← België

ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.018

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 12 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.018 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090212.2 Arrest- Rolnummer: 18/2009 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-02-17 Raadplegingen: 237 - laatst gezien 2026-06-29 17:31 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 31, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in zoverre het tot gevolg heeft dat een schuldeiser-overnemer die, bij afzonderlijke akten, een vordering tot bekrachtiging van de loonoverdracht en een vordering met betrekking tot de hoofdschuldvordering heeft ingesteld, in geval van samenvoeging van de zaken voor de vrederechter op verzoek van de partijen, de mogelijkheid wordt ontzegd hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de vrederechter. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Overdracht loon PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 31, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven. Sociaal recht - Arbeidsrecht - Bescherming van het loon - Loonoverdracht - Procedure - Bekrachtiging van de overdracht - Vrederechter - Rechtsmiddelen - Ontstentenis van hoger beroep. Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - 31,L2 - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4413 Arrest nr. 18/2009 van 12 februari 2009 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 31, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 12 december 2007 in zake de nv « Axa Bank Belgium » tegen Steve Bolanger en Sindy Pierloot, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 17 januari 2008, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 31, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat wanneer de schuldeiser afzonderlijke vorderingen tot bekrachtiging van de loonoverdracht en tot betaling van de hoofdverbintenis instelt, het vonnis over deze laatste vordering niet voor beroep vatbaar is wanneer de vordering met betrekking tot deze hoofdverbintenis tot de bevoegdheid van de vrederechter behoort, en de beide vorderingen wegens samenhang worden samengevoegd, terwijl wanneer de vordering met betrekking tot de hoofdverbintenis niet tot de bevoegdheid van de vrederechter behoort, de beslissing over deze laatste vordering wel voor beroep vatbaar is, ook wanneer wegens samenhang de vordering met betrekking tot de overdracht van het loon en de vordering met betrekking tot de hoofdverbintenis worden samengevoegd ? ». Memories zijn ingediend door : - de nv « Axa Bank Belgium », met zetel te 2600 Berchem, Grotesteenweg 214; - de Ministerraad. De Ministerraad heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 19 november 2008 : - zijn verschenen : . Mr. W. Stoop loco Mr. R. Vermeiren, advocaten bij de balie te Antwerpen, voor de nv « Axa Bank Belgium »; . Mr. I. Ficher loco Mr. G. Demez, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers T. Merckx-Van Goey en P. Martens verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Twee personen hebben bij de nv « ANHYP », rechtsvoorganger van de nv « Axa Bank Belgium » (hierna : nv Axa) een lening op afbetaling afgesloten. Zij ondertekenden naar aanleiding daarvan ook een akte van overdracht van loon. Bij afzonderlijke akten vorderde de nv Axa voor het vredegerecht, enerzijds, onder meer de betaling van het niet afgeloste saldo van die lening en, anderzijds, de bekrachtiging van de loonoverdracht zoals voorgeschreven bij artikel 31, eerste lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers (hierna : Loonbeschermingswet). De vrederechter heeft de vorderingen op verzoek van beide partijen samengevoegd en heeft de hoofdvordering gedeeltelijk ingewilligd, maar de vordering tot bekrachtiging van de loonoverdracht zonder voorwerp verklaard. De nv Axa heeft bij de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis van de vrederechter. Bij tussenvonnis van 31 januari 2007 heeft de Rechtbank de partijen gevraagd een standpunt in te nemen over de ontvankelijkheid van het hoger beroep, rekening houdend met artikel 31, tweede lid, van de Loonbeschermingswet, dat bepaalt dat de vrederechter over de bekrachtiging van de loonoverdracht uitspraak doet in laatste