id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 13 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.013 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090113.6 Arrest- Rolnummer: 13/2009 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-01-21 Raadplegingen: 267 - laatst gezien 2026-07-02 07:18 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - Artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 14.2 en 14.3, littera g), van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre de burgerlijke partij niet wordt veroordeeld tot betaling van de rechtsplegingsvergoeding aan de vrijgesproken beklaagde wanneer zij haar vordering heeft doen aansluiten bij de door het openbaar ministerie ingestelde strafvordering. - De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Uitgaven en kosten (gerechtelijk recht) - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Ieper. Strafrechtspleging - Verhaalbaarheid van kosten en honoraria van een advocaat -
- Vrijspraak - Veroordeling van de burgerlijke partij tot betaling van de rechtsplegingsvergoeding aan de vrijgesproken beklaagde - Voorwaarde - De burgerlijke partij heeft de beklaagde rechtstreeks gedagvaard -
- Veroordeling - Veroordeling van de veroordeelde beklaagde tot betaling van de rechtsplegingsvergoeding aan de burgerlijke partij. Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 19-11-1808 - 162bis - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wet - 21-04-2007 - 9 - 85 ELI link Pub nr 2007009497 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag of internationale overeenkomst - 19-12-1966 - 14.2 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Verdrag of internationale overeenkomst - 19-12-1966 - 14.3,g - 31 Link Justel databank 19661219-31 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Rolnummer 4420 Arrest nr. 13/2009 van 21 januari 2009 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Ieper. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 21 januari 2008 in zake het openbaar ministerie en N.M. tegen J.B. en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 28 januari 2008, heeft de Correctionele Rechtbank te Ieper de volgende prejudiciële vragen gesteld :
- « Schendt artikel 162bis Wetboek van strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet eventueel gelezen in samenhang met artikel 6 EVRM en de artikelen 14,2 en 14,3,g IVBPR daar waar de beklaagde die veroordeeld wordt, gehouden is tot het betalen aan de burgerlijke partij van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek daar waar de burgerlijke partij wanneer zij in het ongelijk wordt gesteld of wanneer zij omtrent enig geschilpunt in het ongelijk wordt gesteld niet gehouden is tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding aan de beklaagde ? »;
- « Worden de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, samen gelezen met artikel 6 EVRM en de artikelen 14,2 en 14,3,g IVBPR niet geschonden doordat de beklaagde de rechtsplegingsvergoeding slechts kan vermijden door voorafgaandelijk de burgerlijke partij te vergoeden waardoor afbreuk wordt gedaan aan zijn rechten van verdediging waaronder begrepen het vermoeden van onschuld en het recht om niet te worden gedwongen tegen zichzelf te getuigen terwijl daarentegen in het burgerlijk proces voorzien is dat geen vergoeding verschuldigd is indien de verweerder of de gedaagde in hoger beroep, voor de inschrijving van de zaak op de rol, de eis inwilligt en zijn verbintenissen kwijt in hoofdsom, interesten en kosten en in geval de verweerder of de gedaagde in hoger beroep na de inschrijving op de rol, de eis inwilligt en zijn verbintenissen kwijt in hoofdsom, interesten en kosten, het bedrag van de vergoeding gelijk is aan één kwart van de basisvergoeding zonder hoger te kunnen zijn dan 1 000 euro ? ». Memories zijn ingediend door : - H.B. en de nv D.–C.; - de Orde van Vlaamse balies, met zetel te 1000 Brussel, Koningsstraat 148; - de Ministerraad. Memories van antwoord zijn ingediend door : - H.B. en de nv D.-C.; - de Ministerraad. Bij beschikking van 29 oktober 2008 heeft het Hof de zaak in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 19 november 2008, na H.B. en de nv D.-C. te hebben verzocht tegen de dag van de terechtzitting kennis te geven van de stand van de rechtspleging in hun zaak hangende voor de 18e correctionele kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Gent, volgens de memorie van tussenkomst, laatstelijk voor uitspraak gesteld op 1 april
- H.B. en de nv D.-C. hebben de gevraagde inlichtingen medegedeeld. 3 Op de openbare terechtzitting van 19 november 2008 : - zijn verschenen : . Mr. N. Gernay loco Mr. A. Blomme, advocaten bij de balie te Gent, voor H.B. en de nv D.-C.; . Mr. E. Janssens, advocaat bij de balie te Antwerpen, tevens loco Mr. V. Tollenaere, advocaat bij de balie te Gent, voor de Orde van Vlaamse balies; . Mr. J. Mosselmans loco Mr. P. Peeters, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers A. Alen en J.-P. Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Drie beklaagden worden voor de Correctionele Rechtbank vervolgd voor verschillende feiten die bewezen worden geacht en waarvoor zij worden bestraft met een correctionele straf, voor twee beklaagden met uitstel. De burgerlijke partij die door een van de feiten schade heeft geleden, krijgt een schadevergoeding toegewezen. De Correctionele Rechtbank verwijst ambtshalve naar artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering en stelt daarbij de vraag of met die bepaling, ingevoegd bij de wet van 21 april 2007, die tegemoet wilde komen aan de vaststelling van een ongrondwettigheid in het arrest nr. 57/2006, alle grondwettigheidsbezwaren zijn verholpen die het Hof toen heeft geuit. Om daarover duidelijkheid te verkrijgen, stelt zij de twee prejudiciële vragen. III. In rechte -A- Wat de memories van tussenkomst betreft A.
