← België

ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 12 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.019 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090212.3 Arrest- Rolnummer: 19/2009 Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-02-17 Raadplegingen: 235 - laatst gezien 2026-06-29 17:32 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 99 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen schendt de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet, in zoverre het voorziet in een onweerlegbaar vermoeden van inverkeerstelling verbonden aan de inschrijving van een voertuig. UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - MET DE INKOMSTENBELASTING GELIJKGESTELDE BELASTINGEN - Verkeersbelasting PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 99 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Fiscaal recht - Met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen - Belasting op de inverkeerstelling - Inschrijving van het voertuig - Onweerlegbaar vermoeden van inverkeerstelling van het voertuig op de openbare weg. Wettelijke bepalingen: Wetboek diverse rechten en taksen - 23-11-1965 - 99 - 31 Link Justel databank 19651123-31 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4435 Arrest nr. 19/2009 van 12 februari 2009 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 99 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 14 februari 2008 in zake de nv « Rent Me » tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 22 februari 2008, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 99 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, doordat het een onweerlegbaar vermoeden van inverkeerstelling verbonden aan de inschrijving van een voertuig bevat, met als gevolg dat de belasting verschuldigd is, zelfs indien wordt aangetoond dat het voertuig niet op de openbare weg in gebruik is genomen ? ». Memories zijn ingediend door : - de nv « Rent Me », waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 1050 Brussel, Kroonlaan 388; - de Waalse Regering; - de Ministerraad. De nv « Rent Me » en de Ministerraad hebben memories van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 9 december 2008 : - zijn verschenen : . Mr. P. Willemart, advocaat bij de balie te Brussel, voor de nv « Rent Me »; . Mr. B. Van Caillie, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en A. Alen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 25 oktober 2002 vraagt de eiseres voor de verwijzende rechter achttien nieuwe voertuigen in te schrijven. Voor zeventien voertuigen worden de inschrijvingen toegekend op 28 oktober 2002 en op 29 oktober 2002 worden de nummerplaten terugbezorgd aan de Directie voor de Inschrijving van de Voertuigen (DIV) om uit het repertorium van de inschrijvingen te worden geschrapt. Voor één voertuig wordt de inschrijving toegekend op 30 oktober 2002 en dezelfde dag geschrapt. De betwiste belastingen worden op 4 februari 2003 ingekohierd voor het aanslagjaar

  1. De eiseres voor de verwijzende rechter dient een bezwaarschrift in tegen 3 de achttien betwiste belastingen. Dat bezwaarschrift wordt verworpen bij beslissing van de directeur der belastingen van 10 september
  2. De eiseres voor de verwijzende rechter voert aan dat de in het geding zijnde inschrijvingen bij vergissing zijn aangevraagd en beweert dat dus niet is voldaan aan de voorwaarden voor de verschuldigdheid van de betwiste belastingen. De verwijzende rechter stelt vast dat het belastbare feit de ingebruikneming van het voertuig op de openbare weg in België is. Hij stelt eveneens vast dat te dezen vaststaat dat de achttien voertuigen materieel gezien niet in gebruik zijn genomen op de openbare weg, hetgeen blijkt uit de zeer korte tijdspanne tussen de inschrijving en de schrapping van de nummerplaten, alsook uit het ondubbelzinnige attest van de concessiehouder van de voertuigen. De verwijzende rechter geeft voorts aan dat de voertuigen in kwestie, met toepassing van artikel 99 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (hierna : WIGB), juridisch gezien worden verondersteld op de openbare weg in België in gebruik te zijn genomen. Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie betreft het een onweerlegbaar vermoeden, zodat is voldaan aan de voorwaarden inzake de verschuldigdheid van de belasting. Rekening houdend met die elementen voert de eiseres voor de verwijzende rechter de ongrondwettigheid van artikel 99 van het WIGB aan, die volgens haar voorvloeit uit het daarin vervatte onweerlegbare vermoeden en die leidt tot de identieke behandeling, in dit geval de verschuldigdheid van de belasting, van verschillende situaties, namelijk de materiële ingebruikneming op de openbare weg in het ene geval en de ontstentenis van een materiële ingebruikneming op de openbare weg in het andere. III. In rechte -A– Memorie van de Ministerraad A.1.
  3. De Ministerraad geeft aan dat de bestreden bepaling in het WIGB is ingevoegd bij de wet van 1 juni 1992 houdende invoering van een belasting op de inverkeerstelling (Belgisch Staatsblad van 1 juni 1992). A.1.