aanleg, ongeacht het bedrag van de overdracht. De nv Axa heeft de Rechtbank gesuggereerd aan het Hof prejudiciële vragen te stellen over de bestaanbaarheid van voormelde bepaling van de Loonbeschermingswet met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, indien geen hoger beroep mogelijk zou zijn zelfs wanneer beide vorderingen afzonderlijk bij de vrederechter zijn ingesteld maar samengevoegd, terwijl wel hoger beroep mogelijk is wanneer de vordering met betrekking tot de hoofdschuldvordering bij de rechtbank van eerste aanleg wordt ingesteld. De verwijzende rechter is van oordeel dat de vrederechter bij wie een vordering tot bekrachtiging van een overdracht van loon overeenkomstig de Loonbeschermingswet aanhangig is, in laatste aanleg uitspraak doet over alle voor hem opgeworpen betwistingen betreffende de vorm en de grond van de loonoverdracht en van de schuldvordering. De Rechtbank refereert in dat verband aan een arrest van het Hof van Cassatie van 10 november

  1. De Rechtbank is tevens van oordeel dat zodra de vrederechter over beide vorderingen in één vonnis uitspraak doet, zijn beslissing moet worden beschouwd als gewezen in laatste aanleg, ongeacht of de vorderingen met één akte dan wel met twee afzonderlijke akten zijn ingesteld. De Rechtbank refereert ook aan het arrest nr. 24/2000 van 23 februari 2000, waarin het Hof oordeelde dat het niet discriminerend is dat een werknemer-cedent, die als verweerder in een procedure tot bekrachtiging de door de loonoverdracht gewaarborgde schuldvordering betwist, tegen het vonnis van de vrederechter geen hoger beroep kan instellen, terwijl een werknemer-cedent als eiser of verweerder in een gemeenrechtelijke procedure wel hoger beroep kan instellen. De Rechtbank doet opmerken dat het Hof van oordeel was dat het verschil in behandeling op een objectief criterium berust, zijnde het onderwerp van de inleidende vordering. In het ene geval is dat de bekrachtiging van de loonoverdracht, in het andere geval de betwisting van de hoofdschuld. De Rechtbank stelt vast dat te dezen twee afzonderlijke vorderingen zijn ingesteld en doet opmerken dat naar gelang van het bedrag van de schuld die voortvloeit uit de hoofdovereenkomst, nu eens de vrederechter, dan weer de rechtbank van eerste aanleg bevoegd is en dat enkel in het tweede geval de beslissing voor hoger beroep vatbaar is, terwijl het onderwerp van beide vorderingen in de beide gevallen een veroordeling tot betaling op grond van de hoofdverbintenis is. De Rechtbank besluit dat het enige verschil erin bestaat dat in de ene zaak de vrederechter bevoegd is voor de vordering met betrekking tot de hoofdverbintenis en in de andere niet. Hij vraagt of dat verschil in behandeling het gelijkheidsbeginsel schendt. 4 III. In rechte -A- A.1.
  2. De Ministerraad doet opmerken dat het Hof zich reeds over die problematiek diende uit te spreken, enerzijds, vanuit het oogpunt van de werknemer-cedent (de schuldenaar) en, anderzijds, vanuit het oogpunt van de schuldeiser-overnemer. A.1.
  3. Wat het eerste uitgangspunt betreft, oordeelde het Hof in zijn arrest nr. 24/2000 van 23 februari 2000 dat artikel 31, tweede lid, van de Loonbeschermingswet niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, doordat het aan een werknemer-cedent, die als verweerder in een procedure tot bekrachtiging van een loonoverdracht de door de loonoverdracht gewaarborgde schuldvordering wenst te betwisten, de mogelijkheid ontneemt om tegen het vonnis van de vrederechter hoger beroep in te stellen. In die zaak ging het om een verschil in behandeling tussen de werknemer-cedent als verweerder in het kader van een verzet tegen de bekrachtiging van de loonoverdracht voor de vrederechter en de werknemer-cedent als eiser of verweerder in een gemeenrechtelijke procedure. Volgens de Ministerraad heeft het Hof in dat arrest geoordeeld dat het onderwerp van de inleidende vordering – in het eerste geval enkel een vordering tot bekrachtiging van de loonoverdracht, in het tweede een vordering met betrekking tot de hoofdschuldvordering zonder dat er een voorafgaande vordering was tot bekrachtiging van de loonoverdracht – een objectief criterium vormt dat het verschil in behandeling vanuit het oogpunt van de werknemer-cedent verantwoordt. A.1.