- In deze zaak zijn twee memories van tussenkomst ingediend. A.
- De eerste memorie is ingediend door H.B. en de nv D.-C., die betrokken zijn in een analoge zaak waarin toepassing dient te worden gemaakt van de in het geding zijnde bepaling. Zij voeren aan dat hun situatie identiek is aan die van de tussenkomende partij in de zaak die heeft geleid tot het arrest nr. 141/2006 van 20 september 2006 : ook hier zou het gaan om vrijwillig tussenkomende partijen die betrokken zijn in een zaak waarin een heropening der debatten werd bevolen teneinde de uitspraak van het Hof in een hangende zaak af te wachten. 4 A.
- De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van die tussenkomst. Hij herinnert aan het principiële standpunt van het Hof, ook in het voormelde arrest, dat de loutere hoedanigheid van partij in een rechtspleging die analoog is aan die welke aanleiding is geweest tot de prejudiciële vraag, niet volstaat om het bij artikel 87, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 vereiste belang aan te tonen. Anders dan de tussenkomende partijen beweren, is hun situatie niet identiek aan die van de tussenkomende partij in voormeld arrest. Die tussenkomende partijen stellen alleen dat zij aan het rechtscollege waarbij hun zaak aanhangig is, hebben voorgesteld om een prejudiciële vraag te stellen, en dat de zaak in beraad is genomen voor uitspraak. Er is derhalve nog geen zekerheid dat dit rechtscollege zal ingaan op dat verzoek, laat staan dat de debatten heropend zijn in afwachting van een uitspraak van het Hof over een soortgelijke vraag. Volgens de Ministerraad zijn de memorie van tussenkomst en de memorie van antwoord van die partijen dan ook onontvankelijk. A.
- De Orde van Vlaamse balies heeft eveneens een memorie van tussenkomst ingediend. Zij baseert haar belang op haar opdracht van onder meer de behartiging van de belangen van de advocaat en de rechtzoekende. De belangen van die laatste zijn in het geding in zoverre het antwoord op de prejudiciële vragen een invloed kan hebben op de wapengelijkheid tussen gedingvoerende partijen en de toegang tot de rechter, en mogelijkerwijs de rechtszekerheid van de rechtzoekende over het procesrisico in het gedrang kan brengen. Als wettelijke belangenbehartiger van de advocatuur komt het die partij ook toe de verdediging op zich te nemen van een wet die erop is gericht te voorzien in een gedeeltelijke verhaalbaarheid van kosten en erelonen, en in een forfaitaire beoordeling ervan. Een dergelijke regeling vermijdt het optreden van de rechter en de tegenpartij in de vervulde plichten en in het dossier van de advocaat (waardoor de vertrouwelijke relatie met de cliënt en het beroepsgeheim in het gedrang zouden komen) en vermindert bovendien grotendeels een doorgedreven discussie over de vervulde plichten of sluit die zelfs uit (zodat er geen noodzaak voor een advocaat bestaat om zijn eigen ereloon te bepleiten, een proces in het proces te voeren en te worden geconfronteerd met een mogelijke strijdigheid van belangen). In beide hoedanigheden meent de Orde van Vlaamse balies te getuigen van het rechtens vereiste belang om tussen te komen. Ten gronde Standpunt van de Ministerraad A.