  4. In hoofdorde voert de Ministerraad aan dat uit de bewoordingen van de gestelde vraag onvoldoende blijkt welke categorieën met elkaar moeten worden vergeleken opdat het Hof kan toetsen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De Ministerraad beweert dat, indien een van de in aanmerking te nemen categorieën die van de belastingschuldigen is die vrijwillig maar « bij vergissing » een inschrijving aanvragen, die categorie te specifiek zou blijken om een categorie van belastingplichtigen te vormen die de wetgever zou moeten onderscheiden van de andere. A.1.
  5. In ondergeschikte orde beweert de Ministerraad dat de maatregel waarvan het discriminerende karakter wordt aangevoerd, redelijk verantwoord en evenredig is, gelet op de door de wetgever nagestreefde doelstellingen. Hij herinnert eraan dat de wet van 1 juni 1992 past in het Europese perspectief van de opheffing van de fiscale grenzen op 1 januari 1993, waarvan een van de wijzigingen, opgelegd door de Europese Gemeenschap, bestaat in de opheffing van het btw-tarief van 25 pct., alsook van de aanvullende weeldetaks van 8 pct., vermits elke lidstaat nog slechts één gewoon btw-tarief van minstens 15 pct. mag hebben en één of twee verminderde tarieven van minstens 5 pct. De Regering zou derhalve hebben gesteld dat het verlies aan fiscale inkomsten veroorzaakt op het gebied van de verkoop van voertuigen, gedeeltelijk diende te worden gecompenseerd door de invoering van een nieuwe met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belasting op de inverkeerstelling van sommige voertuigen. Behalve het budgettaire motief zouden nog andere doelstellingen de aanpassing en het behoud van de belasting op de inverkeerstelling hebben gemotiveerd. Het zou immers de bedoeling zijn geweest de verkeersveiligheid te bevorderen en de milieuvervuiling te beperken door de aankoop van vooral snelle voertuigen en die met een groot vermogen te ontmoedigen. Door de voertuigen met een klein of gemiddeld 4 vermogen niet te beogen, zou de belasting op de inverkeerstelling één van de maatregelen vormen om een sociale correctie tot stand te brengen ten opzichte van de Europese vereisten inzake btw-tarieven. A.1.
  6. Volgens de Ministerraad zou de maatregel redelijk evenredig zijn met het nagestreefde doel, hoewel hij een onweerlegbaar vermoeden omvat. Dat vermoeden zou leiden tot een aanzienlijke verlichting van de materiële taken van de ontvangers van de directe belastingen en tot een vermindering van de formaliteiten voor de belastingplichtige. De kosten verbonden aan het innen van de belasting worden immers aldus beperkt, vermits zij grotendeels steunen op de informaticagegevens die de Dienst van het Wegverkeer verstrekt. De mogelijkheid waarover de belastingplichtige zou beschikken om aan te tonen dat zijn voertuig, nadat het is ingeschreven, daadwerkelijk op de openbare weg in gebruik zou zijn genomen, alsook de mogelijkheid voor de administratie om dat te controleren, zouden bijzonder onzeker en ingewikkeld blijken. De Ministerraad merkt voorts op dat er bijzondere regelingen bestaan, namelijk de « proefrittenplaat » of de « handelaarsplaat », die een voorlopige vrijstelling van de belasting mogelijk maken in afwachting van een gewone en definitieve inschrijving. De Ministerraad verwijst eveneens naar de regeling die is ingevoerd om een forse daling van de uitvoer van voertuigen tegen te gaan, regeling die de ontheffing toestaat van de belasting op de inverkeerstelling voor de voertuigen die worden overgebracht naar een andere lidstaat van de Europese Economische Gemeenschap, op voorwaarde dat zij er vervolgens onder een definitieve regeling worden geregistreerd. Aldus zou zijn aangetoond dat de regeling van de belasting op de inverkeerstelling uitzonderingen kent op het onweerlegbare vermoeden van artikel 99 van het WIGB, hetgeen de regeling van de geautomatiseerde inning, gewaarborgd door het voormelde vermoeden, zou milderen en die evenredig zou maken, naast de technische vereisten ervan inzake doeltreffendheid en kosten. A.1.
