id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 24 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.031 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090224.4 Arrest- Rolnummer: 31/2009 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-02-25 Raadplegingen: 225 - laatst gezien 2026-06-29 19:21 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Bewijs (gerechtelijk recht) - Deskundigenonderzoek PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen 27 en 33 van de wet van 15 mei 2007 « tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het deskundigenonderzoek en tot herstel van artikel 509quater van het Strafwetboek », ingesteld door Thierry Mansvelt en anderen. Gerechtelijk recht - Burgerlijke rechtspleging - Deskundigenonderzoek - Consignatie van het voorschot - Strafsanctie voor de gerechtelijke deskundige in geval van aanvaarding van een rechtstreekse betaling. Wettelijke bepalingen: Wet - 15-05-2007 - 27 - 62 ELI link Pub nr 2007009537 Wet - 15-05-2007 - 33 - 62 ELI link Pub nr 2007009537 Tekst van de beslissing Rolnummer 4436 Arrest nr. 31/2009 van 24 februari 2009 ___________ In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 27 en 33 van de wet van 15 mei 2007 « tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het deskundigenonderzoek en tot herstel van artikel 509quater van het Strafwetboek », ingesteld door Thierry Mansvelt en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, L. Lavrysen, J.-P. Moerman en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 20 februari 2008 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 22 februari 2008, hebben Thierry Mansvelt, wonende te 1080 Brussel, Opzichterstraat 115, Pierre Noël, wonende te 6120 Ham-sur-Heure, rue de Jamioulx 65, Geoffroy de Streel, wonende te 1320 Bevekom, rue Marcoen 1, Henry Denis, wonende te 1420 Eigenbrakel, avenue Henry de Withem 10, Jean-Pierre de Dorlodot, wonende te 1325 Chaumont-Gistoux, rue La Place 14, en Daniel Drochmans, wonende te 1471 Genepiën, rue Saint-Joseph 24, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 27 en 33 van de wet van 15 mei 2007 « tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het deskundigenonderzoek en tot herstel van artikel 509quater van het Strafwetboek » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 augustus 2007). De Ministerraad heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 19 november 2008 : - zijn verschenen : . Thierry Mansvelt, verzoekende partij, in eigen persoon; . Mr. C. Molitor, tevens loco Mr. J. Bourtembourg, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A– Ten aanzien van het belang A.
- De verzoekers worden geregeld aangewezen in hun hoedanigheid van gerechtelijk deskundige en zijn allen leden van het « Nationaal College van Gerechtelijke Deskundigen van België » (vzw NCGD), dat deskundigen groepeert die gerechtelijke opdrachten uitvoeren in opdracht van rechtbanken, vredegerechten en parketten van de gerechtelijke arrondissementen van België, in alle vakgebieden en alle technische middens waarop het gerecht een beroep kan doen. 3 De verzoekers doen bijgevolg blijken van hun belang om de vernietiging te vorderen door het feit dat zij rechtstreeks worden geraakt door de bestreden bepalingen die voorzien in een verplichting tot consignatie (artikel 987 van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 27 van de wet van 15 mei 2007) en waarbij de gerechtelijk deskundige die, wetende dat een rechtstreekse betaling niet toegelaten is, die desondanks van een partij in het geding aanvaardt (artikel 509quater van het Strafwetboek, ingevoegd bij artikel 33 van de wet van 15 mei 2007), strafrechtelijk wordt bestraft. Ten aanzien van de middelen A.2.
- Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, het evenredigheidsbeginsel en het algemeen beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. A.2.
- In het eerste onderdeel van het middel zijn de verzoekers van mening dat, door de gerechtelijk deskundige die een rechtstreekse betaling van een partij in het geding aanvaardt strafrechtelijk te bestraffen, de federale wetgever de gerechtelijk deskundigen discrimineert, enerzijds, ten opzichte van de andere zelfstandigen, zoals de advocaten, notarissen, gerechtsdeurwaarders en architecten en, anderzijds, ten opzichte van de deskundigen op persoonlijke titel, terwijl, aangezien de zelfstandigen zich in vergelijkbare situaties bevinden, op identieke wijze moeten worden behandeld. Terwijl de gerechtelijk deskundige een zelfstandige is en geen partij in het geding, is hij de enige zelfstandige die met een strafrechtelijke sanctie wordt bestraft indien hij een niet-toegelaten rechtstreekse betaling aanvaardt van een partij in het geding. A.2.3.
- In het tweede onderdeel van het middel zijn de verzoekers van mening dat met het aan de gerechtelijk deskundige opgelegde verbod op straffe van een strafrechtelijke sanctie enig voorschot voor kosten en honoraria te innen, de federale wetgever de gerechtelijk deskundigen discrimineert, enerzijds, ten opzichte van de andere zelfstandigen, zoals de advocaten, notarissen, gerechtsdeurwaarders en architecten en, anderzijds, ten opzichte van de deskundigen op persoonlijke titel. Ofschoon het principe van consignatie niet nieuw is, vermits daarin reeds werd voorzien in het oude artikel 990 van het Gerechtelijk Wetboek met de bedoeling de bescherming van de partijen te verzekeren, durfden de partijen doorgaans niet weigeren van de verplichting tot kantonnement van de voorschotten af te wijken, opdat de deskundige zijn verrichtingen sneller kan aanvatten, zonder ertoe te worden genoopt de kostprijs van het deskundigenonderzoek zelf te financieren. De verzoekers stellen echter vast dat de betrekkingen tussen de partijen in het geding en de gerechtelijk deskundige niet verschillend zijn van die tussen een cliënt en zijn advocaat : het risico dat de partij loopt die een voorschot zou hebben gestort aan de deskundige, dat die zijn opdracht zou « vergeten », is niet groter dan in het geval van een voorschot dat aan een advocaat, notaris of gerechtsdeurwaarder wordt gestort. Het enige verschil - dat niet de ten aanzien van de verzoekers gemaakte discriminatie verantwoordt - is het feit dat de advocaat vrij wordt gekozen door zijn cliënt, terwijl de deskundige wordt aangewezen door de rechtbank en zijn opdracht hem wordt toevertrouwd door de rechter, onder diens controle, wat een bijkomende reden vormt voor de deskundige om zich nauwgezet van zijn opdracht te kwijten. A.2.3.