- Na, ter beantwoording van de eerste prejudiciële vraag, te hebben gewezen op de ratio legis van artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, beklemtoont de Ministerraad het redelijke karakter van de beperking van de mogelijkheid van veroordeling van de burgerlijke partij tot de rechtsplegingsvergoeding, namelijk tot de gevallen waarin de beklaagde wordt vrijgesproken nadat de burgerlijke partij zelf de strafvordering heeft opgestart middels een rechtstreekse dagvaarding of door burgerlijke partijstelling bij de onderzoeksrechter die wordt gevolgd door een niet-verwijzing. Dat uitgangspunt van de wetgever past volgens de Ministerraad in de zienswijze die het Hof ontwikkelde in het arrest nr. 57/2006 van 19 april
- In dat arrest oordeelde het Hof dat het verschil in behandeling tussen een beklaagde en een burgerlijke partij op een relevant criterium berust : indien een vordering gegrond wordt verklaard staat het juridisch vast dat de beklaagde een fout heeft begaan, terwijl bij een beslissing waarbij de eis van het openbaar ministerie wordt afgewezen, niet wordt aangetoond dat de burgerlijke partij een fout heeft begaan. In de gevallen waarin het openbaar ministerie de strafvordering heeft ingesteld en de burgerlijke partij zich daar enkel bijvoegt, ligt deze laatste niet aan de basis van de strafvervolging. Indien de aanspraken van de burgerlijke vordering niet worden ingewilligd ten gevolge van een afwijzing van de strafvordering van het openbaar ministerie, kan de burgerlijke partij daarvoor niet verantwoordelijk worden gesteld en is zij ook geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd. Het spreekt voor zich dat het openbaar ministerie evenmin kan worden veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan de beklaagde, omdat dit de onafhankelijkheid zou kunnen aantasten van het parket, dat zou kunnen worden afgeschrikt in de vervolging vanwege de budgettaire gevolgen voor de overheid. 5 Aangezien een in het ongelijk gestelde burgerlijke partij in welbepaalde gevallen wel degelijk kan worden veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding, en aangezien de gevallen waarin een vrijgesproken beklaagde geen aanspraak kan maken op een rechtsplegingsvergoeding, op een redelijke verantwoording berusten, dient volgens de Ministerraad de eerste prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord. A.
- Met betrekking tot de tweede prejudiciële vraag betwist de Ministerraad vooraf het standpunt dat de oplegging van een rechtsplegingsvergoeding een pecuniaire sanctie is. Overeenkomstig artikel 38 van het Strafwetboek is een pecuniaire sanctie een patrimoniale straf die bestaat uit de inning van een geldsom ten voordele van de Staat, wat de rechtsplegingsvergoeding niet is vermits zij aan de burgerlijke partij toekomt. Zij heeft evenmin een strafkarakter, nu zij uitsluitend erop is gericht de in het gelijk gestelde partij een forfaitaire tegemoetkoming toe te kennen voor de gemaakte kosten. Daaruit vloeit ook voort dat hierdoor geen afbreuk wordt gedaan aan het vermoeden van onschuld, vermits de rechtsplegingsvergoeding een gevolg is van de strafrechtelijke veroordeling. A.
- De verwijzende rechter maakt volgens de Ministerraad in die tweede prejudiciële vraag ook ten onrechte een analogie tussen het strafproces en het burgerlijk proces door te verwijzen naar artikel 1, vierde en vijfde lid, van het koninklijk besluit van 26 oktober
- Volgens de verwijzende rechter zou een dergelijke voorafgaande vergoeding in strafzaken de positie van de beklaagde op strafrechtelijk gebied aanzienlijk verzwakken, hetgeen afbreuk zou doen aan het vermoeden van onschuld en aan het recht om niet te worden gedwongen om tegen zichzelf te getuigen. De vergelijking tussen een burgerlijk proces en een strafproces is volgens de Ministerraad in eerste instantie niet pertinent, nu beide zaken niet vergelijkbaar zijn : een strafzaak heeft betrekking op het algemeen belang en op de bestraffing van de niet-naleving van een door de wetgever vooropgestelde gedragsnorm, terwijl een burgerlijke zaak uitsluitend over particuliere belangen handelt. Zij mist bovendien feitelijke grondslag omdat de wetgever in strafrechtelijke aangelegenheden, met uitzondering van het systeem van de minnelijke schikking, niet heeft voorzien in de mogelijkheid om een einde te maken aan de strafvordering vooaleer de zaak op de rol wordt geplaatst of vooraleer de debatten plaatsvinden. Artikel 1, vierde en vijfde lid, van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 is dan ook uitsluitend van toepassing op een burgerlijk geding. Het is niet transponeerbaar naar strafzaken. Volgens de Ministerraad dient de tweede prejudiciële vraag eveneens ontkennend te worden beantwoord. Standpunt van de Orde van Vlaamse balies A.
