id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 12 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.017 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090212.1 Arrest- Rolnummer: 17/2009 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-02-17 Raadplegingen: 1308 - laatst gezien 2026-07-02 10:29 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof, onder voorbehoud van de interpretaties vermeld in B.36.4, B.47.3, B.51.6, B.53.4, B.54.4, B.74.5 en B.76.2, verwerpt het beroep. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - DISCRIMINATIE - RACISME - XENOFOBIE - Antiracismewet - 30 juli 1981 PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van : - de artikelen 1 tot 34 van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, zoals ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 10 mei 2007 tot wijziging van voormelde wet van 30 juli 1981, - de artikelen 2 tot 49 en 52 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie, - de artikelen 2 tot 39 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van de discriminatie tussen vrouwen en mannen, ingesteld door Eddy Daniëls en anderen. Bestrijding van discriminatie -
- Toepassingssfeer ratione personae - a. Overheid - b. Private personen -
- Sanctieregeling - a. Burgerrechtelijke maatregelen - b. Strafmaatregelen - Strafverzwaringen - c. Niet naleven van een stakingsbevel -
- Discriminatiegronden - Limitatieve opsomming -
- Toepassingssfeer ratione materiae - a. Arbeidsbetrekkingen - b. Toegang tot en het aanbod van goederen en diensten die publiekelijk beschikbaar zijn - c. Gezondheidszorg - d. Toegang tot en de deelname aan een economische, sociale, culturele of politieke activiteit toegankelijk voor het publiek -
- Maatregelen van positieve actie -
- Legaliteitsbeginsel in strafzaken - a. Begrip discriminatie - b. Begrip opzettelijke directe discriminatie - c. Begrip opzettelijke indirecte discriminatie - d. Begrip opdracht tot discrimineren - e. Begrip intimidatie - f. Begrip weigering tot het maken van redelijke aanpassingen voor een persoon met een handicap - g. Begrippen zogenaamd ras, rassenhaat en rassuperioriteit -
- Nietigheid van contractuele bepalingen -
- Rechtbescherming van slachtoffers -
- Voorwerp van de bestraffing - a. Aanzetten tot discriminatie, segregatie, haat of geweld - b. Verspreiden van denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat - c. Behoren tot een groep of vereniging die discriminatie verkondigt -
- Omkering van de bewijslast -
- Houders van een vorderingsrecht. # Grondwettelijk recht - Bevoegdheden van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten -
- Federale bevoegdheden - Residuaire bevoegdheden - Algemene strafbepalingen inzake niet-discriminatie -
- Bevoegdheden van de gemeenschappen en de gewesten - Accessoire bevoegdheden - Strafzaken. # Rechten en vrijheden -
- Vrijheid van vereniging en van vergadering -
- Eigendomsrecht -
- Vrijheid van de overeenkomsten -
- Vrijheid van meningsuiting -
- Vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst -
- Vrijheid van petitie -
- Vrijheid zich cultureel en maatschappelijke te ontplooien -
- Persvrijheid - Cascade-aansprakelijkheid -
- Jurisdictionele waarborgen - Recht op een eerlijk proces -
- Burgerlijke dood. Wettelijke bepalingen: Wet - 30-07-1981 - 1 tot 34 - 35 ELI link Pub nr 1981001359 Wet - 10-05-2007 - 3 - 38 ELI link Pub nr 2007002097 Wet - 10-05-2007 - 2 tot 49 - 35 ELI link Pub nr 2007002099 Wet - 10-05-2007 - 52 - 35 ELI link Pub nr 2007002099 Wet - 10-05-2007 - 2 tot 39 - 36 ELI link Pub nr 2007002098 Tekst van de beslissing Rolnummer 4359 Arrest nr. 17/2009 van 12 februari 2009 In zake : het beroep tot vernietiging van : - de artikelen 1 tot 34 van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, zoals ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 10 mei 2007 tot wijziging van voormelde wet van 30 juli 1981, - de artikelen 2 tot 49 en 52 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie, - de artikelen 2 tot 39 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van de discriminatie tussen vrouwen en mannen, ingesteld door Eddy Daniëls en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 29 november 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 november 2007, is beroep tot vernietiging ingesteld van : - de artikelen 1 tot 34 van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, zoals ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 10 mei 2007 tot wijziging van de voormelde wet van 30 juli 1981 (hierna : de Antiracismewet), - de artikelen 2 tot 49 en 52 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie (hierna : de Algemene Antidiscriminatiewet), - de artikelen 2 tot 39 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van de discriminatie tussen vrouwen en mannen (hierna : de Genderwet), (die drie wetten van 10 mei 2007 zijn bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 mei 2007, tweede editie) door Eddy Daniëls, wonende te 3001 Leuven-Heverlee, Eburonenlaan 5, Pascal de Roubaix, wonende te 1030 Brussel, Eugène Demolderlaan 112, Herman Van den Berghe, wonende te 9420 Erpe-Mere, Honegemstraat 135, Jacques Barbier, wonende te 1200 Brussel, Sint-Lambrechts-Woluwelaan 11, Louis Beckers, wonende te 2820 Bonheiden, Peulisbaan 24, Guido Naets, wonende te 1933 Sterrebeek-Zaventem, Tramlaan 444, Luc Van Braekel, wonende te 8790 Waregem, Felix Verhaeghestraat 8, Eric Bruckmann, wonende te 4141 Louveigné, rue de l’Esplanade 6, Peter Bosschem, wonende te 1730 Asse, Terlindenweg 124, Baudewijn Bouckaert, wonende te 9230 Wetteren, Reuzenlaan 6, Yves de Seny, wonende te 4530 Vieux-Waleffe, rue de Fallais 42, Laurent Asselbergh, wonende te 1570 Tollembeek, Muylebeekstraat 59, Herman Baeten, wonende te Antwerpen, Van Daelstraat 40, An Bats, wonende te 2600 Antwerpen-Berchem, Lode Vissenaekenstraat 34, Michaël Bauwens, wonende te 9170 De Klinge, Trompwegel 27, Josef Beckers, wonende te 3680 Maaseik, Schoolstraat 44, Paul Beeckman, wonende te 8755 Ruiselede, Tieltstraat 66, Paul Belien, wonende te 2460 Kasterlee, Houtum 54, Charel Blockx, wonende te 3583 Beringen, Hoefblastraat 21, Gianni Boone, wonende te 8800 Roeselare, Menenpoortstraat 39, Werner Boons, wonende te 2200 Noorderwijk, Schravenhage 1, Roger Bornauw, wonende te 1730 Asse, Bladerenkwartier 22, J.B., Filips Bossuyt, wonende te 8500 Kortrijk, Groeninghelaan 30/7, Hugo Bulckens, wonende te 2980 Zoersel, R. Delbekestraat 347, Franciscus Buytaert, wonende te 2050 Antwerpen, Reinaartlaan 2, Freddy Byttebier, wonende te 8540 Deerlijk, Rozenlaan 8, Stijn Calle, wonende te 9970 Kaprijke, Molenstraat 115, Leo Callens, wonende te 9850 Nevele, Meigemstraat 11, François Claes, wonende te 2550 Waarloos, Kerkelei 12, Hugo Claeys, wonende te 9920 Lovendegem, Tussenwege 41, Paul Claeys, wonende te 3090 Overijse, Kastanjedreef 46, Emiel Claus, wonende te 2180 Ekeren, Villapark 2, Herman Claus, wonende te 2060 Antwerpen, Wetstraat 51, Alain Cleyman, wonende te 9140 Temse, De Lokers 22, Henri Cloetens, wonende te 1880 Kapelle-op-den-Bos, Leiweg 47, Erik Cloodts, wonende te 2970 ’s-Gravenwezel, Wijnegemsteenweg 7, Anne Comvalius, wonende te 2650 Edegem, Pastoor Moonslaan 33, Jan Debacker, wonende te 9270 Laarne, Brandekenswegel 6, Jan De Ben, wonende te 9140 Steendorp, Kapelstraat 272, Wilfried De Bleu, wonende te 9191 Hever, Vaartstraat 20, Jozef De Clercq, wonende te 3010 Kessel-Lo, Bergstraat 77, Noël De Corte, wonende te 8980 Zonnebeke, Schipstraat 22, Eric De Graef, wonende te 1851 Humbeek, Warandestraat 37, Tom De Graeve, wonende te 9290 Overmere, Kerkstraat 131, Erik De Jonghe, wonende te 8530 Harelbeke, 3 Gentsesteenweg 118, Roger Deridder, wonende te 2100 Deurne, Boekenberglei 188, Antoine de Roubaix, wonende te 5030 Gembloux, rue Chants d’Oiseaux 1, Antoon Deryckere, wonende te 1600 Sint-Pieters-Leeuw, Edward Rooselaersstraat 15, Vincent De Roeck, wonende te 2600 Berchem, Elisabethlaan 89, Jacques De Schepper, wonende te 1700 Dilbeek, Rozenlaan 35, Guido De Schuyteneer, wonende te 2360 Oud- Turnhout, Werkendam 43, Piet Deslé, wonende te 1000 Brussel, Filips de Goedestraat 52, Lieven Devillé, wonende te 1020 Brussel, Romeinsesteenweg 515A, Hendrik De Vloed, wonende te 9090 Melle, Pontstraat 22, Willy De Waele, wonende te 1750 Lennik, Hunselveld 23, Ria Deweirdt, wonende te 1950 Kraainem, Oudstrijderslaan 6, Dirk De Winter, wonende te 8670 Oostduinkerke, Res. Cap Horn, Zeedijk, Willem De Wit, wonende te 9250 Waasmunster, Oudeheerweg-Ruiter 114, Erik D’Haene, wonende te 2140 Borgerhout, Weerstandlaan 83, Marc Dhaenens, wonende te 1930 Zaventem, Handelsstraat 4, Luc Dietvorst, wonende te 2930 Brasschaat, Wipstraat 111, Paul Doevenspeck, wonende te 2390 Malle, Salphen 3, Roel Dolhain, wonende te 2340 Beerse, Driesplein 16, Koenraad Elst, wonende te 2640 Mortsel, Singel 35, Dens Fee, wonende te 3130 Begijnendijk, Cardijnlaan 12, Jean-Paul Feys, wonende te 9050 Gent, Louis Van Houttestraat 30, David Geens, wonende te 9910 Knesselare, Nieuwstraat 11, Maria Goossenaerts, wonende te 9040 Sint-Amandsberg, Schuurstraat 62, Geert Goubert, wonende te 9070 Destelbergen, Ter Ham 4, Jan Govaert, wonende te 9840 De Pinte, Hugo Verriestlaan 7, Robert Hendrick, wonende te 1325 Chaumont-Gistoux, rue du Taillis 20, Pol Herman, wonende te 2360 Oud-Turnhout, Bosdreef 34, Georges Hermans, wonende te 1830 Machelen, Melkstraat 113, Klara Hertogs, wonende te 2300 Turnhout, Duifhuisstraat 28/8, Edwin Jacobs, wonende te 3500 Hasselt, Windmolenstraat 50, Karel Jansens, wonende te 3390 Tielt-Winge, Boekhoutstraat 25, Jos Janssens, wonende te 2170 Merksem, Van Praetlei 10, Piet Hein Jongbloet, wonende te 2020 Antwerpen, Beukenlaan 10A, Paul Jongbloet, wonende te 8620 Nieuwpoort, Zeedijk 122/1402, Lieve Kempen, wonende te 2200 Noorderwijk, Schravenhage 1, Roger Knaepen, wonende te 3870 Heers, Veulenstraat 15, Brecht Lambrecht, wonende te 9420 Erpe, Kattelinnestraat 15, Patrick Landuyt, wonende te 8380 Dudzele, Stokerij 27, Jan Lievens, wonende te 9340 Lede, Hulst 134, Johan Lievens, wonende te 3080 Tervuren, Hertogenweg 20, Robert Lingier, wonende te 8480 Bekegem, Bruggestraat 404, Jean Lorquet, wonende te 2520 Oelegem, Oudstrijderstraat 15, Marc Luyten, wonende te 2800 Mechelen, Koningin Astridlaan 161/606, Jozef Maes, wonende te 2540 Hove, De Ster 26, Jozef Maesschalck, wonende te 9320 Nieuwerkerken, Edixvelde 13, Alain Mahiat, wonende te 1030 Brussel, A. Reyerslaan 159, Thérèse Mahiat, wonende te 1030 Brussel, A. Reyerslaan 159, Maarten Malaise, wonende te 2610 Wilrijk, Paviljoenlaan 10, Bernard Marcelo, wonende te 9112 Sinaai, Wijnveld 184, Frank Mertens, wonende te 1861 Wolvertem, Hoogstraat 45, Xavier Meulders, wonende te 2500 Koningshooikt, Misstraat 114, Elisabeth Meeulenbergs, wonende te 2600 Berchem-Antwerpen, Strijdhoflaan 54, Walter Michiels, wonende te 9340 Lede, Steenstraat 162A, Josiane Moens, wonende te 3870 Heers, Veulenstraat 15, Jozef Mondelares, wonende te 2490 Balen, Steegsebaan 26, André Monteyne, wonende te 1090 Brussel, H. Van Bortonnestraat 31, Luc Neyrinck, wonende te 1700 Dilbeek, Jozef De Windestraat 56, Werner Niemegeers, wonende te 9572 Sint-Martens-Lierde, Keibergstraat 31, Frederik Ophalvens, wonende te 3001 Heverlee, Wijngaardlaan 4, Maria Palemans, wonende te 2140 Antwerpen, Drink 7, Erik Peeters, wonende te 2600 Berchem, Grote Steenweg 505, Jacques Peeters, wonende te 2250 Olen, Doffen 4, Wim Peeters, wonende te 2300 Turnhout, Warandestraat 81-83, Wim Peeters, wonende te 2960 Brecht, Braakstraat 52, Luc Pierson, wonende te 2140 Borgerhout, Collegelaan 28, Marc Platel, wonende te 1950 Kraainem, Oudstrijderslaan 6, Daniel Poelmans, wonende te 1731 Zellik, Zuiderlaan 81/3, Eric Ponette, wonende te 3020 Winksele, Schoonzichtlaan 40, 4 Jean Pousset, wonende te 3621 Rekem, Sint-Pieter 4, Patrick Praet, wonende te 9230 Wetteren, Korte Massemsesteenweg 60/33, Koen Roelens, wonende te 8000 Brugge, Monnikenwerve 105, Nele Roggen, wonende te 1500 Halle, Broekborre 124, Nick Roskams, wonende te 3012 Leuven, Boomgaardstraat 25, Christiaan Sarens, wonende te 9000 Gent, Brugsesteenweg 289, Lorenzo Schoovaerts, wonende te 2620 Hemiksem, Antwerpsesteenweg 12, Johan Slembrouck, wonende te 1932 Sint-Stevens-Woluwe, Sint- Stefaansstraat 145, André Smellenbergh, wonende te 3500 Hasselt, Detmoldlaan 6, Frank Spiessens, wonende te 2610 Wilrijk, Ringlaan 58, Rony Stokart, wonende te 2000 Antwerpen, Schoenmakersstraat 12, Pol Tanghe, wonende te 8470 Gistel, Nieuwpoortsesteenweg 113a, Leo Timmermans, wonende te 2160 Wommelgem, Kastanjelaan 19, Luc Van Balberghe, wonende te 2820 Bonheiden, Venlaan 3, Gerda Van Calster, wonende te 1850 Grimbergen, Zwaluwstraat 11, Philip Van Cauwelaert, wonende te 2540 Hove, Statielei 30, Bruno Van Clemen, wonende te 2500 Lier, Smedenstraat 22, Peter Van Collem, wonende te 2600 Antwerpen-Berchem, Lode Vissenaekenstraat 34, Philip Vanden Abeele, wonende te 2018 Antwerpen, Peter Benoitstraat 20, Luc Van den Bogaert, wonende te 2600 Berchem, Mellinetplein 10, Albrecht Van den Bosch, wonende te 2150 Borsbeek, Adrinkhovenlaan 94, Christiane Van den Broeck, wonende te 3130 Begijnendijk, Busschotstraat 85, Roger Van den Broeck, wonende te 2340 