- artikel 987 van het Gerechtelijk Wetboek beoogt in werkelijkheid niet alleen het voorschot maar ook de eindstaat van erelonen. Bovendien voorziet artikel 987, doordat het bepaalt dat de rechter « kan », slechts in een facultatief mechanisme, zonder dat bepaald wordt of de provisie of de consignatie ervan facultatief is. De rechter zou bijgevolg de rechtstreekse betaling van het voorschot aan de gerechtelijk deskundige kunnen toelaten, wat onbestaanbaar zou zijn met een goede rechtsbedeling, aangezien de deskundigen ertoe verleid zouden kunnen worden de partijen te verdedigen die hen onmiddellijk kunnen vergoeden. Enkel de praktijk zal kunnen aantonen hoe de rechter de in artikel 987 van het Gerechtelijk Wetboek geboden mogelijkheid interpreteert, zonder dat het voor de gerechtelijk deskundige mogelijk is te eisen dat de rechter hem toelaat het voorschot rechtstreeks te innen. Aangezien de gerechtelijk deskundigen de enige zelfstandigen zijn die geen onmiddellijke betaling van een voorschot of van de eindstaat van erelonen mogen aanvaarden, worden zij gediscrimineerd ten opzichte van de andere zelfstandigen en de deskundigen op persoonlijke titel. 4 A.3.
- De Ministerraad is, wat betreft de beide onderdelen van het eerste middel, van oordeel dat de gerechtelijk deskundige en de andere dienstverleners zoals de advocaten, de notarissen of de gerechtsdeurwaarders of de deskundigen op persoonlijke titel zich niet in vergelijkbare situaties bevinden. De aard van de betrekkingen die bestaan tussen, enerzijds, de door een rechtscollege aangewezen gerechtelijk deskundige en de partijen in het geding en, anderzijds, de door de verzoekers geïdentificeerde dienstverleners en hun cliënten zijn immers fundamenteel verschillend : de gerechtelijk deskundige wordt aangewezen door de rechter, en zijn opdracht, die terdege wordt georganiseerd in de wet en die onder leiding van de rechter wordt uitgevoerd, moet onafhankelijk en neutraal worden uitgeoefend, terwijl de andere dienstverleners vrij worden gekozen door hun cliënten, zonder dat hun betrekkingen op een dermate strakke wijze worden geregeld als die met de gerechtelijk deskundige. Dat fundamentele verschil heeft als gevolg dat de procespartijen verplicht zijn een beroep te doen op de rechter ingeval de deskundige niet zorgvuldig zou zijn, terwijl de cliënten rechtstreeks kunnen optreden tegen de andere dienstverleners door met name op eigen initiatief te beslissen een einde te maken aan de betrekkingen met laatstgenoemden. A.3.
- Bovendien is de Ministerraad van oordeel dat de bestreden bepalingen objectief en redelijkerwijze kunnen worden verantwoord en dat zij een wettig doel nastreven. De wet van 15 mei 2007 strekt immers ertoe de procedure van het deskundigenonderzoek te verbeteren teneinde ze te versnellen en te versoepelen en bepaalde nadelen van de procedure te verhelpen die met name te wijten zijn aan de ontoereikende begeleiding van de deskundige tijdens het deskundigenonderzoek. Het mechanisme van consignatie van een voorschot - waarin reeds werd voorzien in het oude artikel 990, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek - is vastgesteld in het voordeel van elke partij die betrokken is in de procedure van het deskundigenonderzoek, zowel de partijen in het geding als de gerechtelijk deskundige, en het is precies om de inachtneming van die verplichting tot consignatie te verzekeren, dat de wetgever het nieuwe artikel 509quater van het Strafwetboek heeft aangenomen. A.3.
- Ten slotte is de bewering van de verzoekers volgens welke de rechter de rechtstreekse betaling van het voorschot aan de gerechtelijk deskundige zou kunnen toelaten verkeerd, vermits in de parlementaire voorbereiding wordt uiteengezet dat indien geen enkele consignatie wordt gelast, de deskundige moet wachten tot het einde van de procedure vooraleer hij een betaling kan ontvangen. A.4.
- De verzoekers antwoorden dat het feit dat de gerechtelijk deskundige zijn opdracht van de rechter krijgt en niet van een partij, ten aanzien van het onderwerp van de bestreden bepalingen geen relevant verschil kan vormen tussen de categorieën van personen die in het middel met elkaar worden vergeleken. De gerechtelijk deskundigen zijn immers zelfstandigen die bijdragen tot de werking van het gerecht, net zoals de advocaten, notarissen of gerechtdeurwaarders, en zij oefenen dezelfde opdracht uit als de deskundigen op persoonlijke titel. De gerechtelijk deskundigen worden overigens, zoals de curatoren, voorlopig bewindvoerders of commissarissen inzake opschorting, door de rechter aangewezen, terwijl enkel eerstgenoemden aan de verplichting tot onsignatie onderworpen zijn op straffe van strafrechtelijke sanctie. Bovendien kon de door de wetgever nagestreefde doelstelling om de bescherming van de partijen te verzekeren en de rechter in staat te stellen een betere controle uit te oefenen op de kostprijs van het deskundigenonderzoek worden bereikt door de aanneming van een koninklijk besluit waarin de regels en tarieven worden vastgesteld met betrekking tot de honoraria en kosten van de gerechtelijk deskundige, een werkwijze waarvoor overigens werd geopteerd wat betreft de commissarissen inzake opschorting en de curatoren. A.4.