  4. In zijn arrest nr. 58/2007 van 18 april 2007 oordeelde het Hof over de in geding zijnde bepaling vanuit het oogpunt van de schuldeiser-overnemer, in de hypothese dat met één gedinginleidende akte bij de vrederechter zowel een vordering tot bekrachtiging van de loonoverdracht als een vordering met betrekking tot de hoofdschuldvordering is ingesteld. De Ministerraad doet opmerken dat in die zaak twee verschillen in behandeling ter discussie stonden : - tussen de schuldeiser-overnemer die een vordering met betrekking tot de hoofdschuldvordering en een vordering tot bekrachtiging van de loonoverdracht met eenzelfde akte bij de vrederechter heeft ingesteld en de schuldeiser-overnemer die deze vorderingen door middel van afzonderlijke akten heeft ingesteld bij de vrederechter, en - tussen de schuldeiser-overnemer die een vordering met betrekking tot de hoofdschuldvordering en een vordering tot bekrachtiging van de loonoverdracht met eenzelfde akte bij de vrederechter heeft ingesteld en de schuldeiser-overnemer die deze vorderingen door middel van afzonderlijke akten heeft ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg. De Ministerraad citeert onder meer B.6 van dat arrest : « Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust in feite op de oorspronkelijke keuze van de schuldeiser-overnemer. In de interpretatie van de verwijzende rechter verhindert immers niets die laatste om rechtstreeks in rechte te treden voor de rechtbank van eerste aanleg of om voor de vrederechter, bij twee afzonderlijke akten, zijn vordering tot bekrachtiging van de loonoverdracht en zijn vordering met betrekking tot de hoofdschuldvordering in te stellen. In die twee gevallen zou de schuldeiser, in voorkomend geval, alle beroepsmogelijkheden kunnen aanwenden waarin het Gerechtelijk Wetboek voorziet tegen de beslissing over de hoofdschuldvordering, waarbij hij impliciet aanvaardt dat die beroepsmogelijkheden hem worden ontzegd wanneer hij bij éénzelfde akte die twee vorderingen instelt voor de vrederechter. De wetgever, die in hoofdstuk VI van de wet van 12 april 1965 een systeem heeft uitgewerkt dat zowel de belangen van de schuldenaars als die van de schuldeisers op doeltreffende wijze beschermt, kon, zonder het gelijkheidsbeginsel te schenden, beslissen dat vonnissen die in dat kader door de vrederechter worden gewezen op verzoek van de schuldeiser-overnemer, niet vatbaar moesten zijn voor hoger beroep ». 5 A.1.
  5. De Ministerraad is van oordeel dat ook in de huidige zaak, vanuit het oogpunt van de schuldeiser-overnemer, het verschil in behandeling volgt uit de keuze van laatstgenoemde en dat de voormelde arresten van het Hof bij analogie kunnen worden toegepast. A.1.