  7. De Ministerraad onderstreept ten slotte dat het Hof het unieke karakter van de belasting op de inverkeerstelling heeft erkend, volgens hetwelk het verantwoord was dat die belasting, ongeacht de latere gebeurtenissen en ongeacht de duur van de inschrijving, verworven bleef voor de Staat. Memorie van de nv « Rent Me » A.
  8. Volgens de nv « Rent Me » zou uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 1 juni 1992 blijken dat het belastbare feit de inverkeerstelling van het voertuig op de openbare weg is. De nv « Rent Me » geeft aan dat de administratie zelf zou toegeven dat de belasting in bepaalde gevallen niet verschuldigd is wanneer wordt aangetoond dat de persoon op wiens naam de inschrijving is aangevraagd, het voertuig niet in gebruik heeft genomen op de openbare weg. De parlementaire voorbereiding van de voormelde wet zou geen enkele verantwoording bevatten voor het onweerlegbare karakter van het vermoeden vervat in artikel 99 van het WIGB. Het zou volgens de nv « Rent Me » niet redelijk zijn de belastingplichtige de mogelijkheid te ontnemen om het tegenbewijs te leveren voor het vermoeden verbonden aan de inschrijving van een voertuig, aangezien een en ander ertoe leidt dat hij wordt onderworpen aan de belasting, los van het bestaan zelf van het belastbare feit. Het onweerlegbare vermoeden zou tot gevolg hebben dat de aard zelf van de belasting wordt gewijzigd, daar die laatste aldus geen belasting op de inverkeerstelling meer zou zijn, maar wel een inschrijvingsbelasting. De belastingplichtige zou dus de mogelijkheid moeten hebben het vermoeden verbonden aan de inschrijving van het voertuig om te keren en aan te tonen dat het voertuig niet in gebruik is genomen op de openbare weg. Memorie van de Waalse Regering A.3.
  9. De Waalse Regering verantwoordt haar optreden door het gegeven dat de in het geding zijnde belasting is opgenomen onder de gewestelijke belastingen die worden opgesomd in artikel 3, 11°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, waarvan de opbrengsten worden toegekend aan de gewesten volgens de plaats waar de rechtspersoon of de natuurlijke persoon is gevestigd op wiens naam het voertuig ingeschreven is of moet zijn (artikel 5, § 2, 11°, van dezelfde wet). A.3.
  10. Volgens de Waalse Regering identificeert de prejudiciële vraag geen duidelijke categorie van personen die vergelijkbaar zijn met de personen ten aanzien van wie een schending van het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie zou bestaan. Te dezen zou duidelijk slechts één door artikel 99 van het WIGB beoogde categorie van belastingplichtigen bestaan, namelijk de personen die de inschrijving van een voertuig hebben aangevraagd. Op basis van het gezond verstand zou moeten beschouwd dat iedere persoon die 5 de inschrijving van zijn voertuig in het repertorium van de voertuigen aanvraagt, de bedoeling heeft zijn voertuig in het verkeer te stellen op de openbare weg. A.3.
  11. Ten gronde preciseert de Waalse Regering dat het mechanisme van het vermoeden vervat in artikel 99 van het WIGB in werkelijkheid een overname is van het vroegere artikel 36ter van het WIGB, ingevoegd bij de wet van 27 juni 1972, dat inzake de verkeersbelasting en niet inzake de belasting op de inverkeerstelling een onweerlegbaar vermoeden heeft ingevoerd ten aanzien van het gebruik van de voertuigen op de openbare weg vanaf de inschrijving ervan. De Waalse Regering merkt op dat in de memorie van toelichting van de wet van 1972 in dat verband wordt vermeld dat het ontwerp de vereenvoudiging van de vestiging en van de inning van de belasting beoogt, rekening houdend met de aangroei van het wagenpark en dat « de nieuwe maatregelen inzake vestiging en inning voorgesteld voor de personenwagens en de gelijkgestelde voertuigen, berusten op drie nieuwe beginselen : a) vanaf zijn inschrijving bij de Dienst van het Wegverkeer en voor de ganse duur van die inschrijving, wordt het voertuig geacht in gebruik te zijn en is het bijgevolg belastbaar. Dit laat toe de aangifte bij de ontvanger der belastingen evenals het fiscaal kenteken af te schaffen […] ». A.3.