Beerse, Bisschopslaan 39/4, Norbert Vandendriessche, wonende te 2650 Edegem, Hovestraat 146, Pieter Vandermoere, wonende te 9000 Gent, Ferdinand Lousbergkaai 100D, Philippe Van der Sande, wonende te 2018 Antwerpen, Mechelsesteenweg 61, Karen Van der Sype, wonende te 9000 Gent, Muidepoort 7, Jan Vandevelde, wonende te 2820 Rijmenam, Plaslei 4, Erik Vandeweerdt, wonende te 3500 Hasselt, Heidebloemstraat 4, Dirk Van Dijck, wonende te 2310 Rijkevorsel, Oostmalsesteenweg 162, Theo Van Elsen, wonende te 2400 Mol, Martelarenstraat 36, Marc Vanfraechem, wonende te 9000 Gent, Lange Boomgaardstraat 6, Guido Van Gorp, wonende te 2000 Antwerpen, Everdijstraat 15, Etienne Van Haeren, wonende te 9031 Drongen, Dijkweg 2, Hugo Van Hecke, wonende te 2970 Schilde, Sint-Willebrorduslaan 26, Philip Vanheessen, wonende te 9880 Aalter, Beekwijverdreef 7, Renaat Vanheusden, wonende te 3500 Hasselt, Lisbloemstraat 31, Jean Van Hille, wonende te 9000 Gent, Offerlaan 232, Koen Van Hoof, wonende te 2610 Wilrijk (Antwerpen), Rooiboslaan 136, Myriam Vanhuyse, wonende te 1570 Tollembeek, Muylebeekstraat 59, Filip Van Laenen, die keuze van woonplaats doet te 1000 Brussel, Verenigingstraat 28, Isabelle Van Laethem, wonende te 1000 Brussel, IJzerplein 3, Jan Van Malderen, wonende te 9100 Sint-Niklaas, Prins Albertstraat 20, Hector Van Oevelen, wonende te 9150 Kruibeke, A. Jansenstraat 5, Leo Van Rillaer, wonende te 2100 Deurne, Boekenberglei 277, Louis Van Roy, wonende te 9300 Aalst, Park Terlinden 12, Peter Van Windekens, wonende te 3212 Pellenberg, Kleine Ganzendries 4, Daniël Veranneman, wonende te 9620 Zottegem, Bevegemstraat 16, Jean-Pierre Verbinnen, wonende te 1932 Sint-Stevens-Woluwe, Schumanlaan 2, Tijl Vercaemer, wonende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 26, Toon Verheggen, wonende te 3670 Meeuwen, Kapelstraat 62, Björn Verheye, wonende te 8500 Kortrijk Doorniksewijk 140, Liliane Verhoeven, wonende te 2340 Beerse, Bisschopslaan 39/4, Eric Verhulst, wonende te 3010 Leuven, Zavelstraat 160, Jozef Verhulst, wonende te 2018 Antwerpen, Karel Oomsstraat 57, Patrick Verlinden, wonende te 2850 Boom, Vrijheidstraat 89, André Vermeiren, wonende te 9200 Dendermonde, Kerkstraat 102, Jurgen Verstrepen, wonende te 2610 Wilrijk, Pater Damiaanstraat 24, Emiel Verwerft, wonende te 2520 Ranst, Veldstraat 63, Tanguy Veys, wonende te 9000 Gent, Burgstraat 19, Samuel Vinck, wonende 5 te 2930 Brasschaat, Veldstraat 247, Remi Walravens, wonende te 9300 Aalst, Geraardbergsestraat 236, Remi Wauters, wonende te 9220 Moerzeke, Boonstraat 4, Dirk Welkenhuysen, wonende te 3520 Zonhoven, Zwanenstraat 2, Marcus Wieërs, wonende te 3920 Lommel, Wanstraat 22, Guido Willems, wonende te 3550 Heusden-Zolder, Kerkebosstraat 22, Fanny Schenkels, wonende te 2980 Zoersel, Monnikendreef 22, Dirk Van Dessel, wonende te 2600 Antwerpen, Karmelietenstraat 26, Filip De Cauwer, wonende te 9000 Gent, Stapelplein 42, Karel Luyten, wonende te 2540 Hove, Lintsesteenweg 181, en Karolien Crombez, die keuze van woonplaats doet te 1000 Brussel, Verenigingstraat
- Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel, met zetel te 1000 Brussel, Gerechtsgebouw, Poelaertplein 1, de Orde van Vlaamse balies, met zetel te 1000 Brussel, Koningsstraat 148, en Jozef Slootmans, wonende te 2970 Schilde, Den Aard 26; - de Vlaamse Regering; - de Ministerraad. De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 19 juni 2008 : - zijn verschenen : . Mr. M. Storme en Mr. J. Flo, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; . Mr. F. Judo loco Mr. D. Lindemans, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel, voor de Orde van Vlaamse balies en voor Jozef Slootmans; . Mr. S. Sottiaux en Mr. E. Cloots, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering; . Mr. K. Lemmens, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 6 II. In rechte -A- Ten aanzien van de bestreden wetten A.1.
- De verzoekende partijen voeren 17 middelen aan, waarvan de meeste verschillende onderdelen bevatten. Het eerste, het tweede en het zestiende middel zijn gericht tegen het geheel van de aangevochten bepalingen. De andere middelen zijn gericht tegen één of meer van de aangevochten bepalingen. De Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel, de Orde van Vlaamse balies en J. Slootmans sluiten zich als tussenkomende partijen grotendeels aan bij de middelen van de verzoekende partijen. Enkel in zoverre zij een afzonderlijke argumentatie ontwikkelen, zal die in wat volgt worden weergegeven. A.1.
- De Ministerraad is van mening dat de verzoekende partijen bij het formuleren van verschillende middelen uitgaan van één of meer foutieve premissen. Alvorens op de middelen in te gaan, verduidelijkt hij daarom achtereenvolgens de context en ontstaansgeschiedenis van de bestreden wetten, de noodzaak van « horizontalisering » van het verbod van discriminatie, de gesloten lijst van beschermde criteria, de beschermingsmechanismen in de bestreden wetten, de voorzienbaarheid en voorspelbaarheid van de gehanteerde begrippen en de verhouding tussen de burgerrechtelijke bepalingen van de bestreden wetten en het legaliteitsbeginsel. A.1.
- De Vlaamse Regering bereidt een ontwerp van gelijkekansendecreet voor dat onder meer de EU-richtlijnen inzake gelijke behandeling beoogt om te zetten in de Vlaamse bevoegdheidsdomeinen. Aangezien de principiële uitgangspunten en een aantal beleidsopties van het voorgenomen decreet overeenstemmen met de bestreden federale wetten, is de Vlaamse Regering van oordeel te moeten tussenkomen in de voorliggende procedure. Zij wenst evenwel slechts een standpunt in te nemen over de aangelegenheden die relevant zijn voor het beleid van de Vlaamse Regering. Zoals de Ministerraad, geeft ook de Vlaamse Regering, alvorens op een aantal middelen in te gaan, een meer algemene uiteenzetting over de bestreden wetten, met name over de horizontale werking van het gelijkheidsbeginsel en over de verhouding tussen dat beginsel en de andere grondrechten. A.1.
- Volgens de verzoekende partijen bevat de academische bespreking, door de Ministerraad en de Vlaamse Regering, van het bestaan en de achtergrond van de bestreden wetten geen antwoord op de middelen van de verzoekende partijen en evenmin nieuwe middelen in de zin van artikel 85 van de bijzondere wet van 6 januari
- Zij verzoeken het Hof daarom die bespreking buiten beschouwing te laten. In ondergeschikte orde plaatsen zij hun eigen visie tegenover die van de tussenkomende partijen en vragen zij het Hof elk verweer dat bestaat in een verwijzing naar internationaalrechtelijke verplichtingen buiten beschouwing te laten. A.1.
- Volgens de Ministerraad maakt de algemene bespreking integraal deel uit van het verweer ten gronde. Voor zover zij relevant zijn voor de uiteenzetting van de middelen en het daartegen gevoerde verweer, zullen de voormelde algemene besprekingen van de bestreden bepalingen door de Ministerraad en de Vlaamse Regering, alsook de reactie daarop van de verzoekende partijen, in wat volgt bij elk middel worden weergegeven. Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.2.
- De Ministerraad is van oordeel dat het beroep onontvankelijk is omdat het drie verschillende wetten in één verzoekschrift bestrijdt. Uit de bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989, met name de artikelen 1, 7 en 8, zou blijken dat een verzoekschrift slechts gericht kan zijn tegen een wet en niet tegen meerdere wetten tegelijkertijd. A.2.
- Volgens de verzoekende partijen bestaat er geen verbod op het richten van een beroep tegen schendingen van fundamentele rechten die voortvloeien uit verschillende, nauw met elkaar verbonden wetten. A.3.
- De Ministerraad meent ook dat verschillende middelen onontvankelijk zijn omdat de erin bestreden bepalingen de omzetting zijn van Europese richtlijnen. Op grond van artikel 249, derde alinea, en artikel 10 van het EG-Verdrag is de Belgische Staat verplicht de Europese richtlijnen in nationaal recht om te zetten. Hij zou 7 zich niet aan die verplichting kunnen onttrekken door zich op de eigen grondwetsbepalingen te beroepen. Bovendien zou het beginsel van de voorrang van het Europees recht op de Grondwet voortvloeien uit artikel 34 van de Grondwet. Om zijn standpunt kracht bij te zetten verwijst de Ministerraad naar een advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, naar de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 9 maart 2003, naar de rechtspraak van het Hof en naar de rechtsleer. A.3.
- Een middel dat een bepaling bestrijdt die een omzetting vormt van een internationale verplichting is naar het oordeel van de verzoekende partijen niet onontvankelijk. Zij zijn overigens van mening dat de Grondwet voorrang heeft op wetten houdende instemming met verdragen en op bepalingen van secundair internationaal recht die een gevolg zijn van dergelijke instemmingswetten. De stelling van de Ministerraad zou indruisen tegen de logica van de hiërarchie der rechtsnormen en zou de grondwettelijke bepalingen inzake grondwetsherzieningen volledig uithollen. A.3.
- De Vlaamse Regering is van oordeel dat de bestreden wetsbepalingen noch de internationaalrechtelijke normen waarvan zij in voorkomend geval de implementatie vormen, noch de Grondwet schenden. Het conflict tussen de Grondwet en het internationale recht waarvan de verzoekende partijen gewag maken, zou dan ook volkomen virtueel zijn, zodat de vraag naar de hiërarchie tussen de Grondwet en het internationale recht hier niet ter zake doet. In ondergeschikte orde betoogt de Vlaamse Regering dat de internationale normen inzake discriminatiebestrijding voorrang hebben op de Grondwet. Het feit dat de wetgever geen verdragen kan sluiten waarvan de inhoud strijdig is met de Grondwet, impliceert niet dat die verdragen, zodra zij rechtsgeldig zijn gesloten, geen voorrang kunnen hebben op de Grondwet, ook al werden die verdragen niet gesloten overeenkomstig de procedure voor grondwetswijziging. Noch in de rechtspraak van het Hof, noch in de rechtspraak van de andere hoogste rechtscolleges, kan volgens de Vlaamse Regering steun worden gevonden voor het standpunt van de verzoekende partijen dat de Grondwet een hogere rang zou innemen dan het primaire of secundaire internationale recht. Uit de jurisprudentie van het Hof van Cassatie en de Raad van State blijkt veeleer het tegendeel. Dit zou a fortiori gelden voor de weerlegging van het argument dat de Grondwet voorrang zou hebben op het Europese gemeenschapsrecht. In tegenstelling tot de internationale orde, wordt de Europese rechtsorde immers een autonoom karakter toegeschreven. Uit dat autonome karakter van de Europese rechtsorde heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen het beginsel van de suprematie of de voorrang van het gemeenschapsrecht afgeleid. Dat beginsel, dat intussen tot een van de hoekstenen van de Europese rechtsorde is uitgegroeid, impliceert dat internrechtelijke normen - ook indien die van de grondwettelijke orde zijn - buiten toepassing moeten worden gelaten in zoverre zij in strijd zijn met de normen van (primair of secundair) gemeenschapsrecht. A.4.
- Ten slotte is de Ministerraad van oordeel dat een aantal middelen onvoldoende is uiteengezet. Bij de bespreking van elk middel waarvoor hij de exceptio obscuri libelli aanvoert, zal de Ministerraad aangeven waarin het gebrek aan duidelijkheid is gelegen. A.4.
- De verzoekende partijen merken op dat telkens wanneer een dergelijke exceptio wordt aangevoerd, de Ministerraad door zijn antwoord ten gronde ervan doet blijken het middel minstens ten dele te hebben begrepen. A.4.
- In zijn memorie van wederantwoord betwist de Ministerraad nog het belang van de Orde van Vlaamse balies en van de Nederlandse Orde van advocaten. Wat het belang van J. Slootmans betreft, gedraagt de Ministerraad zich naar de wijsheid van het Hof. Ten aanzien van het eerste middel A.5.
- Het eerste middel is afgeleid uit de schending, door het geheel van de aangevochten bepalingen, van de artikelen 10, 11, 12, eerste lid, 16, 19, 22, 23, 25, 26 en 27 van de Grondwet, van de artikelen 6, 7, 9, 10, 11, 14 en 18 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en van de artikelen 9, 10, 14, 15, 16, 18, 19, 21, 22, 25, 26 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, ook in samenhang gelezen met artikel 14 van de Grondwet, doordat aan burgers dezelfde plichten worden opgelegd als aan de overheid, zonder dat zij de overeenstemmende rechten hebben, terwijl hun rol en vrijheid in een democratische rechtsstaat fundamenteel verschillen van die van de overheid. 8 A.5.
- De Ministerraad werpt de exceptio obscuri libelli op omdat de verzoekende partijen de schending van een hele reeks grondwets- en verdragsbepalingen aanvoeren, doch zich beperken tot een toelichting van de beweerde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.5.
- Volgens de verzoekende partijen is de samenhang met de aangehaalde bepalingen evident : door het opleggen aan particulieren van discriminatieverboden die in zo goed als alle domeinen van het openbare leven gelden, wordt de uitoefening van alle vrijheden die door de aangehaalde bepalingen worden beschermd, op disproportionele wijze beknot. A.6.