  6. De Ministerraad doet voorts opmerken dat de Loonbeschermingswet zowel de rechten van de werknemer-overdrager als die van de schuldeiser-overnemer beoogt te beschermen. Aangezien artikel 31, tweede lid, van de Loonbeschermingswet de schuldeiser-overnemer niet de rechtsmiddelen ontneemt waarin het Gerechtelijk Wetboek voorziet, ziet de Ministerraad niet in over welke discriminaties deze zich kan beklagen. De schuldeiser-overnemer heeft de volgende mogelijkheden : - hij kan zich beperken tot een vordering tot bekrachtiging van de loonoverdracht voor de vrederechter, die dan bevoegd is voor alle betwistingen, zowel betreffende de vorm als de inhoud van de loonoverdracht en de schuldvordering; - ofwel kan hij zowel een vordering instellen tot bekrachtiging van de loonoverdracht als een vordering met betrekking tot de hoofdschuldvordering, om dienaangaande ook een uitvoerbare titel te verkrijgen voor het geval dat een loonoverdracht inefficiënt zou blijken te zijn. In beide gevallen is de beslissing van de vrederechter in laatste aanleg gewezen en is er geen reden voor een verschillende behandeling naargelang de schuldeiser al dan niet ervoor kiest een uitvoerbare titel te verkrijgen. Als de schuldeiser-overnemer een uitvoerbare titel wil verkrijgen, zijn er volgens de Ministerraad verschillende mogelijkheden : - hij kan een vordering met betrekking tot de hoofdschuldvordering instellen alsook een vordering tot bekrachtiging van de loonoverdracht bij de vrederechter, op grond van diens bijzondere bevoegdheid waarin artikel 31, tweede lid, van de Loonbeschermingswet voorziet. Als hij die vorderingen met twee afzonderlijke akten instelt, kan hij zich verzetten tegen de samenvoeging en zo vermijden dat hem de mogelijkheid wordt ontnomen om hoger beroep aan te tekenen tegen de beslissing over de vordering met betrekking tot de hoofdschuldvordering. Als hij zich niet verzet tegen de samenvoeging, bevindt hij zich in dezelfde situatie als wanneer hij de beide vorderingen met een enkele akte had ingesteld; - hij stelt met een enkele of met twee afzonderlijke akten de vordering met betrekking tot de hoofdschuldvordering en de vordering tot bekrachtiging van de loonoverdracht in bij de rechtbank van eerste aanleg, op basis van de algemene bevoegdheid van die rechtbank (artikel 568 van het Gerechtelijk Wetboek). Hij beschikt dan over een dubbele aanleg voor het geheel. Die mogelijkheid bestaat weliswaar niet indien de vordering met betrekking tot de hoofdschuldvordering tot de exclusieve bevoegdheid van de vrederechter behoort, maar in dat geval is er de hiervoor weergegeven mogelijkheid om de vorderingen afzonderlijk in te stellen en zich te verzetten tegen de samenvoeging; - hij stelt de vordering met betrekking tot de hoofdschuldvordering in bij de rechtbank van eerste aanleg en de vordering tot bekrachtiging van de loonoverdracht bij de vrederechter. Hij heeft dan een dubbele aanleg voor de vordering met betrekking tot de hoofdschuldvordering, aangezien bij een eventuele samenvoeging de rechtbank van eerste aanleg bevoegd is op grond van de wettelijke voorrangregeling (artikel 565 van het Gerechtelijk Wetboek). De Ministerraad stelt dat de schuldeiser-overnemer vrij beschikt over verschillende rechtsmiddelen. Naar gelang van zijn keuze aanvaardt hij impliciet dat de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen hem ontnomen wordt doordat hij tijdens een procedure tot bekrachtiging van de loonoverdracht alleen maar vorderingen instelt bij de vrederechter. A.1.
  7. De in geding zijnde bepaling streeft volgens de Ministerraad een geoorloofd doel na : de wetgever wil immers de schuldeisers beschermen door een korte, eenvoudige en goedkope procedure voor de bekrachtiging van de loonoverdracht. De Ministerraad refereert in dat verband opnieuw aan de arresten nrs. 24/2000 en 58/
  8. 6 De Ministerraad besluit dat in de zaak ten gronde de nv Axa zich met haar akkoord voor een samenvoeging de facto in dezelfde situatie heeft geplaatst als wanneer zij de vorderingen in een enkele akte had ingeleid en impliciet heeft aanvaard dat haar de mogelijkheid tot hoger beroep voor beide vorderingen ontnomen werd. A.2.