- De wet van 15 mei 2007 strekt ertoe de kostprijs en de duurtijd van de deskundigenonderzoeken te verminderen, teneinde de gerechtelijke achterstand te verhelpen en het ondergeschikte karakter van die onderzoeksmaatregel te versterken. Met verwijzing naar verscheidene geschriften in de rechtsleer zijn de verzoekers van mening dat het verbod van voorschot op straffe van strafrechtelijke sanctie een onredelijke maatregel vormt die het niet mogelijk zal maken de met de wet van 15 mei 2007 nagestreefde doelstellingen te bereiken, rekening houdend
(1)met de ontstentenis van nieuwe middelen die ter beschikking worden gesteld van de griffies en de magistraten om de nieuwe taken die hun zijn toevertrouwd daadwerkelijk te vervullen,
(2)de aanhoudende ontstentenis van een statuut van gerechtelijk deskundige en
(3)het feit dat er te veel toevallige of storende elementen in de wettekst blijven bestaan. 5 Het wettelijke kader verzekert de deskundige immers niet langer dat hij op tijd zal worden betaald voor het uitvoeren van de verrichtingen die hem door de rechter worden toevertrouwd met als gevolg dat de aanvang van het deskundigenonderzoek wordt vertraagd, wat strijdig is met de nagestreefde doelstelling om de procedure te versnellen en de gerechtelijke achterstand weg te werken : niet alleen kan de rechter de partijen die gehouden zijn tot consignatie van het voorschot - beslissing die overigens vatbaar is voor hoger beroep - niet veroordelen, wat tot gevolg zal hebben dat de deskundige zijn werkzaamheden zal kunnen uitstellen zolang de consignatie niet is gebeurd, zodat de meest gerede partij of de deskundige de zaak opnieuw voor de rechter zal moeten brengen om de situatie te deblokkeren, maar er zal moeten worden gewacht tot het voorschot aan de griffie is gestort en door de griffie is vrijgemaakt. Artikel 987 van het Gerechtelijk Wetboek heeft niet alleen tot gevolg de aanvang van het deskundigenonderzoek uit te stellen, maar ook het verloop daarvan te vertragen. Het is immers pas nadat hij kennis heeft genomen van het dossier dat de deskundige de kostprijs van het deskundigenonderzoek zal kunnen evalueren, zodat hij zich in talrijke gevallen opnieuw tot de rechter zal moeten wenden om hem een bijkomend voorschot te vragen, waarbij het voor de rechter zeer moeilijk zal zijn het bedrag daarvan vast te stellen, rekening houdend met het maximumbedrag dat de deskundige op het einde van zijn opdracht zal innen. Ten slotte verzekert artikel 973 van het Gerechtelijk Wetboek de rechter reeds een grotere controle op het verloop van het deskundigenonderzoek, zodat de bestreden bepaling niet kan worden verantwoord door de doelstelling om de opdracht van de deskundige te laten begeleiden door de rechter, des te meer daar het voor de rechter zeer moeilijk zal zijn om, op het ogenblik van de installatievergadering, de omvang en de duurtijd van het deskundigenonderzoek vast te stellen en bijgevolg een doeltreffende bescherming van de partijen te verzekeren. A.4.
- De discriminatie die daaruit voortvloeit onder zelfstandigen is des te flagranter daar het systeem - wat niet coherent is - niet voorziet in een verplichting, maar in een eenvoudige mogelijkheid voor de rechter om het te consigneren voorschot vast te stellen : de gerechtelijk deskundige zal dus soms - wat een deskundige op persoonlijke titel nooit verplicht is te doen - zijn opdracht moeten aanvatten op zijn kosten en wachten tot het einde van de procedure, zijnde verscheidene jaren, alvorens de terugbetaling van de door hem gemaakte kosten te kunnen verkrijgen. A.5.
- De Ministerraad repliceert dat de gerechtelijk deskundigen en de andere personen die, volgens de verzoekers, « bijdragen tot de werking van het gerecht », zich niet in vergelijkbare situaties bevinden. In de eerste plaats worden de « deskundigen op persoonlijke titel » niet door de rechter ermee belast met het oog op de oplossing van een geschil tot vaststellingen over te gaan of een advies van technische aard te geven. Bovendien volstaat het feit dat de curatoren, voorlopig bewindvoerders of commissarissen inzake opschorting door de rechter worden aangewezen niet om te oordelen dat zij zich in een vergelijkbare situatie bevinden. Het gerechtelijk onderzoek gebeurt aldus in een volledig jurisdictionele context, hetzij binnen een bij een rechtscollege aanhangig gemaakt geschil, hetzij in geval van objectieve en actuele dreiging van een geschil dat voor een rechtscollege zou worden gebracht; de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek in verband met het gerechtelijk deskundigenonderzoek hebben tot doel het mogelijk te maken dat de bij de hoven en rechtbanken aanhangig gemaakte geschillen goed verlopen en tot een goed einde worden gebracht. De regels in verband met het faillissement, het gerechtelijk akkoord of de voorlopige bewindvoering beogen andere doelstellingen en met de toepassing ervan wordt een ruimer doel nagestreefd - vermits het niet beperkt is tot het verloop van de burgerlijke gerechtelijke procedures - dan met het gerechtelijk deskundigenonderzoek. A.5.
- De bestreden bepalingen hebben tot doel aan de deskundige waarborgen inzake betaling te bieden en zich daarbij ervan te vergewissen dat laatstgenoemde zijn taak met bekwame spoed kan voortzetten, en de door de verzoekers geciteerde geschriften uit de rechtsleer zijn gebaseerd op eenvoudige voorspellingen in verband met de tenuitvoerlegging van de bestreden bepalingen, voorspellingen op grond waarvan een grondwettigheidstoets van de wet niet kan worden uitgeoefend. De Ministerraad stelt vast dat het snelle verloop van een op accusatoire wijze georganiseerde burgerlijke rechtspleging niet afhankelijk is van het principe van consignatie dat de rechtspleging kan vertragen, maar wel van de houding van de partijen. Het feit dat er geen voorschot is betaald, impliceert niet de stopzetting van het deskundigenonderzoek, maar eenvoudigweg dat de deskundige het recht heeft zijn opdracht te schorsen in afwachting dat het voorschot wordt geconsigneerd. 6 Indien men het principe aanvaardt dat een rechter controle uitoefent op het verloop van het gerechtelijk deskundigenonderzoek, dient men bovendien noodzakelijkerwijze het principe te aanvaarden van een controle op het bedrag van de voorschotten die de deskundige tijdens zijn optreden kan genieten. Het feit dat de deskundige zich opnieuw tot de rechter zal moeten wenden om een bijkomend voorschot te verkrijgen, is het systeem dat niet in artikel 987 van het Gerechtelijk Wetboek wordt georganiseerd, maar wel in artikel 988 van het Gerechtelijk Wetboek, dat is ingevoegd bij artikel 28 van de wet van 15 mei
- Voor het overige zou de moeilijkheid in verband met de vaststelling van het bedrag van de voorschotten niet verschillend zijn indien de rechtstreekse betaling van de voorschotten ten voordele van de deskundigen zou worden toegelaten. A.5.