  12. De Waalse Regering merkt voorts op dat de aanvrager van de inschrijving met name in het bezit moet zijn van de grijze kaart van het voertuig om tot de inschrijving te kunnen overgaan en dat het niet echt geloofwaardig is dat een persoon die in het bezit is van dat getuigschrift, zich naar de DIV begeeft bij vergissing of zonder de intentie om het voertuig in het verkeer te stellen op de openbare weg. De wetgever zou dus redelijk ervan zijn uitgegaan dat het verband tussen de inschrijving en de ingebruikneming van een voertuig dermate duidelijk was dat hij op grond daarvan een onweerlegbaar vermoeden kon invoeren. Memorie van antwoord van de Ministerraad A.4.
  13. De Ministerraad neemt uittreksels over uit de omzendbrief van 14 september 1994 waarnaar de nv « Rent Me » in haar memorie verwijst en waarin twee situaties worden beoogd waarin de administratie het vermoeden van de inverkeerstelling van het voertuig « ruim » moet beoordelen. De eerste situatie betreft de niet-overeenkomstigheid van het voertuig en de tweede de verborgen gebreken. De Ministerraad wijst in de eerste plaats erop dat de eisende partij voor de verwijzende rechter zich niet bevindt in één van de twee in de omzendbrief beoogde hypothesen. Hij geeft aan dat de nv « Rent Me », door te verwijzen naar een omzendbrief om te trachten de toepassing te verantwoorden die zou kunnen worden gemaakt van de aan het oordeel van het Hof voorgelegde bepaling, terwijl die interpretatie van de veronderstelde intentie van de wetgever niet verenigbaar is met de uitdrukkelijke inhoud van die tekst, een rechtsdwaling pleegt die, volgens de lering van het Hof van Cassatie in zijn arrest van 14 juni 2002, de toepassing van het vertrouwensbeginsel uitsluit. De Ministerraad herinnert in dat opzicht eraan dat elke behandeling die in strijd is met de uitdrukkelijke wil van de wetgever, als onwettig dient te worden beschouwd en dat elke administratieve commentaar nooit meer is dan een advies over de toepasselijke wetsbepalingen, met dien verstande dat de uitvoering van dat advies in het kader van de verrichtingen inzake de vestiging van de belasting onderworpen blijft aan de toetsing van de rechtbanken. A.4.
  14. Volgens de Ministerraad moet elke belastingplichtige consequent blijven met zichzelf en de gevolgen van zijn inschrijvingsaanvraag dragen, terwijl de Staat, om de in de eerste memorie van de Ministerraad aangevoerde motiveringen, niet in de mogelijkheid verkeert om in elke situatie de ingebruikneming op de openbare weg te controleren, daar de inschrijvingsaanvraag in de geest van de wetgever zowel de wil van de belastingplichtige als de mogelijkheid voor die laatstgenoemde omvat om het voertuig op de openbare weg in gebruik te nemen. A.4.
  15. Ten aanzien van de in de omzendbrief beoogde situaties, wijst de Ministerraad erop dat de juridische betwistingen die kunnen ontstaan uit de daarin beoogde hypothesen, geen situaties zijn die de Staat in de plaats van de betrokken partijen moet beheren. Die situaties kunnen immers enkele latere schadeloosstellingen in burgerzaken verantwoorden, zonder daarom het beginsel van het onweerlegbare vermoeden dat de wetgever in de aan het Hof voorgelegde bepaling heeft gewild, discriminerend te maken. 6 A.4.
  16. De Ministerraad herinnert ten slotte eraan dat hij in zijn eerste memorie heeft uitgelegd waarom de wetgever, wegens technische vereisten inzake doeltreffendheid en kosten inherent aan de regeling van de geautomatiseerde inning, resoluut heeft gekozen voor het onweerlegbare vermoeden zodra het voertuig in kwestie in het repertorium van de voertuigen van de Dienst van het Wegverkeer is ingeschreven of moet worden ingeschreven. Hij heeft in zijn eerste memorie ook aangetoond dat er mogelijkheden tot ontheffing of regelingen voor de voorlopige vrijstelling van de belasting op de inverkeerstelling van een voertuig bestaan, die evenveel oplossingen vormen om de strikte toepassing van het onweerlegbare vermoeden, ingevoerd bij artikel 99 van het WIGB, te voorkomen. Memorie van antwoord van de nv « Rent Me » A.5.
