← België

ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 15 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.009 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090115.8 Arrest- Rolnummer: 9/2009 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-01-19 Raadplegingen: 359 - laatst gezien 2026-07-01 04:18 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof - wijst de afstand van de verzoekende partijen D. Swennen en K. Batens toe; - verwerpt het beroep. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen 4, 6°, 33, § 1, eerste lid, 34 en 78 van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008, ingesteld door Marie-Rose Morel en anderen. Sociaal recht - Sociale verkiezingen - 1. Kiesprocedure - a. Indiening van kandidatenlijsten door de representatieve werknemersorganisaties - b. Indiening van kandidatenlijsten door representatieve organisaties van kaderleden - 2. Representatieve werknemersorganisaties - a. Geen verplicht lidmaatschap voor kandidaten en kiezers - b. Mogelijkheid van niet-aanvaarding of van uitsluiting van leden. # Rechten en vrijheden - 1. Vrijheid van meningsuiting - 2. Vrijheid van vereniging - Vrijheid van vakvereniging - 3. Recht op arbeid - 4. Recht op maatschappelijke ontplooiing - 5. Recht op informatie, overleg en collectief onderhandelen. Wettelijke bepalingen: Wet - 04-12-2007 - 4,6° - 30 ELI link Pub nr 2007012768 Wet - 04-12-2007 - 33,§1,L1 - 30 ELI link Pub nr 2007012768 Wet - 04-12-2007 - 34 - 30 ELI link Pub nr 2007012768 Wet - 04-12-2007 - 78 - 30 ELI link Pub nr 2007012768 Tekst van de beslissing Rolnummer 4415 Arrest nr. 9/2009 van 15 januari 2009 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 4, 6°, 33, § 1, eerste lid, 34 en 78 van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008, ingesteld door Marie-Rose Morel en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 17 januari 2008 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 21 januari 2008, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 4, 6°, 33, § 1, eerste lid, 34 en 78 van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 7 december 2007, tweede editie) door Marie-Rose Morel, wonende te 2900 Schoten, Valkenlaan 44, Jurgen Ceder, wonende te 1700 Dilbeek, Prieeldreef 1a, Guy D'Haeseleer, wonende te 9403 Neigem, Brusselseheerweg 102, An Michiels, wonende te 1760 Roosdaal, Omloopstraat 17, Stefaan Sintobin, wonende te 8870 Izegem, Emiel Neirynckstraat 20, Joris Van Hauthem, wonende te 1750 Lennik, Scheestraat 21, Linda Vissers, wonende te 3900 Overpelt, B. Van Lindtstraat 67/3, Frank Bracke, wonende te 1070 Brussel, Félix Paulsenlaan 37, Raymond Claes, wonende te 3120 Tremelo, Werchtersebaan 52, Pol Denys, wonende te 8211 Aartrijke, Ossebilkstraat 14, Hans Vandenbulcke, wonende te 2547 Lint, Schaapdries 30, Vincent Verheye, wonende te 8500 Kortrijk, Brugsesteenweg 132, Patrick Wissels, wonende te 3520 Zonhoven, Mezenstraat 41, Carine Achten, wonende te 3530 Houthalen-Helchteren, Stationsstraat 121, Karim Batens, wonende te 9170 Sint-Pauwels, Zandstraat 198, Willy Bouckaert, wonende te 8940 Wervik, Kruisekestraat 372, André Demey, wonende te 8670 Koksijde, Schoondalstraat 14/1, Gerard Geerts, wonende te 3900 Overpelt, Rietstraat 35, Michel Geysen, wonende te 3945 Ham, Olmensesteenweg 147A, Walter Kerkhofs, wonende te 3630 Leut, Ganzenpoelstraat 22, Ronny Maenhout, wonende te 9080 Beervelde, Beervelde-Dorp 61, Constant Quirynen, wonende te 2390 Westmalle, Schapenstraat 53, Jozef Roelandt, wonende te 1040 Brussel, Trevierenstraat 13, Alain Speeckaert, wonende te 9940 Sledinge, Ledelaan 29, Eliane Swennen, wonende te 3560 Lummen, Linkhoutstraat 166, Noël Van den Broecke, wonende te 9800 Deinze, Schipdonkstraat 71, Dirk Van Opdenbosch, wonende te 9400 Ninove, Nederwijk 113/2, Dirk Welkenhuysen, wonende te 3520 Zonhoven, Zwanenstraat 2, Edy Aerts, wonende te 2830 Willebroek, Brouwerijstraat 11, Jean Aerts, wonende te 3670 Meeuwen-Gruitrode, Weg naar As 58, Dave Avonts, wonende te 2520 Oelegem, Oudstrijdersstraat 78, Kristy Balette, wonende te 3560 Lummen, Prelaat Knaepenstraat 47, Francine Braeckmans, wonende te 2970 Schilde, Kampdreef 17, Jasmijn Castelein, wonende te 8510 Marke, Leieweg 35, Marc Ceulemans, wonende te 2950 Kapelle, Peedreef 38, Stefaan Coosemans, wonende te 1820 Perk, Huinhovenstraat 12, Angele Cornelissen, wonende te 2540 Hove, Lintsesteenweg 33, Bart De Bie, wonende te 2275 Lille, Tuinwijk 9, Gerda De Ryck, wonende te 2018 Antwerpen, Desguinlei 90/15Q, Claudia Delzainne, wonende te 2930 Braasschaat, Langestraat 41, Wilfried Desmet, wonende te 8600 Diksmuide, Sint-Sebastiaanlaan 5, Marina Dogaer, wonende te 2980 Hakke-Zoersel, Medelaar 34, Philippe Elst, wonende te 2170 Merksem, Schoonakker 3, Philip Ergo, wonende te 2960 Brecht, Kerkhovenakker Laan C5, Bart Everaert, wonende te 8610 Kortemark, Wittehuisstraat 34, Paul Foets, wonende te 2600 Berchem, Hofstadestraat 16, Karine Geens, wonende te 2221 Booischot, Boomgaardstraat 7, Marcel Godaert, wonende te 1020 Brussel, Reper-Vrevenstraat 55, Monique Goovaerts, wonende te 2450 Meerhout, Turkenhof 23, Peter Goyvaerts, wonende te 2110 Wijnegem, Bergenstraat 18, Jan Haex, wonende te 2380 Ravels, Grote Baan 126, Pierre Hendrikx, wonende te 3680 Maaseik, Meerkensweg 9, William Hüppertz, wonende te 8450 Bredene, Prinses Elisabethlaan 77, Eric Huybrechts, wonende te 2610 Wilrijk, Dennenlaan 63, Jan Jans, wonende te 3550 Heusden-Zolder, Struikenstraat 8, Marina Janssens, wonende te 1910 Kampenhout, Brouwerijstraat 14, Guido Janssens, wonende te 2920 Kalmthout, Riethoek 4, Grazyna Krajewska, wonende te 9230 Wetteren, Oordegemsesteenweg 23, Armand Minnebo, wonende te 9200 Dendermonde, Oudegemsebaan 92, Arlette Noyelle, wonende te 2550 Kontich, Hoeve ter Bekelaan 32, 3 Heidi Otten, wonende te 2275 Lille, Tuinwijk 9, Sandra Peynaerts, wonende te 2500 Lier, Heidebloem 19, Claude Pinet, wonende te 8400 Oostende, Spaarzaamheidstraat 3/2, Frans Poortmans, wonende te 2220 Heist-op-den-Berg, Haagstraat 13, Dirk Reners, wonende te 3500 Hasselt, Banneuxstraat 102/3, Robby Renier, wonende te 8000 Brugge, Palingstraat 54, Jos Robben, wonende te 3670 Meeuwen-Gruitrode, Gruitroderbaan 3, Willy Roelandts, wonende te 1602 Vlezenbeek, Smidsestraat 4, Viviane Roofthoofd, wonende te 9250 Waasmunster, Maretak 504, Christa Sarazijn, wonende te 8600 Diksmuide, Sint-Sebastiaanlaan 5, François Schatteman, wonende te 1800 Vilvoorde, J. Van den Vondelstraat 1, Patricia Segers, wonende te 9900 Eeklo, Pastoor Bontestraat 78B, Etienne Seys, wonende te 8800 Roeselare, Hoogledesteenweg 80, Rhea Smellers, wonende te 3582 Koersel, Naaldweg 87, Vera Stappaerts, wonende te 2550 Kontich, Beemdenlaan 29 A3, Olivier Thibos, wonende te 2140 Borgerhout, Van Hersteenstraat 19, Karine Torfs, wonende te 2570 Duffel, Trapstraat 21, Jeroen Torfs, wonende te 2530 Boechout, Vremdesesteenweg 212, Pieter Van Boxel, wonende te 2390 Oostmalle, Talondreef 61, Tim Van de Water, wonende te 2930 Brasschaat, Bethanielei 40, Els Van den Broeck, wonende te 1700 Dilbeek, Koolwitje 1, Alex Van Geert, wonende te 9451 Haaltert, F. van Hoeymissenstraat 14, Jeanine Van Oosterwyck, wonende te 2930 Brasschaat, Bredestraat 3, Gerdi Vandenbroucke, wonende te 8600 Vladslo, Werkenstaat 5, Andreas Vandenhende, wonende te 2630 Aartselaar, Pierstraat 274, Jozef Vanhoegaerden, wonende te 3110 Rotselaar, Varkenstraat 15, Jan Vansant, wonende te 2400 Mol, Ezaartveld 70, Fanny Verbeeren, wonende te 1703 Schepdaal, Biesbeekstraat 21, Wim Verheyden, wonende te 2880 Bornem, Sint-Amandsesteenweg 226/A/GVL, Gabriella Vervoort, wonende te 2590 Berlaar, Itegembaan 196, Diane Willems, wonende te 3740 Bilzen, Kastanjestraat 11, Remi Blindeman, wonende te 3520 Zonhoven, Heuvenstraat 14B2, André Buyl, wonende te 9120 Beveren, Boerenstraat 146, Emiel De Backer, wonende te 9250 Waasmunster, Maretak 504, Walter Goos, wonende te 2620 Hemiksem, Assestraat 183, Ann Heemskerk, wonende te 2900 Schoten, Rosveldstraat 76, Dominiek Heylen, wonende te 3900 Overpelt, Haspershovenstraat 75, Natasja Huysmans, wonende te 9120 Haasdonk, Bunderhof 25, Nancy Jacobs, wonende te 9700 Oudenaarde, Ruttemburgstraat 3/0403, Jacques Lammens, wonende te 9230 Wetteren, Oordegemsesteenweg 23, Josephina Meersman, wonende te 8434 Westende, H. Jasparlaan 187/0202, Daniel Simons, wonende te 3970 Leopoldsburg, Maarschalk Fochstraat 19, Wendy Van de Cauter, wonende te 3090 Overijse, Frans Verbeekstraat 150/2, Christa Van Molle, wonende te 1770 Liedekerke, Bombardonstraat 176, Ignace Verhaegen, wonende te 9308 Gijzegem, Steenweg naar Oudegem 125, Patrick Verlinden, wonende te 2900 Schoten, Rosveldstraat 76, Johan Aerts, wonende te 2880 Bornem, Mansbroekveld 34, Dirk Audenaert, wonende te 9042 Gent, Jozef Paelinckstraat 17, Lode Bosmans, wonende te 2040 Antwerpen, De Keyserhoeve 75, Ghislain Briers, wonende te 2560 Nijlen, Torenvenstraat 30, Lucie Casier, wonende te 3000 Leuven, Tiensestraat 155, Joris Claessens, wonende te 1080 Brussel, Mirtenlaan 17/7, Leon Claeys, wonende te 1040 Brussel, Morgenlandstraat 120, Christiana Daelman, wonende te 9190 Stekene, Molenbergstraat 133, Mia Daenen, wonende te 3770 Riemst, Elderenweg 9a, Joseph De Camps, wonende te 1602 Vlezenbeek, Kamstraat 9, Herman De Langhe, wonende te 2070 Burcht, Antwerpsesteenweg 23, Walter De Moor, wonende te 9620 Zottegem, Smissenhoek 40, Tom De Poorter, wonende te 9060 Zelzate, Verbindingsstraat 8, Etienne De Pourcq, wonende te 9230 Wetteren, Kwatrechtsesteenweg 13, Alfred De Smedt, wonende te 9190 Stekene, Molenbergstraat 133, Luk Dekeyser, wonende te 9150 Bazel, Parklaan 7, Koen Delanghe, wonende te 9150 Kruibeke, Pater Damiaanstraat 23, Chris Devrieze, wonende te 2100 Deurne, Te Couwelaarlei 101, Peter Dictus, wonende te 1090 Brussel, Broustinlaan 35/2, Irene Diependaele, wonende te 9620 Zottegem, Smissenhoek 40, Guy Dirckx, wonende te 2100 Deurne, P. De Ridderstraat 36, Louis Doom, wonende te 4 8470 Gistel, Provincieweg 169, Michael Fierens, wonende te 9200 Dendermonde, Ganzegavers 4, Mark Gabriels, wonende te 1700 Dilbeek, Tuinbouwlaan 2, Marijke Geraerts, wonende te 3630 Maasmechelen, Gildestraat 37, Jean Geraerts, wonende te 3740 Bilzen, Hoelbeekstraat 18, Raoul Goossens, wonende te 2150 Borsbeek, Wenigerstraat 27, Steven Hillaert, wonende te 3511 Kuringen, Lammenweg 18, Pieter Hoeben, wonende te 2970 Schilde, Kampdreef 17, Jean Holemans, wonende te 3001 Heverlee, Bierbeekstraat 75/7, Nico Houben, wonende te 3620 Lanaken, Lepelvormweg 24, Marc Huysmans, wonende te 2650 Edegem, Drie Eikenstraat 374, Leo Joosten, wonende te 3620 Landen, Steenselbergweg 29, Marc Leus, wonende te 9200 Dendermonde, Eegene 82, Kathy Mertens, wonende te 9230 Wetteren, Brusselsesteenweg 240, Veerle Minne, wonende te 2110 Wijnegem, Koolsveldlaan 38, Leo Moeskops, wonende te 2900 Schoten, Churchilllaan 72, Patrick Molle, wonende te 2900 Schoten, Salvialei 138, Roland Mutsaers, wonende te 2980 Zoersel, Het Klooster 3, Dirk Pelgrims, wonende te 2950 Kapellen, Antwerpsesteenweg 68, Moran Philips, wonende te 9520 Waasmunster, Hoogstraat 181, Dirk Piessens, wonende te 2870 Puurs, Hooiveld 51, Claude Pinet, wonende te 3680 Maaseik, Astridlaan 27, Anita Saey, wonende te 2650 Edegem, Drie Eikenstraat 374, Ingrid Severyns, wonende te 2140 Borgerhout, Beukenstraat 26, Nancy Six, wonende te 8900 Ieper, Augustijnenstraat 149, Ann Spitaels, wonende te 9100 Sint-Niklaas, Lindenstraat 1A, Daniella Swennen, wonende te 3520 Zonhoven, Wonckerweg 16, Jef Van Bree, wonende te 3900 Overpelt, Zavelstraat 53, Odette Van Brusselen, wonende te 3221 Nieuwrode, Appelweg 23, Lesley Van de Velde, wonende te 2880 Bornem, Duiventilstraat 55, Ivo Van der Auwera, wonende te 2880 Bornem, Droogveldstraat 189, Leo Van der Straeten, wonende te 2200 Herentals, Kruisboogstraat 58, Jurgen Van der Straeten, wonende te 2200 Herentals, Kruisboogstraat 58, Nico Van der Straeten, wonende te 2200 Herentals, Kruisboogstraat 58, Anja Van der Straeten, wonende te 2200 Herentals, Musketstraat 32, William Van Domburg, wonende te 8470 Moere, Beekstraat 40, Edouard Van Hauwermeiren, wonende te 3400 Landen, Fabriekstraat 14, Natascha Van Hecke, wonende te 9800 Bachte-Maria-Leerne, Kortrijksesteenweg 35, Geert Van Landeghem, wonende te 9120 Haasdonk, Bunderhof 25, Jurgen Van Leuven, wonende te 2310 Rijkevorsel, Veldstraat 56, An Van Olmen, wonende te 2200 Herentals, Kruisboogstraat 58, Robert Vandenbergh, wonende te 2140 Borgerhout, Beukenstraat 26, Geert Vander Roost, wonende te 1760 Roosdaal, Omloopstraat 17, Serge Vandewiele, wonende te 9810 Nazareth, Bekaertstraat 33, Sven Vanhoutte, wonende te 1790 Affligem, Zwarteberg 50, Kristiaan Vanmeert, wonende te 9300 Aalst, Willekensstraat 7/5, Patrick Vanneste, wonende te 9600 Ronse, Langeweg 55, Christine Verschueren, wonende te 2200 Herentals, Kruisboogstraat 58, Willy Veyt, wonende te 2170 Merksem, Elf Novemberstraat 18, Sandy Welsch, wonende te 8870 Izegem, Emiel Neirynckstraat 20, Stefan Willems, wonende te 3630 Maasmechelen, Dokter Haubenlaan 3/12, en Rob Verreycken, wonende te 9100 Sint-Niklaas, Voskenslaan 136. De vordering tot schorsing van dezelfde bepalingen, ingesteld door dezelfde verzoekende partijen, is verworpen bij het arrest nr. 48/2008 van 12 maart 2008, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 mei 2008. 5 Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de Algemene Centrale der Liberale Vakbonden van België (ACLVB), met zetel te 1070 Brussel, Poincarélaan 72-74; - het Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV), met zetel te 1031 Brussel, Haachtsesteenweg 579; - het Algemeen Belgisch Vakverbond (ABVV), met zetel te 1000 Brussel, Hoogstraat 42; - de Ministerraad. De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 19 november 2008 : - zijn verschenen : . Mr. B. Siffert, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; . Mr. P. Geerinckx loco Mr. V. De Wolf en Mr. H. Penninckx, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Algemene Centrale der Liberale Vakbonden van België; . Mr. S. Gibens, advocaat bij de balie te Antwerpen, voor het Algemeen Christelijk Vakverbond; . Mr. J. Nietvelt, advocaat bij de balie te Antwerpen, voor het Algemeen Belgisch Vakverbond; . Mr. V. Pertry en Mr. B. Martel, tevens loco Mr. K. Leus, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers A. Alen en J.-P. Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 6 II. In rechte -A- Wat de ontvankelijkheid betreft A.1. Het belang dat door de verzoekende partijen wordt aangevoerd, is van onderscheiden aard, waardoor zij in vijf categorieën kunnen worden gegroepeerd. Wat het belang van de eerste groep van verzoekende partijen betreft A.2. Zeven verzoekende partijen zijn parlementsleden van Vlaams-nationale strekking, die menen door de bestreden wet rechtstreeks en ongunstig te worden geraakt doordat enkel de socialistische, de liberale en de christen-democratische strekking kunnen deelnemen aan de sociale verkiezingen en aldus via duizenden kandidaten tienduizenden werknemers kunnen trachten te overtuigen van hun gedachtegoed, terwijl parlementsleden van de Vlaams-nationale strekking een kans wordt ontnomen om op eenzelfde wijze hun gedachtegoed te verspreiden en daarvoor steun te werven. A.3. Volgens de Ministerraad beroept die categorie van verzoekende partijen zich uitdrukkelijk en uitsluitend op de hoedanigheid als parlementslid en bijgevolg op een functioneel belang, terwijl niet kan worden ingezien welk prerogatief, verbonden aan de functie van parlementslid, door de bestreden bepalingen in het gedrang zou (kunnen) worden gebracht. Zelfs indien zij zich op een individueel belang zouden beroepen, ziet de Ministerraad niet in hoe zij rechtstreeks en ongunstig zouden worden geraakt door de bestreden wet, vermits mag worden aangenomen dat die op hen niet van toepassing is bij ontstentenis van een arbeidsovereenkomst die hen toelaat aan de verkiezingen deel te nemen als kiezer of kandidaat. Dat zij tijdens sociale verkiezingen hun gedachtegoed niet kunnen verspreiden is te dezen niet relevant, vermits het bij sociale verkiezingen niet daarom gaat. De kandidatuurstelling in het kader van de sociale verkiezingen mag immers niet worden aangewend met een ander doel dan het uitoefenen van een sociaal mandaat ten voordele van de collectiviteit van de werknemers. De (beweerde) onmogelijkheid voor de parlementsleden van het Vlaams Belang om kandidatenlijsten in te dienen in het kader van de sociale verkiezingen, belet hen uiteraard niet hun mening omtrent de sociale verkiezingen en, ruimer, het sociaal beleid te verspreiden. A.4. Volgens het ABVV gaat het om een zuiver « politiek » proces, waaraan alle verzoekende partijen - ook die van de andere groepen - hun medewerking verlenen. Juridisch vertaald komt het erop neer dat het beroep tot vernietiging niets meer is dan een actio popularis, reden waarom het niet ontvankelijk is. Wat meer in het bijzonder die eerste categorie van verzoekende partijen betreft, tonen zij niet aan hoe zij rechtstreeks en ongunstig door de bestreden wet worden geraakt. A.5. De ACLVB betwist de ontvankelijkheid van het beroep wat betreft die groep - en de andere groepen - van verzoekende partijen bovendien vanwege de door hen nagestreefde doelstelling. Op geen enkel ogenblik betwisten de verzoekende partijen de voorwaarde dat een representatieve werknemersorganisatie op nationaal vlak dient te worden opgericht, wat essentieel is om het overleg op alle maatschappelijke niveaus mogelijk te maken. Vermits de verzoekende partijen die vertegenwoordiging op nationaal niveau per definitie niet willen nastreven, maar tegen die voorwaarde ook geen middel aanvoeren, en zij bijgevolg steeds zullen worden geconfronteerd met die onverminderd geldende voorwaarde, zijn hun vordering en hun beroep niet ontvankelijk bij gebrek aan belang. Wat het belang van de tweede groep van verzoekende partijen betreft A.6. Een tweede categorie van verzoekende partijen zijn zes werknemers van de privésector die zich bekennen tot de Vlaams-nationale strekking en vastbesloten zijn om hun kandidatuur in te dienen voor de sociale verkiezingen in het bedrijf waar zij zijn tewerkgesteld. Doordat zij geen deel (meer) uitmaken van de socialistische, liberale of christen-democratische strekking, zorgt de bestreden wet ervoor dat zij niet kunnen deelnemen aan de sociale verkiezingen. Aldus worden zij in hun situatie door de bestreden wet rechtstreeks en ongunstig geraakt, minstens kunnen zij daardoor geraakt worden. 7 A.7. Ook ten aanzien van de verzoekende partijen die behoren tot de tweede categorie - zoals overigens die welke behoren tot de derde tot vijfde categorie - is volgens de Ministerraad geenszins aangetoond dat zij werknemer zijn (zonder deel uit te maken van het leidinggevend personeel), dat zij aan de andere verkiesbaarheidsvoorwaarden voldoen (minimum 18 jaar oud, maximaal 65 jaar oud en geen preventieadviseur zijn), dat zij niet behoren tot de kaderleden en dat zij zijn tewerkgesteld, sedert ten minste drie maanden, in een onderneming waar overeenkomstig de gedeeltelijk bestreden wet sociale verkiezingen moeten worden georganiseerd. Behoudens bewijs van het tegendeel, is derhalve niet aangetoond dat de verzoekende partijen die behoren tot de tweede tot en met de vijfde categorie, over het rechtens vereiste belang zouden beschikken, omdat niet eens vaststaat dat de bestreden regeling (potentieel) op hen toepasselijk is. Dat bewijs kan enkel worden geleverd indien, voor elk van de verzoekende partijen van die categorieën, de arbeidsovereenkomst, de lijst van de kaderleden van de betrokken onderneming, waarop de verzoekende partijen niet mogen voorkomen, en de kiezerslijst van de betrokken onderneming - wat het enige document is waaruit blijkt dat de verzoekers op dit ogenblik nog in dienst zijn in een onderneming waar overeenkomstig de gedeeltelijk bestreden wet sociale verkiezingen moeten worden georganiseerd - worden voorgelegd. In zoverre dat bewijs niet (tijdig) zou kunnen worden geleverd, moet volgens de Ministerraad worden aangenomen dat die verzoekers een niet-toegelaten actio popularis hebben ingesteld. A.8. Het ABVV, de ACLVB en het ACV sluiten zich bij dat standpunt aan. Het ACV wijst erop dat er wellicht ook andere redenen zijn waarom de door die organisatie uitgesloten leden niet kunnen deelnemen aan de sociale verkiezingen, zoals werkloosheid, brugpensionering en andere redenen. Evenmin bewijzen de verzoekende partijen dat zij behoren tot andere vakorganisaties dan de erkende werknemersorganisaties en die zouden beschikken over een zekere representativiteit. Wat het belang van de derde groep van verzoekende partijen betreft A.9. Tot de derde categorie van verzoekende partijen behoren vijftien werknemers in de bouwsector die door een « akkoord » tussen de drie bestaande representatieve werknemersorganisaties waardoor elke vorm van sociale verkiezingen in hun sector worden afgeschaft, zich volkomen beroofd achten van hun passief en zelfs actief kiesrecht bij de sociale verkiezingen, zodat zij in hun situatie door de bestreden wet rechtstreeks en ongunstig worden geraakt. A.10. Wat specifiek die derde groep betreft, ziet de Ministerraad niet in in welke mate zij een belang zouden hebben bij de vernietiging van de bestreden bepalingen, ook niet op basis van het bestaan van het « akkoord » waarnaar de verzoekende partijen verwijzen, vermits het beweerde bestaan ervan de werkgever niet ontslaat van de verplichtingen die hem worden opgelegd bij de bestreden wet. Het is pas indien de werkgever vaststelt dat aan één van de voorwaarden van artikel 78 van de bestreden wet is voldaan, dat de werkgever (rechtsgeldig) de beslissing kan nemen om de kiesverrichtingen stop te zetten. De verzoekende partijen tonen bovendien niet eens aan dat zij zijn tewerkgesteld in een onderneming die ressorteert onder het paritair comité voor het bouwbedrijf. In heel wat ondernemingen in de bouwsector werden de kiesverrichtingen overigens reeds opgestart. Wat het belang van de vierde groep van verzoekende partijen betreft A.11. De vierde categorie van verzoekende partijen wordt gevormd door 79 werknemers in de privésector die zich bekennen tot de Vlaams-nationale strekking en die door de drie bestaande representatieve werknemersorganisaties werden uitgesloten vanwege hun politieke mening, en die aldus onmogelijk kunnen deelnemen als kandidaat aan de sociale verkiezingen. Doordat zij geen deel uitmaken van de socialistische, liberale of christen-democratische strekking, en nu zelfs expliciet is bevestigd dat zij zich daarbij ook niet kunnen en mogen aansluiten, zorgt de bestreden wet ervoor dat zij niet kunnen deelnemen aan de sociale verkiezingen, indien zij dit zouden overwegen. Aldus worden zij in hun situatie door de bestreden wet rechtstreeks en ongunstig geraakt. Het belang van die verzoekende partijen blijkt voldoende uit het voorleggen van hun arbeidsovereenkomst. De lijsten met stemgerechtigden kunnen alleen door de overheid zelf worden opgevraagd zodat die alleen het tegenbewijs kan leveren dat verzoekers niet voorkomen op de lijst van de stemgerechtigde werknemers. 8 Wat het belang van de vijfde groep van verzoekende partijen betreft A.12. De laatste 73 verzoekende partijen zijn burgers die zich bekennen tot de Vlaams-nationale strekking, of die zich niet bekennen tot welke strekking dan ook, en vaststellen dat andere ideologische strekkingen dan diegene waartoe zijzelf behoren, een bijkomende mogelijkheid hebben om hun gedachtegoed te verspreiden, in casu via de sociale verkiezingen. Doordat de ideologische strekking aldus wordt benadeeld ten aanzien van de andere drie strekkingen, worden zij door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig geraakt, minstens kunnen zij daardoor onrechtstreeks en ongunstig worden geraakt. A.13. Wat de vijfde categorie van verzoekende partijen betreft, stelt de Ministerraad vast dat zij niet eens aanvoeren dat zij de hoedanigheid van werknemer hebben. De verzoekende partijen doen zichzelf voor als « burgers », maar niet als werknemers. A fortiori is niet duidelijk of ook maar één van de in die categorie opgenomen verzoekende partijen stemrecht heeft of zich verkiesbaar wenst te stellen bij de sociale verkiezingen. Uit de gedeeltelijk bestreden wet zou immers niet af te leiden zijn dat enkel leden van de representatieve werknemersorganisaties zich kandidaat kunnen stellen bij de sociale verkiezingen. Overigens kan uit het verzoekschrift zelf worden afgeleid dat de vijfde categorie van verzoekende partijen niet de hoedanigheid van werknemer heeft. Het feit dat de verzoekende partijen de sociale verkiezingen niet kunnen aangrijpen om het Vlaams-nationale gedachtegoed te verspreiden, is, zoals reeds aangevoerd en om dezelfde redenen, irrelevant. Wat de omvang van het beroep betreft A.14. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008 en meer bepaald (doch daartoe niet beperkt) van artikel 4, 6°, zowel

  1. a)als b), van artikel 33, § 1, eerste lid, van artikel 34, van artikel 78 en van « alle andere artikelen waarvan de ongrondwettigheid zou voortvloeien uit de hierna aangevoerde middelen ». A.15. Overeenkomstig vaste rechtspraak van het Hof is een beroep tot vernietiging maar ontvankelijk in zoverre het betrekking heeft op bepalingen waartegen daadwerkelijk middelen worden aangevoerd. De Ministerraad wijst erop dat het verzoekschrift strekt tot de vernietiging van artikel 4, 6°,
  2. a)en b), artikel 33, § 1, eerste lid, artikel 34 en artikel 78 van de wet van 4 december 2007 en betwist niet dat tegen die artikelen ook middelen worden aangevoerd. Evenwel blijkt nergens uit het verzoekschrift - zelfs wanneer het met enige goede wil wordt gelezen - in welke mate tegen andere bepalingen van de bestreden wet middelen worden aangevoerd, zodat het beroep niet ontvankelijk is in zoverre het strekt tot de vernietiging van andere artikelen dan de voormelde bepalingen. A.16. Volgens de Ministerraad voldoet het verzoekschrift ook minstens gedeeltelijk niet aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 doordat met betrekking tot andere bepalingen dan de artikelen 4, 6°,
  3. a)en b), 33, § 1, eerste lid, 34 en 78 van de wet van 4 december 2007 in de door de verzoekende partijen aangevoerde middelen niet wordt uiteengezet op welke manier, naar hun oordeel, die andere artikelen onverenigbaar zouden zijn met de in de middelen aangehaalde referentienormen. A.17. De verzoekende partijen betwisten de tussenkomst van de vakorganisaties omdat zij niet het bewijs voorleggen van de beslissing van het bevoegde orgaan om in de rechtspleging tussen te komen, omdat zij als dusdanig geen kandidaat zijn bij de sociale verkiezingen en omdat hun rechten door de ongrondwettigheidsverklaring niet in het gedrang komen aangezien hun leden nog steeds volgens dezelfde procedure kunnen deelnemen aan de sociale verkiezingen na vernietiging van de bestreden wetsbepalingen. A.18. Het ACV en de ACLVB laten gelden dat zij de beslissing tot tussenkomst reeds bij uittreksel hebben bezorgd bij de neerlegging van hun memorie in tussenkomst. Het ABVV voegt die beslissing, samen met zijn statuten, bij de memorie van wederantwoord. Samen met de ACLVB voert het ACV aan dat hun procesbekwaamheid in analoge zaken werd bevestigd door het Hof en bovendien voortvloeit uit de wet van 4 december 2007 tot regeling van de gerechtelijke beroepen ingesteld in het kader van de procedure aangaande de sociale verkiezingen van het jaar 2008. Als representatieve vakorganisaties hebben zij een belangrijke rol te vervullen bij de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie en dus ook in de sociale verkiezingen waarvoor zij kandidatenlijsten kunnen indienen. Het ABVV verwijst ter zake in het bijzonder naar de specifieke rol die door de bestreden bepalingen aan de drie vakorganisaties wordt toebedeeld. 9 Die tussenkomende partijen zijn dan ook van oordeel dat de bestreden normen hen rechtstreeks aanbelangen. Het ACV merkt ook op dat het tevens optreedt namens zijn leden die zijn gebaat bij een sterk piramidaal gestructureerd overleg, dat de verzoekende partijen door de zogenaamde democratische en rechtstreekse verkiezing van de werknemers in de onderneming op de helling willen zetten. Wat het verzoek tot het stellen van een onderzoeksmaatregel betreft A.19. De verzoekende partijen vragen een onderzoeksmaatregel van het Hof om na te gaan op welke wijze één van de tussenkomende partijen zo snel de lijst van de verzoekende partijen in handen heeft gekregen waardoor een aantal leden van die vakorganisatie onder de verzoekende partijen zo snel konden worden uitgesloten. Die maatregel zou nodig zijn om het beperken van het grondwettelijk recht op toegang tot de rechter tegen te gaan en de schending van de bepalingen van de wetgeving op de bescherming van het privéleven te kunnen bestraffen. Aan die tussenkomende partij zou moeten worden bevolen te verklaren op welke wijze een dergelijke verwerking van persoonsgegevens in overeenstemming is met de artikelen 2, 4, 6, 9, 16 en 17 van de wet op de bescherming van het privéleven. A.20. De Ministerraad merkt op dat het beroep tot vernietiging, met de identificatiegegevens van de verzoekende partijen, reeds is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 februari 2008 en vanaf die dag ter griffie kon worden ingezien. Het blijkt dus niet dat er sprake zou kunnen zijn van enig wederrechtelijk misbruik van een procesdocument dat heeft geleid tot de uitsluiting van de betrokken vakbondsleden, onverminderd de vaststelling dat het Hof met betrekking tot die aangelegenheid geen enkele bevoegdheid heeft. Bovendien herinnert de Ministerraad eraan dat de verzoekende partijen « niet zonder enig misbaar te maken » - want onder het oog van de media - het bestaan van hun beroep tot vernietiging zelf publiek hebben gemaakt, zodat ze niet verwonderd moeten zijn dat derden reeds vóór de voormelde datum op de hoogte konden zijn van hun demarche. A.21. Volgens de ACLVB is er geen reden om in te gaan op het verzoek. De betrokken leden werden uitgesloten overeenkomstig de statutaire regels, omdat zij in het bijzonder, in een procedurestuk, hebben aangevoerd dat de organisatie geen vijftigduizend leden heeft, waardoor zij ernstige schade hebben toegebracht aan de organisatie. De gevraagde onderzoeksdaden vertonen geen enkel belang, noch voor de rechtspleging, noch ten gronde. Ten gronde A.22. De verzoekende partijen voeren zeven middelen aan. Wat het eerste middel betreft A.23. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 8, 10 en 11 van de Grondwet, doordat de bestreden wet een wet is in de zin van artikel 8 van de Grondwet en zij het onmogelijk maakt voor werknemers die zich niet willen bekennen tot de christendemocratische, liberale of socialistische strekking, om als kandidaat aan de sociale verkiezingen deel te nemen en aldus hun passief kiesrecht uit te oefenen. Aldus wordt het actieve kiesrecht ontzegd aan de werknemers uit de bouwsector op grond van een akkoord dat beweerdelijk is gestoeld op artikel 78 van de bestreden wet. Aan werknemers die zich niet (willen of mogen) bekennen tot de socialistische, christendemocratische of liberale strekking, wordt de mogelijkheid om zich kandidaat te stellen, via een drievoudige grendel op het monopolie van de drie bestaande representatieve vakorganisaties verhinderd, vermits enkel kandidatenlijsten kunnen worden ingediend door representatieve werknemersorganisaties (artikel 33 van de bestreden wet) en artikel 4, 6°, van dezelfde wet de criteria om een dergelijke representatieve werknemersorganisatie te worden, draconisch hoog legt met drie voorwaarden, namelijk een op nationaal vlak opgerichte interprofessionele werknemersorganisatie zijn die is vertegenwoordigd in de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, een op nationaal vlak opgerichte interprofessionele werknemersorganisatie zijn die is vertegenwoordigd in de Nationale Arbeidsraad, en ten minste 50 000 leden tellen, wat, zoals zou moeten blijken op grond van de concrete voorwaarden en feiten, een haast onmogelijke zaak is. 10 Daardoor wordt niet alleen verhinderd dat individuele kandidaten opkomen maar tevens dat nieuwe representatieve organisaties, onafhankelijk van de drie andere representatieve organisaties, worden opgericht. Die partijen wijzen erop dat de ondernemingsraden en de comités voor preventie en bescherming op het werk politieke organen in de generieke betekenis zijn doordat zij mee het beleid bepalen. Om die reden vallen de sociale verkiezingen onder de toepassing van artikel 8 van de Grondwet. De overlegorganen worden overigens ook bedoeld in artikel 23 van de Grondwet en zouden niet meer kunnen worden afgeschaft zonder miskenning van de standstill-verplichting. Het mandaat dat in die organen wordt opgenomen, is een openbaar mandaat vermits het op bijzondere wijze wordt beschermd en de personeelsvertegenwoordigers in die organen de maatschappelijke rol vervullen waarvoor die organen zijn ingesteld. De willekeur die erin bestaat dat uitsluitend de representatieve vakorganisaties worden toegelaten, is niet te wijten aan een optreden van de uitvoerende macht, maar aan de wet zelf, die bepaalt op welke wijze de leden van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en van de Nationale Arbeidsraad door de uitvoerende macht moeten worden benoemd onder de kandidaten die door de representatieve vakorganisaties worden voorgedragen. De verzoekende partijen willen uitsluitend op lokaal niveau gebruik maken van de fundamentele rechten om deel te nemen aan door de overheid opgelegde verkiezingen die leiden tot de samenstelling van organen waarin de wet voorziet, die onder meer de bevoegdheid hebben om het arbeidsreglement op basis waarvan zij zullen werken, vast te leggen. Indien de overheid die fundamentele rechten wil beperken, dient zij de toegepaste criteria objectief te verantwoorden. Nu is aangetoond dat een deel van de criteria niet objectief is vastgelegd, is de schending van de rechten van de verzoekers discriminerend. Vergeleken met bijvoorbeeld de gemeenteraadsverkiezingen, wordt artikel 8 van de Grondwet volgens die partijen aangetast en is het middel gegrond. A.24.1. Volgens de Ministerraad is het beweerde « actief en passief kiesrecht » in de sociale verkiezingen geen politiek recht in de zin van artikel 8 van de Grondwet. Die bepaling geldt slechts voor verkiezingen voor de door de Grondwet ingestelde organen, zodat de sociale verkiezingen buiten het toepassingsgebied ervan vallen. Het actief en passief kiesrecht in de sociale verkiezingen is zelfs geen politiek recht in de zin van artikel 145 van de Grondwet, doch een burgerlijk (subjectief) recht, wat niet hoeft te verwonderen vermits het de betrekkingen tussen particulieren betreft, namelijk te dezen de samenstelling van organen die de sociale dialoog tussen werknemers en werkgevers op gestructureerde wijze mogelijk moeten maken en die geenszins te beschouwen zijn als publiekrechtelijke rechtspersonen. Elke gelijkenis met de verkiezing van de politieke vergadering loopt derhalve mank. Vermits er geen sprake is van een (schending van een) politiek recht, is er a fortiori geen discriminatie op het vlak van het verzekeren van een politiek recht. A.24.2. In zoverre het middel aldus wordt geïnterpreteerd dat de bestreden bepalingen een verschil in behandeling zouden teweegbrengen tussen de sociale verkiezingen en de verkiezingen waarop artikel 8 van de Grondwet wel van toepassing is, merkt de Ministerraad op dat hiervoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Wat het begrip « representatieve organisatie » betreft, wijst de Ministerraad erop dat dit met betrekking tot de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven nergens wettelijk is bepaald en dat de aanwijzing van de leden een discretionaire - maar niet willekeurige - bevoegdheid van de Koning is. Wat de Nationale Arbeidsraad betreft, wordt noch in de wet, noch in het koninklijk besluit bepaald wat moet worden verstaan onder « meest representatieve organisatie ». Het komt de minister toe de voorwaarden vast te stellen waaraan de representatieve organisaties moeten beantwoorden. Daaruit volgt dat de representatieve organisaties geenszins een vetorecht hebben om te bepalen wie van beide voormelde organen deel kan uitmaken. In het verleden zijn verschillende organisaties opgekomen tegen het feit dat zij niet als representatief werden erkend. Uit de rechtspraak die uit die betwistingen is voortgekomen, blijkt allereerst dat de wetgever, bij de organisatie van het bedrijfsleven en het collectief overleg (ook in de overheidssector), de gesprekspartners mag selecteren en dat het criterium van de representativiteit daarvoor een legitiem en adequaat criterium is. Ten tweede blijkt daaruit dat ook het lidmaatschap in de Nationale Arbeidsraad een objectief, redelijk en aanvaardbaar (sub)criterium is, zoals blijkt uit de arresten nrs. 71/92 en 70/2003 van het Hof. De Ministerraad is van oordeel dat het voor het organiseren van een permanent en doeltreffend overleg en voor het bewaren van de sociale vrede in de private sector even pertinent is de gesprekspartners die aan het collectief overleg mogen deelnemen, te selecteren. Het is, ook in de private sector, aanvaardbaar daarvoor representativiteitscriteria in te voeren, op voorwaarde dat dit niet tot discriminatie leidt. De Ministerraad ziet niet in hoe dat het geval zou kunnen zijn met criteria die erop neerkomen dat de betrokken organisaties over een 11 minimumaantal leden dienen te beschikken, dat zij nationaal en interprofessioneel georganiseerd moeten zijn en dat zij zitting hebben in de Nationale Arbeidsraad en de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, wat elk voor zich (in zekere mate) waarborgen zijn die ertoe strekken dat bij het collectief overleg rekening wordt gehouden met « de gehele weerslag van een eis », zowel op interprofessioneel als op nationaal vlak. De door de verzoekende partijen gewenste individuele kandidaatstelling leidt daarentegen tot een regelrechte versplintering van de sociale dialoog, hetgeen door de wetgever allerminst opportuun werd en wordt geacht. Een efficiënte behartiging van de belangen van de werknemers veronderstelt sterke, representatieve werknemersorganisaties die niet alleen aandacht hebben voor de gehele weerslag van een eis maar ook een tegengewicht kunnen vormen voor de organisaties waarmee een compromis moet worden gesloten. Algemeen wordt aanvaard dat het aantal representatieve organisaties kan worden beperkt met het oog op de organisatie van een sterke sociale dialoog. Bij de beoordeling van het verschil in behandeling, en dan vooral van het redelijk verantwoord karakter ervan, moet rekening worden gehouden met de verplichting die op grond van artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet voor de bevoegde wetgever geldt om de rechten op informatie, overleg en collectief onderhandelen te waarborgen. Ter zake heeft de Grondwetgever zelf gekozen voor een systeem waarbij de stabiliteit van het collectief overleg en de sociale vrede (mede) zouden worden gewaarborgd door het representatief en interprofessioneel karakter van de sociale partners, zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding. Die keuze van de Grondwetgever, die hoe dan ook niet kan worden betwist, vindt ongetwijfeld (mede) grondslag in de vaststelling dat de sociale partners (ook) aan werknemerszijde niet alleen de iure getuigen van een representativiteit, maar ook de facto. Daarbij wordt opgemerkt dat gezaghebbende internationale organisaties inmiddels tot het besluit zijn gekomen dat een sociaal overleg dat gecoördineerd - zowel horizontaal, als verticaal tussen het nationale, sectorale en ondernemingsniveau - is georganiseerd, kans biedt op succes en stabiliteit, wat klaarblijkelijk wordt bijgevallen in de rechtsleer. De keuze van de wetgever om principieel enkel representatieve werknemersorganisaties die op de verschillende overlegniveaus zijn vertegenwoordigd en dus gecoördineerd kunnen optreden, toe te laten tot de organen waarin de sociale dialoog plaatsvindt op ondernemingsniveau, is dus niet onredelijk, laat staan kennelijk onredelijk. De Ministerraad verwijst ten slotte naar de representativiteitscriteria die worden gehanteerd door het Comité voor vakbondsvrijheid van de Internationale Arbeidsorganisatie. Dat Comité heeft de voorwaarde van 50 000 aangesloten leden niet als overdreven beschouwd. Het is juist dat het Comité stelde dat de criteria voor toegang tot de Nationale Arbeidsraad niet voldoen aan de voorwaarden die het stelt inzake objectiviteit, duidelijkheid en voorafgaande vaststelling. Ofschoon die bijkomende voorwaarde geen verdragsrechtelijke basis lijkt te hebben, heeft het Comité bevestigd dat zij is gesteld « om misbruiken te voorkomen » die het gevolg zouden zijn van het « discretionaire voorkeur geven aan bepaalde syndicaten ». Ofschoon de representativiteitscriteria, met inbegrip van het lidmaatschap van de Nationale Arbeidsraad en de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, een discretionaire beoordelingsbevoegdheid laten aan zowel de bevoegde minister als aan de Koning, is die delegatie niet zo ruim dat de uitvoerende macht de mogelijkheid zou hebben om arbitrair of discriminatoir op te treden, zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof. Uit die rechtspraak blijkt dat het verschil in behandeling dat het gevolg zou zijn van het al dan niet erkennen als zijnde representatief, een verschil in behandeling is dat door het Hof niet op zijn grondwettigheid kan worden beoordeeld omdat het slechts een gevolg is van een administratieve rechtshandeling die door de Koning wordt gesteld. Het Hof heeft daarbij terecht erop gewezen dat de Koning, wanneer Hij die administratieve rechtshandeling stelt, evengoed het gelijkheidsbeginsel dient te eerbiedigen, waarop (in een rechtsstaat) trouwens controle kan worden uitgeoefend, te dezen door de administratieve rechter, zodat enige vorm van willekeur dan ook is uitgesloten. Ten slotte blijkt dat het optreden van de Koning - en meteen ook het daaruit voortvloeiende verschil in behandeling - wettelijke grondslag vindt in andere dan de bestreden wetgeving, namelijk in de wet houdende organisatie van het bedrijfsleven en in de wet van 29 mei 1952 tot inrichting van de Nationale Arbeidsraad. De uitvoerende macht laat zich hierbij leiden door objectieve doch niet geschreven criteria die door de Raad van State worden aanvaard. A.24.3. In zoverre het middel verwijst naar het « akkoord » in de bouwsector om sociale verkiezingen te vermijden, dat beweerdelijk op artikel 78 van de wet van 4 december 2007 zou zijn gebaseerd, stelt de Ministerraad dat het Hof niet bevoegd is om van een dergelijke toepassing van die bepaling kennis te nemen en er een oordeel over uit te spreken. A.25.1. Het ACV gaat eveneens dieper in op de vereiste representativiteit van een erkende werknemersorganisatie en ontkent het zogenaamde monopolie van de thans erkende organisaties. Organisaties die voldoen aan dezelfde criteria van representativiteit en stabiliteit, kunnen eveneens worden erkend. De geldende wetgeving bewerkstelligt op geen enkele wijze een oligopolie, noch verleent zij de thans erkende werknemersorganisaties een vetorecht met betrekking tot de erkenning van andere organisaties. 