  9. De nv Axa benadrukt dat in het bodemgeschil de vordering tot bekrachtiging van de loonoverdracht en de vordering met betrekking tot de hoofdschuldvordering door de vrederechter werden samengevoegd overeenkomstig de artikelen 565 en 566 van het Gerechtelijk Wetboek. Indien de vorderingen niet in één vonnis waren beslecht, zou een hoger beroep tegen de beslissing over de vordering met betrekking tot de hoofdschuldvordering – indien de waarde van de vordering hoog genoeg is (artikel 617 van het Gerechtelijk Wetboek) - altijd mogelijk zijn geweest. Artikel 31, tweede lid, van de Loonbeschermingswet sluit met andere woorden het hoger beroep tegen de beslissing over de vordering met betrekking tot de hoofdschuldvordering niet uit. De nv Axa doet opmerken dat de onderhavige zaak verschilt van die welke bij arrest nr. 58/2007 is beslecht. In die zaak werden de vorderingen betreffende zowel de vordering tot bekrachtiging van de loonoverdracht als die met betrekking tot de hoofdschuldvordering ingesteld bij een en dezelfde akte, terwijl in het huidige bodemgeschil twee afzonderlijke vorderingen zijn ingesteld. Volgens de nv Axa stelde het Hof in zijn arrest nr. 58/2007 reeds dat er in feite geen probleem is wat betreft de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen tegen de beslissing over de vordering met betrekking tot de hoofdschuldvordering indien die vordering los van de vordering tot bekrachtiging van de loonoverdracht was ingesteld. De aanleiding tot de huidige prejudiciële zaak is het feit dat ingevolge de samenvoeging (artikelen 565 en 566 van het Gerechtelijk Wetboek) het resultaat de facto hetzelfde is, namelijk slechts één vonnis waarbij de vrederechter over beide vorderingen oordeelt. Voor de nv Axa is het feit dat zij haar schuldvordering kon inleiden bij een andere rechtbank dan de vrederechter ondergeschikt aan de vraag of de samenvoeging het verlies betekent van een mogelijkheid om hoger beroep in te stellen. A.2.
  10. Naar het oordeel van de nv Axa is er te dezen een dubbele ongelijke behandeling. Allereerst is er een verschil in behandeling tussen de schuldeiser-overnemer wiens vordering met betrekking tot de hoofdschuldvordering geen consumentenkrediet betreft en dus bij de rechtbank van eerste aanleg kan worden ingesteld, en de schuldeiser-overnemer wiens vordering met betrekking tot de hoofdschuldvordering wel een consumentenkrediet betreft en die dus moet dagvaarden voor de vrederechter, bij wie die vordering wordt samengevoegd met een vordering tot bekrachtiging van de loonoverdracht, ook al is die bij een afzonderlijke akte ingesteld. Daarnaast is er een ongelijke behandeling tussen schuldeisers-overnemers die bij afzonderlijke akten vorderingen hebben ingesteld strekkende tot bekrachtiging van de loonoverdracht en met betrekking tot de hoofdschuldvordering. Wanneer beide vorderingen worden samengevoegd, worden ze in laatste aanleg beslecht, wat niet het geval is wanneer de vorderingen bij twee verschillende rechtscolleges zijn ingesteld. A.2.
  11. Volgens de nv Axa zijn beide ongelijke behandelingen discriminerend. In het eerste geval, naargelang de vorderingen voor de vrederechter dan wel bij de rechtbank van eerste aanleg worden ingesteld, is de aard van de hoofdschuld weliswaar verschillend. De ene schuldeiser-overnemer stelt een vordering in op basis van een consumentenkrediet - of voor een lager bedrag waarvoor de vrederechter bevoegd is - en de andere schuldeiser-overnemer stelt een vordering met betrekking tot de hoofdschuldvordering in voor de rechtbank van eerste aanleg. In die situatie ligt de ongelijke behandeling in het feit dat de twee vorderingen voor de vrederechter kunnen worden samengevoegd, wat niet het geval is wanneer de