- Ten slotte is het argument volgens hetwelk het mogelijk zou zijn dezelfde doelstelling te bereiken bij wege van een koninklijk besluit tot vaststelling van de regels en tarieven met betrekking tot de honoraria en kosten van de gerechtelijk deskundigen niet relevant, want de bestreden bepalingen betreffen niet rechtstreeks de taxatie van de kosten en honoraria van de deskundige, en de keuze om bij koninklijk besluit een specifiek tarief vast te stellen voor het deskundigenonderzoek in burgerlijke zaken werd in het raam van de aanneming van de wet van 15 mei 2007 bewust verworpen. A.
- In het tweede middel, dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van het evenredigheidsbeginsel zijn de verzoekers van mening dat, doordat de federale wetgever de gerechtelijk deskundige die een rechtstreekse betaling van een partij in het geding aanvaardt strafrechtelijk bestraft, hij in een sanctie heeft voorzien die onevenredig is met de nagestreefde doelstelling die erin bestaat ervoor te zorgen dat het voorschot van de kosten en honoraria van de deskundige aan de griffie of aan een financiële instelling wordt gestort. Vóór de wet van 15 mei 2007 werd de verplichting tot consignatie in de praktijk weinig in acht genomen, rekening houdend met het feit dat de enige « sanctie » waarin voor de deskundige werd voorzien in artikel 990, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek een verplichting tot teruggave was. Teneinde die praktijk een halt toe te roepen, heeft de wetgever het bestreden artikel 509quater aangenomen, maar de sanctie waarin dat artikel voorziet, staat geenszins in verhouding tot diegene waarin voordien was voorzien. A.
- In zijn memorie is de Ministerraad van oordeel dat artikel 509quater van het Strafwetboek geenszins onevenredig is. Het is immers toegelaten dat de wetgever de schending van de door hem opgelegde verplichtingen gepaard kan laten gaan met strafrechtelijke sancties. Wat betreft de strafmaat heeft het Hof geoordeeld dat zijn beoordeling moest worden beperkt tot de gevallen waarin de keuze van de wetgever een dermate grote incoherentie bevat dat ze tot een onredelijk verschil in behandeling van vergelijkbare inbreuken leidt. De verzoekers voeren echter geen enkele incoherentie vanwege de wetgever, noch enig verschil in behandeling tussen vergelijkbare inbreuken aan. Ten slotte verantwoorden zowel de vastgestelde praktijk van rechtstreekse betaling aan de deskundige door de partijen in het geding – en zulks met schending van de verplichting tot consignatie -, als de daaruit voortvloeiende problemen dat een doeltreffende straf wordt vastgesteld. A.
- De verzoekers antwoorden dat doordat bij artikel 509quater de deskundige die, wetende dat een rechtstreekse betaling niet toegelaten is en ze desondanks vanwege een partij in het geding aanvaardt, wordt bestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en een geldboete van 200 euro tot 1 500 euro, in een sanctie wordt voorzien die kennelijk onevenredig is met de nagestreefde doelstelling, des te meer daar voordien de deskundige die een rechtstreekse storting aanvaardde niet gehouden was tot teruggave van de som. De door de wetgever gemaakte keuze bevat een dermate grote incoherentie dat zij tot een kennelijk onredelijk verschil in behandeling van vergelijkbare inbreuken leidt. Terwijl de commissaris inzake opschorting geen voorschot kan eisen dat meer bedraagt dan drie kwart van het totale bedrag van het voorstel van honoraria waarop zijn voorschot betrekking heeft, loopt de commissaris inzake opschorting die een niet-toegelaten voorschot van de schuldenaar zou ontvangen, geen enkele strafrechtelijke sanctie op. Op dezelfde wijze kan de curator die, zonder zich schuldig te maken aan ontrouw in de zin van artikel 489sexies van het Strafwetboek, een rechtstreekse betaling zou ontvangen, zonder daartoe de voorafgaande toelating te hebben gekregen van de rechter, enkel burgerlijk aansprakelijk worden gesteld, zonder strafrechtelijk te worden bestraft. 7 De sanctie waarin voor de gerechtelijk deskundige is voorzien, is dus kennelijk onevenredig ten opzichte van de sanctie die een commissaris inzake opschorting of een curator die dezelfde fout zou hebben begaan, oploopt. A.
- De Ministerraad repliceert dat, zoals in het eerste middel is uiteengezet, de gerechtelijk deskundigen niet vergelijkbaar zijn met de commissarissen inzake opschorting of de curatoren. Of de niet-naleving van de verplichting van de deskundige om een rechtstreekse betaling te weigeren strafrechtelijk moet worden bestraft, hangt af van een opportuniteitsoordeel dat de wetgever toekomt en dat niet in het geding kan worden gebracht. Ten slotte kunnen een inbreuk en een verplichting die niet strafrechtelijk wordt gestraft niet met elkaar worden vergeleken teneinde te besluiten dat de strafrechtelijke sanctie onevenredig is. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1.
- Het beroep tot vernietiging is gericht tegen de artikelen 27 en 33 van de wet van 15 mei 2007 « tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het deskundigenonderzoek en tot herstel van artikel 509quater van het Strafwetboek » (hierna : wet van 15 mei 2007). B.1.