- In het eerste onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen aan dat het opleggen van dezelfde regels aan personen die zich in fundamenteel verschillende situaties bevinden een schending uitmaakt van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. In tegenstelling tot de overheden vaardigen privépersonen geen algemeen geldende regels uit, hebben zij geen belastingbevoegdheid en hebben zij niet als eerste en enig doel in het algemeen belang te handelen, maar wel de fundamentele vrijheid om hun eigen doelstellingen na te streven. Daarnaast genieten privépersonen een aantal fundamentele rechten en vrijheden waarop een overheid geen aanspraak kan maken. Ten slotte is een overheid principieel in staat om haar regelgevend optreden redelijk te verantwoorden, terwijl een particulier daarvoor niet altijd over de vereiste kennis, tijd en middelen beschikt. Het discriminatieverbod en de verplichting tot gelijke behandeling zijn volgens de verzoekende partijen redelijk verantwoord ten aanzien van het regelgevend gedrag van categorieën van personen die enkel bestaan met de bedoeling het algemeen belang te dienen en te vertegenwoordigen, doch niet ten aanzien van privépersonen die geen openbare dienst uitoefenen en geen geweldmonopolie bezitten. Zij wijzen erop dat de vorige discriminatiewet bepaalde dat zij geen afbreuk deed « aan de bescherming en de uitoefening van de in de Grondwet en in de internationale mensenrechtenconventies opgenomen fundamentele rechten en vrijheden ». Het ontbreken van een dergelijke bepaling in de drie bestreden wetten, zou tot gevolg hebben dat zij in hun geheel ongrondwettig zijn. Volgens de verzoekende partijen bestaat er geen algemeen recht van elke persoon om in het maatschappelijk leven door elke andere persoon altijd gelijk te worden behandeld. Een dergelijke verplichting om in het maatschappelijk leven personen nooit ongelijk te behandelen zonder objectieve en redelijke verantwoording zou op zichzelf strijdig zijn met de grondwettelijke vrijheden van de Belgen. Ten slotte zijn de verzoekende partijen van oordeel dat artikel 11 van de Grondwet zich ertegen verzet dat het behoren tot een minderheid iemand aparte rechten zou verschaffen, zeker in private verhoudingen, behalve in die gevallen waarin de Grondwet zelf dat bepaalt of daartoe een grondslag vormt (bijvoorbeeld de bescherming van taalminderheden in het politieke stelsel). A.6.
- De Ministerraad betwist in hoofdorde het uitgangspunt van de verzoekende partijen dat aan de overheid en aan particulieren dezelfde verplichtingen worden opgelegd. Het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie dat de overheid dient te eerbiedigen en het discriminatieverbod dat de bestreden wetten aan particulieren oplegt, zouden essentiële verschilpunten vertonen. Zij hebben een verschillend toepassingsgebied : het grondwettelijk beginsel beheerst de volledige relatie tussen de burger en de overheid en geldt voor alle gebieden van het maatschappelijk leven, terwijl het wettelijk discriminatieverbod niet alle horizontale relaties tussen burgers onderling beheerst aangezien het niet in alle domeinen van het maatschappelijk leven geldt. Bovendien hanteert het grondwettelijk beginsel een algemeen en open discriminatieverbod, terwijl de bestreden wetten zich beperken tot een verbod tot discriminatie op grond van een limitatieve lijst van beschermde criteria. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad een objectieve en redelijke verantwoording aan. Hij wijst in de eerste plaats op de verplichting voor de wetgever om, minstens in een aantal omstandigheden en voor bepaalde beschermde criteria, een horizontale werking te verlenen aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Bovendien is dat beginsel slechts gedeeltelijk doorgetrokken in de horizontale verhoudingen, aangezien de bestreden wetten discriminatie verbieden op grond van bepaalde criteria en in bepaalde omstandigheden. Met verwijzing naar het arrest nr. 157/2004 merkt de Ministerraad op dat het Hof in het verleden geen bezwaar heeft gemaakt tegen de horizontale werking van het vermelde beginsel. Ook acht hij het vanzelfsprekend dat de bestreden wetten geen afbreuk doen aan fundamentele rechten en vrijheden die in de Grondwet en in de internationale mensenrechtenverdragen zijn opgenomen. Het zou volstrekt overbodig zijn dit uitdrukkelijk te bepalen. 9 A.6.
- De Vlaamse Regering sluit zich aan bij de argumentatie van de Ministerraad. Zij toont aan dat de horizontale werking van het discriminatieverbod een zeer brede basis heeft in het nationaal, Europees en internationaal recht en geen schending uitmaakt van de rechten en vrijheden. Zij verwijst onder meer naar het arrest Natchova, van 6 juli 2005, waarin de Grote Kamer van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens uit artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in samenhang gelezen met artikel 2 van dat Verdrag, een positieve verplichting afleidt om het recht op leven zonder discriminatie te verzekeren, en naar het arrest Ferlini, van 3 oktober 2000, waarin het Hof van Justitie artikel 12 van het EG-Verdrag toepasselijk verklaart in gevallen waarin een groep of een organisatie een zekere macht uitoefent over particulieren en in staat is hun voorwaarden op te leggen waardoor de uitoefening van de door het Verdrag gewaarborgde fundamentele rechten wordt bemoeilijkt. Ook het Grondwettelijk Hof zou uitgaan van een moderne grondrechtenvisie die naast een negatieve onthoudingsplicht voorziet in positieve verplichtingen voor de overheid om grondrechtenschendingen in de private rechtsverhoudingen aan te pakken. A.6.
- Volgens de verzoekende partijen snijdt de redenering van de Ministerraad geen hout. De overheid handelt per definitie openbaar en dus raakt het discriminatieverbod voor overheden enkel het openbare leven van die overheden. De discriminatieverboden in de bestreden wetten treffen dus, net zoals voor overheden het geval is, enkel het openbare leven van de burgers. Bovendien zijn de beschermde criteria en de verschillende toepassingsgebieden dermate ruim en de rechtvaardigingsgronden dermate willekeurig dat de facto een algemeen discriminatieverbod wordt ingevoerd voor de burgers die optreden in het openbare leven. In tegenstelling tot wat de Ministerraad beweert, zou er geen redelijke verantwoording bestaan voor het opleggen van gelijke verplichtingen aan fundamenteel verschillende personen als overheid en burgers en zou de overheid zich niet achter verdragen mogen verbergen om haar verplichtingen ten aanzien van de burgers te ontwijken. Ten aanzien van de vanzelfsprekendheid dat de bestreden wetten geen afbreuk mogen doen aan de fundamentele rechten en vrijheden die in de Grondwet en in de internationale mensenrechtenverdragen zijn opgenomen, luidt de repliek van de verzoekende partijen dat de gewone hoven en rechtbanken niet bevoegd zijn om wetten te toetsen aan de Grondwet of aan de mensenrechtenverdragen en dat die derhalve de wetten moeten toepassen wanneer zij daarmee in strijd zouden zijn. A.6.
- Volgens de Ministerraad zijn de verzoekende partijen niet consequent. In het eerste middel zijn ze van oordeel dat de bestreden wetten een algemeen discriminatieverbod invoeren, terwijl zij in het tweede middel een ander standpunt daarover innemen. Zowel de Ministerraad als de Vlaamse Regering beklemtonen dat ook zonder een uitdrukkelijke vrijwaringsclausule, de Grondwet en de internationale verdragen hun voorrang behouden op de bestreden antidiscriminatiewetten. A.7.
- In het tweede onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen aan dat privépersonen zelfs strenger worden behandeld dan overheden. Een privépersoon die de discriminatieverboden niet respecteert, stelt zich bloot aan ernstige burgerlijke sancties en straffen. Een overheid die het discriminatieverbod schendt in haar regelgevend optreden zal normaliter enkel de bestreden regel vernietigd zien. Hoogstens kan zij tot betaling van een schadevergoeding worden veroordeeld. Strafrechtelijk kan zij niet worden aangesproken. Nochtans zijn het discriminatieverbod en de verplichting tot gelijke behandeling even bindend voor overheden als voor particulieren. Bijgevolg zouden alle bepalingen die aan de burgers sancties opleggen die niet gelden voor de overheid strijdig zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, op zichzelf genomen en in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. A.7.
- De Ministerraad betwist opnieuw het uitgangspunt van de verzoekende partijen. De bestreden wetten zijn immers op gelijke wijze toepasselijk in de overheidssector als in de particuliere sector. Zij leggen ook dezelfde civielrechtelijke en strafrechtelijke sancties op aan particulieren als aan overheidsinstanties en personen uit de overheidssector. Zij leggen zelfs zwaardere sancties op aan openbare officieren, ambtenaren of dragers of agenten van het openbaar gezag of van de openbare macht die in de uitoefening van hun ambt een persoon discrimineren. In zoverre de verzoekende partijen een vergelijking maken tussen de overheid die als regelgever optreedt en daarbij het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel moet naleven, enerzijds, en particulieren die het discriminatieverbod van de bestreden wetten moeten naleven, anderzijds, verwijst de Ministerraad naar zijn verweer ten aanzien van het eerste onderdeel van het middel. 10 A.7.
- Ook volgens de Vlaamse Regering mist het uitgangspunt van de verzoekende partijen feitelijke grondslag omdat de bestreden wetten in gelijke mate van toepassing zijn op burgers en overheden en zelfs strenger zijn voor ambtenaren dan voor burgers. A.7.
- In hun memorie van antwoord preciseren de verzoekende partijen het vergelijkingspunt : het gaat niet om de individuele ambtenaren of gezagsdragers maar om de overheid die regels uitvaardigt. Zij voegen eraan toe dat de burgers bijzonder worden benadeeld omdat hun fundamentele vrijheden, die de overheid niet kan genieten, door de bestreden bepalingen worden aangetast en de overheid als gevolg van het discriminatieverbod geen dergelijk nadeel ondergaat. A.7.
- Volgens de Ministerraad bevinden de twee categorieën zich niet in een soortgelijke situatie, waaruit volgt dat hun verschillende behandeling geen schending van het gelijkheidsbeginsel uitmaakt. Volgens de Vlaamse Regering gaat het om een vergelijking tussen onvergelijkbare gevallen. De overheid die in haar politieke functie normen met algemene draagwijdte uitvaardigt, zou niet kunnen worden vergeleken met private of publieke personen die opereren binnen de werkingssfeer van de wetten (arbeid, goederen- en dienstenverkeer, enz.). A.8.
- In het derde onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen aan dat de burgers nog in een ander opzicht veel zwaarder worden beperkt in hun vrijheid dan de overheid. Artikel 11 van de Grondwet maakt immers een uitdrukkelijk onderscheid tussen Belgen en niet-Belgen, terwijl het aan de burgers verboden wordt een dergelijk onderscheid te hanteren. Het woord « nationaliteit » zou daarom als ongrondwettig moeten worden vernietigd in alle bepalingen van de Antiracismewet waarin het voorkomt. A.8.
- Volgens de Ministerraad houdt het argument van de verzoekende partijen geen steek. Op grond van de Antiracismewet is het ook voor personen uit de overheidssector en voor overheidsinstanties verboden op grond van nationaliteit te discrimineren wanneer zij zich in het private rechtsverkeer begeven. Bovendien moeten de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenhang met artikel 191 van de Grondwet worden gelezen en mag de Belgische Staat ook op grond van artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten niet discrimineren op grond van nationaliteit. A.8.
- Ook de Vlaamse Regering merkt op dat de regeling inzake discriminatie op grond van nationaliteit in gelijke mate van toepassing is op overheden en burgers en dat iedere vreemdeling die zich op het grondgebied van België bevindt, krachtens artikel 191 van de Grondwet de bescherming verleend aan personen en goederen geniet, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen. Indien de overheid een onderscheid maakt op grond van nationaliteit, dan moet dat aan de algemene voorwaarden van het grondwettelijk discriminatieverbod voldoen. A.8.
- De verzoekende partijen merken ook wat dat onderdeel betreft op dat het vergelijkingspunt de overheden zelf zijn en niet de personen uit de overheidssector of overheidsinstanties. Zij menen dat een verschil bestaat tussen het verzekeren van het genot van de rechten en vrijheden (artikel 11 van de Grondwet) en het beschermen van personen en goederen (artikel 191 van de Grondwet). Zo zou op grond van de laatstgenoemde bepaling geen vanzelfsprekende verplichting bestaan voor de Belgische Staat om de vrijheid van meningsuiting of de vrijheid zich cultureel en economisch te ontplooien van buitenlanders zonder discriminatie te verzekeren. A.8.
- Wanneer de wetgever een onderscheid maakt op grond van nationaliteit, zo repliceert de Ministerraad, dan mag hij niet discrimineren. Hij moet dus een objectieve en redelijke verantwoording voor dat onderscheid kunnen geven. Hetzelfde mechanisme geldt in de Antiracismewet : een verschil in behandeling op grond van nationaliteit is verboden, tenzij het objectief en redelijk wordt gerechtvaardigd. Ten aanzien van het tweede middel A.9.
- Het tweede middel is afgeleid uit de schending, door het geheel van de aangevochten bepalingen en in het bijzonder door de artikelen 7, 8, 9 en volgende van de Antiracismewet en de Algemene Antidiscriminatiewet en door de artikelen 5, 8 en volgende en artikel 15 van de Genderwet, van de artikelen 10, 11 en 14 van de Grondwet, op zichzelf genomen en in samenhang gelezen met de artikelen 7 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 9, 15 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, doordat de gebruikte discriminatiecriteria het gelijkheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel zouden schenden. 11 A.9.
- De Ministerraad werpt een exceptio obscuri libelli op aangezien het niet duidelijk zou zijn welke bepalingen de verzoekende partijen bestrijden. A.9.
- De verzoekende partijen antwoorden daarop dat de aangeklaagde schendingen slechts volledig worden weggewerkt door het geheel van de bestreden bepalingen te vernietigen. A.10.
- In het eerste onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen aan dat de verschillende behandeling van bepaalde soorten discriminaties niet behoorlijk is verantwoord. Zij verwijzen in dat verband naar de parlementaire voorbereiding van de Algemene Antidiscriminatiewet. Het loutere feit dat een bepaald criterium voorkomt in een internationaal instrument inzake mensenrechten kan op zichzelf niet als een objectieve en redelijke verantwoording voor dat verschil in behandeling worden beschouwd, temeer daar die instrumenten onderling sterk verschillen. Bovendien wordt, anders dan in de internationale instrumenten waarop men zich beroept, door de bestreden wetten geen bescherming geboden tegen discriminatie op grond van « politieke of andere mening », maar uitsluitend tegen discriminatie op grond van « politieke overtuiging ». Aldus zou de bescherming tegen discriminatie op grond van een andere dan een politieke mening ontbreken. A.10.