12 De stabiliteit die moet worden gewaarborgd door de representativiteit en het interprofessionele karakter van de sociale partners, is overigens bij de voorbereiding van artikel 23 van de Grondwet - waarop een ander middel steunt - benadrukt. A.25.2. Het ACV verwerpt ook het standpunt met betrekking tot het « akkoord » in de bouwsector. Niet alleen kan het Hof de toepassing van de bestreden bepaling niet beoordelen, maar bovendien wijst die organisatie erop dat die bepaling toelaat op een betere en meer aan de sector aangepaste wijze tegemoet te komen aan de wensen van het sociaal overleg op ondernemingsniveau. A.25.3. In ieder geval past het door de verzoekende partijen vooropgestelde systeem van directe democratie niet in het raam van de door de wetgever bedoelde overleg- en informatiestructuren binnen de bedrijfsorganisatie. Om te voorkomen dat een doorgedreven kleinschaligheid, gebaseerd op directe verkiezingen, tot versnippering leidt van de betrokken organisaties of tot vertegenwoordigers die enkel belang tonen voor hun kiescollege, is dan ook een representativiteitsvereiste noodzakelijk en gewettigd. Het door de verzoekende partijen aangehaalde idee van de onafhankelijke kandidaat is dan ook een ongerijmdheid die op geen enkele manier te verzoenen is met het Belgische systeem van het sociaal overleg en daarbij horende organen. Wat het tweede middel betreft A.26. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 19, 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, doordat de bestreden wet ertoe leidt dat bij de sociale verkiezingen enkel personen die behoren tot de socialistische, liberale en christendemocratische strekking, hun mening op een georganiseerde wijze kunnen doorgeven aan de werknemers via het indienen van lijsten en het naar voren schuiven van geldige kandidaten, terwijl personen die behoren tot de Vlaams-nationale strekking, de mogelijkheid wordt ontzegd om lijsten in te dienen voor de sociale verkiezingen, en zij aldus door overheidsinmenging worden verhinderd hun mening door te geven zonder dat de daartoe door de voormelde verdragsbepalingen vereiste omstandigheden voorhanden zijn. Het feit dat aldus bepaalde meningen worden doorgegeven - en andere niet mogen worden doorgegeven - blijkt onder meer uit het feit dat talrijke leden met een Vlaams-nationale visie werden uitgesloten uit de representatieve werknemersverenigingen. Het feit dat zij geen geldige kandidaten kunnen zijn, maakt de door hen geuite mening voor werknemers ook veel minder aantrekkelijk om in overweging te nemen, aangezien zij toch geen enkele kans maken om effectief te worden verkozen. De reden die doorgaans wordt aangehaald om het uiten van hun mening te verhinderen - namelijk de noodzaak van een stabiel sociaal overleg - is geen pertinente noch aanvaardbare verantwoording voor de beperking van de vrije meningsuiting overeenkomstig de in het middel vermelde verdragsbepalingen. Met betrekking tot de uitsluiting van leden merken de verzoekende partijen op dat die uitsluiting krachtens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens niet vanzelfsprekend is wanneer een vakbond overheidstaken uitvoert of er een « closed shop »-systeem zou zijn. Eigenlijk beoogt de bestreden wet een sociaal overleg met drie monopolistische vakorganisaties omwille van het « algemeen belang » dat zou worden gediend door de sociale vrede waarover zij aldus kunnen waken en de stabiliteit die zij zouden kunnen garanderen voor het collectief overleg. De uitoefening van de sociale (grond)rechten impliceert volgens die partijen per definitie het innemen van « politieke standpunten », namelijk standpunten die erop gericht zijn het (maatschappelijke) beleid te beïnvloeden. Aan de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting kunnen geen discriminerende beperkingen worden opgelegd. A.27.1. Wat het tweede middel betreft, voert de Ministerraad aan dat geen enkele wettelijke bepaling inzake de sociale verkiezingen en inzake de samenstelling van de organen van het sociale overleg een onderscheid maakt naar gelang van de ene of de andere ideologie, zodat de wetgever a fortiori geen ideologie anders, laat staan beter, beschermt dan een andere. Verder mist het middel feitelijke grondslag omdat de wet geen overheidsinmenging in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting inhoudt, vermits dat recht niet vereist dat de overheid moet waarborgen dat elke werknemer zich kandidaat kan stellen voor het mandaat van personeelsafgevaardigde. Meer nog, dat middel getuigt van rechtsmisbruik door de verzoekende partijen, die gebruik willen maken van de kandidaatstellingen om hun gedachtegoed te verspreiden en er steun voor te krijgen, wat niet het doel is van de sociale verkiezingen. 13 A.27.2. Het recht op vrije meningsuiting houdt mede de vrijheid in om inlichtingen en denkbeelden van welke aard ook op te sporen, te ontvangen en door te geven, ongeacht grenzen, hetzij mondeling, hetzij in geschreven of gedrukte vorm, in de vorm van kunst, of met behulp van andere media naar keuze. Het is een klassiek burgerlijk recht dat de overheid verbiedt om zich te mengen in het recht op vrije meningsuiting, bijvoorbeeld door bepaalde meningsuitingen te verhinderen of te verbieden. De vrijheid om inlichtingen en denkbeelden door te geven houdt niet de plicht in voor de overheid om elke werknemer de mogelijkheid te bieden om zich kandidaat te stellen voor een mandaat in een orgaan waarin een sociale dialoog tussen werknemers en werkgevers plaatsvindt. Sociale verkiezingen hebben niets uit te staan met het recht op vrije meningsuiting omdat zij niet dienen om een bepaald gedachtegoed door te geven, maar wel om de personeelsafgevaardigden te verkiezen, die met zin voor verantwoordelijkheid alle werknemers vertegenwoordigen in een sociaal orgaan, opgezet met een specifiek doel. A.27.3. Verder wijst de Ministerraad erop dat lidmaatschap van de representatieve organisatie geen voorwaarde is om kandidaat te kunnen zijn. Evenmin bestaat er een verschil in behandeling op het vlak van de faciliteiten die aan de kandidaten zouden worden geboden om, in het kader van de sociale verkiezingen, hun mening te verkondigen, vermits dergelijke faciliteiten in beginsel niet bestaan of, in ondernemingen waar zij toch bestaan, hun grondslag vinden in een akkoord dat daarover op ondernemingsvlak moet worden gesloten. A.27.4. Wat de uitsluiting van leden door representatieve organisaties betreft, laat de Ministerraad gelden dat dit niet uit de bestreden wet voortvloeit - en daaraan ook niet kan worden toegeschreven - en dat op grond van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (arrest Aslef van 27 februari 2007) een vakvereniging leden mag uitsluiten. Anders dan de verzoekende partijen beweren, kan eruit niet worden afgeleid dat de bestreden regeling, door de opdrachten die de representatieve organisaties vervullen, onder meer met betrekking tot de uitbetaling van werklozensteun, onbestaanbaar is met de in het middel aangehaalde grondrechten, vermits de vakorganisaties niet het monopolie van die uitbetaling hebben. Tot slot blijkt dat enkel leden die kandideerden voor een politieke verkiezing, werden uitgesloten, zodat leden met Vlaams-nationaal gedachtegoed die niet voor een dergelijke verkiezing zijn opgekomen, wel op een lijst van een representatieve werknemersorganisatie kunnen worden voorgedragen. A.28. Het ACV beklemtoont dat de verzoekende partijen zelf ook een werknemersorganisatie kunnen oprichten en die laten erkennen. De organisatie betwist dat de sociale verkiezingen dienen om ideologische standpunten te verkondigen. Die tussenkomende partij ontkent dat de erkende werknemersorganisaties zuilgebonden zouden zijn. De kandidaten en de verkozenen van de representatieve werknemersorganisaties hebben niet tot doel de beweerde « zuilgebondenheid » verder te expliciteren in de ondernemingen. Zij vertegenwoordigen wel alle werknemers in de onderneming, tot welke politieke gezindheid zij ook behoren. Een werknemersorganisatie wordt immers, op grond van de vrijheid van vereniging en de vakbondsvrijheid, georganiseerd overeenkomstig de door de leden uitgestippelde waarden en doelstellingen. In die zin kan zij als een tendensorganisatie worden begrepen, wat iets anders is dan een « zuilgebonden » organisatie. Bovendien moet worden opgemerkt dat er maatschappelijk geen sprake is van « ontzuiling » in de door de verzoekende partijen bedoelde zin, onder meer onder verwijzing naar de verschillende organisaties die actief zijn als ziekenfonds. De traditionele « zuilgebonden » ziekenfondsen bestaan nog steeds en de sociale evolutie heeft ervoor gezorgd dat ook organisaties met een ander profiel konden ontstaan. Niets belet de verzoekende partijen dan ook om zich te verenigen en zich binnen de structuren van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie te laten erkennen als representatief. Wat specifiek de uitsluiting van bepaalde leden betreft, wijst het ACV erop dat het vrije vakverenigingsrecht en de statutaire vrijheid van de organisatie voorvloeien uit talrijke bepalingen, zoals artikel 27 van de Grondwet, artikel 22.1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, en artikel 5 van het Europees Sociaal Handvest. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft het recht van een vakvereniging bevestigd om leden uit te sluiten wanneer hun opvattingen haaks staan op de doelstellingen van de vereniging. Het is bovendien ook niet juist dat leden van Vlaams-nationale strekking worden geweerd van de desbetreffende lijst, maar wel dat, indien zij publiekelijk actief zijn in organisaties die verband houden met het extremistische gedachtegoed, het de vakorganisatie vrijstaat die leden uit te sluiten. 14 Wat het derde middel betreft A.29. Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de bestreden wet bepaalt dat voor de sociale verkiezingen kandidatenlijsten voor de categorie van de werknemers uitsluitend kunnen worden ingediend door representatieve werknemersorganisaties, die dus moeten beschikken over 50 000 leden en vertegenwoordigd moeten zijn in de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en in de Nationale Arbeidsraad, en terwijl de artikelen 33 en 4, 5°, bepalen dat voor de categorie van de kaderleden ook kandidatenlijsten kunnen worden ingediend door ten minste tien procent van het aantal kaderleden in de onderneming, met een minimum van slechts vijf, wat een discriminatie van werknemers is ten aanzien van kaderleden, vermits voor dat onderscheid geen objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Zowel het feit dat de kaderleden een eigen groep vormen binnen de onderneming, wegens hun hogere opleiding en specifieke verloning, wat door de verzoekende partijen wordt betwist, als het feit dat er een lage graad van aansluiting bij een vakbond zou zijn, wat niet wordt bewezen, zouden niet kunnen verantwoorden dat een verschil in behandeling wordt ingesteld. Geen van die elementen laat immers toe objectief te rechtvaardigen waarom één kaderlid met vijf handtekeningen van kaderleden volwaardig een lijst mag indienen, en een onafhankelijke of door een vakbond geweigerde werknemer die vijfhonderd handtekeningen zou verwerven, dat niet kan. In geen geval vragen zij de afschaffing van de regeling voor de kaderleden. Zij beogen daarentegen dat die regeling wordt uitgebreid tot de werknemers. A.30. De Ministerraad meent, wat het derde middel betreft, dat de wetgever terecht van oordeel was dat de situatie van de kaderleden voldoende afwijkt van de situatie van de andere categorieën van werknemers om ten aanzien van de kaderleden in een afwijkende regeling te voorzien. Ten minste is het oordeel van de wetgever op dat punt niet kennelijk onredelijk, zoals moge blijken uit de parlementaire voorbereiding van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, waarin de afwijkende regeling voor de kaderleden was opgenomen. De wetgever beoogde de representativiteit van de ondernemingsraad te vrijwaren dan wel te versterken, door te voorzien in de vertegenwoordiging van de kaderleden van een onderneming en hun specifieke belangen. Het kan niet worden betwist dat, binnen de categorie van de werknemers, de categorie van de kaderleden een onderscheiden groep vormt met onderscheiden belangen en de representatieve werknemers- en werkgeversorganisaties waren het erover eens dat het kaderpersoneel een socioprofessionele groep vormt die een specifieke plaats inneemt in de onderneming. De Ministerraad wijst op de eigen karakteristieken en specifieke belangen van de kaderleden, die de wetgever ertoe hebben gebracht te voorzien in een regeling waarbij de vertegenwoordiging van de kaderleden in de ondernemingsraad ook daadwerkelijk zou worden gewaarborgd. Dat de kaderleden zouden worden vertegenwoordigd, is des te meer gerechtvaardigd in de wetenschap dat zij een kwantitatief niet te verwaarlozen categorie vormen binnen de gemeenschap van werknemers. De wetgever voorzag in een afzonderlijk kiescollege en vertegenwoordiging in de ondernemingsraad, wat de werknemersorganisaties hadden gevraagd, en doorbrak « het monopolie » van de representatieve werknemersorganisaties, wat de wens was van de werkgeversorganisaties en steunde op de vaststelling dat het aantal leden van het kaderpersoneel dat bij een vakbond is aangesloten veel lager ligt dan bij de andere categorieën van werknemers. Dat staat evenwel niet eraan in de weg dat de wetgever onverminderd (zelfs in de eerste plaats) erin heeft voorzien dat ook de representatieve werknemersorganisaties kandidatenlijsten kunnen indienen met het oog op de verkiezingen van de kaderleden. Daarnaast kunnen ook kandidatenlijsten worden ingediend door de representatieve organisaties van kaderleden, waarmee de wetgever verwijst naar het « categoriaal kadersyndicalisme ». Ten slotte kunnen de afgevaardigden van het kaderpersoneel in de ondernemingsraad ook worden voorgedragen op een lijst die de steun krijgt van, in beginsel, ten minste 10 pct. van de kaderleden, om de ingesteldheid bij het kaderpersoneel om zich niet bij een vakbond aan te sluiten, op te vangen en tegemoet te komen aan de bestaande verenigingen van het kaderpersoneel op ondernemingsniveau en de daadwerkelijke « kaderbonden » op ondernemingsniveau. De wetgever heeft het derhalve opportuun geoordeeld de mogelijkheid van « onafhankelijke » of « huislijsten » mogelijk te maken voor het kaderpersoneel, teneinde het daadwerkelijk representatief karakter van de vertegenwoordiging van de kaderleden in de ondernemingsraad te waarborgen. Gelet op wat voorafgaat, wordt die keuze van de wetgever verantwoord door de lage graad van aansluiting bij een vakbond en de specificiteit van de categorie van kaderleden, die, zowel op het stuk van hun organisatie als op het stuk van hun belangen, verschillen van de andere categorieën van werknemers. In ieder geval kunnen de verzoekende partijen niet eisen dat, bij eventuele ongrondwettigheid van de regeling wegens schending van het gelijkheidsbeginsel, de