- De wet van 15 mei 2007, die in het raam past van de strijd tegen de gerechtelijke achterstand, hervormt de procedure van het deskundigenonderzoek teneinde die te versnellen en te vereenvoudigen, door bepaalde moeilijkheden te verhelpen die zich voordoen tijdens deskundigenonderzoeken die in het raam van gerechtelijke procedures worden uitgevoerd. De wet van 15 mei 2007 onderstreept aldus het ondergeschikte karakter van het deskundigenonderzoek ten aanzien van andere wijzen van bewijsvoering, doordat ze de rechter verzoekt enkel voorrang te geven aan het deskundigenonderzoek indien het voor de oplossing van het geschil « de meest eenvoudige, snelle en goedkope maatregel » (artikel 875bis van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 15 mei 2007) vormt; de wet verleent de rechter overigens een actievere rol wat betreft het verloop van de procedure, zowel ten voordele van de partijen als van de deskundigen, teneinde de duurtijd en de kostprijs ervan te verminderen; zij verbetert ten slotte de regeling in verband met de kosten en de consignatie met de bedoeling « betreffende dit aspect vanaf het begin voldoende duidelijkheid te creëren » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2540/007, p. 5). 8 Tijdens een installatievergadering zal de rechter aldus de essentiële parameters van het deskundigenonderzoek vaststellen, zoals de duurtijd van de opdracht, het tijdpad van de opdracht, de geraamde kostprijs van het deskundigenonderzoek, het bedrag van het voorschot en het redelijk deel van het voorschot dat kan worden vrijgegeven aan de deskundige (artikel 972, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals het is vervangen bij artikel 9 van de wet van 15 mei 2007). B.2.
- Artikel 27 van de wet van 15 mei 2007 vervangt artikel 987 van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij de wet van 27 mei 1974, als volgt : « De rechter kan het voorschot bepalen dat elke partij moet consigneren ter griffie of bij de kredietinstelling die de partijen gezamenlijk hebben gekozen, en de termijn waarbinnen zij aan deze verplichting moet voldoen. De rechter kan deze verplichting niet opleggen aan de partij die overeenkomstig artikel 1017 niet in de kosten kan worden verwezen. De rechter kan het redelijk deel van het voorschot bepalen dat wordt vrijgegeven teneinde de kosten van de deskundige te dekken. Zodra het voorschot in consignatie werd gegeven, brengt de griffie of de kredietinstelling de deskundige hiervan op de hoogte bij gewone brief. In voorkomend geval stort de griffie het vrijgegeven deel door naar de deskundige ». B.2.
- Artikel 33 van de wet van 15 mei 2007 herstelt artikel 509quater van het Strafwetboek, ingevoegd bij de wet van 9 maart 1989 en opgeheven bij de wet van 4 december 1990, in de volgende formulering : « Met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van tweehonderd euro tot vijftienhonderd euro of met een van die straffen alleen wordt gestraft de deskundige die, wetende dat een rechtstreekse betaling niet toegelaten is, deze toch aanvaardt van een partij in het geding ». Ten aanzien van het eerste middel B.
- In hun eerste middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, voeren de verzoekers een onverantwoord verschil in behandeling aan tussen de gerechtelijk 9 deskundige en de andere zelfstandigen die bijdragen tot de werking van het gerecht, in zoverre de gerechtelijk deskundige de enige zelfstandige is die strafrechtelijk wordt gestraft indien hij een niet-toegelaten rechtstreekse betaling aanvaardt van een partij in het geding (eerste onderdeel van het middel) en die, op straffe van strafrechtelijke sanctie, niet rechtstreeks een voorschot kan ontvangen voor de kosten en honoraria van het deskundigenonderzoek, waarvan hijzelf de kostprijs zal moeten financieren (tweede onderdeel van het middel). Volgens de verzoekers zou de discriminatie nog worden verscherpt door het feit dat artikel 987 van het Gerechtelijk Wetboek slechts in een mogelijkheid en niet in een verplichting voor de rechter voorziet om een te consigneren voorschot te bepalen. B.
- Vóór de wijziging ervan bij de wet van 15 mei 2007 stelde artikel 990 van het Gerechtelijk Wetboek de regels vast betreffende de consignatie ter griffie van een voorschot dat is bestemd om de betaling van de deskundige te waarborgen : « De deskundigen kunnen de vervulling van hun opdracht uitstellen totdat de meest gerede partij op de griffie een voorschot in consignatie heeft gegeven om in een gematigde verhouding tot zekerheid te dienen van de betaling van hun ereloon en de vergoeding van hun kosten. Indien een voorschot op enige andere wijze wordt gestort, is de deskundige verplicht tot teruggave. De consignatie van het voorschot moet worden verricht door de partij die volgens bijzondere wetten of artikel 1017, tweede lid, steeds in de kosten wordt verwezen. In geval van betwisting of wanneer de partij het verschuldigd voorschot niet stort, geeft de rechter die het deskundig onderzoek gelast heeft, op verzoek van de meest gerede partij, een bevel tot tenuitvoerlegging ten belope van het bedrag dat hij vaststelt, na zo nodig de opmerkingen van de betrokkenen in raadkamer te hebben gehoord. Die beschikking is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep. Het voorschot blijft in consignatie op de griffie totdat het ereloon en de kosten van de deskundigen definitief begroot zijn, of de partijen hun instemming hebben betuigd met het bedrag ervan wanneer de zaak in der minne is geregeld. De deskundigen nemen het voorschot vervolgens op ten belope van de hun verschuldigde som en het eventuele overschot wordt teruggegeven aan de partij die het voorschot in consignatie heeft gegeven. 10 Wanneer het deskundigenonderzoek voor de deskundige hoge kosten kan medebrengen, kan de magistraat die bevoegd is om het bedrag van het voorschot vast te stellen, de deskundigen, op een met redenen omkleed verzoekschrift, machtigen om tijdens het vervullen van hun opdracht een gedeelte van het op de griffie in consignatie gegeven voorschot op te nemen ». De consignatie ter griffie van een voorschot heeft tot doel de onafhankelijkheid van de deskundige ten aanzien van de partijen te verzekeren, de deskundige te vrijwaren tegen de insolventie van de partij die de honoraria en de kosten van het deskundigenonderzoek verschuldigd zal zijn, en de deskundige ertoe aan te zetten zijn opdracht met bekwame spoed te vervullen. B.5.