- De Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel, de Orde van Vlaamse balies en J. Slootmans zijn van oordeel dat de wetgever slechts op een bijzonder partiële en onvolledige wijze rekening heeft gehouden met het arrest nr. 157/2004, waarin het Hof een aantal bepalingen van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding geheel of gedeeltelijk heeft vernietigd. De wetgever heeft zich ertoe beperkt te streven naar een parallellisme met een internationaal document, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat niet eens deel uitmaakt van de Belgische positieve rechtsorde. Het voormelde arrest vereist echter niet dat een gesloten lijst moet overeenstemmen met « de uitdrukkelijke vermelding in een instrument voor de bescherming van de mensenrechten », maar wel dat elke opsomming van criteria de toets aan het gelijkheidsbeginsel moet doorstaan, hetgeen volgens de tussenkomende partijen niet het geval is. Zij stellen immers vast de wetgever de bedoeling had de gelding van een aantal rechten en vrijheden, die in internationale mensenrechteninstrumenten worden beschermd, in te perken. Een dergelijke verantwoording zou geen hout snijden. Zelfs indien het nagestreefde doel rechtmatig zou zijn, kan niet worden ontkend dat het gehanteerde criterium niet pertinent is, vermits het internationale recht wordt gebruikt om waarborgen uit het internationale recht terzijde te kunnen schuiven. A.10.
- Volgens de Ministerraad is het gebruik van de limitatieve lijst van beschermde criteria volstrekt verantwoord. De wetgever was van mening dat een open lijst tot een onaanvaardbare rechtsonzekerheid en tot een overdreven juridisering van de sociale relaties leidt doordat het de grondslag biedt voor een eindeloos aantal rechtsvorderingen. Hij wijst er ook op dat de discriminatiecriteria die in internationale instrumenten voor de bescherming van de mensenrechten worden vermeld, de criteria zijn waarvan het belang het grootst is en waarvan het gebruik bijgevolg het meest verdacht is. Bovendien kan de civielrechtelijke theorie van het rechtsmisbruik als basis dienen voor het bestraffen van gedragingen die in de horizontale verhoudingen discrimineren op grond van criteria die niet in de limitatieve lijst zijn opgenomen. Ook het niet opnemen van het criterium « andere dan een politieke mening » is volgens de Ministerraad objectief en redelijk verantwoord. De wetgever was op dat punt van oordeel dat de zeer ruime interpretatie van de begrippen « geloof », « levensbeschouwing » en « politieke overtuiging » in het internationaal recht van de mensenrechten reeds voldoende bescherming biedt. Bovendien bevatten de meeste internationale instrumenten slechts een expliciete verwijzing naar het criterium « elke andere mening » indien zij, in tegenstelling tot de Algemene Antidiscriminatiewet, niet tegelijkertijd expliciet de criteria « religieuze overtuiging » en « filosofische overtuiging » bevatten. A.10.
- De Vlaamse Regering sluit zich aan bij de argumentatie van de Ministerraad. Zij erkent dat een gesloten lijst een ongelijkheid van behandeling veroorzaakt tussen slachtoffers en daders van behandelingen, naargelang het onderscheidingscriterium waarop die behandelingen zijn gebaseerd al dan niet in de gesloten lijst is opgenomen, maar dat houdt niet noodzakelijk een discriminatie in. Zij verwijst daarvoor naar het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State en wijst er ook op dat de wetgever deze keer niet beoogde alle vormen van discriminatie te bestrijden, maar slechts bepaalde vormen, die worden gepreciseerd in artikel 3 van de Algemene Antidiscriminatiewet. Bovendien zijn de opgesomde onderscheidingscriteria objectief en pertinent om de door de wetgever geviseerde discriminaties te bestrijden. Alle gronden die de wetgever verdacht vindt en die hij in principe niet aanvaardbaar acht, zijn opgesomd zodat een daarop gebaseerd onderscheid aanleiding kan geven tot sancties. De gesloten lijst is ook noodzakelijk, nu uit de praktijk zou blijken dat een open lijst niet tot 12 een bevredigend resultaat leidt. Een open lijst zou rechtsonzekerheid doen ontstaan, de Europese verplichtingen in het gedrang brengen en een gebrek aan symboolwaarde vertonen. Ook de Vlaamse Regering wijst erop dat de slachtoffers van een verschil in behandeling, gebaseerd op een kenmerk dat niet in de bestreden wetten wordt beschermd, niet van elke rechtsbescherming verstoken blijven. Die slachtoffers beschikken vaak over de mogelijkheid om het onderscheid te verwoorden als een indirecte discriminatie, zodat zij toch onder het toepassingsgebied van de bestreden wetten vallen. Bovendien kunnen zij zich beroepen op de indirecte horizontale werking van het grondwettelijk discriminatieverbod, via privaatrechtelijke mechanismen zoals de goede trouw, de zorgvuldigheidsnorm en de theorie van het rechtsmisbruik. A.10.
- Het feit dat een open lijst tot een onaanvaardbare rechtsonzekerheid leidt, zoals de Ministerraad en de Vlaamse Regering toegeven, betekent volgens de verzoekende partijen niet dat een gesloten lijst de fundamentele rechten en vrijheden en het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie niet zou schenden. Zij menen dat ook uit het arrest nr. 157/2004 niet kan worden afgeleid dat een gesloten lijst per definitie niet discriminerend is : enkel de criteria « taal » en « politieke overtuiging » komen in dat arrest aan bod. Voorts zien zij geen enkele aanwijzing « uit de praktijk » dat een gesloten lijst een noodzakelijk of zelfs maar een efficiënt instrument is om discriminaties te bestrijden en het argument dat een gesloten lijst een belangrijke symboolwaarde heeft, achten zij niet relevant voor de beoordeling of een genomen maatregel pertinent is in het licht van het beoogde doel. Ook het argument dat slachtoffers van discriminatie op basis van criteria die niet in de gesloten lijst zijn opgenomen toch voldoende rechtsbescherming genieten via het privaatrecht kan volgens de verzoekende partijen niet worden aanvaard. Zij klagen immers niet enkel de discriminatie van potentiële slachtoffers aan, maar ook en vooral die van de vermeende daders. Bovendien ondergraaft dat argument zelf de pertinentie van de bestreden bepalingen : het bewijst dat de bestreden bepalingen niet noodzakelijk zijn. Een effectieve bescherming van de geviseerde discriminatie is mogelijk door een eenvoudige toepassing van de leer van het rechtsmisbruik. Het argument dat slachtoffers over de mogelijkheid beschikken om het onderscheid te verwoorden als een indirecte discriminatie, kan volgens de verzoekende partijen evenmin worden aanvaard omdat het niet louter om de slachtoffers maar ook om de daders gaat. Het argument bewijst bovendien de vaagheid van de bestreden bepalingen. A.10.
- De Ministerraad bekritiseert allereerst het feit dat de verzoekende partijen zowel de zogenaamde discriminatie van potentiële slachtoffers als die van vermeende daders aanklagen. Hij voert ook aan dat de civielrechtelijke theorie van het rechtsmisbruik weliswaar een eerste stap is geweest in de horizontalisering van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, maar dat dit, onder andere wegens de internationaalrechtelijke verplichtingen van de Belgische Staat, onvoldoende was. Ten slotte meent de Ministerraad, hierin gesteund door de Vlaamse Regering, dat het Hof zich in het arrest nr. 157/2004 niet tegen het principe van de gesloten lijst op zich heeft gekant. Die interpretatie zou trouwens reeds verschillende malen door de Raad van State zijn gevolgd. A.10.
- Volgens de Vlaamse Regering verwarren de verzoekende partijen de concepten symboolwaarde en symboolwetgeving. Terecht stellen de verzoekende partijen dat de bestreden wetten meer zijn dan symboolwetgeving. Het doel van de wetten bestaat onder meer erin bepaalde vormen van discriminatie effectief te bestrijden. Om dat doel te bereiken, is het gebruik van een expliciete, limitatieve lijst van beschermde criteria een noodzakelijke voorwaarde, en dit vanwege de symbolische effecten van zo’n lijst. De lijst van gronden is gekozen voor de symbolische effecten ervan, niet om er een louter symbool van te maken. Zoals de verzoekende partijen erkennen, wordt in rechtspraak en rechtsleer inderdaad aanvaard dat kennelijk discriminatoire handelingen als rechtsmisbruik kunnen worden gekwalificeerd. Hieruit kan volgens de Vlaamse Regering echter niet worden afgeleid dat het toekennen van horizontale werking aan het discriminatieverbod door middel van wetgeving overbodig, laat staan ongrondwettig zou zijn. Het bestaan van het leerstuk van het rechtsmisbruik ontneemt de overheid niet haar bevoegdheid om wetgeving voor specifieke domeinen en specifieke beschermde criteria aan te nemen indien zij dat nodig acht om die specifieke vormen van discriminatie te bestrijden. A.10.
- Volgens de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel, de Orde van Vlaamse balies en J. Slootmans is het niet zozeer de vraag of het criterium « politieke of andere mening » in de limitatieve lijst moet worden opgenomen, maar wel of de lijst in haar geheel bestaat uit objectieve en pertinente criteria, die dienstig zijn om een wettig doel te bereiken. Die vraag gaat de Ministerraad uit de weg, om zich exclusief toe te leggen op de bespreking van enkele individuele criteria. Wat de fundamentele vraag betreft, zou de Ministerraad 13 zich beperken tot een verwijzing naar een aantal internationale rechtsbronnen, waarbij het echter volkomen onduidelijk blijft hoe die verwijzingen dienstig zouden kunnen zijn ter verantwoording van het maken van een onderscheid tussen bepaalde criteria in het kader van een algemene antidiscriminatiewet. A.11.
- In het tweede onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen aan dat strengere regels gelden voor discriminaties op grond van een zogenaamd ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming en voor discriminaties op grond van geslacht dan voor discriminaties op grond van in de Algemene Antidiscriminatiewet opgesomde criteria. Meer bepaald zouden de artikelen 7, § 1, en 8 van de Antiracismewet, artikel 8 van de Algemene Antidiscriminatiewet en de artikelen 11, 12 en 13 van de Genderwet, die de mogelijke rechtvaardigingsgronden ten aanzien van bepaalde beschermde criteria in bepaalde toepassingsgebieden beperken, zonder daarvoor een deugdelijke verantwoording te bieden, moeten worden vernietigd. Zij wijzen op overlappingen van verschillende criteria. Zo zou men een direct onderscheid mogen maken op grond van genetische of fysieke kenmerken, politieke overtuiging of levensbeschouwing indien dit objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel dat door passende en noodzakelijke middelen wordt bereikt, maar moet men zich in het geval van een direct onderscheid op basis van nationale of etnische afstamming strikt houden aan de uitzonderingen bepaald in de Antiracismewet. Ook het door de Genderwet beschermde criterium « geslacht » zou als een fysieke of genetische eigenschap in de zin van de Algemene Antidiscriminatiewet kunnen worden beschouwd. A.11.
- De wetgever heeft principieel gekozen voor een open rechtvaardigingssysteem, zo zet de Ministerraad uiteen, en heeft daarop een aantal uitzonderingen gemaakt indien dat op basis van de Europese richtlijnen of de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens noodzakelijk was. Het onderscheid in rechtvaardigingssysteem tussen de verschillende beschermde criteria zou dan ook objectief en redelijk verantwoord zijn. Het onderscheid zou overigens niet zo groot zijn als op het eerste gezicht lijkt. Een open rechtvaardigingssysteem zou bijvoorbeeld niet meer ongeoorloofd onderscheid toelaten dan een gesloten rechtvaardigingssysteem. Het essentiële verschil tussen beide systemen is immers dat de wetgever voor de criteria die onder het gesloten systeem vallen op voorhand weet dat een direct onderscheid op grond van die criteria maar in een limitatief aantal gevallen objectief en redelijk kan worden verantwoord. De wetgever vindt het dan beter die gevallen in de wet vast te leggen zodat voor iedereen duidelijk is dat een direct onderscheid op grond van de betreffende criteria in andere gevallen nooit objectief en redelijk kan worden verantwoord. In plaats van de rechter, die deze taak met betrekking tot de andere criteria op zich neemt, is het dus de wetgever die (op voorhand) de afweging van de objectieve en redelijke verantwoording maakt. Wat de onduidelijkheid en overlapping van criteria betreft, merkt de Ministerraad op dat de begrippen « zogenaamd ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming » ook in de oude Antiracismewet voorkwamen, zonder dat daaromtrent een probleem van onduidelijkheid is gerezen, evenmin overigens in het arrest nr. 157/
- Ook de betekenis van de andere criteria zou op grond van het normale taalgebruik gemakkelijk kunnen worden achterhaald. Bovendien meent de Ministerraad dat het duidelijk om onderscheiden criteria gaat. Het is niet omdat iemand op twee of meer gronden kan worden gediscrimineerd dat die gronden elkaar zouden overlappen of identiek zouden zijn. Evenmin zou dit betekenen dat die gronden niet in aparte wetten zouden mogen worden ondergebracht of dat er geen specifieke rechtvaardigingsmechanismen meer voor zouden mogen worden ingesteld. A.11.
- De Vlaamse Regering gaat nader in op de Europeesrechtelijke en internationaalrechtelijke normen waarin de lijst met beschermde criteria zijn oorsprong vindt. Zij verwijst in dat verband ook naar het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State en naar het arrest nr. 157/2004, waaruit zou blijken dat in de eerste plaats de criteria vermeld in artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten in aanmerking dienen te worden genomen. Op één uitzondering na komen de criteria uit die bepalingen stuk voor stuk voor in de gesloten lijst van de drie bestreden wetten, hetgeen een belangrijk verschil is met de gesloten lijst in de oorspronkelijke wet van 25 februari
- Voor de uitsluiting van het criterium « behoren tot een nationale minderheid » wordt in de parlementaire voorbereiding een verantwoording gegeven, waaruit blijkt dat de bestaande nationale minderheden in België (de inwoners van de Duitstalige Gemeenschap van België, de Romazigeuners en de joden) voldoende rechtsbescherming genieten op grond van andere beschermde criteria die hun kunnen worden toegeschreven. Wat het ontbreken van het kenmerk « andere (dan politieke) overtuiging » betreft, terwijl dat kenmerk wel in de voormelde verdragsbepalingen is opgenomen, verwijst de Vlaamse Regering, zoals de Ministerraad, naar 14 de parlementaire voorbereiding, waarin wordt gewezen op de zeer ruime interpretatie van de begrippen « geloof », « levensbeschouwing » en « politieke overtuiging » in het internationaal recht van de mensenrechten. A.11.
- De verzoekende partijen herhalen dat een verwijzing naar internationale instrumenten geen afdoende verantwoording biedt voor de verschillende behandeling van de respectieve criteria. Het is niet omdat een criterium op zichzelf genomen objectief zou zijn, dat de verschillende sanctie die wordt verbonden aan discriminaties op basis van die verschillende criteria ten aanzien van daders en slachtoffers geen schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie uitmaakt. Wat de overlapping van criteria betreft, menen de verzoekende partijen dat de Ministerraad zichzelf tegenspreekt. Wanneer iemand door eenzelfde onderscheidende behandeling tegelijk op basis van twee of meer beschermde criteria wordt gediscrimineerd, overlappen beide criteria elkaar en heeft het slachtoffer de keuze om het voor het slachtoffer meest interessante criterium aan te wenden. A.11.