afzonderlijke verkiesbaarstelling van de categorie van de 15 kaderleden automatisch zou worden uitgebreid tot alle werknemers. Men kan immers niet door middel van een beroep tot vernietiging een maatregel ingang doen vinden waartoe alleen de wetgever kan beslissen na afweging van alle relevante elementen. A.31. Het ACV ondersteunt de stelling van de Ministerraad. Het kaderpersoneel maakt een aparte categorie uit in zoverre zij die aan de leiding staan van bedrijven minder bescherming nodig hebben van interprofessionele vakbonden en zelf het risico kunnen nemen zich kandidaat te stellen buiten elke organisatie of bij specifieke kaderledenorganisaties. Zelfs indien het Hof van oordeel zou zijn dat het onderscheid dat de wet maakt tussen kaderleden en andere werknemers discriminerend zou zijn, dan zou dit niet noodzakelijk met zich mee brengen dat de regeling van de kaderleden tot alle werknemers moet worden uitgebreid. De ervaring leert trouwens dat ook kaderleden, om hun beroepscategorie, laat staan het personeel, correct te vertegenwoordigen, ook de logistieke, technische, intellectuele en juridische steun van de grote organisaties kunnen benutten. De laatste verkiezingen wezen op een merkwaardige stijging van de kaderlijsten voorgedragen door de grote organisaties, en op een aanzienlijke achteruitgang van de categoriale kaderorganisaties en van de zogenaamde huislijsten. Hieruit blijkt dat de drie interprofessionele werknemersorganisaties hebben aangetoond sterk representatief te zijn, ook voor de kaderleden. Wat het vierde middel betreft A.32.1. Het vierde middel is afgeleid uit de schending van artikel 27 van de Grondwet, van artikel 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van artikel 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en van de artikelen 3 en 10 van het verdrag nr. 87 van de Internationale Arbeidsorganisatie « betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en bescherming van het vakverenigingsrecht », ten eerste, doordat artikel 33 juncto artikel 4, 6°, van de bestreden wet de kandidaatstelling bij de sociale verkiezingen onmogelijk maakt voor wie niet is aangesloten bij een vereniging, vervolgens, doordat de bestreden wet een systeem instelt waardoor de erkenning van een eventueel nieuw opgerichte vereniging als representatieve werknemersorganisatie is onderworpen aan het vetorecht van de drie reeds bestaande verenigingen, waardoor een nieuwe vakverenging onmogelijk kan deelnemen aan de sociale verkiezingen en, ten slotte, doordat het nadeel niet te behoren tot een van de drie bestaande verenigingen, namelijk de uitsluiting van deelname aan de sociale verkiezingen, door de bestreden wet dermate groot wordt dat er dwang ontstaat om zich aan te sluiten bij een van die drie verenigingen. A.32.2. Artikel 27 van de Grondwet zou zijn geschonden doordat een werknemer de vrije keuze heeft om zich niet aan te sluiten bij een van de drie in de praktijk bestaande representatieve werknemersorganisaties, doch het nadeel dat hij daardoor ingevolge de bestreden wet lijdt, is de onmogelijkheid om als kandidaat deel te nemen aan de sociale verkiezingen in zijn bedrijf, aldus de volledige onmogelijkheid om als personeelsafgevaardigde zitting te hebben in de ondernemingsraad of het comité voor preventie en bescherming op het werk, en aldus ook de onmogelijkheid om een ontslagbescherming te genieten zoals vastgelegd in de wet van 19 maart 1991, nadeel dat niet in redelijk verband staat met het eventuele doel van die regeling. De ongrondwettigheid wordt des te groter voor diegenen onder de verzoekers die vanwege hun deelname aan de gemeenteraadsverkiezingen op de lijst van hun keuze, door de drie bestaande representatieve werknemersorganisaties als lid werden uitgesloten. A.32.3. Artikel 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten waarborgen niet alleen het recht een vakvereniging op te richten maar ook zich bij vakverenigingen aan te sluiten « voor de bescherming van zijn belangen ». Nu die bescherming van de werknemersbelangen gebeurt via de ondernemingsraad, is het duidelijk dat werknemers de kans moeten hebben aan de sociale verkiezingen deel te nemen met de vakvereniging van hun keuze. De bestreden wet vormt een beperking op de uitoefening van dat recht, die alleen mogelijk is op grond van lid 2 van die artikelen, doch aan geen van de daarin bepaalde mogelijkheden is door de bestreden wet voldaan. Vanuit het oogpunt van de vrijheid van vereniging, meer bepaald de vakbondsvrijheid, verbiedt artikel 22.3 van het voormelde Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bovendien aan België om hetzij via een wet zoals de bestreden norm, hetzij via de wijze waarop die concreet wordt toegepast, de minimale waarborgen van het voormelde verdrag nr. 87 van de Internationale Arbeidsorganisatie te schenden, om welke reden dan ook. Artikel 3 van dat verdrag waarborgt immers het recht een vakvereniging op te richten, en verbiedt de overheid zich daarin te mengen. Artikel 10 bevestigt dat een dergelijke vereniging de belangen van de 16 werknemers bevordert en verdedigt, waaruit het recht op collectief onderhandelen in organen als de ondernemingsraad wordt afgeleid. In een van de meest opmerkelijke uitspraken van het Comité dat toeziet op de eerbieding van dat verdrag werd België reeds in 1985 expliciet opgeroepen om, vanwege de strijdigheid van het vakbondsmonopolie met de vakbondsvrijheid, de wetgeving te wijzigen. Het Comité van de Internationale Arbeidsorganisatie heeft toen in duidelijke bewoordingen vastgesteld dat het systeem waarbij het onmogelijk is deel te nemen aan de sociale verkiezingen voor wie niet is vertegenwoordigd in de Nationale Arbeidsraad, en zoals het door de bestreden wet wordt vastgelegd als voorwaarde om lijsten in te dienen voor de sociale verkiezingen van 2008, strijdig is met de vakbondsvrijheid. A.33.1. De Ministerraad merkt op dat dit middel enkel verwijst naar een beweerde schending van de vrijheid van vereniging en de vakbondsvrijheid en niet naar de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, zodat er geen toetsing dient te gebeuren aan het gelijkheidsbeginsel. A.33.2. Verder wordt herhaald dat het uitgangspunt dat een kandidaatstelling bij de sociale verkiezingen onmogelijk zou zijn voor wie niet is aangesloten bij een vereniging, onjuist is vermits de bestreden wet niet bepaalt dat de werknemer lid moet zijn van een representatieve vakorganisatie om voorgedragen te kunnen worden als kandidaat. Vervolgens herhaalt de Ministerraad dat het uitgangspunt dat de representatieve werknemersorganisaties een vetorecht zouden hebben waardoor zij de erkenning van een eventueel nieuw opgerichte werknemersorganisatie zouden kunnen tegenhouden, eveneens onjuist is. En ook het derde uitgangspunt is niet correct : het niet-behoren tot een van de drie representatieve verenigingen leidt immers geenszins tot uitsluiting van deelname aan de sociale verkiezingen. Integendeel, elke werknemer die geen lid van het leidinggevend personeel is, kan deelnemen aan de sociale verkiezingen en zijn stem uitbrengen en ook niet- leden van representatieve werknemersorganisaties kunnen door een representatieve organisatie als kandidaat worden voorgedragen. A.33.3. De vrijheid van vereniging verwijst volgens de Ministerraad, enerzijds, naar het recht van eenieder om deel uit te maken van een vereniging (positieve vrijheid van vereniging) en, anderzijds, naar het recht om geen deel uit te maken van een vereniging (negatieve vrijheid van vereniging). Bepaalde aspecten van de vakbondsvrijheid of vrijheid van vakvereniging maken deel uit van de vrijheid van vereniging. De vrijheid van vereniging en bijgevolg de daaronder begrepen onderdelen van de vrijheid van vakvereniging worden door de Grondwet en verschillende internationale verdragen gewaarborgd. De vakbondsvrijheid als dusdanig wordt in tegenstelling tot de vrijheid van vereniging door geen enkele nationale of supranationale norm afgekondigd. Veelal worden slechts aspecten van de vakbondsvrijheid gewaarborgd. De vakbondsvrijheid houdt het recht in om een vakvereniging op te richten, het recht om lid te worden van een vakvereniging en het recht van de vakvereniging om zelf op te komen voor de belangen van de vakbondsleden. Het recht op vrijheid van vakvereniging veronderstelt een recht om zijn leden te vertegenwoordigen, een recht om zijn leden te informeren en bij te staan of nog een recht om collectieve actie te voeren met inbegrip van het recht te staken. Het grondrecht van de vakbondsvrijheid impliceert niet meer of niet minder dan dat de werknemers een door de rechtsorde gewaarborgde bevoegdheid bezitten om een sociale tegenmacht te ontwikkelen met het oog op het corrigeren en bijsturen van de vrije arbeidsmarkt en van de sociale concurrentie, die ze veroorzaakt. De vrijheid van vakbondsactie, inherent aan de vakbondsvrijheid, waarborgt de werknemer daarenboven de mogelijkheid om zich (tijdelijk) aan de marktwerking te onttrekken en veronderstelt het recht om aan de werkgever economische schade toe te brengen om de macht te ontwikkelen die nodig is om de kapitaalinbrengers in de onderneming tot collectief overleg te brengen. A.33.4. De betwiste bepalingen doen volgens de Ministerraad geen afbreuk aan de negatieve vakbondsvrijheid van de verzoekers vermits het feit geen lid te zijn van een van de drie representatieve vakorganisaties geenszins leidt tot de gevolgen die de verzoekende partijen meenden als uitgangspunt te moeten gebruiken. Daarenboven wordt het aan de verzoekende partijen op geen enkel moment verboden, laat staan door één van de bestreden bepalingen, om zelf een eigen vakvereniging op te richten, waarbij die vakvereniging dan het recht zal hebben om op te komen voor de belangen van haar leden. De Ministerraad ziet dan ook niet in welk opzicht de positieve (vakbonds-)vrijheid van vereniging van de verzoekende partijen zou worden beperkt, laat staan geschonden. Het recht om te mogen stemmen voor de sociale verkiezingen, om zich hiervoor kandidaat te stellen, het uitoefenen van een mandaat als personeelsafgevaardigde in de ondernemingsraad of in het comité voor preventie en bescherming op het werk - waarbij overigens het geheel van het personeel wordt vertegenwoordigd - en de ontslagbescherming ingevolge het mandaat, staan los van en worden geenszins gewaarborgd door de vrijheid van vereniging, die in het middel wordt aangevoerd. De in het geding zijnde bepalingen tasten de vrijheid van 17 vereniging dan ook geenszins aan en schenden dan ook geen van de in het middel vermelde bepalingen. Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de vrijheid van vereniging en de toekenning door de overheid van bepaalde bevoegdheden aan bepaalde vakorganisaties. Bovendien blijkt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat zelfs het recht voor een vakorganisatie om te worden geraadpleegd noch noodzakelijkerwijze inherent is aan de vrijheid van vereniging, noch onontbeerlijk is om die vrijheid uit te oefenen. Hetzelfde Hof geeft trouwens een autonome betekenis aan het begrip « vereniging » en wees een beweerde schending van het voormelde artikel 11 als kennelijk ongegrond af omdat ondernemingsraden, die bij wet worden opgericht, (kennelijk) niet kunnen worden beschouwd als privaatrechtelijke verenigingen in de zin van die bepaling. A.33.5. De Ministerraad stelt vast dat de bestreden bepalingen op geen enkele wijze verband houden met en daarom ook geen schending kunnen inhouden van de bepalingen van het verdrag nr. 87 van de Internationale Arbeidsorganisatie. De door verzoekers geciteerde tekst uit het rapport 241 van het Comité voor vakbondsvrijheid van de Internationale Arbeidsorganisatie gaat dan ook niet over de vakbondsvrijheid, maar over « collectief onderhandelen in de economische sector » wat helemaal niet wordt geregeld door de bepalingen van het verdrag nr. 87, maar door het verdrag nr. 98 van dezelfde organisatie van 1 juli 1949 « betreffende de toepassing van de grondbeginselen van het recht van organisatie en collectief overleg », dat dus enkel het aspect collectieve onderhandeling betreft, en waarvan de schending hier door verzoekers niet wordt opgeworpen. Het niet toelaten van individuele kandidaturen, « huislijsten » van arbeiders en bedienden of lijsten voorgesteld door vakorganisaties die niet representatief zijn in de zin van de bestreden wet, wordt gerechtvaardigd door de keuze die de wetgever heeft gemaakt om in alle organen van sociale dialoog die deel uitmaken van de piramide van de bedrijfsorganisatie, enkel te werken met de representatieve vakorganisaties, namelijk die vakorganisaties die een belangrijke invloed kunnen hebben op het sociaal-economisch leven. De kritiek van het Comité voor vakbondsvrijheid betreft dan ook geenszins die principiële keuze van de wetgever, maar steeds (enkel) het zogenaamde gebrek aan vooraf bepaalde criteria. Het Hof heeft reeds de kans gehad zich hierover uit te spreken. De selectie van de gesprekspartners werd door het Hof niet als on(grond)wettig beschouwd en ook de vereisten om als representatief te worden erkend, zijn volgens het Hof objectief en redelijk. Op Europees vlak werd de optie van de wetgever eveneens bevestigd. Terwijl de verzoekers in dit verband de voorwaarde van 50 000 leden « draconisch » en ongerechtvaardigd noemen, laten ze na om mede te delen dat het Comité voor vakbondsvrijheid van de Internationale Arbeidsorganisatie in dezelfde aanbeveling waaruit ze een ruim citaat putten, heeft geoordeeld dat het kwantitatief criterium van 50 000 leden niet excessief is. A.34. Ook het ACV beklemtoont dat het de verzoekende partijen vrijstaat een representatieve werknemersorganisatie op te richten en ze te laten erkennen, onder de bij de wet bepaalde voorwaarden. Wat het vijfde middel betreft A.35. Het vijfde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 8, 10 en 11 van de Grondwet, doordat de artikelen 33 en 4, 6°, van de wet van 4 december 2007 bepalen dat voor de sociale verkiezingen kandidatenlijsten voor de categorie van de werknemers uitsluitend kunnen worden ingediend door representatieve werknemersorganisaties, die moeten beschikken over 50 000 leden en vertegenwoordigd moeten zijn in de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en in de Nationale Arbeidsraad, en doordat de drie bestaande representatieve werknemersorganisaties onder hun leden actief op zoek gaan naar Vlaams-nationalisten en die als lid uitsluiten, waardoor het voor de leden van de Vlaams-nationale minderheid onmogelijk wordt zich kandidaat te stellen voor de sociale