id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 15 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.008 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090115.7 Arrest- Rolnummer: 8/2009 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-01-19 Raadplegingen: 583 - laatst gezien 2026-07-02 22:52 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof - vernietigt artikel 28, § 3, tweede lid, van de wet van 15 mei 2007 betreffende de vergoeding van schade als gevolg van gezondheidszorg; - verwerpt het beroep voor het overige. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van afdeling 4 (« Betaling en verdeelsleutel ») van hoofdstuk VI van de wet van 15 mei 2007 betreffende de vergoeding van schade als gevolg van gezondheidszorg, en van de wet van 15 mei 2007 met betrekking tot de regeling van de geschillen in het kader van de wet van 15 mei 2007 betreffende de vergoeding van schade als gevolg van gezondheidszorg, ingesteld door de onderlinge verzekeringsonderneming « Algemene Mutualiteit voor Medische Assuranties ». Verzekeringsrecht - Medische aansprakelijkheid - Vergoeding van de schade als gevolg van gezondheidszorg - 1. Verzekerde zorgverlener - Verdeling van de vergoeding tussen het Fonds voor de vergoeding van ongevallen bij gezondheidszorg en de verzekeringsonderneming - Vastlegging van de verdeelsleutel - Machtiging aan de Koning - 2. Niet verzekerde zorgverlener - Vergoeding door het Gemeenschappelijk Waarborgfonds - Financiering - Bijdrageplicht van verzekeringsondernemingen - Wettigheidsbeginsel - 3. Geschillen - Arbitraal college # Rechten en vrijheden - 1. Eigendomsrecht - Beperkingen - Evenredigheidsvereiste - 2. Jurisdictionele waarborgen - Recht op toegang tot de rechter. Wettelijke bepalingen: Wet - 15-05-2007 - 53 ELI link Pub nr 2007022996 Wet - 15-05-2007 - 28,§3,L2 - 52 ELI link Pub nr 2007023065 Tekst van de beslissing Rolnummer 4406 Arrest nr. 8/2009 van 15 januari 2009 In zake : het beroep tot vernietiging van afdeling 4 (« Betaling en verdeelsleutel ») van hoofdstuk VI van de wet van 15 mei 2007 betreffende de vergoeding van schade als gevolg van gezondheidszorg, en van de wet van 15 mei 2007 met betrekking tot de regeling van de geschillen in het kader van de wet van 15 mei 2007 betreffende de vergoeding van schade als gevolg van gezondheidszorg, ingesteld door de onderlinge verzekeringsonderneming « Algemene Mutualiteit voor Medische Assuranties ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 3 januari 2008 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 4 januari 2008, heeft de « Algemene Mutualiteit voor Medische Assuranties », met zetel te 1000 Brussel, Renaissancelaan 12/1, beroep tot vernietiging ingesteld van afdeling 4 (« Betaling en verdeelsleutel ») van hoofdstuk VI van de wet van 15 mei 2007 betreffende de vergoeding van schade als gevolg van gezondheidszorg, en van de wet van 15 mei 2007 met betrekking tot de regeling van de geschillen in het kader van de wet van 15 mei 2007 betreffende de vergoeding van schade als gevolg van gezondheidszorg (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 juli 2007). De Ministerraad heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 19 november 2008 : - zijn verschenen : . Mr. J.-M. De Smet, advocaat bij de balie te Brussel, en Mr. L. Schuermans, advocaat bij de balie te Turnhout, voor de verzoekende partij; - hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en R. Henneuse verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de eerste wet van 15 mei 2007 Eerste middel A.1. De verzoekende partij vordert de gedeeltelijke vernietiging van afdeling 4 (« Betaling en verdeelsleutel ») van hoofdstuk VI van de wet van 15 mei 2007 betreffende de vergoeding van schade als gevolg van gezondheidszorg (hierna : de eerste wet van 15 mei 2007). Het eerste middel is gericht tegen artikel 26, § 2, van de voormelde wet. Op grond van die bepaling wordt het bedrag van de te betalen vergoedingen verdeeld tussen het Fonds voor de vergoeding van ongevallen bij gezondheidszorg (hierna : het Fonds) en de betrokken verzekeringsonderneming volgens de nadere regels, bepaald door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van het Fonds. 