- Met betrekking tot de eerste prejudiciële vraag oordeelt de Orde van Vlaamse balies dat de regeling die in de in het geding zijnde bepaling is opgenomen, objectief verantwoord en evenwichtig is, gelet op de bijzondere positie van het openbaar ministerie. Noch artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, noch de toegang tot de rechter of de wapengelijkheid komen in het gedrang doordat de verliezende beklaagde een rechtsplegingsvergoeding moet betalen, terwijl de verliezende burgerlijke partij geen rechtsplegingsvergoeding dient te betalen wanneer de strafvordering niet door haar werd opgestart. De situatie van die burgerlijke partij verschilt bovendien grondig van de toestand van de burgerlijke partij die zelf de strafvordering heeft opgestart. Evenmin wordt artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten geschonden, vermits geen inbreuk wordt gepleegd op een van de daarin gewaarborgde rechten. A.
- Met betrekking tot de tweede prejudiciële vraag voert de Orde van Vlaamse balies in hoofdorde aan dat het Hof onbevoegd is om de prejudiciële vraag te beantwoorden omdat ze in wezen betrekking heeft op de bestaanbaarheid van artikel 5 van het koninklijk besluit tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding met de bepalingen waaraan het Hof dient te toetsen. Vermits de regeling waarnaar wordt verwezen in de tweede vraag, niet is doorgevoerd bij wet, maar wel bij koninklijk besluit, is het Hof niet bevoegd om de prejudiciële vraag te beantwoorden. A.
- In ondergeschikte orde laat de Orde van Vlaamse balies gelden dat geen van de aangehaalde bepalingen wordt geschonden doordat de beklaagde de rechtsplegingsvergoeding slechts kan vermijden door voorafgaandelijk de burgerlijke partij te vergoeden. Er wordt geen afbreuk gedaan aan zijn recht van verdediging, waaronder het vermoeden van onschuld. De vergoeding van een burgerlijke partij houdt geen erkenning van schuld in. Geen enkele wettelijke bepaling impliceert dat een partij die iemand vergoedt die stelt schade te hebben geleden uit wat een misdrijf zou kunnen zijn, wordt vermoed dat misdrijf te hebben begaan, 6 onverminderd de mogelijkheid om te vergoeden onder uitdrukkelijk voorbehoud van alle rechten en zonder enige nadelige erkenning, wat zelfs niet nodig is omdat de rechter vrij is in zijn beoordeling van het strafrechtelijke aspect. Evenmin zou de beklaagde door die betaling tegen zichzelf getuigen of nog minder, gedwongen worden tegen zichzelf te getuigen. Eveneens in ondergeschikte orde stelt de Orde van Vlaamse balies dat, door een zaak te regelen vooraleer deze aanhangig is gemaakt voor de rechtbank, een partij vermijdt de rechtsplegingsvergoeding te moeten betalen, wat zowel in burgerlijke als in strafzaken geldt. De bijkomende vergoeding waarin artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek voorziet, zijn gerechtskosten of een accessorium van de vordering die door een partij wordt betaald aan de tegenpartij die een advocaat heeft geraadpleegd. Indien die vordering werd voldaan vóór de zaak aanhangig wordt gemaakt, vervalt de hoofdvordering en daarmee ook de accessoire vordering. Standpunt van de tussenkomende partijen H.B. en de nv D.-C. A.
