id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 18 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.030 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090218.9 Arrest- Rolnummer: 30/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-02-18 Raadplegingen: 219 - laatst gezien 2026-06-29 18:28 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vordering tot schorsing (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Vordering tot gedeeltelijke schorsing van artikel 2244, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals aangevuld bij artikel 2 van de wet van 25 juli 2008 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit met het oog op het stuiten van de verjaring van de vordering tot schadevergoeding ten gevolge van een beroep tot vernietiging bij de Raad van State », ingesteld door Edouard Thibaut. Burgerlijk recht - Vordering tot schadevergoeding - Verjaring - Stuiting - Beroep tot vernietiging bij de Raad van State. # Schorsing - Geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 2244,L3 - 35 ELI link Pub nr 1804032155 Wet - 25-07-2008 - 2 - 36 ELI link Pub nr 2008009714 Tekst van de beslissing Rolnummer 4558 Arrest nr. 30/2009 van 18 februari 2009 In zake : de vordering tot gedeeltelijke schorsing van artikel 2244, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals aangevuld bij artikel 2 van de wet van 25 juli 2008 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit met het oog op het stuiten van de verjaring van de vordering tot schadevergoeding ten gevolge van een beroep tot vernietiging bij de Raad van State », ingesteld door Edouard Thibaut. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters A. Alen, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 20 november 2008 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 21 november 2008, heeft Edouard Thibaut, wonende te 1348 Louvain-la-Neuve, Voie Cardijn 52, een vordering tot gedeeltelijke schorsing ingesteld van artikel 2244, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat artikel werd aangevuld bij artikel 2 van de wet van 25 juli 2008 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit met het oog op het stuiten van de verjaring van de vordering tot schadevergoeding ten gevolge van een beroep tot vernietiging bij de Raad van State » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 augustus 2008). Bij afzonderlijk verzoekschrift vordert de verzoekende partij eveneens de gedeeltelijke vernietiging van dezelfde norm. Bij beschikking van 16 december 2008 heeft het Hof de terechtzitting bepaald op 14 januari 2009, na - de verzoekende partij te hebben uitgenodigd het Hof ter terechtzitting in te lichten over de stand van de rechtspleging voor de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel en, indien die Rechtbank wel degelijk haar vonnis op 12 december 2008 heeft gewezen, eveneens ter terechtzitting een afschrift van dat vonnis over te leggen; - de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 bedoelde overheden te hebben uitgenodigd hun eventuele schriftelijke opmerkingen uiterlijk op donderdag 8 januari 2009 in de vorm van een memorie in te dienen en een afschrift ervan binnen dezelfde termijn aan de verzoekende partij over te zenden. De Ministerraad heeft schriftelijke opmerkingen ingediend. Op de openbare terechtzitting van 14 januari 2009 : - zijn verschenen : . de verzoekende partij, in eigen persoon; . Mr. J. Bourtembourg, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en A. Alen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A– A.1.
- De verzoeker merkt op dat de bestreden wet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 augustus 2008, zodat de termijn van drie maanden voor het indienen van een vordering tot schorsing bij het Hof in acht is genomen. De verzoeker motiveert zijn vordering tot schorsing door het feit dat hij eiser is in een burgerlijke vordering tot schadevergoeding, hangende voor de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, en dat zijn vordering met toepassing van de bestreden wet niet ontvankelijk zou worden verklaard bij een vonnis dat binnenkort zou worden uitgesproken. A.1.
- De verzoeker vat de context van de zaak als volgt samen. Hij heeft op 27 juli 1997 bij de Raad van State een verzoekschrift ingediend tot nietigverklaring van het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 14 februari 1997 (Belgisch Staatsblad, 31 mei 1997) tot benoeming van een collega in een functie waarvoor hij zich zelf kandidaat had gesteld. Met een arrest nr. 106.979 van 24 mei 2002 verwerpt de Raad van State het voormelde verzoekschrift. Het administratieve rechtscollege stelt immers vast dat de verzoeker geen belang erbij heeft de rechtspleging voort te zetten, daar hij tijdens die rechtspleging op pensioen is gesteld. A.1.
- De verzoeker voert aan dat hij, doordat hij niet in de graad van directeur is benoemd, een aanzienlijk materieel en moreel nadeel zou lijden door het verschil in wedde tussen het ambt van adjunct-adviseur en dat van directeur, alsook wegens het verschil in pensioen aangezien het bedrag van het pensioen van de ambtenaren wordt berekend op basis van de gemiddelde wedde van de laatste vijf jaar dienstactiviteit. Bijna vijf jaar nadat de Raad van State het arrest heeft gewezen, brengt de verzoeker zijn zaak voor de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. De Franse Gemeenschapsraad dient een zittingsnota in, waarin hij onderstreept dat de Raad van State de door de verzoeker bestreden administratieve handeling niet nietig heeft verklaard, zodat de laatstgenoemde geen aanspraak kan maken op de stuiting van de burgerlijke verjaringstermijn. De verzoeker geeft aan dat het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel over zijn burgerlijke vordering op 12 december 2008 zou worden uitgesproken. A.1.