3 Die bepaling schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat zij een verschil in behandeling tussen het Fonds en de verzekeringondernemingen invoert dat niet objectief en redelijk kan worden verantwoord. Dat verschil in behandeling sorteert tevens onevenredige gevolgen. De verzoekende partij voert aan dat een verzekeringsonderneming niet over de onbeperkte financiële middelen beschikt waarover het Fonds zal beschikken via de Staat en het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering. Bovendien wordt de verdeelsleutel van het bedrag van de vergoedingen vastgesteld na uitsluitend advies van het Fonds, dat zelf betalende partij is en waarin slechts drie van de zeventien leden de verzekeringsmaatschappijen vertegenwoordigen. Ten slotte wordt aan de Koning een te ruime beoordelingsbevoegdheid toegekend wat betreft het bepalen van de verdeling van het bedrag van de vergoedingen. Dat willekeurige verschil in behandeling van het Fonds en de verzekeringsondernemingen schendt tevens het rechtszekerheidsbeginsel. A.2. De Ministerraad wijst erop dat het Fonds een staatsdienst met afzonderlijk beheer is, zonder eigen rechtspersoonlijkheid. Het onderscheidt zich bijgevolg op objectieve wijze van de verzekeringsondernemingen. De eerste wet van 15 mei 2007 strekt ertoe in een betere vergoeding van de slachtoffers van schade als gevolg van gezondheidszorg te voorzien door middel van een stelsel dat de zorgverleners niet ertoe dwingt een defensieve houding aan te nemen die schadelijk kan zijn voor de kwaliteit van de gezondheidszorg. Wat de grief van de verzoekende partij betreft dat de verdeelsleutel van de bijdragen van het Fonds, enerzijds, en van de verzekeringsonderneming van de betrokken zorgverlener, anderzijds, nog door de Koning moet worden vastgesteld, betoogt de Ministerraad dat de verzoekende partij bezwaarlijk kan vooruitlopen op de inhoud van de vast te leggen verdeelsleutel. Er dient immers te worden aangenomen dat de Koning een grondwetsconform gebruik zal maken van de bevoegdheden die de wet Hem toekent. Wanneer zou blijken dat zulks niet het geval is, kan de verzoekende partij bij de Raad van State de nietigverklaring van het aan te nemen koninklijk besluit vorderen. Uit het feit dat enkel het Fonds - met uitsluiting van de verzekeringsondernemingen - zal worden geraadpleegd bij het aan te nemen koninklijk besluit en uit het feit dat de verzekeringsondernemingen slechts drie vertegenwoordigers op een totaal van zeventien leden hebben, kan geen schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie worden afgeleid. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet verplichten de wetgever immers niet om iedere persoon die onder het toepassingsgebied van de wet valt, zitting te laten nemen in een bij die wet ingericht adviserend orgaan (arrest nr. 154/2007). Er bestaat evenmin een recht dat krachtens de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zonder discriminatie moet worden gewaarborgd, om zitting te nemen in een orgaan dat niet-bindende adviezen aan de overheid verstrekt (arrest nr. 140/2007). De Ministerraad merkt nog op dat het Fonds uitsluitend door openbare middelen wordt gefinancierd, zodat de overheid bijdraagt in het vergoeden van slachtoffers van schade als gevolg van gezondheidszorg, toegebracht door een verzekerde zorgverlener, terwijl die vergoeding integraal ten laste van de verzekeraar van de betrokken zorgverlener kon worden gelegd. Bijgevolg kan de ruime beoordelingsbevoegdheid die aan de Koning wordt gelaten om de verdeelsleutel vast te leggen, geen kennelijk onevenredige gevolgen hebben. Ten slotte geeft de verzoekende partij niet aan en ziet de Ministerraad