- Artikel 987 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 509quater van het Strafwetboek, respectievelijk ingevoegd bij de bestreden artikelen 27 en 33, passen beide in het raam van de hervorming van de procedure van het deskundigenonderzoek wat betreft de kosten en de consignatie. In tegenstelling tot datgene waarin het oude artikel 990 van het Gerechtelijk Wetboek voorzag, dat aan de « meest gerede partij » de zorg overliet aan de griffie een voorschot te storten voor de deskundige en het bedrag daarvan vast te stellen, bepaalt artikel 987 van het Gerechtelijk Wetboek dat enkel de rechter het bedrag van het te consigneren of vrij te geven voorschot kan bepalen, alsmede welke partij of partijen ertoe gehouden zijn dat voorschot te consigneren. Terwijl de deskundige die een ander type van storting van het voorschot ontving, met name een rechtstreekse betaling van een partij, voordien enkel was onderworpen aan een verplichting tot teruggave (het oude artikel 990, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek), bestraft artikel 509quater van het Strafwetboek de deskundige die met kennis van zaken een niet-toegelaten rechtstreekse betaling ontvangt, voortaan met een strafrechtelijke sanctie. Bovendien bepaalt artikel 991bis van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 32 van de wet van 15 mei 2007 : « Na definitieve begroting nemen de deskundigen het voorschot op ten belope van de hun verschuldigde som. Het eventuele saldo wordt door de griffier ambtshalve aan de partijen 11 terugbetaald in verhouding tot de bedragen die zij in consignatie moesten geven en die zij ook werkelijk hebben geconsigneerd. De deskundigen mogen slechts een rechtstreekse betaling in ontvangst nemen nadat hun staat van kosten en ereloon definitief is begroot en voor zover het geconsigneerde voorschot ontoereikend is ». B.5.
- Wat betreft de kwestie van de kosten en de consignatie van een voorschot wordt in de parlementaire voorbereiding van de wet van 15 mei 2007 uiteengezet : « De huidige wet bepaalt reeds dat de kosten ter griffie moeten worden geconsigneerd, en de dat deskundige geen rechtstreekse betalingen mag aanvaarden. Bij gebrek aan een sanctie is deze bepaling dode letter gebleven. De partijen willen de deskundige niet misnoegen en gaan gemakkelijk over tot de rechtstreekse betaling van een voorschot. De deskundige zal op de installatievergadering een raming geven van de kostprijs van het deskundigenonderzoek. Op basis hiervan zal de rechter beslissen welk bedrag in consignatie moet worden gegeven, en het deel hiervan dat eventueel wordt vrijgegeven, zodat de deskundige reeds noodzakelijke kosten kan dekken. De rechter bepaalt ook uitdrukkelijk welke partijen moeten consigneren en binnen welke termijn. De rechter zal nadien het honorarium van de deskundigen begroten, rekening houdende met de zorgvuldigheid en snelheid waarmee het deskundigenonderzoek werd uitgevoerd » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2540/001, p. 6). De nieuwe regels in verband met de consignatie van een voorschot liggen in de lijn van de wil om de controle van de rechter op de procedure van het deskundigenonderzoek te verscherpen : « In de huidige regeling moet de consignatie van het voorschot op de griffie gebeuren. Al is deze regeling interessant voor de partijen, toch wordt er vaak van afgeweken. Het voordeel van een consignatie op de griffie is dat de magistraat toezicht kan uitoefenen op het voorschot waarop de deskundige, zolang het deskundigenonderzoek duurt, recht heeft. Zulks kan wellicht een stimulans zijn om de deskundigenonderzoeken te versnellen. Nog een voordeel is dat de magistraat het verloop ervan van nabij kan volgen » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2540/007, pp. 6-7). Het verplichte optreden van de rechter om het te consigneren of vrij te geven voorschot vast te stellen, strekt ertoe de rechtzoekende een grotere rechtszekerheid te waarborgen door duidelijk te stellen « dat de deskundige niet langer ertoe gemachtigd is aan de partijen de rechtstreekse betaling te vragen, op straffe van strafrechtelijke sancties » (eigen vertaling) (CRIV 51 PLEN 277, vergadering van donderdag 12 april 2007, p. 43). 12 B.5.
- De bestreden bepalingen zijn bovendien geïnspireerd op een advies van de Hoge Raad voor de Justitie van 29 juni 2005 « betreffende zeven wetsvoorstellen tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek voor wat betreft het deskundigenonderzoek », waarin de Hoge Raad voor de Justitie het wenselijk achtte « de rechter toe te laten de partij aan te duiden die de provisie, geheel of gedeeltelijk, moet consigneren, er het bedrag en de termijn van vast te stellen, en waarbij het hem toegelaten is eveneens de partij aan te duiden die, geheel of gedeeltelijk, het bedrag moet betalen dat aan de deskundige moet worden betaald en dat nodig is om zijn kosten te dekken » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-0073/002, p. 36). De Hoge Raad voor de Justitie is eveneens van mening dat « de afwezigheid van consignatie moet worden bestraft » (ibid.). B.5.
- Uit wat voorafgaat volgt dat de beide bestreden bepalingen elkaar aanvullen : ofschoon artikel 987 van het Gerechtelijk Wetboek het beginsel van de consignatie van een voorschot, dat reeds was vervat in het oude artikel 990, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, handhaaft, strekt artikel 509quater van het Strafwetboek ertoe de werkzaamheid van dat systeem te verzekeren door de deskundige strafrechtelijk te bestraffen die, wetende dat een rechtstreekse betaling niet toegelaten is, een dergelijke betaling zou aanvaarden van een partij in het geding. Aangezien in de beide onderdelen van het middel de beide complementaire aspecten van eenzelfde verplichting worden bekritiseerd, moeten zij bijgevolg samen worden onderzocht. B.