- Hij vordert de vernietiging van een deel van de wet van 25 juli 2008 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit met het oog op het stuiten van de verjaring van de vordering tot schadevergoeding ten gevolge van een beroep tot vernietiging bij de Raad van State, omdat zij een verschil in behandeling zou invoeren tussen, enerzijds, de persoon die een dagvaarding voor de burgerlijke rechtbank indient en, anderzijds, een persoon die een vordering tot nietigverklaring indient voor de Raad van State. De verzoeker voert aan dat de ongelijke behandeling erin bestaat dat, voor de stuiting van de verjaringstermijn, iedere verzoeker voor de Raad van State gebonden is door een resultaatsverplichting, namelijk de nietigverklaring van de bestreden administratieve handeling, terwijl een dergelijke resultaatsverplichting geenszins is vereist in het geval van een dagvaarding. A.2.
- In zijn memorie voert de Ministerraad aan dat het door de verzoeker ingediende beroep geenszins de vernietiging van artikel 2 van de wet van 25 juli 2008 tot doel zou hebben, aangezien de verzoeker het woord « voorstel » gebruikt zonder in zijn verzoekschrift het woord « vernietiging » te vermelden. A.2.
- De Ministerraad voert tevens aan dat de stuiting van de verjaring op geen enkele wijze ten goede zou kunnen komen aan de verzoeker, daar het eerste lid van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek niet wordt bekritiseerd. A.2.
- In ondergeschikte orde wijst de Ministerraad erop dat het lot bekend moet zijn van de zaak die in beraad is genomen op de terechtzitting van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 13 november
- 4 In elk geval zou het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, volgens de Ministerraad, niet bestaan daar het vonnis waarmee de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de verjaring van de vordering uitspreekt, hoe dan ook vatbaar zou zijn voor hoger beroep. -B– B.
- De vordering tot schorsing is gericht tegen een deel van de wet van 25 juli 2008 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit met het oog op het stuiten van de verjaring van de vordering tot schadevergoeding ten gevolge van een beroep tot vernietiging bij de Raad van State » (hierna : de wet van 25 juli 2008). Ten aanzien van het onderwerp van het beroep B.2.
- Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. Die bepaling vereist derhalve dat de verzoekende partijen zelf aangeven welke de artikelen zijn die volgens hen een schending uitmaken van de in de middelen uiteengezette normen waarvan het Hof de naleving verzekert. B.2.
- Uit het verzoekschrift blijkt dat het slechts tegen één bepaling van de wet van 25 juli 2008, namelijk artikel 2, is gericht. De omstandigheid dat de verzoeker niet het woord « vernietiging » gebruikt, maakt het verzoekschrift daarom nog niet onontvankelijk. Het Hof beperkt derhalve zijn onderzoek tot artikel 2 van de wet van 25 juli
- 5 B.
- Artikel 2 van de wet van 25 juli 2008 bepaalt : « Artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek wordt aangevuld met twee leden, luidende : ' Een dagvaarding voor het gerecht stuit de verjaring tot het tijdstip waarop een definitieve beslissing wordt uitgesproken. Voor de toepassing van deze afdeling heeft een beroep tot vernietiging van een administratieve handeling bij de Raad van State dezelfde gevolgen ten opzichte van de vordering tot herstel van de schade veroorzaakt door de vernietigde administratieve handeling als een dagvaarding voor het gerecht. ' ». Ten aanzien van de vordering tot schorsing B.
- Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 dient aan twee grondvoorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : - de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn; - de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat één van die voorwaarden niet is vervuld tot verwerping van de vordering tot schorsing. Ten aanzien van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel B.5.
- De schorsing moet het mogelijk maken te vermijden dat, voor de verzoekende partijen, een ernstig nadeel voortvloeit uit de onmiddellijke toepassing van de bestreden norm, nadeel dat niet of moeilijk zou kunnen worden hersteld in geval van een eventuele vernietiging. B.5.
- Om het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aan te tonen, voert de verzoeker aan dat hij eisende partij is in een burgerlijke vordering die hangende is voor de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel en betrekking heeft op een vordering tot 6 schadevergoeding naar aanleiding van de bevordering van een collega in een post bij het ministerie van de Franse Gemeenschap waarvoor hij zich zelf kandidaat had gesteld. Volgens de verzoeker zou het materiële en morele nadeel voortvloeien uit het verschil in wedde tussen het ambt van adjunct-adviseur en dat van directeur, alsook uit het verschil in pensioen, daar het bedrag van het pensioen van de ambtenaren wordt berekend op basis van de gemiddelde wedde van de laatste vijf jaren dienstactiviteit. De verzoeker voert aan dat hij vreest dat zijn vordering op burgerlijk vlak in een binnenkort te verwachten vonnis onontvankelijk zal worden verklaard indien de bestreden bepaling wordt toegepast. B.5.
- In tegenstelling tot wat de verzoeker beweert, zou het te dezen aangevoerde nadeel kunnen worden hersteld indien de bestreden bepaling wordt vernietigd. De verzoeker beschikt immers nog over rechtsmiddelen tegen de rechterlijke beslissing waarmee zijn burgerlijke vordering onontvankelijk zou worden verklaard op grond van de bestreden bepaling. Indien de beroepstermijnen zouden zijn verstreken vooraleer het Hof zijn arrest op het beroep tot vernietiging heeft gewezen, zou de verzoeker nog op grond van artikel 16 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 een vordering kunnen instellen tot intrekking van de definitieve beslissing die op de aldus door het Hof vernietigde bepaling zou zijn gegrond. B.
- Bij ontstentenis van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, dient niet te worden ingegaan op de vordering tot schorsing. 7 Om die redenen, het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 18 februari
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.030 Gerelateerde publicatie(s) Link JUSTEL: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.113 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div