niet in op welke wijze aan het rechtszekerheidsbeginsel afbreuk zou worden gedaan. A.3. De verzoekende partij antwoordt dat de vraag niet is op welke wijze het Fonds zich van een verzekeringsonderneming onderscheidt, maar wel of voor het verschil in behandeling tussen beide een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. De Ministerraad gaat niet in op de grief van de verzoekende partij volgens welke een discriminerend verschil in behandeling wordt ingevoerd tussen grote financiële verzekeringsgroepen en de in medische aansprakelijkheid gespecialiseerde verzekeringsondernemingen, die niet over dezelfde middelen beschikken. Dat verschil in behandeling werd in het arrest nr. 39/2007 reeds aan de orde gesteld. Dat aan het rechtszekerheidsbeginsel afbreuk wordt gedaan blijkt volgens de verzoekende partij uit het advies van de Raad van State, die opmerkte dat uit het wetsontwerp nergens kan worden afgeleid welke criteria de Koning zal dienen te hanteren om een verdeelsleutel tussen het Fonds en de verzekeringsondernemingen te bepalen. 4 A.4. De Ministerraad repliceert dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift geen middel heeft aangevoerd dat betrekking heeft op een verschil in behandeling tussen grote financiële verzekeringsgroepen en de in medische aansprakelijkheid gespecialiseerde verzekeringsondernemingen. De verzoekende partij vermag niet de draagwijdte van het middel te wijzigen, omdat zij meent een nuttig gebruik van het arrest nr. 39/2007 te kunnen maken. Bovendien kan dat arrest te dezen niet dienstig worden aangevoerd, aangezien de zaak die tot dat arrest aanleiding heeft gegeven volledig verschilt van de zaak die thans aan de orde is. Tweede middel A.5. Het tweede middel, gericht tegen artikel 26, § 4, en artikel 28, § 3, van de eerste wet van 15 mei 2007, is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 16 en 170 van de Grondwet. Het omvat drie onderdelen. Eerste onderdeel A.6. Artikel 26, § 4, en artikel 28, § 3, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Wanneer de zorgverlener geen overeenkomst met een verzekeringsonderneming heeft gesloten, keert het Gemeenschappelijk Waarborgfonds de volledige vergoeding uit, zonder tegemoetkoming van het Fonds voor de vergoeding van ongevallen bij gezondheidszorg. De financiering van het Gemeenschappelijk Waarborgfonds is volledig ten laste van de verzekeringsondernemingen. Dat betekent dat, enerzijds, het Fonds niet tegemoetkomt wanneer geen verzekering is gesloten en dat, anderzijds, de verzekeringsondernemingen, ongeacht hun financiële middelen, zonder waarborglimiet en solidair de patiënt en zijn rechthebbenden dienen te vergoeden. Dat verschil in behandeling van het Fonds en van de verzekeringsondernemingen of van het Gemeenschappelijk Waarborgfonds, die alle tot opdracht hebben de schade te vergoeden die door een zorgverlener werd veroorzaakt, is volgens de verzoekende partij niet objectief en redelijk verantwoord en sorteert onevenredige gevolgen. A.7. De Ministerraad wijst erop dat de wet twee vergoedingsstelsels invoert : indien de zorgverlener is verzekerd, wordt de vergoeding door de betrokken verzekeringsonderneming en door het Fonds betaald; indien de zorgverlener niet is verzekerd, wordt de vergoeding door het Gemeenschappelijk Waarborgfonds betaald. In de beide gevallen wordt de verzoekende partij in haar verplichting tot het betalen van een schadevergoeding bijgestaan : door het Fonds, wanneer de schade door een van haar verzekerden is veroorzaakt of door de andere betrokken verzekeringsondernemingen, wanneer de schade door een niet verzekerde zorgverlener is veroorzaakt. De Ministerraad herinnert eraan dat het door de verzoekende partij bekritiseerde stelsel niet uniek is. Hij verwijst naar de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, waarin eveneens in een Gemeenschappelijk Waarborgfonds is voorzien. Ten slotte gaat de verzoekende partij volledig voorbij aan hetgeen