- Wanneer iemand op grond van twee verschillende criteria wordt gediscrimineerd, betekent dit volgens de Ministerraad niet noodzakelijk dat die criteria elkaar overlappen of identiek zouden zijn. Zo kan een sollicitante worden afgewezen wegens haar etnische afkomst en wegens haar geslacht, of kan een kandidaat-huurder worden geweigerd wegens zijn taal en zijn seksuele geaardheid. Verschillende combinaties zijn mogelijk zonder dat de criteria elkaar overlappen. Bovendien blijft bijvoorbeeld discriminatie op grond van geslacht iets heel anders dan discriminatie op grond van een fysieke of genetische eigenschap. Het is ook niet zo dat iemand die bijvoorbeeld op grond van zijn of haar geslacht wordt gediscrimineerd, zou kunnen « kiezen » of hij of zij een vordering instelt op basis van de Genderwet, dan wel de Algemene Antidiscriminatiewet. In dat geval heeft de bijzondere wet immers voorrang op de algemene wet. A.12.
- Door de overlappingen van de beschermde criteria, zo zetten de verzoekende partijen in het derde onderdeel van het middel uiteen, zou de rechter kunnen kiezen welke wet hij toepast, wat strijdig zou zijn met artikel 14 van de Grondwet en met de analoge verdragsbepalingen die in het middel worden aangevoerd. Het daarin vervatte legaliteitsbeginsel zou niet alleen van toepassing zijn op de strafbepalingen, maar ook op de burgerrechtelijke verplichtingen en sancties die op een zodanig repressieve wijze zijn opgevat dat zij een strafrechtelijk karakter zouden krijgen : schadevergoedingen worden forfaitair vastgelegd en het niet naleven van een burgerlijk bevel tot staken wordt strafbaar gesteld. Zij klagen voorts de vaagheid van de verboden handeling aan : er is pas sprake van verboden of strafbare discriminatie wanneer het gemaakte onderscheid niet verantwoord is op basis van een van de algemene of bijzondere rechtvaardigingsgronden die in de wetten worden bepaald, hetgeen een beoordeling is die pas achteraf door de rechter wordt gemaakt. A.12.
- De Ministerraad verwijst naar hetgeen reeds in A.11.2 werd uiteengezet en beklemtoont dat men enkel op grond van de Antiracismewet kan worden aangesproken voor discriminatie op grond van ras en op grond van de Algemene Antidiscriminatiewet voor discriminatie op grond van geloof. De Ministerraad ziet niet in op welke manier dat systeem tot rechterlijke willekeur zou leiden. Wat de strafrechtelijke bepalingen betreft, is het volgens de Ministerraad onjuist te beweren dat de burger niet zou weten wanneer zijn gedrag een strafbare gedraging uitmaakt. De bestreden wetten stellen immers enkel vormen van opzettelijke discriminatie strafbaar, hetgeen betekent dat wetens en willens een opzettelijke vorm van discriminatie moet zijn gepleegd. De Ministerraad verwijst in dat verband naar hetgeen bij het achtste middel zal worden uiteengezet. Wat de burgerrechtelijke bepalingen betreft, meent de Ministerraad dat zij niet het karakter van een straf hebben en dat het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel bijgevolg niet van toepassing is. Hij verwijst in dat verband naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dat drie criteria hanteert om na te gaan of het gaat om een straf :
(1)de juridische kwalificatie van de inbreuk in het interne recht,
(2)de aard van de inbreuk en
(3)de aard en de ernst van de sanctie die kan worden opgelegd. De bestreden bepalingen zouden met toepassing van die criteria niet als een straf kunnen worden beschouwd. A.12.
- De Vlaamse Regering sluit zich aan bij het verweer van de Ministerraad, doch wenst daarenboven de volgende twee zaken te onderstrepen. Ten eerste heeft de wetgever precies voor een gesloten systeem van verboden gronden geopteerd om de onderworpen personen zoveel mogelijk rechtszekerheid te garanderen. De rechtspraak, zeker wanneer die nog consistentie ontbeert, biedt hoe dan ook minder rechtszekerheid dan een wet 15 waarin wordt bepaald welke gronden van onderscheid aanvaardbaar zijn en welke niet. Ten tweede heeft de wetgever voor een gemengd (deels open, deels gesloten) rechtvaardigingssysteem gekozen. Een open systeem, dat het principe blijft, biedt de actor van een onderscheiden behandeling meer mogelijkheden tot rechtvaardiging van zijn gedrag dan een gesloten systeem. Het is immers aan de rechter om telkens een afweging te maken tussen de gelijkheidsrechten van het slachtoffer en de vrijheidsrechten van de dader. Voor die afweging krijgt de rechter wel bepaalde richtsnoeren mee van de wetgever, maar hij behoudt voldoende marge om alle concrete omstandigheden van de zaak in zijn oordeel te betrekken. De flexibiliteit van dat open systeem moet de mogelijke rigiditeit van de gesloten opsomming van verboden gronden zoveel mogelijk opvangen. In de bestreden wetten gaan rechtszekerheid en flexibiliteit aldus hand in hand, zodat van een schending van het legaliteitsbeginsel geen sprake zou kunnen zijn. A.12.
- Volgens de verzoekende partijen, in hun memorie van antwoord, blijft het duidelijk dat een rechter (of slachtoffer) in bepaalde gevallen kan kiezen voor de lichtste of de zwaarste sanctie naar gelang van het beschermde criterium en zelfs sancties uit de Antiracismewet en de Algemene Antidiscriminatiewet cumulatief kan toepassen. Hij zal in bepaalde gevallen op subjectieve wijze moeten oordelen of een bepaald oogmerk aanwezig is bij het stellen van een bepaalde handelwijze, en ook met betrekking tot de beoordeling of die handelwijze objectief gerechtvaardigd is, heeft de wetgever de deur opengezet voor rechterlijke willekeur. Het is niet omdat een bepaalde handeling opzettelijk en bewust wordt gesteld, zo weerleggen de verzoekende partijen een ander argument van de Ministerraad, dat de rechtzoekende afdoende kan inschatten wat de strafrechtelijke gevolgen van zijn daden zijn. In casu achten zij de beoordelingsruimte van de burgerlijke rechter (die repressieve sancties zal moeten opleggen) en van de strafrechter te ruim om aan de vereisten van het legaliteitsbeginsel te voldoen. Zij betwisten overigens, aan de hand van dezelfde drie criteria (A.12.2), de stelling van de Ministerraad dat de formeel burgerrechtelijke bepalingen niet het karakter van een straf zouden hebben. A.13.
- In het vierde onderdeel van het middel wordt het in het bijzondere strijdig geacht met het legaliteitsbeginsel, dat ernstige gevolgen worden toegekend aan het maken van een onderscheid op basis van een criterium waarvan de tekst en de toelichting bij de Antiracismewet zelf stellen dat het niet bestaat, namelijk een « zogenaamd » ras. De wet vereist niet dat het onderscheid wordt gemaakt op grond van de overtuiging van de dader dat de andere partij tot een bepaald ras behoort. Het volstaat dat « men » de perceptie heeft dat het onderscheid wordt gemaakt op basis van iets wat door sommigen blijkbaar ras wordt genoemd maar volgens de wetgever niet bestaat en niet mag bestaan. A.13.
- Volgens de Ministerraad is het algemeen aanvaard dat het concept « ras » biologisch niet bestaat, maar desalniettemin is het in het dagelijkse taalgebruik ingeburgerd en is het met name voor racisten en al degenen die een op rassenhaat en rassuperioriteit gebaseerd discours aanhangen, een sleutelconcept. De toevoeging van het adjectief « zogenaamd » strekt enkel ertoe afkeuring uit te drukken ten aanzien van een begrip dat in het taalgebruik, met inbegrip van het juridische, is ingeburgerd, maar waarvan de wetenschappelijke onderbouw onbestaande is. Bovendien heeft het Hof reeds geoordeeld dat de in de oude Antiracismewet gehanteerde criteria, waaronder « een zogenaamd ras », objectieve criteria waren. A.13.
- De Vlaamse Regering sluit zich andermaal aan bij het verweer van de Ministerraad. In het bijzonder beklemtoont zij nog dat de stelling van de verzoekende partijen op een verkeerd uitgangspunt berust. Het is immers niet het criterium « zogenaamd ras » dat niet bestaat, maar wel het criterium « ras ». De wetgever heeft slechts de juridische realiteit aan de wetenschappelijke werkelijkheid aangepast, teneinde elke verwarring te vermijden. Hij werd daartoe aangezet door gezaghebbende rechtsgeleerden, die stelden dat het duidelijk is dat het begrip ras op wetenschappelijk drijfzand berust. Alleen al om die reden zou het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel niet geschonden kunnen worden geacht. Bovendien, zo stelt de Vlaamse Regering, heeft het Hof het objectieve karakter van het criterium « zogenaamd ras » reeds uitdrukkelijk aanvaard in B.11 van het arrest nr. 157/
- Ten slotte wijst zij erop dat het criterium reeds sinds de wijzigingswet van 20 januari 2003 in de Antiracismewet wordt gehanteerd en dat het inmiddels door de rechtspraak dermate is ingevuld dat de toepassing ervan voldoende voorspelbaar is. A.13.
- Indien het criterium « ras » niet bestaat, zoals de Ministerraad en de Vlaamse Regering opwerpen, is het volgens de verzoekende partijen onmogelijk de superioriteit van een « ras » uit te dragen of aan te zetten tot geweld tegen personen van een bepaald « ras ». Het is in dat geval immers onvoorspelbaar wiens superioriteit 16 wordt uitgedragen of tegen wie de oproep tot haat is gericht. Slachtoffers worden aldus gedwongen zich te bekennen tot een onbestaande groep vooraleer zij kunnen doen gelden slachtoffer te zijn. Het argument van de Vlaamse Regering dat het criterium « ras » niet bestaat, maar het criterium « zogenaamd ras » wel, druist volgens de verzoekende partijen in tegen de betekenis van het woord « zogenaamd ». Met een zogenaamde tafel bedoelt men niet een tafel maar iets anders. Aangezien het niet duidelijk is wat in casu met « iets anders » wordt bedoeld, schendt het zogenaamde criterium het legaliteitsbeginsel. A.13.
- Volgens het woordenboek Van Dale, zo repliceert de Vlaamse Regering, verwijst het woord « zogenaamd » naar « voor iets doorgaand, maar het niet in werkelijkheid zijnd ». Welnu, zoals de Vlaamse Regering in haar memorie heeft aangegeven, verwijst « zogenaamd ras » naar een constructie in de geest van de racist die in werkelijkheid niet bestaat. Hoewel « ras » dus niet bestaat, bestaat de geestelijke constructie van de racist wel. De term « zogenaamd ras » verwijst naar die reële geestelijke constructie, die door de racist als uitsluitings- en benadelingsmechanisme wordt gehanteerd. Ten aanzien van het derde middel A.14.
- Het derde middel is afgeleid uit de schending, door de artikelen 4, 5 en 8 van de Antiracismewet en de Algemene Antidiscriminatiewet en door de artikelen 5, 6, 7 en 13 van de Genderwet, van de artikelen 10, 11, 23 en 27 van de Grondwet, op zichzelf genomen en in samenhang gelezen met artikel 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 22 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, van de artikelen 1 tot 3 en 5 van het « decreet » van het voorlopig bewind van 16 oktober 1830 betreffende de verenigingen en van alle voormelde bepalingen in samenhang gelezen met artikel 14 van de Grondwet, doordat de drie wetten enkel van toepassing zijn op werkgevers, aanbieders van goederen en diensten, verstrekkers van gezondheidszorg en organisatoren van voor het publiek toegankelijke activiteiten en niet op werknemers, consumenten, patiënten en deelnemers. In het eerste onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen aan dat het niet verantwoord is een werkgever te verbieden een direct onderscheid te maken op het vlak van de arbeidsbetrekkingen, terwijl een dergelijk verbod niet geldt voor een werknemer. Zo zou een vrijzinnige werkgever die een katholieke werknemer weigert, in strijd handelen met de bestreden bepalingen, maar een katholieke werknemer die een baan weigert bij een vrijzinnige werkgever niet. Het recht van een werknemer om zijn werkgever vrij te kiezen is gewaarborgd door artikel 23 van de Grondwet. Het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel vereist volgens de verzoekende partijen dat die vrijheid ook aan de werkgever wordt verleend : de vrijheid om zijn contractpartner te kiezen is een van de vrijheden waarvan het genot volgens artikel 11 van de Grondwet zonder discriminatie moet worden verzekerd. Ook in het tweede onderdeel van het middel zijn de verzoekende partijen van oordeel dat het toepassingsgebied eenzijdig discriminerend is : er wordt een verbod om een onderscheid te maken opgelegd aan beoefenaars van vrije beroepen die reeds een vennootschap of maatschap vormen, terwijl zulk een verbod niet geldt voor personen die hun toetreding vragen tot een vennootschap of maatschap van zelfstandige beroepen. Het verbod op het maken van een onderscheid bij de toetreding als vennoot in vennootschappen of maatschappen van zelfstandige beroepen zou ook strijdig zijn met de vrije keuze van beroepsarbeid en met de vrijheid van vereniging. In dat verband menen de verzoekende partijen dat het voormelde « decreet » van 16 oktober 1830 grondwettelijke waarde heeft. De vrijheid van vereniging zou niet toelaten dat beperkingen worden opgelegd aan de vrije keuze van de personen met wie men zich wenst te verenigen, ook niet voor de uitoefening van een vrij beroep. Het voormelde verbod zou bovendien strijdig zijn met de aard zelf van de uitoefening van een vrij beroep, die immers een bijzondere vertrouwensband vereist. Ten slotte zou de inperking van de vrijheid van vereniging strijdig zijn met het legaliteitsbeginsel, dat een voldoende duidelijke wetsbepaling vereist. In het derde onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen aan dat wel de aanbieders van goederen en diensten door de bestreden bepalingen worden geviseerd, maar niet de afnemers van goederen en diensten. Voor sommige goederen en diensten is het aanbod beperkt, zodat aanbieders moeten kiezen aan wie ze hun goederen of diensten verstrekken. In andere gevallen zullen zij om persoonlijke redenen bijzondere voorwaarden toestaan aan bepaalde afnemers, bijvoorbeeld familieleden en vrienden, die zij niet toestaan aan anderen. Door de bestreden bepalingen wordt dit verboden, tenzij men het door een legitiem doel kan rechtvaardigen. Omgekeerd moeten afnemers van goederen en diensten niet verantwoorden waarom ze wel 17 goederen en diensten met bepaalde eigenschappen of van bepaalde aanbieders afnemen en niet andere goederen of diensten van andere aanbieders, wat strijdig zou zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. In het vierde onderdeel van het middel merken de verzoekende partijen op dat enkel de verstrekkers van gezondheidszorg worden geviseerd en niet de genieters ervan. Zo zou een vrouwelijke arts die weigert een man te behandelen op grond van de Genderwet kunnen worden aangesproken, maar lijkt een vrouw die weigert door een mannelijke gynaecoloog te worden bijgestaan aan de toepassing van de wet te ontsnappen. Dit laatste is volgens de verzoekende partijen een normale uitoefening van de persoonlijke vrijheid, maar die moet dan ook aan de zorgverstrekker worden gegeven. In het vijfde onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen aan dat personen die activiteiten van economische, sociale, culturele of politieke aard organiseren ervoor aansprakelijk zijn dat het toelaten van deelnemers aan die activiteiten in overeenstemming met de bestreden wetten gebeurt, terwijl deelnemers aan die activiteiten hun keuze niet moeten verantwoorden. De uitbreiding van het toepassingsgebied tot de toegang tot en de deelname aan gelijk welke publieke activiteit zou daarenboven de vrijheid van vereniging schenden. A.14.