  17. De nv « Rent Me » wijst erop dat uit de bewoordingen van de verwijzende rechter onbetwistbaar blijkt dat de categorieën van situaties die aan het Hof worden voorgelegd, de volgende zijn : enerzijds, de belastingplichtigen die de inschrijving van een voertuig hebben aangevraagd en die dat laatste in gebruik hebben genomen op de openbare weg en, anderzijds, diegenen die, hoewel zij de inschrijving van het voertuig hebben aangevraagd, aantonen dat dat voertuig niet in gebruik is genomen op de openbare weg. De vraag om welke reden of wegens welke omstandigheid een voertuig waarvan de inschrijving is aangevraagd, uiteindelijk niet in gebruik is genomen op de openbare weg, zou volgens de nv « Rent Me » niet pertinent zijn. Van belang zou alleen zijn de vraag of het voertuig al dan niet op de openbare weg in gebruik is genomen, met andere woorden of de aanleiding van de belasting op de inverkeerstelling zich werkelijk heeft voorgedaan. A.5.
  18. De nv « Rent Me » onderstreept dat niet de wijze waarop de belasting wordt geïnd, wordt betwist, maar wel de onmogelijkheid waarin de persoon van wie zij wordt gevorderd, zich bevindt als gevolg van artikel 99 van het WIGB, om aan te tonen dat het voertuig niet op de openbare weg in het verkeer is gesteld en, bijgevolg, om de ontheffing te verkrijgen van de belasting op de inverkeerstelling die te zijnen laste is gevestigd. Hoewel het redelijk is erin te voorzien dat de wijze van inning tot gevolg heeft dat de aanvraag voor de inschrijving van het voertuig automatisch leidt tot de inkohiering van de belasting op de inverkeerstelling, zou het daarentegen absoluut niet verantwoord zijn dat de houder van de inschrijving de mogelijkheid wordt ontzegd om aan te tonen dat het voertuig waarvan hij de inschrijving heeft aangevraagd, niet in gebruik is genomen op de openbare weg. A.5.
  19. De nv « Rent Me » voert voorts aan dat het gegeven dat bijzondere regelingen inzake inschrijving bestaan die een voorlopige vrijstelling van de belasting mogelijk maken in afwachting van een gewone en definitieve inschrijving, niet relevant is ten aanzien van de bekritiseerde maatregel. De persoon die de gewone inschrijving van een voertuig aanvraagt, bevindt zich immers per hypothese niet in een van de gevallen waarbij de voorlopige inschrijving kan worden aangevraagd. De Ministerraad kan evenmin worden gevolgd wanneer hij het arrest van het Hof van 19 juli 2005 aanhaalt om te doen geloven dat het reeds zou hebben beslist dat de toekenning van een nummerplaat de houder ervan verplicht de belasting op de inverkeerstelling te betalen, zonder dat hij de mogelijkheid heeft om aan te tonen dat het ingeschreven voertuig niet in gebruik is genomen op de openbare weg. -B– B.
  20. Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, van artikel 99 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, in zoverre het voorziet in een onweerlegbaar vermoeden van inverkeerstelling verbonden aan de inschrijving van een voertuig, met als gevolg dat de belasting verschuldigd is zelfs wanneer wordt aangetoond dat het voertuig niet op de openbare weg in gebruik is genomen. 7 B.
  21. Het voormelde artikel 99 bepaalt : « §
  22. De in artikel 94, 1°, bedoelde voertuigen worden geacht op de openbare weg in gebruik te zijn genomen, wanneer zij in het repertorium van de Dienst van het Wegverkeer ingeschreven zijn of het moeten zijn. […] ». B.3.
  23. Volgens de Ministerraad en de Waalse Regering, tussenkomende partij in de rechtspleging voor het Hof, zou de prejudiciële vraag niet aangeven welke categorieën van rechtzoekenden moeten worden onderscheiden. De Ministerraad voegt eraan toe dat op zijn minst één van de categorieën die voor een vergelijking kan worden bepaald, namelijk die van de belastingplichtigen die een voertuig vrijwillig maar bij vergissing inschrijven, te specifiek zou zijn om in aanmerking te kunnen worden genomen. B.3.
  24. In tegenstelling tot wat de Ministerraad en de Waalse Regering aanvoeren, blijkt zowel uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag als uit de motieven van het vonnis van de verwijzende rechter voldoende dat de laatstgenoemde het Hof verzoekt zich uit te spreken over de identieke behandeling, namelijk de verschuldigdheid van de belasting op de inverkeerstelling van een voertuig, ten aanzien van belastingplichtigen die zich in verschillende situaties zouden bevinden : enerzijds, diegenen die het voertuig werkelijk op de openbare weg in gebruik hebben genomen en, anderzijds, diegenen die het voertuig niet werkelijk in gebruik hebben genomen en de inschrijving ervan bij vergissing hebben aangevraagd. B.3.