verkiezingen en aldus het passief kiesrecht uit te oefenen, zodat de in het middel vermelde bepalingen zijn geschonden. De bestreden wet, gecombineerd met de feitelijke en niet-betwiste gedraging van de drie bestaande representatieve werknemersorganisaties om personen die zich bekennen tot de Vlaams-nationale strekking als lid en mogelijke kandidaat te weigeren, leidt ertoe dat werknemers die zich bekennen tot die strekking op geen enkele wijze als kandidaat kunnen deelnemen aan de sociale verkiezingen, waardoor het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie wordt geschonden. A.36.1. Volgens de Ministerraad is het middel niet gegrond in zoverre het steunt op artikel 8 van de Grondwet, om de reeds uiteengezette redenen. Hij is van oordeel dat daarmee meteen komt vast te staan dat het middel, in zijn geheel genomen, ongegrond is. 18 A.36.2. Verder is het middel ongegrond omdat de bestreden bepalingen hoegenaamd niet leiden tot een verschil in behandeling van werknemers op basis van hun ideologische of filosofische overtuiging. Geen enkele van de voorwaarden die in de wet worden vooropgesteld voor het uitoefenen van het passief kiesrecht in de sociale verkiezingen, heeft betrekking op de ideologische of filosofische overtuiging van de betrokken werknemer, noch zijn de vooropgestelde criteria om de representativiteit van de werknemersorganisaties te beoordelen van die aard dat een onderscheid zou worden gemaakt op grond van het ideologische of filosofische gedachtegoed dat door een werknemer of (beweerdelijk) door een representatieve werknemersorganisatie wordt aangekleefd. Een dergelijk criterium zou overigens niet pertinent zijn vermits de bestreden wetgeving ertoe strekt een doeltreffende bedrijfsorganisatie en een doeltreffende sociale dialoog te waarborgen, wat niet of minder wordt bepaald door de ideologische opvatting van de leden die de collectieve overlegorganen samenstellen. In zoverre er een verschil is met de socialistische, christendemocratische of liberale ideologieën, quod non, zou dat verschil uitsluitend het gevolg zijn van het feit dat enkel werknemersorganisaties met een socialistische, liberale of christendemocratische ideologie zich inmiddels dermate hebben weten te organiseren dat zij aan de door de wet gestelde representativiteitsvoorwaarden voldoen. A.37. Het ACV verwijst andermaal naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waarin werd gesteld dat een vakvereniging het recht heeft om leden uit te sluiten wier opvattingen haaks staan op de doelstellingen van de vereniging. Wat het zesde middel betreft A.38. Het zesde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 8, 10 en 11 van de Grondwet, doordat de artikelen 33 en 4, 6°, van de wet van 4 december 2007 bepalen dat voor de sociale verkiezingen kandidatenlijsten voor de categorie van de werknemers uitsluitend kunnen worden ingediend door representatieve werknemersorganisaties, die moeten beschikken over 50 000 leden, terwijl op de naleving van die voorwaarde door de reeds erkende werknemersorganisaties in geen enkele controle wordt voorzien - ofschoon eraan mag worden getwijfeld of een van de erkende organisaties wel zoveel leden heeft - en terwijl een eventuele nieuwe werknemersorganisatie die representatief wil zijn vooraf zal moeten bewijzen dat zij over 50 000 leden beschikt. Voor dat verschil in behandeling bestaat geen objectieve en redelijke verantwoording. A.39.1. Volgens de Ministerraad is het middel niet gegrond in zoverre het steunt op artikel 8 van de Grondwet, om de reeds uiteengezette redenen. Hij is van oordeel dat daarmee meteen komt vast te staan dat het middel, in zijn geheel genomen, ongegrond is. A.39.2. Verder kan het middel niet worden begrepen als een grief tegen een bepaling van de bestreden wet doch tegen de wijze waarop de gedeeltelijk bestreden wet volgens de verzoekende partijen wordt toegepast, omdat niet wordt aangetoond dat het criterium - een minimumaantal leden van 50 000 - zou (kunnen) leiden tot een schending van het gelijkheidsbeginsel. In werkelijkheid vrezen zij slechts dat het criterium in kwestie niet zou gelden bij de beoordeling van de representativiteit van een van de huidige als representatief erkende vakverenigingen, terwijl het wel zou worden toegepast ten aanzien van een - nog op te richten - vakvereniging. Over de toepassing van de wet kan het Hof evenwel niet oordelen. Bovendien laten de verzoekende partijen na ook maar één van de aanwijzingen kenbaar te maken waarop hun bewering steunt. Tot slot kunnen de verzoekende partijen niet verlangen, laat staan afdwingen, dat diezelfde bepaling ten aanzien van henzelf op dezelfde - bij veronderstelling on(grond)wettige - manier zou worden toegepast. A.40. Ook de ACLVB verwerpt dat middel om dezelfde reden, namelijk de onbevoegdheid van het Hof om toe te zien op de toepassing van de wet. Ofschoon in dat licht derhalve overbodig, bevestigt die organisatie dat zij over 265 000 leden beschikt en dat uit de ruime dienstverlening die zij aanbiedt, ook die waartoe zij van overheidswege is geroepen, en uit haar prominente rol bij de sociale verkiezingen, met talrijke kandidaten, duidelijk blijkt dat zij aan de gestelde voorwaarde van 50 000 leden voldoet. Het spreekt voor zich dat een nieuwe werknemersorganisatie, die wil worden erkend, haar legitimiteit en representativiteit niet aan de hand van dergelijke feitelijke aanwijzingen kan laten gelden. 19 Wat het zevende middel betreft A.41. Het zevende middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 8, 10, 11 en 23 van de Grondwet, doordat de artikelen 33 en 4, 6°, van de bestreden wet aan werknemers die niet behoren tot de strekking van de drie thans bestaande representatieve werknemersorganisaties, het passief kiesrecht bij de sociale verkiezingen ontzegt, wat een impact heeft op het recht op arbeid, doordat zij hun de toegang ontzeggen tot de organen waar het recht op informatie, overleg en collectief onderhandelen op het niveau van de onderneming wordt uitgeoefend, en doordat het verhinderen van de kandidatuurstelling van een werknemer bij de sociale verkiezingen ook moet worden beschouwd als het verhinderen van een vorm van maatschappelijke ontplooiing. De in artikel 23 van de Grondwet vervatte rechten dienen door de overheid via wet te worden gewaarborgd, waarbij het Hof mag nagaan of beperkingen van die rechten redelijk verantwoord zijn. De bestreden wet heeft een grote impact op het recht op arbeid, omdat een van de belangrijkste reden waarom mensen zich kandidaat stellen bij de sociale verkiezingen, de ontslagbescherming is die eruit voortvloeit. De toepassing van de bestreden wet zorgt er dus voor dat voor de categorie van de kandidaten van de liberale, christendemocratische en socialistische strekking het recht op arbeid op een indrukwekkende wijze extra wordt gewaarborgd, terwijl de categorie van de eventuele kandidaten zonder strekking of van Vlaams-nationale strekking, die worden geweerd, van die extra waarborg wordt beroofd. Ten slotte moet de deelname als kandidaat aan de sociale verkiezingen voor een werknemer worden beschouwd als een vorm van maatschappelijke ontplooiing, nu een werknemer daarvoor doorgaans cursussen volgt, zich juridisch en economisch gaat informeren, de gegevens van zijn bedrijf en zijn sector bestudeert, en na verkiezing vaardigheden ontwikkelt als vergadercultuur, verslaggeving aan belangstellenden, contact met de achterban, een recht dat door de bestreden wet wordt ontzegd aan werknemers zonder strekking of van Vlaams-nationale strekking. A.42.1. Volgens de Ministerraad is ook dat middel niet gegrond in zoverre het steunt op artikel 8 van de Grondwet, om de reeds uiteengezette redenen. Hij is van oordeel dat daarmee meteen komt vast te staan dat het middel, in zijn geheel genomen, ongegrond is. A.42.2. Wat de beweerde schending van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet betreft, benadrukt de Ministerraad allereerst dat de in artikel 23 van de Grondwet vermelde grondrechten volgens de uitdrukkelijke wil van de Grondwetgever geen directe werking hebben en dus niet onmiddellijk uitvoerbaar zijn. Weliswaar betekent dat niet dat de Grondwetgever geen enkele positiefrechtelijke draagwijdte aan die grondrechten heeft willen geven. Het Hof heeft overigens aanvaard dat bepaalde van de in artikel 23 van de Grondwet gewaarborgde rechten een standstill-verplichting ten aanzien van de wetgever inhouden waardoor deze geen afbreuk mag doen aan de gewaarborgde rechten op een manier die tot een aanzienlijke achteruitgang zou leiden, onverminderd zijn bevoegdheid om te oordelen hoe dat recht op de meest adequate wijze zou worden gewaarborgd. De door de verzoekende partijen aangevoerde grondrechten op arbeid, op informatie, overleg en collectief onderhandelen en op maatschappelijke ontplooiing zijn nog niet door het Hof gekwalificeerd als rechten die een standstill-verplichting voor de wetgever inhouden. Het middel is aldus ongegrond in zoverre het steunt op rechten die vooralsnog geen positiefrechtelijke afdwingbaarheid in de Belgische rechtsorde kennen. A.42.3. Ten gronde benadrukt de Ministerraad dat er geen sprake is van een schending van artikel 23 van de Grondwet, vanwege de fundamentele reden dat de bestreden wet geen nieuwe wetgeving inhoudt, maar slechts de bepalingen van het koninklijk besluit van 15 mei 2003 overneemt, en indien die achteruitgang er zou zijn, dan is die niet aanzienlijk, minstens redelijk te verantwoorden om redenen van algemeen belang, namelijk het behoud van de sociale vrede en het waarborgen van het stabiel en permanent collectief overleg. A.42.4. De Ministerraad wijst erop dat het Hof de in artikel 23, derde lid, van de Grondwet expliciet vermelde rechten en vrijheden terecht reeds in een ruimer kader plaatste waaruit volgt dat die rechten en vrijheden evenmin absoluut zijn, wat ook geldt voor het recht op arbeid, op informatie, overleg en collectieve onderhandeling, en op maatschappelijke ontplooiing, op voorwaarde dat de beperkingen op de in artikel 23 van de Grondwet gewaarborgde rechten niet buitensporig zijn. Daaruit volgt dat een controle op de verenigbaarheid van de in het geding zijnde bepalingen met de in artikel 23 van de Grondwet gewaarborgde rechten geheel samenvalt met een controle op de verenigbaarheid met het in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet gewaarborgde gelijkheidsbeginsel. 20 A.42.5. Volgens de Ministerraad raakt de bestreden wetgeving in het geheel niet aan het recht op arbeid en het recht op maatschappelijke ontplooiing. Hij wil niet ingaan op de uitermate opportunistische stelling van de verzoekende partijen dat een van de belangrijkste reden waarom mensen zich kandidaat stellen bij de sociale verkiezingen, de ontslagbescherming is die eruit voortvloeit. Hij kan er evenwel ook niet om heen dat uit dat standpunt blijkt dat de verzoekende partijen geenszins het oogmerk hebben om deel te nemen aan de sociale dialoog en ter zake verantwoordelijkheid op te nemen, niet in het minst ten aanzien van de werknemers die zij worden geacht te vertegenwoordigen wanneer zij in voorkomend geval zouden worden verkozen. Het oogmerk van de verzoekende partijen is aldus volstrekt vreemd aan het doel van de sociale verkiezingen, namelijk het verkiezen van werknemersafgevaardigden, die vervolgens samen met de werkgeversafgevaardigden een taak van verantwoordelijkheid in de onderneming opnemen. De verzoekende partijen bezondigen zich hierbij bovendien aan rechtsmisbruik. De arbeidsrechtbanken hebben herhaaldelijk geoordeeld dat er sprake is van rechtsmisbruik indien een werknemer middels zijn kandidatuur voor de sociale verkiezingen enkel de beschermingsvergoeding beoogt. A.42.6. Overigens doen de verzoekende partijen het geheel verkeerdelijk voorkomen alsof zij rechtstreeks en individueel rechten zouden kunnen putten uit de bij artikel 23, derde lid, 1° en 5°, van de Grondwet gewaarborgde rechten. De ontslagbescherming en de mogelijkheid van de personeelsafgevaardigde om zich bij te scholen, te informeren en om de gegevens van het bedrijf en de sector te bestuderen, zijn modaliteiten die de (kandidaat-)werknemersafgevaardigde in staat moeten stellen om zijn vertegenwoordigingsfunctie uit te oefenen. Het gaat om functionele rechten, die de onafhankelijke en deskundige uitoefening van de vertegenwoordiging moeten waarborgen. Die « rechten » werden door de Grondwetgever niet beschouwd als rechten die bij artikel 23 van de Grondwet worden beschermd als zouden het afdwingbare grondrechten zijn die rechtstreeks tot individuele, subjectieve rechten aanleiding zouden kunnen geven. Naar luid van de parlementaire voorbereiding heeft de Grondwetgever het « recht op arbeid » gewaarborgd, met het oogmerk om aan de overheid de verplichting op te leggen om een zo stabiel en hoog mogelijk werkgelegenheidspeil tot stand te brengen. Het recht op arbeid werd onmiddellijk gekoppeld aan een tewerkstellingsbeleid dat trouwens duidelijk de begrenzing van dat recht op arbeid aangeeft. Ook hieruit blijkt dat dit recht geen individueel recht van elk individu is, maar wel het collectieve recht van iedereen op een zo performant mogelijk werkgelegenheidsbeleid. A.42.7. Het recht op maatschappelijke ontplooiing heeft geenszins de betekenis die de verzoekende partijen eraan geven. Te dezen moet worden vastgesteld dat het redelijk is verantwoord dat alleen de (kandidaat- )werknemersafgevaardigden een ontslagbescherming genieten en de nodige faciliteiten kunnen genieten om zich bij te scholen omtrent de economische en juridische aspecten van de onderneming en de sector, daar die faciliteiten wezenlijk functioneel zijn. Het zijn modaliteiten die inherent zijn aan de doelstelling van de wetgever om de onafhankelijke en behoorlijke uitoefening van de vertegenwoordigingsfunctie te waarborgen. Wie een dergelijke vertegenwoordigingsfunctie niet uitoefent, heeft aldus geen behoefte aan die faciliteiten. Dat onderscheid in behandeling schendt geenszins het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, daar het een wettig doel heeft, berust op een objectief en pertinent criterium en die maatregel in zijn gevolgen niet onevenredig is ten aanzien van het wettige doel. A.42.8. De Ministerraad erkent dat de gedeeltelijk bestreden wet weliswaar raakvlakken heeft met het in artikel 23 van de Grondwet gewaarborgde recht op informatie, overleg en collectief onderhandelen, maar ziet niet in hoe de bestreden bepalingen dat artikel zouden kunnen schenden. De voormelde rechten zijn namelijk inspraakrechten, die gewoonlijk als « collectieve rechten » worden omschreven. De houder van het recht is de werknemer, maar de vereiste om als houder tot een welbepaalde categorie te behoren, de omstandigheid dat het recht collectief wordt nagestreefd en het feit dat het recht betrekking heeft op situaties die meer dan alleen het individu treffen, verklaren de collectieve dimensie. Het recht op informatie en overleg wordt toegekend aan alle werknemers, ook aan diegenen die geen deel uitmaken van de ingestelde organen. De Grondwetgever oordeelde dat het de opdracht is van de betrokken belangengroepen en van de bevoegde overheid om te bepalen op welke wijze en in welke mate zij dat recht wensen te verwezenlijken, waarbij de Grondwetgever aan de overheid een bijzonder grote beoordelingsmarge heeft gelaten. Het recht op collectieve onderhandelingen is een collectief recht : het komt toe aan de werknemers als geheel, en niet aan de werknemer als individu. Het recht op vrije collectieve onderhandelingen berust op enkele belangrijke premissen, die blijken uit een toelichting van een van de indieners van het voorstel dat heeft geleid tot artikel 23 van de Grondwet. 