- De Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel, de Orde van Vlaamse balies en J. Slootmans gaan enkel in op het tweede onderdeel van het middel. Zij wijzen erop dat artikel 23 van de Grondwet een standstill-verplichting inhoudt ten aanzien van de wetgever, die bijgevolg de bestaande vrijheden niet mag inperken. Bovendien houdt artikel 27 van de Grondwet niet alleen het recht in om zich te verenigen, maar ook het recht om zich niet te verenigen. Het zou niet aan de wetgever toekomen dat recht te beperken, laat staan burgerlijke en strafrechtelijke sancties te bepalen indien dat recht wordt uitgeoefend. Overigens heeft hij niet verduidelijkt welke zwaarwichtige redenen die beperking zouden kunnen verantwoorden. A.14.
- De Ministerraad weerlegt alle onderdelen van het middel samen. Allereerst wijst hij erop dat de categorieën van personen die de verzoekende partijen met elkaar vergelijken niet vergelijkbaar zijn en, indien dat toch het geval zou zijn, dat de verschillende behandeling verantwoord is in het licht van de doelstellingen van de bestreden wetten. Zoals dat het geval is in het arbeidsrecht en het consumentenrecht, kan de wetgever ervoor kiezen de sociaal zwakkeren te beschermen. Voorts beklemtoont de Ministerraad dat de omschrijving van het toepassingsgebied van de bestreden wetten geïnspireerd is op en grotendeels overeenstemt met dat van de Europese richtlijnen. Ten slotte merkt hij op dat de eenzijdigheid van de bescherming ook karakteristiek was voor de oude Antidiscriminatiewet en dat die op dat vlak niet ongrondwettig werd bevonden. Voor zover de bestreden wetten de vrijheid van vereniging en het recht op een vrije beroepskeuze zouden belemmeren, meent de Ministerraad dat die belemmering gerechtvaardigd is. In een democratische rechtsstaat kan het immers verantwoord zijn in bepaalde beperkingen te voorzien op fundamentele vrijheden. A.14.
- Volgens de verzoekende partijen zijn werknemers en werkgevers vergelijkbaar in zoverre zij beide partij zijn bij eenzelfde overeenkomst en aan de ene partij strenge voorwaarden worden opgelegd, doch aan de andere niet. De stelling dat de ene partij per definitie zwakker is gaat volgens hen niet op en minstens zou het onderscheid niet evenredig zijn ten aanzien van het te bereiken doel. Zij merken op dat het arbeidsrecht in het algemeen ook verplichtingen oplegt aan werknemers en dat de arbeidswetgever principieel van de gelijkwaardigheid van de contractspartijen is uitgegaan. De verzoekende partijen herhalen voorts hun standpunt dat een verwijzing naar de Europese richtlijnen geen geldig argument is. Met betrekking tot het niet eerder ongrondwettig verklaren in het arrest nr. 157/2004, merken zij op dat het Hof niet ultra petitum oordeelt en dat het middel in het licht van de repressieve bepalingen van de Algemene Antidiscriminatiewet en van de afwezigheid van het oude artikel 3 van de Antidiscriminatiewet van 2003 moet worden beoordeeld. Zij stellen ook vast dat de Ministerraad geen poging doet om de beperking van de vrijheid van vereniging en van het recht op vrije beroepskeuze te verantwoorden. Ten slotte vinden de verzoekende partijen het niet vanzelfsprekend dat de afnemer van goederen of diensten een sociaal zwakkere zou zijn. Veel aanbieders zouden integendeel economisch afhankelijk zijn van hun cliënteel. A.14.
- Volgens de Ministerraad zijn de Europese en nationale wetgever van oordeel dat de werkgever zich in een machtspositie bevindt waarin hij redelijk gemakkelijk op bepaalde gronden kan discrimineren, hetgeen tot ongewenste en niet aanvaardbare situaties leidt. De wetgever is daarentegen niet van oordeel dat de 18 werknemer zich in een machtspositie bevindt. Terwijl discriminatie van bijvoorbeeld kandidaat-sollicitanten door werkgevers op grond van de beschermde criteria veelvuldig voorkomt en aanleiding geeft tot maatschappelijke mistoestanden, kan daarentegen moeilijk worden betoogd dat er zich een probleem voordoet van discriminatie van werkgevers. Een soortgelijke redenering kan volgens de Ministerraad worden gevolgd wat de toetreding tot een vennootschap of maatschap van zelfstandigen betreft. In tegenstelling tot hetgeen de tussenkomende partijen betogen, is het standstill-principe dat eventueel aan artikel 23, § 3, van de Grondwet is verbonden, niet absoluut. In de veronderstelling dat het bestaan van een dergelijk principe effectief wordt erkend, kan een inperking van de bestaande rechten en vrijheden door de bestreden wetten volgens de Ministerraad nog steeds worden gerechtvaardigd indien die inperking wordt ingegeven door redenen van algemeen belang. Ten aanzien van het vierde middel A.15.
- Het vierde middel is afgeleid uit de schending, door artikel 10 van de Antiracismewet en de Algemene Antidiscriminatiewet en door artikel 16 van de Genderwet, van de artikelen 10, 11 en 11bis van de Grondwet, doordat zij de slachtoffers van positieve acties en de slachtoffers van verboden discriminaties verschillend behandelen en zij de gelijke uitoefening van rechten en vrijheden door mannen en vrouwen niet waarborgen. A.15.
- De Ministerraad werpt een exceptio obscuri libelli op aangezien de samenvatting van het middel door de verzoekende partijen niet zou overeenstemmen met de uiteenzetting ervan en aangezien het eerste onderdeel van het middel niet voldoende zou zijn uiteengezet. A.15.
- De verzoekende partijen verwijzen naar het omstandige antwoord ten gronde van de Ministerraad en zijn tevens van oordeel dat een discrepantie tussen de informatieve samenvatting en de onderdelen van een middel niet tot de onontvankelijkheid van het middel leidt. A.16.
- In het eerste onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen aan dat de wetgever de criteria voor positieve actie letterlijk heeft overgenomen uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, terwijl die rechtspraak zich richt tot de overheid, die wordt verondersteld een maatschappelijk beleid te voeren, en niet tot private personen in hun dagdagelijkse professionele of particuliere omgang. Door identieke regels op te leggen aan verschillende categorieën zou het gelijkheidsbeginsel zijn geschonden. Van een particulier kan men nauwelijks verwachten dat hij met dezelfde zorgvuldigheid als een overheid rekening houdt met de Europese rechtspraak of de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en aansprakelijk zal kunnen zijn voor een goedbedoelde positieve discriminatie die niet aan de door de rechtspraak gestelde voorwaarden voldoet. De verzoekende partijen verwijzen ten slotte naar de door de Raad van State geuite bezwaren waaraan de wetgever niet zou zijn tegemoetgekomen. A.16.
- Volgens de Ministerraad heeft het Hof in het arrest nr. 157/2004 reeds bevestigd dat het opnemen van de mogelijkheid om maatregelen van positieve discriminatie te nemen principieel met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel verenigbaar is. De wetgever heeft thans de grenzen nog duidelijker afgelijnd. De Ministerraad merkt ook op dat positieve actie geen rechtvaardiging is voor discriminatie, maar voor een onderscheid op grond van de beschermde criteria en dat maatregelen van positieve actie altijd moeten worden getoetst aan het individuele recht op gelijke behandeling van personen die de maatregelen niet genieten. Dergelijke maatregelen kunnen enkel worden genomen in de bij koninklijk besluit vastgestelde situaties en onder specifieke voorwaarden. Ten slotte betwist de Ministerraad dat niet aan de bezwaren van de Raad van State in verband met de bepalingen rond positieve actie zou zijn tegemoetgekomen. A.16.
- De verzoekende partijen betwisten dat er een individueel en algemeen recht op gelijke behandeling bestaat dat rechtsonderhorigen tegen iedereen en in alle omstandigheden kunnen doen gelden. Zij houden ook vol dat de wet de mogelijkheid schept voor particulieren om maatregelen van positieve actie te nemen en stellen vast dat de bevoegdheid om daartoe een kader te creëren aan de Koning is gedelegeerd, wat de onaanvaardbaarheid van de situatie in hun ogen nog doet toenemen. A.17.
- In het tweede onderdeel van het middel zijn de verzoekende partijen van mening dat de bepalingen inzake positieve actie van de Genderwet artikel 11bis van de Grondwet schenden, dat stelt dat de wetgever de gelijke uitoefening van rechten en vrijheden voor vrouwen en mannen moet waarborgen. 19 A.17.
- De Ministerraad wijst erop dat de aangevoerde grondwetsbepaling een positieve verplichting inhoudt voor de verschillende wetgevers om de gelijkheid van de geslachten effectief te waarborgen en in die zin een grondwettelijke basis biedt voor maatregelen van positieve actie. A.17.
- In zoverre maatregelen van positieve actie ertoe zouden strekken, zo antwoorden de verzoekende partijen, dat personen van het ene geslacht voorrang krijgen op personen van het andere geslacht, wordt het recht op gelijke behandeling van die personen van het andere geslacht geschonden. Minstens worden zij benadeeld ten aanzien van de personen van het ene geslacht. A.17.
- De Ministerraad wijst erop dat bij het uitwerken van maatregelen van positieve actie zowel rekening dient te worden gehouden met de Europese rechtspraak ter zake als met de rechtspraak van het Hof. Dit betekent dat maatregelen van positieve actie altijd moeten worden getoetst aan het individuele recht op gelijke behandeling van personen die niet die maatregelen kunnen genieten. Bij selectie en promotie moet de betere kandidaat dus nog steeds het pleit winnen. Enkel bij gelijke kwalificatie kan rekening worden gehouden met het beschermde criterium, en dan nog enkel maar voor zover geen absolute en onvoorwaardelijke voorrang wordt gegeven aan de bevoordeelde groep. Ten aanzien van het vijfde middel A.18.
- Het vijfde middel is afgeleid uit de schending, door artikel 12 van de Antiracismewet, artikel 14 van de Algemene Antidiscriminatiewet en artikel 19 van de Genderwet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, op zichzelf genomen en in samenhang gelezen met de artikelen 16, 19 en 23 van de Grondwet, met artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, en van artikel 14 van de Grondwet, op zichzelf genomen en in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 14.2 en 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met het beginsel « nullum crimen sine culpa », doordat de formeel burgerrechtelijke discriminatieverboden in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel, het legaliteitsbeginsel, het eigendomsrecht, de vrijheid van meningsuiting, de verspreidingsvrijheid en de vrijheid van vereniging. A.18.
- De Ministerraad werpt een exceptio obscuri libelli op in zoverre de verzoekende partijen een schending van het recht op eigendom aanvoeren, zonder aan te geven op welke wijze de bestreden bepalingen dat recht zouden schenden. A.18.
- De verzoekende partijen weerleggen de exceptie door te verwijzen naar de uiteenzetting in hun verzoekschrift. A.19.
- In het eerste onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen een discriminatie aan doordat de normen die voor overheden gelden aan particulieren worden opgelegd. Beide categorieën zijn immers onderworpen aan een nagenoeg identieke verantwoordingsplicht voor hun gedrag, een onthoudingsplicht inzake discriminatie en een plicht tot het nemen van maatregelen ten aanzien van gehandicapten. A.19.
- De Ministerraad verwijst op dat punt naar zijn verweer inzake het eerste onderdeel van het eerste middel; de verzoekende partijen verwijzen vervolgens naar hun repliek op dat verweer. A.20.
- In het tweede onderdeel van het middel betogen de verzoekende partijen dat de discriminatie bedoeld in de bestreden bepalingen niet opzettelijk moet zijn gepleegd om de discriminerende handelingen strafbaar te kunnen stellen. A.20.
- Volgens de Ministerraad blijkt zowel uit de bestreden wetten als uit de parlementaire voorbereiding ervan dat enkel voor opzettelijke vormen van discriminatie in strafrechtelijke sancties is voorzien. Hij is van oordeel dat de burgerrechtelijke sancties niet als straffen kunnen worden beschouwd (zie A.12.2) en dat het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel en het beginsel « nullum crimen sine culpa » dus niet kunnen zijn geschonden. A.20.
- De verzoekende partijen blijven erbij dat het wel om strafbepalingen gaat. Zij achten het ongerechtvaardigd en onevenredig een opzettelijke discriminatie te bestraffen met absurd hoge forfaitaire schadevergoedingen die in geen enkel verband staan met de door het slachtoffer werkelijk geleden schade. 20 Zonder dat een in verhouding staande schade moet worden bewezen, zouden rechtsonderhorigen daardoor op willekeurige wijze van hun eigendom worden beroofd. A.21.
- In het derde onderdeel van het middel zijn de verzoekende partijen van oordeel dat de definitie van directe discriminatie te vaag en algemeen is om aan het vereiste van rechtszekerheid te voldoen. Het verbod van directe discriminatie in burgerlijke aangelegenheden zou het gelijkheidsbeginsel en het eigendomsrecht schenden doordat het in wezen een foutloze en mogelijk schadeloze aansprakelijkheid invoert, terwijl andere aansprakelijkheden een fout en schade veronderstellen of minstens een bijzondere band tussen de schade en de hoedanigheid van aansprakelijke. Terwijl bijvoorbeeld inzake milieurecht een in beginsel foutloze aansprakelijkheid kan worden verantwoord door deze te bekijken als het corrolarium van de winstgevende activiteit, zou een dergelijke verantwoording niet bestaan voor de aansprakelijkheden die worden ingevoerd door het verbod van directe discriminatie. Het maken van een onderscheid waarbij personen ongunstig worden behandeld is in principe geen fout. Het recht op culturele en maatschappelijke ontplooiing (artikel 23, derde lid, 5°, van de Grondwet) kan volgens de verzoekende partijen niet bestaan zonder vrijheid van handelen, en beperkingen op dat recht moeten zo strikt mogelijk zijn. Zij herhalen dat ook de beschermde criteria vaag en algemeen zijn, waardoor het ontstaan van aansprakelijkheden volstrekt onvoorspelbaar wordt. In het vierde onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen dezelfde argumenten als in het derde onderdeel van het middel aan tegen de aansprakelijkheid voor indirecte discriminatie. De onvoorspelbaarheid van potentiële aansprakelijkheden zou discriminerend zijn voor aansprakelijken onder de Antidiscriminatiewet ten aanzien van andere aansprakelijken. Ten aanzien van de aansprakelijkheid voor opdracht tot discrimineren verwijzen de verzoekende partijen, in het vijfde onderdeel van het middel, naar de argumentatie die zij in het derde en vierde onderdeel hebben uiteengezet met betrekking tot directe en indirecte discriminatie. De aansprakelijkheid zou zo onvoorspelbaar zijn dat elk gesprek of elke correspondentie tussen iemand die zich in een positie bevindt van waaruit hij een ander een opdracht kan geven, aanleiding kan zijn tot aansprakelijkheid op grond van bijvoorbeeld « opdracht geven tot onopzettelijke indirecte discriminatie ». Ook ten aanzien van de aansprakelijkheid voor intimidatie verwijzen de verzoekende partijen, in het zesde onderdeel van het middel, naar de hiervoor uiteengezette argumentatie met betrekking tot de andere verschijningsvormen van discriminatie. Daarenboven is het aansprakelijk stellen van personen voor het creëren van een kwetsende of beledigende omgeving volgens de verzoekende partijen in strijd met de vrijheid van meningsuiting, met het recht op culturele en maatschappelijke ontplooiing, dat zou vereisen dat men een redelijke mate van verdraagzaamheid jegens het ongewenste gedrag van een ander aan de dag legt, en met het eigendomsrecht. A.21.