in artikel 30, § 4, van de eerste wet van 15 mei 2007 is bepaald. Daaruit blijkt dat het Gemeenschappelijk Waarborgfonds niet enkel met de door de verzekeringsondernemingen gestorte bijdragen zijn opdracht zal vervullen, maar ook dat verschuldigde en niet betaalde premies van niet verzekerde zorgverleners zullen kunnen worden geïnd. A.8. De verzoekende partij antwoordt dat de verwijzing naar de wet van 21 november 1989 niet opgaat, vermits die wet in de regel een onbeperkte aansprakelijkheidsdekking heeft ingevoerd. Bovendien heeft de wetgever inzake aansprakelijkheid voor motorrijtuigen geen vergoedingsplicht aan de overheid opgelegd. Wat de verwijzing door de Ministerraad naar artikel 30, § 4, van de eerste wet van 15 mei 2007 betreft, merkt de verzoekende partij op dat die bepaling in een aanrekening van de premie a posteriori voorziet. Zulk een stelsel spoort de zorgverlener of de verzorgingsinstelling niet aan om zich te verzekeren. Overigens kent de bestreden wet - anders dan de wet van 21 november 1989 - geen regresrecht toe voor de uitgaven van het Gemeenschappelijk Waarborgfonds tegen de niet verzekerde zorgverlener. A.9. De Ministerraad repliceert dat uit artikel 30 van de eerste wet van 15 mei 2007 het tegendeel blijkt van wat de verzoekende partij beweert. Uit die bepaling blijkt dat de zorgverlener geen enkel voordeel uit zijn niet-verzekering haalt, wel integendeel. De ontstentenis van een regresrecht wordt, behalve in het geval van opzet of van zware fout, verklaard door het feit dat de verplichting tot vergoeding thans losstaat van het bewijs van een fout van de zorgverlener. 5 Tweede onderdeel A.10. Artikel 28, § 3, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 28, § 1, schendt artikel 16 van de Grondwet. De verplichting voor de verzekeringsondernemingen om solidair in te staan voor de financiering van het Gemeenschappelijk Waarborgfonds vormt volgens de verzoekende partij een onteigening zonder billijke en voorafgaande schadeloosstelling. A.11. De Ministerraad betoogt dat een verplichting tot betaling van een geldsom geenszins met een onteigening kan worden gelijkgesteld. Er anders over oordelen zou tot de onaanvaardbare conclusie leiden dat zulk een verplichting met een billijke en voorafgaande schadeloosstelling gepaard zou dienen te gaan. A.12. De verzoekende partij antwoordt dat geen enkel redelijk verband bestaat tussen, enerzijds, de verplichting van de betrokken verzekeringsondernemingen om via het Gemeenschappelijk Waarborgfonds, alleen de last te dragen voor de schade, veroorzaakt door niet verzekerde zorgverleners, en, anderzijds, de behartiging van het algemeen belang. Derde onderdeel A.13. Artikel 28, § 3, tweede lid, schendt het legaliteitsbeginsel, neergelegd in artikel 170 van de Grondwet. De bijdrageplicht is volgens de verzoekende partij een belasting waarvan de essentiële bestanddelen door de wetgever - en niet door de Koning - dienen te worden vastgesteld. A.14. De Ministerraad stelt dat uit de weerlegging van het eerste onderdeel reeds is gebleken dat van een loutere verplichting tot het bijdragen aan de werkingskosten van het Gemeenschappelijk Waarborgfonds geen sprake is. In werkelijkheid treden de betrokken verzekeringsondernemingen hier gezamenlijk op als één verzekeraar, aangezien zij, met terugwerkende kracht, de verzekeringspremies zullen kunnen innen. Bovendien kunnen administratieve geldboetes worden opgelegd. Daaruit blijkt dat de verplichte bijdrage aan de kosten van het Gemeenschappelijk Waarborgfonds geenszins een belasting is, doch veeleer een provisie op toekomstige kosten. Via het Gemeenschappelijk Waarborgfonds zullen de betrokken verzekeringsondernemingen op dezelfde wijze optreden als in het geval waarin de zorgverlener is verzekerd : zij innen de premies en betalen de vergoedingen. A.15. De verzoekende partij antwoordt dat de Raad van State heeft opgemerkt dat de verplichte bijdragen voor de verzekeringsondernemingen ter