21 Het recht op informatie, overleg en collectieve onderhandeling wordt gewaarborgd voor elke werknemer die wordt vertegenwoordigd in organen waarin de werknemers worden geïnformeerd, waarin met hen wordt overlegd en waarin collectieve onderhandelingen kunnen worden gevoerd. De desbetreffende rechten vereisen een regeling waarin informatie, overleg en collectieve onderhandelingen worden gewaarborgd en impliceren dat dit via vertegenwoordiging gebeurt. De werknemersafgevaardigden vertegenwoordigen alle werknemers, en niet alleen diegenen die voor hen hebben gekozen. Alle werknemers genieten aldus het recht op informatie, overleg en collectieve onderhandelingen, zodat er geen verschil in behandeling is van de ene werknemer tegenover de andere. Wat het verzoek tot handhaving van de gevolgen betreft A.43. Voor het geval dat zou worden besloten tot vernietiging van de bestreden bepalingen, verzoekt de ACLVB het Hof om de gevolgen van die bepalingen te handhaven voor de sociale verkiezingen van 2008 en die vernietiging slechts op te leggen voor de volgende sociale verkiezingen. -B- Wat de omvang van het beroep betreft B.1. Het beroep tot vernietiging is ingesteld tegen de artikelen 4, 6°,
  4. a)en b), 33, § 1, eerste lid, 34 en 78 van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008, alsook tegen « alle andere artikelen [van die wet] waarvan de ongrondwettigheid zou voortvloeien uit de […] aangevoerde middelen ». De uitdrukkelijk vermelde artikelen bepalen : « Art. 4. Voor de toepassing van deze wet moet worden verstaan onder : […] 6° representatieve werknemersorganisaties :
  5. a)de op nationaal vlak opgerichte interprofessionele representatieve werknemersorganisaties, vertegenwoordigd in de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en in de Nationale Arbeidsraad en die ten minste 50.000 leden tellen;
  6. b)de professionele en interprofessionele organisaties die bij een onder
  7. a)bedoelde interprofessionele organisatie zijn aangesloten of er deel van uitmaken; ». « Art. 33. § 1. Tot uiterlijk vijfendertig dagen na de aanplakking van het bericht dat de datum van de verkiezingen aankondigt, kunnen de representatieve werknemersorganisaties bedoeld in artikel 4, 6°, a), of hun volmachthebbers bij de werkgever kandidatenlijsten indienen ». 22 « Art. 34. De representatieve werknemersorganisaties bedoeld in artikel 4, 6°, a), en de representatieve organisaties van kaderleden richten tot de federale minister die de werkgelegenheid onder zijn bevoegdheden heeft, een aanvraag om een volgnummer voor de kandidatenlijsten die zij voordragen, te bekomen. De aanvraag moet door drie afgevaardigden van elke organisatie aan de minister worden gericht. De minister stelt bij een eerste loting de volgnummers vast die worden toegekend aan de representatieve werknemersorganisaties die kandidaten voor de verkiezingen van de personeelsafgevaardigden voor de raden en de comités mogen voordragen. Bij een volgende loting stelt hij de nummers vast die worden toegekend aan de organisaties die kandidaten voor de verkiezingen van de personeelsafgevaardigden voor slechts één van deze organen mogen voordragen. Aan de lijsten van de kandidaten-arbeiders, kandidaten-bedienden, kandidaten-kaderleden en kandidaten-jeugdige werknemers die door dezelfde organisatie worden voorgedragen, wordt hetzelfde nummer toegekend ». « Art. 78. De kiesprocedure wordt stopgezet : 1° wanneer geen enkele kandidatenlijst werd ingediend; 2° wanneer geen enkele kandidatenlijst werd ingediend voor één of meerdere personeelscategorieën, terwijl één of meerdere lijsten ingediend zijn voor minstens één andere personeelscategorie; 3° wanneer één enkele representatieve werknemersorganisatie of één enkele representatieve organisatie van kaderleden of wanneer enkel één groep van kaderleden een aantal kandidaten voordraagt dat gelijk is aan of lager is dan het aantal toe te kennen gewone mandaten; in dat geval zijn de kandidaten van rechtswege verkozen. Indien de kiesprocedure wordt stopgezet omdat geen enkele kandidatenlijst werd neergelegd voor geen enkele personeelscategorie, moet er geen kiesbureau samengesteld worden. De werkgever neemt zelf de beslissing om de kiesprocedure stop te zetten na verloop van de in artikel 33 bepaalde termijn of, in voorkomend geval na kennisgeving van het vonnis dat alle kandidaturen zou nietig verklaren in het kader van het beroep geregeld door artikel 5 van de wet van 4 december 2007 tot regeling van de gerechtelijke beroepen ingesteld in het kader van de procedure aangaande de sociale verkiezingen van het jaar 2008. De werkgever plakt op dezelfde plaatsen als het bericht dat de datum van de verkiezingen aankondigt, een bericht aan met vermelding van zijn beslissing tot stopzetting van de kiesprocedure en van de reden waarom er geen stemming heeft plaatsgevonden. Tegelijkertijd verzendt hij een afschrift van dit bericht aan de Directeur-generaal van de Algemene Directie Individuele Arbeidsbetrekkingen van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. Indien de kiesprocedure wordt stopgezet omdat geen enkele kandidatenlijst werd neergelegd voor één of meerdere personeelscategorieën, terwijl één of meerdere lijsten werden ingediend voor minstens één andere personeelscategorie, handelt het kiesbureau dat samengesteld is voor de categorie die het grootste aantal kiezers telt, overeenkomstig 23 artikel 68, derde lid, van deze wet, en duidt de reden aan waarom er geen stemming heeft plaatsgevonden. Indien de procedure wordt stopgezet omdat één enkele representatieve werknemersorganisatie of één enkele representatieve organisatie van kaderleden of wanneer enkel één groep van kaderleden een aantal kandidaten voordraagt dat lager is dan of gelijk is aan het aantal toe te kennen gewone mandaten dient, in dit geval, niettemin een kiesbureau te worden samengesteld op de vooravond van de dag van de verzending of de overhandiging van de oproepingsbrieven voor de verkiezing voor de betrokken werknemerscategorie. Het bureau handelt zoals voorgeschreven door artikel 68, eerste, tweede en derde lid van deze wet en vermeldt in het proces-verbaal de reden waarom er geen stemming heeft plaatsgevonden. De beslissing tot stopzetting van de kiesprocedure en, in voorkomend geval, de samenstelling van de raad of van het comité moeten door aanplakking van een bericht overeenkomstig de bepalingen van artikel 68, zevende en achtste lid, aan de werknemers ter kennis worden gebracht. Het beroep tegen de beslissing tot stopzetting van de kiesprocedure wordt geregeld door hoofdstuk IV van de wet van 4 december 2007 tot regeling van de gerechtelijke beroepen ingesteld in het kader van de procedure aangaande de sociale verkiezingen van het jaar 2008 ». B.2. Volgens de Ministerraad voldoet het verzoekschrift minstens gedeeltelijk niet aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 doordat de verzoekende partijen niet aangeven welke de andere dan de uitdrukkelijk vermelde artikelen van de wet van 4 december 2007 zijn die de in de middelen aangehaalde bepalingen zouden schenden. B.3. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. Die bepaling vereist derhalve dat de verzoekende partijen aangeven welke de artikelen zijn die volgens hen een schending uitmaken van de in de middelen uiteengezette normen waarvan het Hof de naleving verzekert. In zoverre het beroep tot vernietiging is ingesteld tegen « alle andere artikelen waarvan de ongrondwettigheid zou voortvloeien uit de [door de verzoekende partijen] aangevoerde middelen », is de exceptie gegrond. Het Hof beperkt zijn onderzoek dan ook tot de artikelen 4, 6°,
  8. a)en b), 33, § 1, eerste lid, 34 en 78 van de wet van 4 december 2007. 24 Wat de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging betreft B.4. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging omdat de verzoekende partijen niet zouden doen blijken van het rechtens vereiste belang. De parlementsleden zouden slechts een functioneel belang aanvoeren, terwijl ook de andere verzoekende partijen niet zouden aantonen dat zij door de bestreden bepalingen rechtstreeks en ongunstig worden geraakt. Meer in het bijzonder is de Ministerraad van oordeel dat de verzoekende partijen moeten aantonen dat zij werknemer zijn (zonder deel uit te maken van het leidinggevend personeel), dat zij aan de andere verkiesbaarheidsvoorwaarden voldoen (en bijgevolg ten minste 18 jaar oud, ten hoogste 65 jaar oud en geen preventieadviseur zijn), dat zij niet behoren tot de kaderleden en dat zij zijn tewerkgesteld, sedert ten minste drie maanden, in een onderneming waar overeenkomstig de gedeeltelijk bestreden wet sociale verkiezingen moeten worden georganiseerd. B.5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat een van de verzoekende partijen een arbeider is die geen preventieadviseur is noch kaderlid, en die voldeed aan alle voorwaarden om deel te nemen aan de sociale verkiezingen die in het bedrijf met 683 werknemers waar hij werkzaam is, op 8 mei 2008 werden georganiseerd. Als stemgerechtigd werknemer die zich kandidaat wenste te kunnen stellen, kan die verzoeker rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door de bestreden bepalingen die de wijze regelen waarop de sociale verkiezingen worden georganiseerd en kandidaten hiervoor kunnen worden voorgedragen. Daaruit volgt dat ten minste één van de verzoekende partijen voldoet aan de voorwaarde van het rechtens vereiste belang. Aangezien het belang van één van de verzoekende partijen is aangetoond, dient het Hof de exceptie met betrekking tot het belang van de andere verzoekende partijen niet te onderzoeken. 25 Wat de ontvankelijkheid van de tussenkomsten betreft B.6. De verzoekende partijen betwisten de tussenkomst van de vakorganisaties omdat zij niet het bewijs voorleggen van de beslissing van het bevoegde orgaan om in de rechtspleging tussen te komen, omdat zij als dusdanig geen kandidaat zijn bij de sociale verkiezingen en omdat hun rechten door een eventuele vernietiging niet in het gedrang zouden komen, aangezien hun leden nog steeds volgens dezelfde procedure zullen kunnen deelnemen aan de sociale verkiezingen na vernietiging van de bestreden wetsbepalingen. B.7. De tussenkomende partijen zijn representatieve vakorganisaties die kandidaten kunnen voordragen bij de sociale verkiezingen. Zij zijn rechtstreeks betrokken bij de wettelijke bepalingen die deze verkiezingen organiseren en die door de verzoekende partijen worden bestreden. Zij getuigen derhalve van het rechtens vereiste belang om in de rechtspleging tussen te komen. Uit de door die partijen overgelegde stukken blijkt bovendien dat de beslissing om in rechte tussen te komen door hun bevoegd orgaan is genomen. De exceptie van niet-ontvankelijkheid wordt verworpen. Wat het verzoek om afstand betreft B.8. Bij op 28 en 30 april 2008 ter post aangetekende brieven hebben de verzoekende partijen D. Swennen en K. Batens het Hof op de hoogte gebracht van het feit dat zij afstand van geding wensen te doen. B.9. Niets belet te dezen dat het Hof de afstand toewijst. 26 Wat het verzoek tot het stellen van een onderzoeksmaatregel betreft B.10. De verzoekende partijen vragen een onderzoeksmaatregel van het Hof om na te gaan op welke wijze een van de tussenkomende partijen zo snel de lijst van de verzoekende partijen in handen heeft gekregen waardoor een aantal leden van die vakorganisatie onder de verzoekende partijen konden worden uitgesloten. Die maatregel zou nodig zijn om het beperken van het grondwettelijk recht op toegang tot de rechter tegen te gaan en de schending van de bepalingen van de wetgeving op de bescherming van het privéleven te kunnen bestraffen. Aan die tussenkomende partij zou moeten worden bevolen te verklaren op welke wijze een dergelijke verwerking van persoonsgegevens in overeenstemming is met de artikelen 2, 4, 6, 9, 16 en 17 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. B.11. Naar luid van artikel 91, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 beschikt het Hof over « de ruimste onderzoeks- en opsporingsbevoegdheden », waarvan er een aantal worden vermeld in het tweede lid van die bepaling. Het Hof kan die onderzoeks- en opsporingsbevoegdheid uitsluitend aanwenden wanneer dat nodig is voor de oplossing van de rechtsvragen die het dient te beslechten. B.12. De door de verzoekende partijen gevraagde onderzoeksmaatregel strekt ertoe « het beperken van het grondwettelijk recht op toegang tot de rechter tegen te gaan en de schending van de bepalingen van de wetgeving op de bescherming van het privé-leven te kunnen beteugelen ». B.13. Het Hof is niet bevoegd geschillen te beslechten omtrent concrete feiten waaraan door de verzoekende partijen een beperking van het grondwettelijk recht op toegang tot de rechter wordt toegeschreven of omtrent de schending van bepalingen van de wetgeving op de bescherming van het privéleven. Het Hof dient derhalve niet in te gaan op de vraag van de verzoekende partijen om gebruik te maken van de bij artikel 91, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 aan het Hof toegekende onderzoeks- en opsporingsbevoegdheden. 27 Ten gronde Wat het eerste middel betreft B.14. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 8, 10 en 11 van de Grondwet, doordat de bestreden wet een wet zou zijn in de zin van artikel 8 van de Grondwet en zij het onmogelijk zou maken voor werknemers die zich niet willen bekennen tot de christendemocratische, liberale of socialistische strekking, om als kandidaat aan de sociale verkiezingen deel te nemen en aldus hun passief kiesrecht uit te oefenen, en doordat aan een categorie van werknemers, zoals die uit de bouwsector, op grond van artikel 78 van de bestreden wet, zelfs de mogelijkheid zou worden ontnomen om hun actief kiesrecht uit te oefenen. B.15. Artikel 8 van de Grondwet luidt : « De staat van Belg wordt verkregen, behouden en verloren volgens de regelen bij de burgerlijke wet gesteld. De Grondwet en de overige wetten op de politieke rechten bepalen welke de vereisten zijn waaraan men moet voldoen, benevens de staat van Belg, om die rechten te kunnen uitoefenen. In afwijking van het tweede lid kan de wet het stemrecht regelen van de burgers van de Europese Unie die niet de Belgische nationaliteit hebben, overeenkomstig de internationale en supranationale verplichtingen van België. Het stemrecht bedoeld in het vorige lid kan door de wet worden uitgebreid tot de in België verblijvende niet-Europese Unie onderdanen, onder de voorwaarden en op de wijze door haar bepaald. […] ». B.16. Ofschoon de bestreden wet betrekking heeft op een publiekrechtelijke regeling van de collectieve arbeidsverhoudingen door middel van sociale verkiezingen, die van openbare orde is, kunnen de daarin verleende rechten niet worden beschouwd als « politieke rechten » in de zin van artikel 8 van de Grondwet. De in die grondwetsbepaling bedoelde politieke rechten vinden immers hun grondslag in het recht van de burger op deelneming aan de uitoefening van de soevereiniteit. Zij betreffen het recht om, als kiezer of als kandidaat, deel te nemen aan de verkiezingen voor de 28 beraadslagende vergaderingen van de federale Staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies en de gemeenten. Het recht om als kiezer of kandidaat deel te nemen aan de sociale verkiezingen vindt daarentegen zijn grondslag in de arbeidsverhoudingen tussen de werknemer en de werkgever. Dat recht is derhalve vreemd aan artikel 8 van de Grondwet. B.17. In zoverre de verzoekende partijen zich erover beklagen dat zij worden gekrenkt in de uitoefening van de hun bij artikel 8 van de Grondwet toegekende politieke rechten, is het eerste middel niet gegrond. B.18. Nu de bestreden bepalingen niet kunnen worden geacht betrekking te hebben op de uitoefening van de in artikel 8 van de Grondwet bedoelde politieke rechten, is het eerste middel, in zoverre het de schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met die bepaling, evenmin gegrond. Wat het tweede middel betreft B.19. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 19 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, doordat de bestreden wet ertoe zou leiden dat bij de sociale verkiezingen enkel personen die behoren tot de socialistische, liberale en christendemocratische strekking, hun mening op een georganiseerde wijze zouden kunnen doorgeven aan de werknemers via het indienen van lijsten en het naar voren schuiven van kandidaten, terwijl personen die behoren tot de Vlaams-nationale strekking de mogelijkheid zou worden ontzegd om lijsten in te dienen voor de sociale verkiezingen, en zij aldus door overheidsinmenging zouden worden verhinderd hun mening door te geven zonder dat de daartoe door de voormelde verdragsbepalingen vereiste omstandigheden voorhanden zijn. 29 B.20. De vrijheid van meningsuiting omvat de vrijheid om inlichtingen en denkbeelden van welke aard ook op te sporen, te ontvangen en door te geven, ongeacht grenzen, hetzij mondeling, hetzij in geschreven of gedrukte vorm, in de vorm van kunst, of met behulp van andere media naar keuze. B.21. De door de verzoekende partijen bestreden bepalingen beperken op geen enkele wijze die vrijheid van meningsuiting. Zij staan immers niet eraan in de weg dat werknemers zich op basis van hun eigen ideologie verenigen en ernaar streven de erkenning te bekomen die toelaat kandidatenlijsten in te dienen overeenkomstig de bestreden wet en de wetten waarnaar die verwijst. De vraag of de voorwaarden die worden gesteld opdat kan worden voldaan aan de vereisten van representativiteit, waardoor kandidatenlijsten kunnen worden ingediend, bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, maakt het voorwerp uit van het vijfde middel. Zij zal bij het onderzoek van dat middel worden behandeld. B.22. Aangezien de bestreden bepalingen bestaanbaar zijn met de vrijheid van meningsuiting, gewaarborgd door artikel 19 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, is het tweede middel, in zoverre het tevens de schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met die bepalingen, niet gegrond. Wat het derde middel betreft B.23. Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de bestreden wet bepaalt dat voor de sociale verkiezingen kandidatenlijsten voor de categorie van de werknemers uitsluitend kunnen worden ingediend door « representatieve werknemersorganisaties », die dus moeten beschikken over 50 000 leden en vertegenwoordigd moeten zijn in de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en in de Nationale Arbeidsraad, en terwijl de artikelen 33 en 4, 5°, bepalen dat voor de categorie van de kaderleden ook kandidatenlijsten kunnen worden ingediend door ten minste tien procent van het aantal kaderleden in de onderneming, met een minimum van slechts vijf, wat een discriminatie van werknemers ten aanzien van kaderleden zou zijn, vermits voor dat onderscheid geen objectieve en redelijke verantwoording zou bestaan. 30 B.24. De specifieke regeling met betrekking tot de vertegenwoordiging van de kaderleden vindt haar oorsprong in de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, en werd als volgt verantwoord in de parlementaire voorbereiding : « De door dit hoofdstuk voorgestelde wijzigingen van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven beogen een specifieke vertegenwoordiging van het kaderpersoneel in de ondernemingsraden op touw te zetten, ten einde, mede langs dit kanaal, de specifieke belangen van het kaderpersoneel aan bod te laten komen. Deze specifieke belangenverdediging op het vlak van de onderneming geschiedt inderdaad het best in het kader van de ondernemingsraden. Kaderleden zijn immers, in de eerste plaats, zoals de andere bedienden en zoals de werklieden, werknemers; het is meteen passend dat de werknemersafvaardiging in de ondernemingsraad vertegenwoordigend is voor alle werknemers, zodat alle groepen werknemers, in samenspraak, betrokken worden bij het beleid van de onderneming. Het lijdt geen twijfel dat een specifieke aanwezigheid van de kaderleden en hun inbreng in de ondernemingsraad het dynamisme van de inspraak positief zullen bevorderen. Een eigen vertegenwoordiging van het kaderpersoneel in de ondernemingsraad wordt voorzien wanneer er minstens 15 kaderleden in de onderneming tewerkgesteld zijn. In dit geval wordt een eigen kiescollege opgericht, onderscheiden van het kiescollege van de bedienden. Het ontwerp bevat belangrijke bepalingen inzake de voordracht van kandidaten. Kandidaten kunnen vooreerst worden voorgedragen door de representatieve werknemersorganisaties, met name de organisaties bedoeld in artikel 3 van de wet van 5 december 1968 betreffende de paritaire comités en de collectieve arbeidsovereenkomsten. […] In de tweede plaats kunnen kandidaten worden voorgedragen door één, eventueel meerdere, representatieve organisaties van kaderleden. Deze organisaties dienen leden te hebben in ondernemingen uit de verscheidene bedrijfstakken van de privésector en meteen nationaal en interprofessioneel te zijn. De Koning neemt de nodige maatregelen ten einde een procedure van verificatie en erkenning op touw te zetten. Vooraleer de uitvoerende macht een beslissing neemt over het al dan niet representatief karakter van een organisatie van kaderleden, dient de Nationale Arbeidsraad geraadpleegd. Deze raadpleging is noodzakelijk gezien de draagwijdte van een dergelijke erkenning voor de arbeidsverhoudingen in ons land. 31 Een erkende organisatie van kaderleden kan kandidaten voordragen onder eigen naam wanneer de lijst, die ze aanvoert - bij wijze van handtekening - de steun geniet van een minimumaantal kaderleden in de onderneming, nl. 10 pct. Derwijze wordt zowel een nationale als een lokale representativiteit verzekerd van een groep van werknemers waarvan de organisatietendens jonger is dan die van de andere groepen werknemers. Ten derde, kunnen eveneens kandidaten worden voorgedragen door kaderleden die tot geen representatieve organisaties behoren en wel zo deze individuele kandidaten de steun genieten – eveneens bij wijze van handtekening - van minstens 10 pct. van de kaderleden. Ter zake dient onderlijnd dat een kaderlid slechts één representatieve organisatie van kaderleden of een individuele kandidaat kan steunen » (Parl. St., Senaat, 1984-1985, nr. 757/1, pp. 49-50). B.25. Uit de aangehaalde parlementaire voorbereiding en uit de door de Ministerraad voorgelegde stukken blijkt dat de wetgever erover heeft gewaakt dat de categorie van kaderleden als zodanig kan worden vertegenwoordigd binnen de ondernemingsraad, vermits zij kan worden beschouwd als een socioprofessionele groep die een specifieke plaats inneemt in de onderneming en, wat haar organisatie en belangen betreft, voldoende onderscheiden is van de overige categorieën van werknemers. De door de verzoekende partijen in het bijzonder geviseerde specifieke mogelijkheid van voordracht van een kandidatenlijst door ten minste tien procent van het aantal kaderleden in de onderneming, met een minimum van vijf of tien kaderleden, naar gelang van het aantal kaderleden dat de onderneming tewerkstelt, waarin het bestreden artikel 33, § 1, tweede lid, 2°, van de wet van 4 december 2007 voorziet, is ingegeven door de vaststelling dat kaderleden vaak tot geen enkele representatieve organisatie behoren en de representatieve werknemersorganisaties minder representatief waren voor de kaderleden dan voor de overige werknemers, terwijl het niettemin was aangewezen hun een daadwerkelijke vertegenwoordiging in de ondernemingsraad te verzekeren. Daaruit volgt dat de door de verzoekende partijen bestreden maatregel redelijk is verantwoord. B.26. Het derde middel is niet gegrond. 32 Wat het vierde middel betreft B.27. Het vierde middel is afgeleid uit de schending van artikel 27 van de Grondwet, van artikel 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van artikel 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en van de artikelen 3 en 10 van het verdrag nr. 87 van de Internationale Arbeidsorganisatie « betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en bescherming van het vakverenigingsrecht », ten eerste, doordat artikel 33, in samenhang gelezen met artikel 4, 6°, van de bestreden wet de kandidaatstelling bij de sociale verkiezingen onmogelijk zou maken voor wie niet is aangesloten bij een vereniging, vervolgens, doordat de bestreden wet een systeem zou instellen waardoor de erkenning van een eventueel nieuw opgerichte vereniging als representatieve werknemersorganisatie is onderworpen aan het vetorecht van de drie reeds bestaande verenigingen, waardoor een nieuwe vakverenging onmogelijk zou kunnen deelnemen aan de sociale verkiezingen en, ten slotte, doordat het nadeel niet te behoren tot een van de drie bestaande verenigingen, namelijk de uitsluiting van deelname aan de sociale verkiezingen, door de bestreden wet dermate groot zou worden dat er dwang zou ontstaan om zich aan te sluiten bij een van die drie verenigingen. B.28. Artikel 27 van de Grondwet bepaalt : « De Belgen hebben het recht van vereniging; dit recht kan niet aan enige preventieve maatregel worden onderworpen ». Artikel 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « 1. Eenieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht om vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen. 2. De uitoefening van deze rechten kan aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die welke bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel verbiedt niet, dat wettige beperkingen worden aangebracht in de uitoefening van deze rechten door leden van de gewapende macht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de Staat ». 33 Artikel 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt : « 1. Een ieder heeft het recht op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen. 2. De uitoefening van dit recht kan aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die, welke bij de wet zijn voorgeschreven en die in een democratische samenleving geboden zijn in het belang van de nationale veiligheid of de openbare veiligheid, de openbare orde, de bescherming van de volksgezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel belet niet het opleggen van wettige beperkingen aan leden van de strijdmacht en van de politie in de uitoefening van dit recht. 3. Geen bepaling in dit artikel geeft de Staten die partij zijn bij het Verdrag van 1948 van de Internationale Arbeidsorganisatie betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht de bevoegdheid wettelijke maatregelen te treffen, die de in dat Verdrag voorziene waarborgen in gevaar zouden brengen, of de wet zodanig toe te passen dat deze in gevaar zouden worden gebracht ». De artikelen 3 en 10 van het verdrag nr. 87 van de Internationale Arbeidsorganisatie « betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en bescherming van het vakverenigingsrecht », goedgekeurd bij de wet van 13 juli 1951, bepalen : « Art. 3. 1. De werknemers- en werkgeversorganisaties hebben het recht [hun] statuten en reglementen op te stellen, vrij [hun] vertegenwoordigers te kiezen, [hun] beheer en werkzaamheden in te richten en [hun] werkprogramma's te formuleren. 2. De overheid moet zich van elke inmenging, welke dat recht kan beperken of de wettige uitoefening daarvan kan belemmeren, onthouden ». « Art. 10. In dit verdrag betekent het woord ' organisatie ' elke organisatie van werknemers of werkgevers, welke het bevorderen en het verdedigen van de belangen van de werknemers of de werkgevers ten doel heeft ». B.29. De voormelde bepalingen betreffen de vrijheid van vereniging, in het algemeen, en, sommige ervan, de vrijheid van vakvereniging, in het bijzonder. B.30. De vrijheid van vereniging waarin artikel 27 van de Grondwet voorziet, heeft tot doel de oprichting van private verenigingen en de deelname aan hun activiteiten te waarborgen. Zij impliceert het recht om zich te verenigen en de interne organisatie van de vereniging vrij te bepalen, maar ook het recht om zich niet te verenigen. 34 In artikel 11 van het Europe

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.