- De verzoekers voeren een discriminatie aan tussen de gerechtelijk deskundigen en de andere zelfstandigen, in zoverre de bestreden bepalingen, enerzijds, op straffe van strafrechtelijke sanctie, de gerechtelijk deskundige zouden verhinderen rechtstreeks van een partij in het geding een voorschot voor kosten en honoraria te ontvangen en, anderzijds, in zoverre zij in bepaalde gevallen de deskundige zouden verhinderen een voorschot te innen. De verzoekers interpreteren de term « kan » gebruikt in artikel 987 van het Gerechtelijk Wetboek als betrekking hebbende op een mogelijkheid en niet op een verplichting voor de rechter om in een voorschot te voorzien. Het Hof zal bijgevolg zijn onderzoek beperken tot enkel die aspecten, in de interpretatie van de verzoekers. 13 B.7.
- In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren, bevinden de gerechtelijk deskundigen zich in een situatie die zeer verschilt van die van de andere zelfstandigen « die bijdragen tot de werking van het gerecht », zoals de advocaten of de gerechtsdeurwaarders. Terwijl de andere door de verzoekers bedoelde beroepen gebaseerd zijn op een vrij gekozen contractuele relatie en worden uitgeoefend in het belang van de cliënten, is de gerechtelijk deskundige immers een medewerker van het gerecht die door de rechter wordt aangewezen om zijn taak in alle onafhankelijkheid en onpartijdigheid uit te voeren teneinde een oplossing te vinden voor het geschil. B.7.
- De voorlopig bewindvoerders, curatoren of commissarissen inzake opschorting bevinden zich eveneens in een situatie die zeer verschilt van die van de gerechtelijk deskundigen. Ofschoon de voorlopig bewindvoerders, de curatoren en de commissarissen inzake opschorting, net zoals de gerechtelijke deskundigen, ook worden aangewezen door een rechter en onderworpen zijn aan talrijke wettelijke regels, zijn zij immers gerechtelijke mandatarissen die vóór alles, in het belang van zoveel mogelijk personen, een opdracht uitvoeren van beheer van de goederen van respectievelijk de beschermde persoon, de gefailleerde schuldenaar of de concordataire schuldenaar, in een context die verschillend is van de jurisdictionele context waarmee de opdracht is omgeven van de deskundige, die een rol moet spelen die beslissend kan zijn voor de oplossing van een geschil, zonder echter de mandataris van de partijen of een mandataris van het gerecht te zijn. B.7.
- Het feit dat het advies van de deskundige in sommige omstandigheden een beslissende rol kan spelen voor de oplossing van een geschil, kan redelijkerwijze verantwoorden dat de wetgever ten aanzien van de gerechtelijk deskundigen specifieke regels inzake betaling invoert die tot doel hebben de voor hun functie noodzakelijke onpartijdigheid te waarborgen. 14 Het specifieke karakter van de functie van gerechtelijk deskundige kan aldus verantwoorden dat voor hun opdracht bijzondere regels gelden, die niet van toepassing zijn op de andere in het middel beoogde beroepen, waarvan de opdracht verschilt van die van de gerechtelijk deskundige. B.8.
- Uit zorg om de onpartijdigheid te waarborgen die onontbeerlijk is voor de functie van de gerechtelijk deskundige en diens onafhankelijkheid ten aanzien van de partijen in het geding, vermocht de wetgever, enerzijds, ervoor te opteren voorrang te geven aan de consignatie van het voorschot voor de kosten en honoraria bij een derde - de griffie of een kredietinstelling -, met de bedoeling te vermijden dat de deskundige zich rechtstreeks tot de partijen wendt om een betaling te vragen voor zijn werk als deskundige (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2549/001, p. 59) - zelfs indien het gaat om een voorschot waarvan het bedrag door de rechter wordt vastgesteld - en, anderzijds, de werkzaamheid van die specifieke betalingsregels te waarborgen door te voorzien in een specifieke sanctie voor de deskundige die een niet-toegelaten rechtstreekse betaling zou aanvaarden van een partij in het geding. B.8.
- Het feit dat het aan de rechter toekomt het bedrag van het te consigneren voorschot vast te stellen alsmede het bedrag van het eventueel vrij te geven voorschot, zonder dat het voorschot rechtstreeks kan worden gestort door een partij in het geding, discrimineert de deskundigen niet en zou geen vertraging of onachtzaamheid kunnen teweegbrengen in het deskundigenonderzoek. Het feit dat het voorschot niet rechtstreeks kan worden gestort door een partij in het geding maar moet worden geconsigneerd, wijzigt immers niet het door de rechter vastgestelde bedrag ervan, zodat de in het geding zijnde bepaling geenszins de door het voorschot gevormde waarborg van betaling voor de deskundige vermindert. Zoals voordien in herinnering werd gebracht, is de deskundige een medewerker van het gerecht die is onderworpen aan de wettelijke verplichtingen bedoeld in de artikelen 962 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, en die wettelijk aansprakelijk kan worden gesteld in geval van foutieve onachtzaamheid. Zijn opdracht bestaat erin zijn medewerking te verlenen aan het gerecht zonder een winstoogmerk na te streven, zodat de kwaliteit van zijn deskundigenonderzoek niet kan worden beïnvloed door de wijze - rechtstreeks of indirect - van storting van het voorschot. 15 Een deskundige op wie een beroep wordt gedaan, heeft overigens steeds het recht zijn aanwijzing te weigeren en, indien hij ze aanvaardt, zal hij zijn opdracht volbrengen met inachtneming van de deontologische regels die, in voorkomend geval, toepasbaar zijn op zijn beroep en onder toezicht van de rechter. De rechter zal de deskundige moeten vervangen indien de partijen dat gezamenlijk vragen, of hij zal hem op verzoek van een partij kunnen vervangen, indien de deskundige zijn opdracht niet naar behoren vervult (artikel 979, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals het is vervangen bij artikel 17 van de wet van 15 mei 2007) en, indien de rechter zich niet voldoende geïnformeerd acht, zal hij een aanvullend deskundigenonderzoek kunnen vragen, of een nieuw deskundigenonderzoek door een ander deskundige (artikel 984 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals het is vervangen bij artikel 23 van de wet van 15 mei 2007). Indien de deskundige meent dat het geconsigneerde of vrijgegeven voorschot daarvan niet volstaat, kan hij zich tot de rechter wenden teneinde hem om een bijkomend voorschot of een verdere vrijgave ervan te verzoeken (artikel 988 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals het is vervangen bij artikel 28 van de wet van 15 mei 2007). Er kan ten slotte niet worden verondersteld dat de door de rechter aangewezen partij of partijen niet zullen zorgen voor een spoedige consignatie van het voorschot of dat het voorschot niet snel zal worden vrijgegeven : die overwegingen zouden, indien zij gegrond zijn, enkel voortvloeien uit een verkeerde toepassing van de bestreden bepalingen, en niet uit die bepalingen zelf, aangezien de deskundige overigens, ook na de installatievergadering, vrij blijft de aanvang van het deskundigenonderzoek te verdagen in afwachting dat het voorschot wordt geconsigneerd. De rechter zal hoe dan ook, indien de consignatie niet binnen de toebedeelde tijd wordt uitgevoerd, daaruit de conclusies kunnen trekken die hij geschikt acht (artikel 989 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals het is vervangen bij artikel 29 van de wet van 15 mei 2007). B.8.