- Het verschil in behandeling van de beklaagden met betrekking tot de aanspraak op een rechtsplegingsvergoeding, berust op de wijze waarop de strafvordering op gang is gebracht. Volgens die tussenkomende partijen is dat geen objectief verantwoord onderscheidingscriterium op grond van het doel en de draagwijdte van de te beoordelen wettelijke regeling. Niet het op gang brengen van de strafvordering noopt de beklaagde tot het maken van kosten voor zijn verdediging op de burgerlijke vordering, maar alleen het stellen van de burgerlijke vordering zelf en het formuleren van de burgerlijke eis. Het formuleren van de burgerlijke vordering is immers het gevolg van een eigen en persoonlijk initiatief van de burgerlijke partij, ongeacht de wijze waarop de strafvordering is aanhangig gemaakt. Het is, volgens die partijen, niet omdat het openbaar ministerie vervolgt, dat de burgerlijke partij geen eigen verantwoordelijkheid op zich zou moeten nemen inzake haar vordering tot schadeloosstelling die aan eigen ontvankelijkheids- en gegrondheidsbezwaren is onderworpen. Budgettaire overwegingen met betrekking tot de mogelijke aansprakelijkheid van de Staat voor het optreden van het openbaar ministerie, kunnen hier niet gelden. Het is immers de burgerlijke partij die moet worden veroordeeld tot de rechtsplegingsvergoeding, zelfs wanneer de strafvordering wordt afgewezen, want ook de burgerlijke partij heeft ter zake een verantwoordelijkheid. Dat geldt des te meer in het kader van een procedure afhandeling burgerlijke belangen, na eindbeslissing op strafgebied, waarbij het openbaar ministerie geenszins betrokken is. Het openbaar ministerie dient alleen het algemeen belang en niet de private belangen. Hoewel de burgerlijke vordering ook voor de burgerlijke rechter kan worden gebracht, heeft de burgerlijke partij er alle belang bij haar vordering voor de strafrechter te brengen. Doordat zij geen enkel risico loopt voor een veroordeling tot de rechtsplegingsvergoeding, dient zij ook geen enkele verantwoordelijkheid voor het inleiden van die vordering te dragen. -B- Wat de ontvankelijkheid van de memorie van tussenkomst van de partijen H.B. en de nv D.-C. betreft B.
- De Ministerraad betwist de tussenkomst van de partijen H.B. en de nv D.-C., die hun belang baseren op het feit dat zij betrokken zijn in een analoge zaak waarin toepassing dient te worden gemaakt van de in het geding zijnde bepaling. 7 B.2.
- Artikel 87, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 bepaalt : « Wanneer het Arbitragehof, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak doet op vragen als bedoeld in artikel 26, kan ieder die van een belang doet blijken in de zaak voor de rechter die de verwijzing gelast, een memorie aan het Hof richten binnen dertig dagen na de bekendmaking voorgeschreven in artikel
- Hij wordt daardoor geacht partij in het geding te zijn ». B.2.
- Zoals de Ministerraad opmerkt, heeft het Hof aanvankelijk geoordeeld dat de enkele hoedanigheid van partij bij een procedure die analoog is met die welke bij het Hof prejudicieel aanhangig is, niet volstaat om te doen blijken van het belang om in een procedure betreffende een prejudiciële vraag tussen te komen (onder meer arrest nr. 82/95, B.1.2). In zijn arrest nr. 56/93 van 8 juli 1993 heeft het Hof daarvoor een principiële verantwoording gegeven naar aanleiding van een exceptie van ongrondwettigheid van artikel 87, § 1 : « Nu de wetgever de draagwijdte van het arrest dat is gewezen op de prejudiciële vraag in het geschil naar aanleiding waarvan de vraag is gesteld, heeft beperkt, kon hij de tussenkomst voor het Hof beperken tot de personen die in dat geschil mochten tussenkomen. Het is weliswaar juist dat het arrest, gewezen op prejudiciële vraag, een indirect effect zou kunnen hebben op soortgelijke geschillen aangezien de geadieerde rechter van oordeel zou kunnen zijn dat hij geen vraag aan het Hof hoeft te stellen omdat het Hof reeds op een vraag met hetzelfde onderwerp uitspraak heeft gedaan. Niets belet echter de partijen voor die rechter argumenten uiteen te zetten om hem te overtuigen op zijn beurt een vraag aan het Hof te stellen » (B.2.7). B.2.
- In latere arresten heeft het Hof zijn standpunt evenwel genuanceerd en het belang in een analoge procedure in een aantal gevallen aanvaard, ofschoon het in zijn arrest nr. 82/2005 van 27 april 2005 het principe heeft gehandhaafd dat reeds een analoge zaak hangende moet zijn. De omstandigheid dat een arrest van het Hof een invloed zou kunnen hebben op de beslissing van een rechter aan wie later analoge vragen worden voorgelegd, wordt niet van dien aard geacht dat daaruit een belang blijkt, omdat zulks voor elke rechtzoekende kan gelden (B.2.3). B.2.