financiering van het Gemeenschappelijk Waarborgfonds belastingen in de zin van artikel 170 van de Grondwet zijn en bijgevolg door de wetgever moeten worden vastgesteld. Overigens gaat de Ministerraad ten onrechte uit van de zienswijze dat de retroactieve inning van de verzekeringspremies de financiering van de uit te betalen vergoedingen zal dekken. A.16. De Ministerraad repliceert dat het bestreden artikel 28 geenszins een belasting invoert. In tegenstelling tot een belasting is te dezen geen sprake van het louter innen van een bijdrage ten voordele van de Schatkist, maar van een complex tweeledig stelsel van vergoeding van slachtoffers van schade als gevolg van gezondheidszorg, waarbij de Staat, de zorgverleners en de verzekeringsondernemingen een gedeelte van de last dragen. Uit de vergelijking van de artikelen 28 (Gemeenschappelijk Waarborgfonds) en 31 (Fonds) van de eerste wet van 15 mei 2007 blijkt duidelijk dat de wetgever de bijdragen aan het Fonds wel en de bijdragen aan het Gemeenschappelijk Waarborgfonds niet als een belasting heeft beschouwd. Zo dienen de koninklijke besluiten, bedoeld in artikel 31, bij wet te worden bekrachtigd. In zulk een bekrachtiging is niet voorzien voor de besluiten die op grond van artikel 28 zullen worden aangenomen. Ten aanzien van de tweede wet van 15 mei 2007 A.17. De verzoekende partij vordert de volledige vernietiging van de wet van 15 mei 2007 met betrekking tot de regeling van de geschillen in het kader van de wet van 15 mei 2007 betreffende de vergoeding van schade als gevolg van gezondheidszorg (hierna : de tweede wet van 15 mei 2007). 6 Het middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11, in samenhang gelezen met artikel 144, van de Grondwet. De bestreden wet belast, in geval van onenigheid tussen het Fonds en de verzekeringsonderneming, een college van arbiters ermee de standpunten te verzoenen en, in voorkomend geval, een beslissing te nemen die als de gemeenschappelijke beslissing van het Fonds en van de verzekeringsonderneming wordt beschouwd (artikel 2). Tegen die beslissing van het college van arbiters, alsook tegen de beslissingen van het Gemeenschappelijk Waarborgfonds, staat weliswaar hoger beroep open bij de arbeidsrechtbank, doch dat beroep moet op straffe van verval binnen onderscheiden termijnen worden ingesteld (artikel 3, §§ 1 en 2). Bij ontstentenis van hoger beroep of in geval van afwijzing van dat beroep, verkrijgt de beslissing van het college van arbiters gezag en kracht van gewijsde. Ten gevolge van die bijzondere regeling wordt volgens de verzoekende partij een bepaalde categorie van burgers, namelijk de slachtoffers van schade als gevolg van gezondheidszorg en de verzekeraars van de zorgverleners, uitgesloten van het recht om geschillen over burgerlijke rechten aan de uitsluitende bevoegdheid van de rechtbanken van de rechterlijke orde voor te leggen en zulks vanaf de eerste aanleg. Artikel 144 van de Grondwet verleent aan eenieder een waarborg die niet aan sommigen kan worden ontnomen. De tweede wet van 15 mei 2007 ontneemt aan sommige categorieën van personen - de patiënten en de verzekeringsondernemingen - het recht om betwistingen over de geldelijke vergoeding van schade als gevolg van gezondheidszorg bij een rechtbank aanhangig te maken. Die betwistingen hebben betrekking op rechten en verplichtingen die door de eerste wet van 15 mei 2007 in het leven werden geroepen en zij zijn van burgerlijke aard. Artikel 144 van de Grondwet is erop van toepassing. A.18. De Ministerraad wijst erop dat tegen de beslissing van het college van arbiters hoger beroep bij de arbeidsrechtbank kan worden ingesteld. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij beweert, verbiedt artikel 144 van de Grondwet niet om geschillen eerst aan een college van arbiters voor te leggen, alvorens zich tot de hoven en rechtbanken te kunnen wenden. Zulks geldt des te meer, nu de arbeidsrechtbank over volle rechtsmacht beschikt. A.19. De verzoekende partij antwoordt dat de Ministerraad de verplichtingen verwart die voor de wetgever voortvloeien uit, enerzijds, artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en, anderzijds, artikel 144 van de Grondwet. In tegenstelling tot het voormelde Europees Verdrag, laat de Grondwet niet toe, in een geschil over burgerlijke rechten, de rechtzoekende te verplichten een beroep te doen op een andere jurisdictionele instantie dan een rechtbank van de rechterlijke orde, ook niet in eerste aanleg. A.20. Volgens de Ministerraad zou artikel 144 van de Grondwet enkel kunnen zijn geschonden, wanneer aan de betrokken partijen het recht zou worden ontnomen om het geschil aan een rechtbank voor te leggen. Dat is te dezen geenszins het geval. -B- B.1.1. Het beroep tot vernietiging is ingesteld tegen, enerzijds, artikel 26, §§ 1, 2 en 4, artikel 28, §§ 1 en 3, en artikel 29, § 3, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 betreffende de vergoeding van schade als gevolg van gezondheidszorg (hierna : de eerste wet van 15 mei 2007) en, anderzijds, de wet van 15 mei 2007 met betrekking tot de regeling van de geschillen in het kader van de wet van 15 mei 2007 betreffende de vergoeding van schade als gevolg van gezondheidszorg (hierna : de tweede wet van 15 mei 2007). 7 B.1.2. De bestreden artikelen van de eerste wet van 15 mei 2007, opgenomen in afdeling 4 (« Betaling en verdeelsleutel ») van hoofdstuk VI, bepalen : « Art. 26. § 1. De toegekende vergoedingen dienen betaald te worden door de verzekeringsonderneming en het Fonds [voor de vergoeding van ongevallen bij gezondheidszorg], elk voor hun deel, overeenkomstig de verdeelsleutel vastgelegd in § 2. § 2. Het bedrag van de vergoedingen wordt verdeeld tussen het Fonds en de betrokken verzekeringsonderneming volgens de nadere regels bepaald door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad na advies van het Fonds. […] § 4. Wanneer de zorgverlener geen overeenkomst heeft gesloten met een verzekeringsonderneming met het oog op de toepassing van deze wet, keert het Gemeenschappelijk Waarborgfonds bedoeld in artikel 28 zelf de volledige vergoeding uit, onverminderd de rechten bedoeld in artikel 30 ». « Art. 28. § 1. De Koning creëert en erkent een Gemeenschappelijk Waarborgfonds, onder de door Hem bepaalde voorwaarden en met als opdracht de schade te vergoeden die werd veroorzaakt door een zorgverlener die geen overeenkomst heeft gesloten met een verzekeringsonderneming in overeenstemming met de bepalingen van deze wet. […] § 3. De verzekeringsondernemingen die de verplichte verzekering beoefenen in uitvoering van deze wet zijn hoofdelijk gehouden om aan het Gemeenschappelijk Waarborgfonds de stortingen te doen die nodig zijn voor het volbrengen van haar opdrachten en om haar werkingskosten te dragen. De Koning legt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, jaarlijks de regels vast voor het berekenen van de stortingen die door de verzekeringsondernemingen moeten worden gedaan ». « Art. 29. […] § 3. Het Gemeenschappelijk Waarborgfonds verzekert het secretariaat en het Dagelijks beheer van het Tariferingsbureau ». B.1.3. De tekst van de tweede wet van 15 mei 2007, waarvan de gehele vernietiging wordt gevorderd, is in B.23 weergegeven. 8 Ten aanzien van de context van de bestreden wetten B.2.1. Tijdens de parlementaire voorbereiding werden de krachtlijnen van de bestreden wetten als volgt toegelicht : « De vergoeding van het slachtoffer zal kunnen worden toegekend voor elk ongeval dat een gevolg is van de verlening van zorgen. Het slachtoffer zal dus niet meer de fout van de zorgverlener moeten aantonen. Het zal enkel moeten aantonen dat het schade heeft ondervonden ingevolge een zorgverstrekking. Het is immers noodzakelijk de vergoeding van de medische schade uit de gemeenrechtelijke sfeer te halen, teneinde enerzijds voldoende te kunnen garanderen dat de overheid, met het oog op een effectieve