vorderingen bij twee verschillende rechtscolleges zijn ingesteld. Hier zorgt het verschillende onderwerp van de hoofdvordering voor een verschillende behandeling van partijen die volgens de nv Axa niet gerechtvaardigd is. 7 De tweede ongelijkheid van behandeling, tussen consumentenkredieten onderling, is naar het oordeel van de nv Axa nog duidelijker. De nv Axa maakt een vergelijking tussen twee schuldeiser-overnemers die zowel een vordering tot bekrachtiging van de loonoverdracht als een vordering met betrekking tot de hoofdschuldvordering instellen, maar bij afzonderlijke akten. De vorderingen van de ene schuldeiser-overnemer worden samengevoegd, wat resulteert in één vonnis. De vorderingen van de andere schuldeiser-overnemer worden niet samengevoegd, waardoor er twee afzonderlijke vonnissen zijn. Wanneer artikel 31, tweede lid, van de Loonbeschermingswet zo moet worden geïnterpreteerd dat de vrederechter in laatste aanleg uitspraak doet over alle hem voorgelegde betwistingen, is in het eerste geval geen hoger beroep mogelijk, terwijl dat in het tweede geval wel mogelijk is. Er is dan een ongelijke behandeling louter vanwege de samenvoeging. Volgens de nv Axa is dit ontegensprekelijk discriminerend. De nv Axa betoogt dat dit nog duidelijker wordt in de hypothese dat de ene schuldeiser twee procedures inleidt voor de vrederechter die worden samengevoegd en in laatste aanleg beslecht, in vergelijking tot een schuldeiser die eerst een procedure opstart in verband met de hoofdschuld en pas enige tijd later een procedure instelt tot bekrachtiging van de loonsoverdracht voor een andere vrederechter, omdat de schuldenaar inmiddels verhuisd is. In dit laatste geval is er geen samenvoeging en is wel hoger beroep mogelijk tegen de beslissing van de vrederechter over de hoofdschuld. A.2.
  12. De nv Axa besluit dat de prejudiciële vraag bevestigend moet worden beantwoord. A.3.
  13. De Ministerraad antwoordt dat de samenvoeging geen automatisme is en dat een partij zich daartegen kan verzetten om haar mogelijkheden tot hoger beroep te vrijwaren. Doordat de nv Axa zelf vragende partij was voor de samenvoeging, heeft zij zich in dezelfde situatie geplaatst als een partij die beide vorderingen bij een enkele akte heeft ingeleid. Er is volgens de Ministerraad in onderhavige zaak dan ook geen verschil met de zaak waarin het Hof reeds heeft besloten dat artikel 31, tweede lid, van de Loonbeschermingswet het gelijkheidsbeginsel niet schendt. A.3.
  14. De Ministerraad besluit dat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord. -B– B.
  15. Artikel 31 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers (hierna : Loonbeschermingswet) bepaalt : « In geval van verzet roept de overnemer de overdrager bij aangetekende brief, toegezonden door een deurwaarder, voor de vrederechter van het kanton van de woonplaats van de overdrager, ten einde de overdracht te horen bekrachtigen. De vrederechter beslist in laatste aanleg, ongeacht het bedrag van de overdracht. Bij bekrachtiging kan de overdracht door de gecedeerde schuldenaar worden uitgevoerd op eenvoudige kennisgeving die hem door de griffier wordt gedaan binnen vijf dagen te rekenen van het vonnis ». 8 B.2.
  16. Het verwijzende rechtscollege vraagt of het discriminerend is dat de schuldeiser-overnemer ingevolge het tweede lid van de geciteerde bepaling geen hoger beroep kan instellen tegen de beslissing van de vrederechter over een vordering met betrekking tot de hoofdschuldvordering die wegens samenhang is gevoegd met een vordering tot bekrachtiging van een loonoverdracht, terwijl wel hoger beroep mogelijk is wanneer de vordering met betrekking tot de hoofdschuldvordering niet tot de bevoegdheid van de vrederechter behoort. B.2.