- Ofschoon moet worden vermeden dat voor het Hof personen in rechte treden die slechts een hypothetisch belang hebben bij de aan het Hof gestelde prejudiciële vragen, dient het rekening te houden met het versterkte gezag van gewijsde dat voortvloeit uit artikel 26, 8 § 2, tweede lid, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 en ervoor te zorgen dat prejudiciële vragen met betrekking tot identieke problemen niet worden vermenigvuldigd. Door toe te staan dat elke persoon die doet blijken van een belang de vernietiging kan vorderen van een bepaling waarvan het Hof, uitspraak doende op een prejudiciële vraag, heeft vastgesteld dat ze de Grondwet schendt, heeft artikel 4, tweede lid, dat in de bijzondere wet van 6 januari 1989 is ingevoerd bij de bijzondere wet van 9 maart 2003, het gevolg versterkt dat een op prejudiciële vraag gewezen arrest kan hebben voor de personen die geen partij waren bij dat arrest. B.2.
- In het arrest nr. 44/2008 van 4 maart 2008 heeft het Hof dan ook gesteld dat er dient te worden aangenomen dat de personen die het afdoende bewijs leveren van het rechtstreekse gevolg dat het antwoord dat het Hof op een prejudiciële vraag zal geven, op hun persoonlijke situatie kan hebben, doen blijken van een belang om voor het Hof tussen te komen. B.
- Ingaande op het verzoek van het Hof hebben de tussenkomende partijen H.B. en de nv D.-C. het Hof in kennis gesteld van de stand van de rechtspleging waarin naar hun oordeel het antwoord op de voorliggende prejudiciële vragen relevant zou kunnen zijn, gelet op het feit dat zij de rechtbank die hun zaak behandelt, hebben verzocht eveneens een prejudiciële vraag te stellen. Het Hof stelt vast dat, bij een vonnis van 9 september 2008, waartegen een voorziening werd ingesteld bij het Hof van Cassatie, de Rechtbank van eerste aanleg te Gent, zitting houdend in hoger beroep, enerzijds, het hoger beroep ontvankelijk heeft verklaard maar niet gegrond wat een deel van de schade betreft, en, anderzijds, de uitspraak heeft aangehouden wat andere aspecten van de schade betreft - waarbij de partijen werden verzocht haar aanvullende gegevens te verstrekken -, en ten slotte de beslissing over de kosten heeft aangehouden. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de kwestie van de kosten en van de grondwettigheid van artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering nog niet werd onderzocht door de Rechtbank van eerste aanleg te Gent, zodat de partijen H.B. en de nv D.-C. er belang bij hebben om in deze zaak tussen te komen. 9 B.
- De exceptie wordt verworpen. Ten gronde Wat de eerste prejudiciële vraag betreft B.
- De eerste prejudiciële vraag betreft de bestaanbaarheid van artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 14.2 en 14.3, littera g), van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, doordat de beklaagde die wordt veroordeeld, is gehouden tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek aan de burgerlijke partij, terwijl de burgerlijke partij die in het ongelijk wordt gesteld of die omtrent enig geschilpunt in het ongelijk wordt gesteld, niet is gehouden tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding aan de beklaagde. B.6.
- Volgens de motieven van het verwijzingsvonnis beogen de prejudiciële vragen in het algemeen van het Hof te vernemen of de voormelde wet van 21 april 2007 « de schending die door het Grondwettelijk Hof [in het arrest nr. 57/2006 van 19 april 2006] werd vastgesteld van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM heeft opgeheven ». B.6.
- Het Hof is niet bevoegd om door middel van het antwoord op een prejudiciële vraag op algemene wijze de grondwettigheid van de in het geding zijnde wettelijke bepaling in alle mogelijke aspecten van de verhouding tussen de beklaagde en de burgerlijke partij te toetsen en in het bijzonder na te gaan of die wet een eerder vastgestelde schending « heeft opgeheven ». 10 Dat geldt des te meer nu over die bepaling verschillende prejudiciële vragen werden gesteld waarin zeer concrete aspecten van de verhaalbaarheid van advocatenkosten in strafzaken, in het bijzonder met betrekking tot het verschil in behandeling van de beklaagde en de burgerlijke partij, in het geding zijn. B.6.