preventie, én de slachtoffers alle relevante informatie inzake medische ongevallen in de instellingen en de praktijken zouden bekomen en anderzijds de bestaande tendens die leidt tot defensieve geneeskunde, te kunnen doorbreken. Het feit dat de schadevergoeding uit de gemeenrechtelijke sfeer wordt gehaald, betekent niet dat de verstrekker volledig wordt geïmmuniseerd » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-3012/001, pp. 8-9). « Concreet kan de procedure voorgesteld door het nieuwe systeem als volgt worden samengevat. De schadevergoeding voor medische fouten zal worden toevertrouwd aan verzekeringsondernemingen, onder controle en toezicht van een Fonds dat met dit doel wordt opgericht. Concreet kan het voorgestelde systeem als volgt schematisch worden voorgesteld : - De patiënt die meent slachtoffer te zijn van vergoedbare schade krachtens dit wetsontwerp, richt zich tot het Fonds. - Dit onderzoekt de aanvraag en stuurt deze door naar de verzekeraar die het bevoegd acht in functie van de betrokken zorgverlener(s). In ieder geval behandelt de verzekeraar die door het Fonds wordt aangeduid op basis van de regels inzake samenloop het dossier, maar het staat hem vrij de eventueel betaalde schadevergoeding later geheel of gedeeltelijk te recupereren bij een andere verzekeraar. - De verzekeraar beslist tussen te komen of weigert zijn tussenkomst met als reden dat er geen schade is. - Hij legt zijn beslissing, onder de vorm van voorstel, voor aan de eiser, die over een termijn beschikt om aan de verzekeraar en het Fonds zijn opmerkingen over dit voorstel kenbaar te maken. - Het voorstel van de verzekeraar, samen met de opmerkingen van de eiser, wordt overgemaakt aan het Fonds. 9 - Het Fonds spreekt zich uit over het dossier en, in geval van onenigheid met de verzekeraar, zijn tussen deze twee instellingen zowel een arbitrageprocedure als een beroep tegen de beslissing van het college van arbiters mogelijk. In deze twee laatste hypotheses, [ontvangt] de eiser het bedrag dat zonder betwisting verschuldigd is, in afwachting van de beslissing van het college van arbiters of van de rechtbank. - Het slachtoffer kan beroep aantekenen tegen de gemeenschappelijke beslissing van de verzekeraar en het Fonds. In dat geval spreekt de Rechtbank zich uit over het bestaan van de schade en, desgevallend, over het bedrag van de te betalen schadevergoeding. In de gevallen waar de zorgverlener niet verzekerd is, zal een gemeenschappelijk waarborgfonds gecreëerd worden, naar analogie met wat er reeds bestaat binnen de automobielsector » (ibid., p. 11). B.2.2. Wat de door de wetgever nagestreefde doelstellingen betreft, merkt de Raad van State op : « Met het in het ontwerp bedoelde systeem van vergoeding van de schade als gevolg van medische verzorging, beogen de stellers van het ontwerp ongetwijfeld een doelstelling van algemeen belang te realiseren. In de memorie van toelichting worden immers als de motieven ter verantwoording van het ontworpen stelsel ingeroepen, het voor alle betrokken partijen onbevredigende karakter van het traditionele stelsel van de burgerlijke aansprakelijkheid op medisch vlak mede omwille van de moeilijkheden verbonden aan het bewijs van fout, de traagheid van de procedure, het onvergoed blijven van 75 % van de slachtoffers, het gevoel van onrechtvaardige en repressieve behandeling bij hen die beroepshalve tewerkgesteld zijn in de gezondheidszorg, de gevaren van het ontstaan van een defensieve geneeskunde, de toename van de rechtszaken en de verhoging van de verzekeringspremies, de problemen verbonden aan de geheimhouding, en de noodzaak om het niveau van de schadevergoeding onder het nieuwe stelsel tegelijk geloofwaardig, rechtvaardig en niettemin betaalbaar te maken » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-3012/001, p. 50). B.2.3. De eerste wet van 15 mei 2007 voorziet in een tweeledig vergoedingsstelsel :
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.