  25. De exceptie wordt verworpen. B.
  26. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie verzetten zich ertegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de in het geding zijnde maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat geen 8 redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.5.
  27. De in het geding zijnde bepaling vindt haar oorsprong in de wet van 1 juni 1992 houdende invoering van een belasting op de inverkeerstelling (Belgisch Staatsblad, 1 juni 1992). In de parlementaire voorbereiding van die wet staat te lezen : « In het Europees perspectief van de afschaffing van de fiscale grenzen vanaf 1 januari 1993, heeft de Regering onlangs wijzigingen aangebracht in de tarieven van de B.T.W. […]. Eén van de wijzigingen bestaat in de afschaffing van het B.T.W.-tarief van 25 pct. en de aanvullende weeldetaks van 8 pct. Bij de begrotingscontrole 1992 oordeelde de Regering het aangewezen om het verlies van de fiscale ontvangsten dat aldus is ontstaan met betrekking tot de autoverkoop gedeeltelijk te compenseren door invoering van een nieuwe met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belasting op de inverkeerstelling van sommige voertuigen. De belasting op de inverkeerstelling die de Regering u voorstelt in te voeren betreft niet de voertuigen met een laag of gemiddeld vermogen. Voor de voertuigen die eraan onderworpen zijn zal het bedrag ervan in de meeste gevallen lager zijn dan de belastingbesparing ingevolge de afschaffing van het B.T.W.-tarief van 25 pct. en de aanvullende weeldetaks » (Parl. St., Senaat, 1991-1992, nr. 329/1, p. 1). De in het geding zijnde bepaling is aangenomen « om het initiatief tot betaling van de belasting aan de belastingplichtige te onttrekken ». Om die reden is voorgesteld « voor de drie types van voertuigen […], een onweerlegbaar vermoeden van ontstaan van belastingschuld vast te leggen op het ogenblik van de inschrijving van het voertuig, of het luchtvaartuig of het verstrekken van de vlaggebrief voor een boot, respectievelijk door de bevoegde administratieve overheden » (ibid., p. 4). Omwille van de administratieve vereenvoudiging en de beperking van de kosten heeft de wetgever beslist de taks op de inverkeerstelling te laten samenvallen met de inschrijving van het voertuig (Parl. St., Senaat, 1991-1992, nr. 329/2, p. 19), aangezien de inningsprocedure « grotendeels geïnformatiseerd is en verloopt op grond van de gegevensbestanden die door de DIV (Dienst van het Wegverkeer) worden verstrekt » (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 466/6, p. 45). 9 B.5.
  28. Hoewel de wetgever een onweerlegbaar vermoeden van inverkeerstelling van het voertuig op de openbare weg in het kader van de in het geding zijnde bepaling heeft willen invoeren, is voorzien in een aantal uitzonderingen op de heffing van de belasting, teneinde de gevolgen verbonden aan dat vermoeden te matigen. Aldus wordt voor de voertuigen met een « proefrittenplaat » of een « handelaarsplaat » voorlopig geen enkele belasting op de inverkeerstelling geïnd, in afwachting van een normale en definitieve inschrijving van het betrokken voertuig (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 466/6, pp. 49-50). Voor de voertuigen, luchtvaartuigen en vaartuigen die, binnen zes maanden na de inschrijving ervan, worden overgebracht naar een andere lidstaat van de Europese Economische Gemeenschap is eveneens voorzien in een ontheffing van de belasting voorgeschreven bij artikel 105 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, op voorwaarde dat die vervoermiddelen er vervolgens onder een definitieve regeling worden ingeschreven. B.
  29. De wetgever vermocht op wettige wijze ervan uit te gaan dat, omwille van een gezond administratief beheer, de inning van die belasting niet moest worden verbonden aan het initiatief of aan het oordeel van de belastingplichtige, maar aan een gebeurtenis die met zekerheid kan worden vastgesteld en waarvan de belastingplichtige de fiscale gevolgen kent. B.
  30. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 99 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen schendt de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet, in zoverre het voorziet in een onweerlegbaar vermoeden van inverkeerstelling verbonden aan de inschrijving van een voertuig. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 12 februari
  31. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.019 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.