- Het Hof onderzoekt de prejudiciële vragen bijgevolg uitsluitend rekening houdend met de relevante feitelijke procedurele omstandigheden van de zaak, namelijk het feit dat in de strafzaak het openbaar ministerie de beklaagde voor de strafrechter heeft gedagvaard en de burgerlijke partij haar vordering slechts heeft doen aansluiten bij de door het openbaar ministerie ingestelde strafvordering. De bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 14.2 en 14.3, littera g), van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, wordt derhalve slechts onderzocht in zoverre zij op het vlak van de verhaalbaarheid van de advocatenkosten leidt tot een verschillende behandeling van de beklaagde die werd veroordeeld en de burgerlijke partij die in het ongelijk werd gesteld in haar burgerlijke vordering wanneer zij haar vordering heeft doen aansluiten bij de door het openbaar ministerie ingestelde strafvordering. B.7.
- Artikel 9 van de wet van 21 april 2007 voegt een artikel 162bis in het Wetboek van strafvordering in, dat bepaalt : « Ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, veroordeelt hen tot het betalen aan de burgerlijke partij van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De burgerlijke partij die rechtstreeks heeft gedagvaard en die in het ongelijk wordt gesteld, zal veroordeeld worden tot het aan de beklaagde betalen van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De vergoeding wordt bepaald door het vonnis ». Dat artikel maakt deel uit van hoofdstuk III van de voormelde wet, waarvan de bepalingen het beginsel van de verhaalbaarheid uitbreiden tot de strafzaken, maar die uitbreiding beperken tot de verhoudingen tussen de inverdenkinggestelde of de beklaagde en de burgerlijke partij. De persoon die door een strafgerecht ten aanzien van de burgerlijke 11 partij wordt veroordeeld, moet aldus aan die laatstgenoemde de rechtsplegingsvergoeding betalen. De burgerlijke partij wordt daarentegen ertoe veroordeeld de rechtsplegingsvergoeding te betalen aan de inverdenkinggestelde die een buitenvervolgingstelling geniet of aan de vrijgesproken beklaagde, maar enkel in de hypothese dat zij alleen verantwoordelijk is voor het op gang brengen van de strafvordering. Wanneer de strafvordering op gang wordt gebracht door ofwel het openbaar ministerie, ofwel een onderzoeksgerecht dat de inverdenkinggestelde verwijst naar een vonnisgerecht, is geen enkele rechtsplegingsvergoeding verschuldigd aan de buiten vervolging gestelde inverdenkinggestelde of aan de vrijgesproken beklaagde, noch ten laste van de burgerlijke partij, noch ten laste van de overheid. B.7.
- In de parlementaire voorbereiding wordt aangegeven dat in de toepassing van de verhaalbaarheid voor de strafgerechten is voorzien omdat het « meer conform [leek] te zijn met de principes van gelijkheid en niet-discriminatie dat men de rechtsonderhorigen die het herstel vragen van schade voor een burgerlijke dan wel voor een strafrechtelijke rechtbank, gelijk zou behandelen », en dat het voorstel om de regeling van de verhaalbaarheid uit te breiden tot de relaties tussen de beklaagde en de burgerlijke partij in overeenstemming was met het advies van de Ordes van advocaten en dat van de Hoge Raad voor de Justitie (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2891/002, pp. 5-6). In verband met de situatie van de vrijgesproken beklaagde of de buiten vervolging gestelde inverdenkinggestelde is nog gepreciseerd : « Overeenstemmend met het advies van de ordes van advocaten en van de Hoge Raad voor de Justitie, zal de verhaalbaarheid trouwens ook niet aan bod komen in de betrekkingen tussen de beklaagde en de Staat, die wordt vertegenwoordigd door het openbaar ministerie. Er moet op gewezen worden dat het openbaar ministerie, door vervolging in te stellen, het algemeen belang vertegenwoordigt en derhalve niet op één lijn kan worden gesteld met een burgerlijke partij die de strafvordering alleen in gang zou zetten om een privébelang te verdedigen » (ibid., pp. 6-7). B.7.
