de bevoegdheden van een « officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings » toe. In zoverre het middel op die bewering steunt, is het bijgevolg niet gegrond. 12 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 18 december
  46. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.186 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.