- De Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel, de Orde van Vlaamse balies en J. Slootmans refereren aan hun uiteenzetting bij het derde middel. In zoverre de bestreden bepalingen leiden tot een vorm van foutloze aansprakelijkheid voor een niet-handelen, in casu het niet opnemen van een persoon in een vennootschap of maatschap van beoefenaars van een vrij beroep, zouden zij de in artikel 23 van de Grondwet vervatte standstill-verplichting inzake de vrije keuze van beroepswerkzaamheid schenden. A.21.
- De Ministerraad voert in de eerste plaats aan dat de gehanteerde begrippen voldoende duidelijk zijn gedefinieerd om aan de vereisten van rechtszekerheid te voldoen. Vervolgens betwist hij dat de bestreden wetten een foutloze aansprakelijkheid zouden invoeren aangezien elke schending van een wettelijke of reglementaire norm waarin een bepaalde gedraging geboden of verboden wordt als een onrechtmatige daad moet worden beschouwd. De bestreden wetten stellen slechts een causaal verband vast tussen de fout (het schenden van het discriminatieverbod) en de schade (waarvan het minimumbedrag forfaitair wordt vastgesteld). Ten slotte wijst de Ministerraad erop dat elke vorm van discriminatie op grond van de beschermde criteria een zekere schade veroorzaakt voor het slachtoffer ervan. A.21.
- In hun memorie van antwoord beogen de verzoekende partijen voor elk van de gehanteerde begrippen aan te tonen dat zij te veel interpretaties en beoordelingen vereisen om aan het vereiste van rechtszekerheid in het maatschappelijk verkeer te voldoen. Wat de foutloze aansprakelijkheid betreft, menen zij dat de « cirkelredenering » van de Ministerraad dat het wel degelijk om een fout gaat omdat de wet stelt dat het een fout is, niet wegneemt dat minstens in materieel opzicht geen fout is vereist vooraleer aansprakelijkheid ontstaat. Terwijl het nog aannemelijk is dat de wet een fout omschrijft of een schade begroot, zou het niet 21 kunnen dat een wet een causaal verband invoert. Ten slotte zou de Ministerraad het objectieve begrip « schade » verwarren met het louter subjectieve « gevoel van schade ». A.21.
- De Ministerraad betwist ten stelligste dat de bestreden wetten van het gemeen recht zouden afwijken door een foutloze aansprakelijkheid in te voeren. Het is immers vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie dat elke schending van een wettelijke of reglementaire norm waarin een welbepaalde gedraging wordt verboden, als een onrechtmatige daad moet worden aangemerkt. De Ministerraad verwijst ook naar de rechtsleer en naar een advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State. Ten aanzien van het zesde middel A.22.
- Het zesde middel is afgeleid uit de schending, door artikel 13 van de Antiracismewet, artikel 15 van de Antidiscriminatiewet en artikel 20 van de Genderwet, van de artikelen 10, 11, 16 en 27 van de Grondwet, de laatste bepaling op zichzelf genomen en in samenhang gelezen met artikel 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 21 en 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, doordat de nietigheid van contractuele bepalingen, gelet op de vage bewoordingen van de verbodsbepalingen, de rechtszekerheid met betrekking tot de naleving van contractuele verbintenissen zou aantasten, hetgeen de schuldeisers zou discrimineren ten aanzien van hun schuldenaren en het eigendomsrecht en de vrijheid van vereniging zou schenden. A.22.
- De Ministerraad werpt een exceptio obscuri libelli op in zoverre het middel gebaseerd is op een schending van de artikelen 16 en 27 van de Grondwet aangezien de verzoekende partijen niet aangeven op welke wijze die bepalingen zouden zijn geschonden. A.22.
- De verzoekende partijen weerleggen de exceptie door te verwijzen naar de uiteenzettingen in hun verzoekschrift. A.23.
- In het eerste onderdeel van het middel betogen de verzoekende partijen dat het onvoorspelbaar is of een contractuele bepaling niet zou kunnen worden gelezen als een directe of indirecte discriminatie waarvoor geen afdoende rechtvaardigingsgrond bestaat, zodat een schuldeiser van een contractuele verbintenis niet langer erop kan rekenen dat de schuld zal worden voldaan. Die situatie zou de schuldeisers discrimineren ten aanzien van de schuldenaars. A.23.
- In zoverre « contractuele bepalingen » ook betrekking hebben op vennootschaps- en maatschapcontracten, verwijzen de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel, de Orde van Vlaamse balies en J. Slootmans naar hetgeen zij ten aanzien van het derde middel hebben uiteengezet. A.23.
- Volgens de Ministerraad zijn de bestreden wetten wel voldoende duidelijk en voorspelbaar. Voor het overige verwijst hij naar de Europese richtlijnen en brengt in herinnering dat het om een klassiek burgerrechtelijk sanctiemechanisme gaat. Zo voorziet bijvoorbeeld het Burgerlijk Wetboek erin dat overeenkomsten die strijdig zijn met de goede zeden of met de openbare orde nietig zijn. De nietigheidssanctie heeft trouwens enkel betrekking op het discriminerende onderscheid, dus niet op de gehele bepaling of de gehele overeenkomst, en zij heeft geen automatisch karakter. A.23.
- De Vlaamse Regering sluit zich aan bij de argumentatie van de Ministerraad. In het algemeen betwist zij het uitgangspunt van de verzoekende partijen dat de rechten en vrijheden onvermijdelijk worden geschonden door een horizontale werking van het gelijkheidsbeginsel. De wetgever heeft voor een overwegend open rechtvaardigingssysteem gekozen, dat de rechter toelaat in elk concreet geval een evenwicht te zoeken tussen de gelijkheids- en vrijheidsrechten van de betrokken partijen. In een beperkt aantal gevallen is, onder impuls van de gemeenschapsrichtlijnen en het internationale recht van de mensenrechten, geopteerd voor een gesloten systeem, waarin de wetgever zelf aangeeft wanneer een bepaald onderscheid objectief en redelijk kan worden verantwoord en hij dus in abstracto een evenwicht heeft gezocht tussen de in het geding zijnde rechten en belangen. Ook de Vlaamse Regering merkt op dat de nietigheidssanctie een Europese verplichting betreft en dat, wanneer de nationale wetgever zich beperkt tot wat dwingend wordt opgelegd door de Europese wetgever, het onderscheid dat daaruit voortvloeit moet kunnen worden verantwoord in het licht van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Zij refereert in dat verband aan de arresten nrs. 92/2006 en 157/
- 22 De Vlaamse Regering betwist niet dat de contractvrijheid een fundamentele vrijheid is, maar wel dat zij onbegrensd zou zijn. Zij kan worden beperkt door democratisch tot stand gekomen wetten om bepaalde categorieën van zwakkere rechtsgenoten (bijvoorbeeld werknemers, huurders, consumenten) te beschermen, maar ook doordat anderen over gelijkwaardige vrijheden en grondrechten beschikken. Het recht van de ene om niet willekeurig te worden behandeld, dat in vele gevallen rechtstreeks verband houdt met de menselijke waardigheid zelf, zou de contractvrijheid van de andere op legitieme wijze kunnen beperken. A.23.
- De verzoekende partijen betwisten dat er een algemeen recht op gelijke of niet-willekeurige behandeling zou bestaan. Zij betwisten ook dat de rechter over een beoordelingsvrijheid zou beschikken : de contractuele bedingen zijn nietig wanneer ze strijden met de wet. Anderzijds, zo betogen zij, is rechterlijke willekeur mogelijk door de invulling van de beschermde criteria en de definities van de verschillende vormen van discriminaties. Ten slotte zou nergens uit blijken dat de bestreden bepalingen de zwakkere contractpartij beschermen. Ook de sterkere partij zou bij een overeenkomst waarbij een voordeel aan een zwakkere partij wordt toegekend, de nietigheid kunnen opwerpen om zich aan zijn contractuele verplichtingen te onttrekken. A.23.
- Volgens de Vlaamse Regering spreken de verzoekende partijen zichzelf tegen : ofwel laten de bestreden wetten geen beoordelingsvrijheid aan de rechter, en bestaat er dus ook geen gevaar voor rechterlijke willekeur; ofwel voorzien de wetten wel in een zekere beoordelingsmarge, in welk geval er een eventueel gevaar voor rechterlijke willekeur zou kunnen zijn. Zoals de Vlaamse Regering reeds heeft aangegeven, wordt in de bestreden wetten een evenwicht gevonden tussen flexibiliteit en rechtszekerheid. Het rechtvaardigingssysteem is, enerzijds, voldoende flexibel om de rechter de mogelijkheid te bieden een evenwicht te zoeken tussen het gelijkheidsbeginsel en conflicterende rechten (in casu de contractvrijheid), en is, anderzijds, voldoende voorspelbaar en voorzienbaar om rechterlijke willekeur te voorkomen. A.24.
- In overeenkomsten die eigendommen als voorwerp hebben (overdracht, terbeschikkingstelling, verhuring of andere transacties), zou de onvoorspelbaarheid naar luid van het tweede onderdeel van het middel eveneens een schending uitmaken van het eigendomsecht, dat het recht omvat om over zijn eigendom te beschikken. In overeenkomsten die aan verenigingen zijn gerelateerd, zou de onvoorspelbaarheid naar luid van het derde onderdeel van het middel eveneens een schending uitmaken van de vrijheid van vereniging, die de vrijheid omvat zich naar eigen inzicht met anderen te verenigen alsook de vrijheid als vereniging op te treden in het openbare leven en, voor zover de vereniging de daartoe eventueel vereiste rechtspersoonlijkheid heeft, in rechte op te treden. A.24.
- De Ministerraad ziet niet in op welke wijze het eigendomsrecht zoals gewaarborgd bij artikel 16 van de Grondwet zou kunnen worden geschonden doordat een discriminerende bepaling uit een overeenkomst betreffende eigendom nietig is. Hij merkt overigens op dat die grondwetsbepaling niet het recht waarborgt om de eigendom van een goed te verwerven. In het licht van het verweer op het eerste onderdeel van het middel, zou ten slotte ook het derde onderdeel ongegrond zijn. A.24.
- De Vlaamse Regering sluit zich, wat de vermeende schending van het eigendomsrecht betreft, aan bij het verweer van de Ministerraad. Zij erkent dat de nietigheidssanctie een inmenging in de vrijheid van vereniging kan vormen, maar is van oordeel dat de bestreden wetten in voldoende algemene en specifieke gronden ter rechtvaardiging van ongelijke behandelingen voorzien, waardoor een concrete afweging tussen gelijkheids- en vrijheidsrechten steeds wordt gewaarborgd. A.24.
- Uit het verbod op ontzetting van een eigendom, zo repliceren de verzoekende partijen, vloeit noodzakelijk voort dat er een principieel recht is eigendom te houden. Uit het recht eigendom te bezitten zou voortvloeien dat men principieel eigendom mag verwerven of vervreemden en dat men in het algemeen erover mag beschikken. Het standpunt van de Vlaamse Regering zou inhouden dat de principiële vrijheid van vereniging is afgeschaft, hetgeen in strijd zou zijn met de Grondwet. Ten aanzien van het zevende middel A.25.
- Het zevende middel is afgeleid uit de schending, door de artikelen 13 tot 16, 18, 24 en 25 van de Antiracismewet, de artikelen 14 tot 18, 24 en 25 van de Algemene Antidiscriminatiewet en de artikelen 19, 21 tot 23, 25, 29 en 30 van de Genderwet, van de artikelen 10, 11, 14 en 16 van de Grondwet, op zichzelf genomen en in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 15 van 23 het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, en van het eigendomsrecht, doordat zij de vermeende slachtoffers van discriminaties op basis van beschermde criteria voordelen bieden waarover andere slachtoffers van onrechtmatige daden niet beschikken en doordat de omschrijving van de onrechtmatige daad die aanleiding geeft tot forfaitaire schadevergoedingen en strafrechtelijk afgedwongen stakingsbevelen, niet zou voldoen aan het legaliteitsbeginsel. A.25.
- In zoverre de in het middel genoemde forfaitaire schadevergoedingen en stakingsbevelen ook kunnen worden toegepast op vennootschaps- en maatschapovereenkomsten, verwijzen de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel, de Orde van Vlaamse balies en J. Slootmans naar hetgeen zij ten aanzien van het derde middel hebben uiteengezet. Zij vragen zich ook af hoe een strafrechtelijk afgedwongen stakingsbevel kan worden toegepast op een beslissing iemand niet op te nemen in een vennootschap of maatschap, zonder afbreuk te doen aan de vrijheid van vereniging. A.26.
- In het eerste onderdeel van het middel bekritiseren de verzoekende partijen het onderscheid met slachtoffers van andere misdrijven dan discriminatiemisdrijven en met slachtoffers van niet-beschermde discriminaties. Zij zien niet in waarom bijvoorbeeld het slachtoffer van een geweldmisdrijf geen recht zou hebben op de keuze tussen vergoeding van de aangetoonde schade of een forfaitaire schadevergoeding en waarom de stakingsvordering van een ander slachtoffer van een onrechtmatige daad niet gepaard gaat met strafrechtelijke sancties en de stakingsvordering van een gediscrimineerde wel. Het zou inzonderheid niet verantwoord zijn dat bovenop de dwangsom die aan een stakingsbevel kan worden gekoppeld nog een strafsanctie is vereist, terwijl dat bij bevelen tot staking van andere onrechtmatige daden niet nodig blijkt te zijn. A.26.
- De Ministerraad herhaalt dat het hanteren van een limitatieve lijst van beschermde criteria, en bijgevolg het invoeren van een onderscheid tussen slachtoffers van discriminatie op grond van die criteria en slachtoffers van discriminatie op grond van andere criteria, verantwoord is. Hij brengt ook in herinnering dat discriminatie in beginsel geen misdrijf uitmaakt, maar een onrechtmatige daad. Bovendien zouden slachtoffers van discriminatie en slachtoffers van misdrijven zich niet in een vergelijkbare situatie bevinden. Slachtoffers van discriminatie hebben het immers moeilijk om zowel de discriminatie als de daaruit voortvloeiende schade aan te tonen, alsook om de discriminatie te doen ophouden. Zelfs als ze zich in een vergelijkbare situatie bevinden, zou het verschil in behandeling objectief en redelijk kunnen worden verantwoord. Discriminatie ondermijnt alle aspecten van de samenleving, heeft zware gevolgen op persoonlijk, sociaal, economisch en cultureel vlak en ligt aan de basis van gruwelijke collectieve daden in de recente wereldgeschiedenis. Bovendien zou aan de bestreden wetten niet kunnen worden verweten dat andere wetten die andere misdrijven bestrijden niet in een soortgelijke bescherming van slachtoffers voorzien. Ten slotte verwijst de Ministerraad naar de Europese richtlijnen, waarvan de bestreden wetten de implementatie in het Belgische recht vormen. A.26.