- De bestreden bepalingen zijn bijgevolg verantwoord en hebben geen onevenredige gevolgen, in zoverre zij, op straffe van sanctie, een gerechtelijk deskundige niet toestaan het voorschot rechtstreeks te innen van een partij in het geding. B.9.
- Ofschoon, zoals de verzoekers het interpreteren, artikel 987 van het Gerechtelijk Wetboek slechts in een mogelijkheid en niet in een verplichting voorziet voor de rechter om een voorschot vast te stellen, zal die mogelijkheid moeten worden uitgeoefend rekening 16 houdend met de richtsnoeren die zijn vastgelegd in het verslag van de werkgroep « het gerechtelijk deskundigenonderzoek in burgerlijke zaken », op basis waarvan de wet van 15 mei 2007 is aangenomen. Hoewel in dat verslag wordt onderstreept « dat de tekst geen verplichting oplegt, maar de rechter de keuze laat om al dan niet tot consignatie over te gaan » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2549/001, p. 45), wordt evenwel gepreciseerd : « Niettemin ware het verkieslijk die consignatiemogelijkheid ruim te benutten, want ze biedt de partijen tal van garanties. Precies om die reden strekken de artikelen 29 en volgende [van het ontwerp] ertoe die consignatiemogelijkheid te regelen » (ibid.). Het is dus mogelijk dat een rechter niet de consignatie oplegt, indien hij van mening is dat die overbodig is omdat het gaat om een « courant, klein deskundigenonderzoek » (ibid., p. 47). B.9.
- Rekening houdend met wat voorafgaat en met de in B.4 in herinnering gebrachte doelstellingen van de consignatie van een voorschot, moet worden geoordeeld dat de gevallen waarin de rechter niet een te consigneren voorschot zal bepalen, beperkt zullen zijn tot de deskundigenonderzoeken waarvan de kostprijs, de moeilijkheid en de duurtijd, rekening houdend met de praktijk, slechts minimaal kunnen zijn. Voor het overige zal de deskundige voor wie in geen enkel voorschot werd voorzien, wanneer de deskundigenonderzoeken aanzienlijker blijken te zijn dan verwacht, nadien aan de rechter de consignatie van een voorschot kunnen vragen en, in voorkomend geval, de vrijgave ervan, overeenkomstig artikel 988 van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 28 van de wet van 15 mei
- Er bestaat bijgevolg geen enkel onverantwoord verschil in behandeling tussen de gerechtelijk deskundigen die geen voorschot zouden ontvangen en de andere in het middel bedoelde zelfstandigen. B.
- Het middel is niet gegrond. 17 Ten aanzien van het tweede middel B.
- In het tweede middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en uit het evenredigheidsbeginsel, zijn de verzoekers van mening dat, door de deskundige die, wetende dat een rechtstreekse betaling niet toegelaten is, ze ondanks alles aanvaardt van een partij in het geding, te bestraffen met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en een geldboete van tweehonderd euro tot vijftienhonderd euro, of slechts één van die straffen, artikel 509quater van het Strafwetboek in een sanctie voorziet die kennelijk onevenredig is met de nagestreefde doelstelling. B.
- De wetgever kan voorzien in strafsancties voor de schending van verplichtingen die hij oplegt. Zoals is uiteengezet in de in B.5.2 geciteerde parlementaire voorbereiding, heeft de bij artikel 509quater van het Strafwetboek ingevoerde sanctie tot doel de werkzaamheid van het in artikel 987 van het Gerechtelijk Wetboek vastgestelde systeem te verzekeren. Die specifieke wijze van consignatie van een voorschot en de vrijgave ervan heeft tot doel de onpartijdigheid te waarborgen die absoluut noodzakelijk is voor de functie van de gerechtelijk deskundige. Het is niet onevenredig die specifieke wijze van betaling verplicht te maken, door de deskundige die, wetende dat een rechtstreekse betaling niet toegelaten is en ze ondanks alles aanvaardt van een partij in het geding, te bestraffen met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en een geldboete van tweehonderd euro tot vijftienhonderd euro of met slechts één van die straffen. De omstandigheid dat de verplichting tot consignatie van een voorschot voordien niet strafrechtelijk werd bestraft - het oude artikel 990, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek voorzag enkel in een verplichting tot teruggave - maakt het niet mogelijk te besluiten tot de onevenredigheid van de bij artikel 509quater van het Strafwetboek ingevoerde strafrechtelijke sanctie, waarvan de doelstelling precies erin bestaat aan te sporen tot de inachtneming van een verplichting die voordien, bij ontstentenis van een doeltreffende sanctie, niet in acht werd genomen. Te dezen gaat het immers erom de opzettelijke schending door de deskundige van een verbod van rechtstreekse betaling vanwege een partij in het geding te bestraffen, terwijl 18 dat principiële verbod niet bestaat ten aanzien van andere beroepen die, aangezien ze niet aan die verplichting zijn onderworpen, niet kunnen worden bestraft. B.
- Het middel is niet gegrond. 19 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 24 februari
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.031 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div