  17. Het verwijzende rechtscollege interpreteert artikel 31, tweede lid, van de Loonbeschermingswet – met verwijzing naar een arrest van het Hof van Cassatie van 10 november 1983 – in die zin dat de vrederechter bij wie een vordering tot bekrachtiging van de loonoverdracht aanhangig is, in laatste aanleg uitspraak doet over alle voor hem opgeworpen betwistingen betreffende de vorm en de grond van zowel de loonoverdracht als de hoofdschuldvordering, ook wanneer die vorderingen – zoals te dezen – bij afzonderlijke akten voor de vrederechter zijn ingesteld maar zijn samengevoegd op verzoek van de partijen. Het verwijzende rechtscollege vergelijkt die situatie – waarbij de schuldeiser-overnemer geen hoger beroep meer kan instellen tegen de beslissing van de vrederechter over het geheel van de betwistingen – met de situatie van een schuldeiser-overnemer die een vordering met betrekking tot de hoofdschuldvordering instelt voor de rechtbank van eerste aanleg, en die tegen de beslissing van die rechtbank wel hoger beroep kan instellen. Dat is volgens het verwijzende rechtscollege ook het geval wanneer de vordering tot bekrachtiging van de loonoverdracht bij de vrederechter is ingesteld en de vordering met betrekking tot de hoofdschuldvordering voor de rechtbank van eerste aanleg, en de vorderingen wegens samenhang moeten worden gevoegd voor de rechtbank van eerste aanleg. B.
  18. In het ene geval gaat het om een schuldeiser die over een akte van loonsoverdracht beschikt en die, doordat de schuldenaars de hoofdverbintenis naar zijn oordeel niet nakomen, wenst over te gaan tot de uitvoering van de bij afzonderlijke overeenkomst aangegane overdracht van loon. De vordering is na eenvoudig verzet van de werknemer een door de schuldeiser ingestelde procedure tot bekrachtiging van die loonoverdracht. 9 In het andere geval gaat het om een schuldeiser-overnemer die de vordering met betrekking tot de hoofdschuldvordering niet inleidt voor de vrederechter, maar vanwege het bedrag ervan voor de rechtbank van eerste aanleg. B.
  19. Artikel 31, tweede lid, van de Loonbeschermingswet maakt integrerend deel uit van hoofdstuk VI van die wet betreffende de procedure inzake de overdracht van loon. De wetgever heeft in dat hoofdstuk een volledig systeem uitgebouwd waarbij hij op evenwichtige wijze de belangen van de schuldeisers en de belangen van de schuldenaars tegen elkaar heeft afgewogen. Ter bescherming van de schuldenaars heeft hij op straffe van nietigheid voorgeschreven dat de overdracht van loon moet gebeuren bij een akte, onderscheiden van die welke de hoofdverbintenis bevat en waarvan zij de uitvoering waarborgt, op te maken in zoveel exemplaren als er partijen zijn met een onderscheiden belang. Indien de gecedeerde schuldenaar zich verzet tegen het voornemen van de overnemer om de overdracht uit te voeren, dient deze laatste het initiatief te nemen om de overdracht door de vrederechter te horen bekrachtigen volgens een eenvoudige en goedkope procedure (artikel 31, eerste lid). De vrederechter moet, in de interpretatie van de verwijzende rechter, alvorens tot bekrachtiging over te gaan, alle bezwaren beoordelen die door de schuldenaar worden aangebracht, zowel met betrekking tot de vorm en de inhoud van de overdracht als met betrekking tot de hoofdschuldvordering. Ter bescherming van de schuldeiser bepaalt de wet niet enkel een eenvoudige en goedkope procedure, zij voorziet ook in een eenvoudige procedure wat betreft de uitvoering van de bekrachtiging van de overdracht (artikel 31, tweede lid) en in geval van wijziging van dienstbetrekking van de schuldenaar (de artikelen 32 en 33). De wetgever die in hoofdstuk VI van de Loonbeschermingswet een systeem heeft uitgewerkt dat zowel de belangen van de schuldenaar als die van de schuldeiser op doeltreffende wijze beschermt, vermocht, zonder het gelijkheidsbeginsel te schenden, te beslissen dat de vonnissen die in dat verband door de vrederechter worden gewezen, niet vatbaar dienden te zijn voor hoger beroep. 10 B.
  20. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 31, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in zoverre het tot gevolg heeft dat een schuldeiser-overnemer die, bij afzonderlijke akten, een vordering tot bekrachtiging van de loonoverdracht en een vordering met betrekking tot de hoofdschuldvordering heeft ingesteld, in geval van samenvoeging van de zaken voor de vrederechter op verzoek van de partijen, de mogelijkheid wordt ontzegd hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de vrederechter. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 12 februari
  21. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.018 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.