- Ook de Vlaamse Regering betwist de vergelijkbaarheid van beide categorieën van slachtoffers. Slachtoffers van geweldmisdrijven bevinden zich in een totaal andere situatie. Niet alleen draagt het openbaar ministerie de bewijslast voor het misdrijf, ook de fout, de schade en het oorzakelijk verband liggen meer voor de hand, zodat zij gemakkelijker te bewijzen zijn. De Vlaamse Regering verwijst eveneens naar de Europees- en internationaalrechtelijke bepalingen die België verplichten sancties te stellen op bepaalde vormen van discriminatie tussen burgers. Opdat de burgerrechtelijke schadevergoeding voldoende doeltreffend en afschrikkend is, bleek bijvoorbeeld de invoering van een forfaitaire schadeloosstelling in het Belgische recht noodzakelijk. Voorts wenst de Vlaamse Regering te beklemtonen dat het tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever behoort om te voorzien in rechtsbescherming voor slachtoffers van de niet-naleving van de bepalingen die hij uitvaardigt. Wat specifiek de strafsanctie op de niet-naleving van een stakingsbevel betreft, wijst zij op het analoge artikel 104, 1°, van de Wet Handelspraktijken. A.26.
- De verzoekende partijen zien geen enkele reden waarom de figuur van het rechtsmisbruik niet voldoende afschrikwekkend zou zijn. Zij voeren aan dat zowel daders als slachtoffers van discriminatiemisdrijven (met inbegrip van onrechtmatige daden) moeten worden vergeleken met zowel daders als slachtoffers van andere onrechtmatige daden en misdrijven en dat die categorieën perfect vergelijkbaar zijn. De stelling dat slachtoffers van discriminaties het moeilijk kunnen hebben om een discriminatie en de daaruit voortvloeiende schade aan te tonen, wordt volgens de verzoekende partijen niet onderbouwd en zou evengoed gelden voor slachtoffers van om het even welke onrechtmatige daad. Zij zien ook niet in waarom een gewone vordering voor de rechtbank niet zou volstaan om onrechtmatige daden of misdrijven te doen ophouden. De stelling, ten slotte, dat discriminatie alle aspecten van de samenleving ondermijnt en zware gevolgen heeft, zou even waar of onwaar en even betekenisvol zijn wanneer men « discriminatie » vervangt door « onredelijkheid », « winstbejag » of « depressies ». 24 A.26.
- In de eerste plaats bekritiseert de Ministerraad dat de verzoekende partijen zowel de zogenaamde discriminatie van potentiële slachtoffers als die van vermeende daders aanklagen. Vervolgens kan volgens de Ministerraad niet worden ontkend dat slachtoffers van discriminatie het moeilijk hebben om discriminatie aan te tonen. Opdat directe discriminatie kan worden vastgesteld, zijn immers drie constitutieve bestanddelen vereist : (i) een verschil in behandeling, (ii) de vergelijkbaarheid van de situaties en (iii) het oorzakelijk verband tussen de ongunstige behandeling en het beschermde criterium. Voornamelijk het oorzakelijk verband levert veel bewijsproblemen op. Het is immers de verweerder die meestal over de informatie beschikt op basis waarvan het oorzakelijk verband kan worden vastgesteld. Die persoon zal zijn motieven echter goed proberen te verbergen en zal die informatie niet vrijwillig prijsgeven. A.26.
- In de literatuur wordt algemeen aanvaard, aldus de Vlaamse Regering, dat een gebrekkige rechtsbescherming en bewijsregeling de achilleshiel is van het discriminatierecht. Wat het bestaan van discriminatie betreft, zou uit sociologisch onderzoek blijken dat in Europa zeer veel personen de mening zijn toegedaan dat discriminatie in hun land een wijd verspreid fenomeen is. Wat bijvoorbeeld discriminatie op grond van etnische afstamming betreft, zou het gaan om 78 pct. van de Belgische bevolking. A.27.
- Door een forfaitaire schadevergoeding in te voeren, zo menen de verzoekende partijen in het tweede onderdeel van het middel, worden degenen gediscrimineerd die geen of slechts een zeer geringe schade hebben veroorzaakt. Anderen die een onrechtmatige daad hebben begaan, zullen in dat geval slechts gehouden zijn tot betaling van de werkelijk geleden schade. Bovendien lopen de eerstgenoemden een groter risico op rechtsvervolging aangezien de door hun fout benadeelden kans maken op financieel gewin. Het aanmoedigen van burgers tot het inleiden van procedures en het toekennen van schadevergoedingen die meer bedragen dan vereist om de geleden schade te compenseren, zouden geen legitieme doelstellingen uitmaken. A.27.
- De Ministerraad herhaalt dat slachtoffers van discriminatie zich in een nadeliger situatie bevinden dan slachtoffers van andere onrechtmatige daden, hetgeen de forfaitaire schadevergoeding verantwoordt. De praktijk heeft immers uitgewezen dat het slachtoffer van discriminatie de schade vaak moeilijk kon bewijzen en hoogstens een vergoeding kon vragen voor het verlies van een kans. Bovendien bleek dat de rechtbanken, wat de morele schade betreft, het slachtoffer vaak een symbolische euro toewijzen. Door in de bestreden wetten het bedrag van de morele schadevergoeding op te nemen, heeft de wetgever zelf de afweging gemaakt. Ook op het vlak van de arbeidsverhoudingen zou de forfaitaire schadevergoeding redelijk zijn. Discriminatie op dat vlak heeft immers een zeer belangrijke maatschappelijke impact. Aangezien in het Belgisch recht de praktijk geldt om schendingen van nationale ontslagbeschermingen in de regel met de betaling van een schadevergoeding gelijk aan zes maanden loon te bestraffen, was de wetgever ertoe gehouden de niet-naleving van het discriminatieverbod op het vlak van de arbeidsverhoudingen op soortgelijke wijze te bestraffen. A.27.
- De Vlaamse Regering sluit zich aan bij het standpunt van de Ministerraad. Zij betwist voorts de vergelijkbaarheid en verwijst opnieuw, daarbij refererend aan de parlementaire voorbereiding, naar de precaire situatie van het slachtoffer van een discriminatie door een medeburger. De forfaitaire schadevergoeding verhelpt de nadelen van de gemeenrechtelijke schadevergoeding. Ten eerste is de procedure korter, zodat niets eraan in de weg staat dat de stakingsrechter voortaan zelf veroordeelt tot de betaling van een schadevergoeding. Ten tweede biedt een forfaitaire vergoeding het slachtoffer uitzicht op een daadwerkelijke en dus geen louter symbolische vergoeding. Bovendien is de werkingssfeer van de forfaitaire vergoeding beperkt, zowel wat de aard van de gedekte schade (in principe alleen morele schade), als wat de categorie van begunstigden betreft (alleen individuele slachtoffers, geen belangengroepen of institutionele actoren). A.27.
- Volgens de verzoekende partijen wordt de conformiteit van een juridisch instrument met de fundamentele rechten en vrijheden niet afgemeten aan het aantal bereikte veroordelingen. Zij zijn niet overtuigd door de argumenten van de Ministerraad en de Vlaamse Regering. Inzonderheid zijn zij niet bereid aan te nemen dat de meerderheid van de rechters in een meerderheid van uitspraken systematisch de geleden schade als gevolg van discriminatie zouden onderwaarderen. A.28.
- In het derde onderdeel van het middel bekritiseren de verzoekende partijen het verbod voor personen tegen wie een klacht is ingediend om « nadelige » maatregelen te nemen, behalve om redenen die vreemd zijn aan de klacht. Daardoor kunnen personen die het voorwerp zijn van een ongegronde klacht niet de samenwerking beëindigen met een persoon die een ongegronde klacht heeft ingediend. Door geen onderscheid te maken tussen gegronde en ongegronde klachten zouden de personen worden gediscrimineerd tegen wie ongegrond een klacht wordt ingediend en die reeds het slachtoffer zijn van die ongegronde klacht. Bovendien 25 gaat het om een preventieve maatregel die in strijd zou zijn met het vermoeden van onschuld van eenieder tegen wie een klacht wordt ingediend. A.28.
- De redenering van de verzoekende partijen komt volgens de Ministerraad erop neer dat geen beschermingsmechanisme zou mogen worden ingesteld indien ervan misbruik zou kunnen worden gemaakt. De bescherming is echter noodzakelijk om een effectieve bestrijding van discriminatie mogelijk te maken. De Ministerraad verwijst ook naar de Europese verplichting om de regeling in te voeren. Op het vlak van de arbeidsverhoudingen zou het trouwens gaan om een klassiek beschermingsmechanisme. Indien de klachtenprocedure zou worden misbruikt, dan kan daarop met de figuur van het rechtsmisbruik een adequaat antwoord worden gegeven. Wanneer lasterlijke aangifte van discriminatie zou worden gedaan, kan dat strafrechtelijk worden vervolgd en aanleiding geven tot betaling van een schadevergoeding. Ten slotte herhaalt de Ministerraad dat het niet om strafsancties gaat, zodat het vermoeden van onschuld niet van toepassing is. A.28.
- De Vlaamse Regering sluit zich aan bij het verweer van de Ministerraad. Zij beklemtoont eveneens dat de bescherming wordt vereist door de gemeenschapsrichtlijnen. Aangezien de bestreden normen beogen bescherming te bieden tegen een nadelige behandeling of nadelige gevolgen van personen die een klacht indienen op grond van de bestreden wetten, zou de vraag of die klacht al dan niet gegrond is volkomen irrelevant zijn en zou er geen sprake zijn van een gelijke behandeling van ongelijke gevallen, noch van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Wat de vermeende schending van het vermoeden van onschuld betreft, stelt de Vlaamse Regering vast dat de verzoekende partijen zelfs geen begin van bewijs leveren van de toepasselijkheid van dat beginsel op de voorliggende situatie, noch van de wijze waarop de bestreden bepalingen een beperking van dat recht zouden inhouden. A.28.
- De verzoekende partijen stemmen in met het standpunt van de Ministerraad inzake de figuur van het rechtsmisbruik om genoegdoening te verkrijgen. Die figuur en de beperkende werking van de goede trouw viseren de onrechtmatige uitoefening van rechten en niet het bestaan zelf van die rechten, terwijl de bestreden bepalingen het principiële bestaan van die rechten aantasten. Wat het vermoeden van onschuld betreft, zijn de verzoekende partijen van oordeel dat personen tegen wie een ongegronde klacht is ingediend vaak ten onrechte worden beschuldigd van het plegen van een misdrijf. Zij verwijzen in dat verband naar de strafbepalingen van de bestreden wetten en naar het repressieve karakter van de burgerrechtelijke bepalingen. Ten slotte achten zij het disproportioneel om lasteraars te beschermen voor hun laster en belasterden te bestraffen voor de uitoefening van hun contractuele rechten. De nadelige gevolgen voor de klagers over wie de Vlaamse Regering het heeft, zouden in geval van ongegronde klachten niet als rechtmatige schade kunnen worden beschouwd maar als een natuurlijk gevolg van onverantwoord gedrag. A.29.
- In het vierde onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen geen enkele definitie of verduidelijking van het begrip « nadelige maatregelen » bevatten. Aangezien aan de overtreding van het verbod tot het nemen van dergelijke maatregelen sancties van repressieve aard zijn gekoppeld, zou dit in strijd zijn met het legaliteitsbeginsel. A.29.
- De Ministerraad en de Vlaamse Regering wijzen erop dat het legaliteitsbeginsel in strafzaken te dezen niet van toepassing is, nu de bescherming tegen represaillemaatregelen en de sanctie die op het schenden van die bescherming staat, burgerrechtelijke maatregelen zijn en geen strafsancties. A.29.
- De verzoekende partijen blijven erbij dat het om een repressieve bepaling gaat. Zelfs indien de beklaagde partij zou aantonen dat het slachtoffer geen schade leed of de klacht ongegrond was, blijft de forfaitaire vergoeding verschuldigd. Het begrip « nadelige maatregelen » zou veel te vaag zijn voor zowel het burgerlijk recht als voor het strafrecht. A.30.
- Naar het oordeel van de verzoekende partijen, in het vijfde onderdeel van het middel, schenden de bestreden bepalingen het gelijkheidsbeginsel doordat wel rechtsbescherming wordt geboden aan werknemers maar niet aan werkgevers, terwijl ook werkgevers het slachtoffer kunnen worden van bijvoorbeeld intimidatie in de zin van de bestreden wetten. A.30.
- De Ministerraad wijst erop dat intimidatie in het kader van de arbeidsverhoudingen is uitgesloten van het toepassingsgebied van de bestreden wetten. Voor het overige verwijst hij naar zijn verweer inzake het derde middel. 26 A.30.
- De Vlaamse Regering betwist de vergelijkbaarheid van werknemers en werkgevers aangezien werknemers zich doorgaans in een andere, zwakkere positie bevinden wat de mogelijkheid betreft tot het nemen van represaillemaatregelen. A.30.
- Volgens de verzoekende partijen zijn werknemers en werkgevers gelijk in zoverre zij beiden partijen zijn bij een arbeidsovereenkomst en kan men niet ervan uitgaan dat werkgevers zich in een sterkere positie bevinden. A.31.
- In het zesde onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen een schending aan van het recht op eigendom, doordat rechters op willekeurige basis aan al dan niet vermeende slachtoffers van discriminatie forfaitaire schadevergoedingen kunnen toekennen en dit ten laste van de werkgevers of andere actoren in het maatschappelijk leven. Dit zou strijdig zijn met het evenredigheidsbeginsel dat bij de beperking van het eigendomsrecht in acht moet worden genomen en waaruit volgt dat de vergoeding niet hoger kan liggen dan de schade. A.31.
- Het is evident, zo betoogt de Ministerraad, dat schadevergoedingen niet op willekeurige basis kunnen worden opgelegd. Enkel de personen van wie is bewezen dat zij de bepalingen van de bestreden wetten hebben geschonden, kunnen tot de betaling van een schadevergoeding worden veroordeeld. De Vlaamse Regering sluit zich aan bij dat standpunt. A.31.
- De verzoekende partijen blijven erbij dat de bepalingen van de wet zo vaag en onduidelijk zijn dat een toepassing ervan door de rechter enkel willekeurig kan zijn. A.32.
- In het zevende onderdeel van het middel betwisten de verzoekende partijen de bepalingen die zelfs degene die zijn onschuld kan bewijzen tot het betalen van een forfaitaire vergoeding verplichten. Ook wie aannemelijk maakt dat de beslissing door andere beweegredenen werd ingegeven dan de wil om te discrimineren, wordt immers nog steeds aansprakelijk gesteld. Om die reden zouden de bestreden bepalingen het evenwicht tussen de eiser en de verweerder in een civiele procedure verbreken en aldus het gelijkheidsbeginsel schenden alsook, in zoverre het vermogen wordt aangetast, het eigendomsrecht. Wat de repressieve sancties betreft (waaronder de forfaitaire schadevergoedingen, die een vorm van punitive damages zouden zijn) zijn de bestreden bepalingen volgens de verzoekende partijen strijdig met het vermoeden van onschuld en he