- In het arrest nr. 182/2008 van 18 december 2008 heeft het Hof geoordeeld dat, wegens de opdracht die aan het openbaar ministerie is toegewezen, de wetgever vermocht ervan uit te gaan dat een regeling volgens welke een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd zou zijn telkens als de vordering van het openbaar ministerie zonder gevolg blijft, niet tot de laatstgenoemde diende te worden uitgebreid. 12 Uit het feit dat hij de forfaitaire vergoedingsregeling waarin de artikelen 128, 162bis, 194 en 211 van het Wetboek van strafvordering voorzien, niet heeft uitgebreid ten laste van de Staat in geval van vrijspraak of buitenvervolgingstelling, vloeit niet voort dat hij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zou hebben geschonden. B.
- Artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering voert een verschil in behandeling in tussen de beklaagde die door een strafgerecht wordt veroordeeld en aan de burgerlijke partij de rechtsplegingsvergoeding moet betalen, en de burgerlijke partij die enkel wordt veroordeeld tot betaling van de rechtsplegingsvergoeding aan de vrijgesproken beklaagde als zij die rechtstreeks heeft gedagvaard en zij in het ongelijk werd gesteld. B.
- Rekening houdend met wat in B.7.3 is gesteld, is het eveneens verantwoord dat de burgerlijke partij slechts tot de betaling van de rechtsplegingsvergoeding aan de vrijgesproken beklaagde of aan de inverdenkinggestelde die een buitenvervolgingstelling geniet, wordt veroordeeld wanneer zij zelf de strafvordering op gang heeft gebracht en niet wanneer zij haar vordering heeft doen aansluiten bij een door het openbaar ministerie ingestelde strafvordering of wanneer een onderzoeksgerecht de verwijzing van de beklaagde naar een vonnisgerecht heeft bevolen. In die gevallen, indien de eisen van de burgerlijke partij « niet ingewilligd worden, kan ze [voor de strafprocedure] niet aansprakelijk gesteld worden ten aanzien van de beklaagde en bijgevolg ook niet veroordeeld worden om die te vergoeden voor de procedurekosten die bij die gelegenheid zijn ontstaan » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2891/002, p. 6; Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 1686/4, p. 9). Een toetsing van de in het geding zijnde bepaling aan artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en aan de artikelen 14.2 en 14.3, littera g), van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten leidt niet tot een andere conclusie. B.
- De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 13 Wat de tweede prejudiciële vraag betreft B.
- De tweede prejudiciële vraag betreft de bestaanbaarheid met dezelfde bepalingen, in het bijzonder de daarin gewaarborgde rechten van verdediging, waaronder het vermoeden van onschuld en het recht om niet te worden gedwongen tegen zichzelf te getuigen, van de regeling waarbij de beklaagde, in strafzaken zoals in burgerlijke zaken, de betaling van de rechtsplegingsvergoeding zou kunnen vermijden door voorafgaandelijk de burgerlijke partij te vergoeden. B.
- Het Hof stelt vast dat de tweede prejudiciële vraag berust op de interpretatie van een maatregel die niet in de in het geding zijnde bepaling is opgenomen, noch in een andere wettelijke bepaling, maar wel in artikel 1, vierde en vijfde lid, van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 « tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat ». Die bepalingen luiden : « Zo ook is geen vergoeding verschuldigd indien de verweerder of de gedaagde in hoger beroep vóór de inschrijving van de zaak op de rol, de eis inwilligt en zijn verbintenissen kwijt in hoofdsom, interesten en kosten. Ingeval de verweerder, of de gedaagde in hoger beroep, na de inschrijving op de rol, de eis inwilligt en zijn verbintenissen kwijt in hoofdsom, interesten en kosten, is het bedrag van de vergoeding gelijk aan één kwart van de basisvergoeding, zonder hoger te kunnen zijn dan 1.000 euro ». Het Hof is niet bevoegd om zich uit te spreken over de grondwettigheid van een koninklijk besluit. Gesteld dat de verwijzende rechter zou oordelen dat die bepaling toepasselijk zou zijn in strafzaken, zou het hemzelf toekomen te onderzoeken of zij in overeenstemming is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 14.2 en 14.3, littera g), van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. B.
- De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. 14 Om die reden, het Hof zegt voor recht : - Artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 14.2 en 14.3, littera g), van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre de burgerlijke partij niet wordt veroordeeld tot betaling van de rechtsplegingsvergoeding aan de vrijgesproken beklaagde wanneer zij haar vordering heeft doen aansluiten bij de door het openbaar ministerie ingestelde strafvordering. - De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 21 januari
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.013 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div