← België

ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.033

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 24 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.033 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090224.6 Arrest- Rolnummer: 33/2009 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-02-25 Raadplegingen: 205 - laatst gezien 2026-06-29 19:21 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zendt de zaak terug naar de verwijzende rechter. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Uitkering tot levensonderhoud (rechtspleging) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 301, § 4, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 7 van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding, en artikel 42, § 5, eerste en tweede lid, van dezelfde wet, gesteld door het Hof van Beroep te Bergen. Burgerlijk recht - Echtscheiding - Uitkeringen tot levensonderhoud - Duur - Beperking - Overgangsrecht. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-04-2007 - 42,§5,L1 - 00 ELI link Pub nr 2007009493 Wet - 27-04-2007 - 42,§5,L2 - 00 ELI link Pub nr 2007009493 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 301,§1,L1 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Wet - 27-04-2007 - 7 - 00 ELI link Pub nr 2007009493 Tekst van de beslissing Rolnummer 4561 Arrest nr. 33/2009 van 24 februari 2009 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 301, § 4, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 7 van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding, en artikel 42, § 5, eerste en tweede lid, van dezelfde wet, gesteld door het Hof van Beroep te Bergen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, A. Alen, J.-P. Snappe, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 17 november 2008 in zake R.U. tegen J.D., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 20 november 2008, heeft het Hof van Beroep te Bergen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt de gecombineerde toepassing van het nieuwe artikel 301, § 4, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en van artikel 42, § 5, eerste en tweede lid, van de wet van 27 april 2007 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij tot gevolg heeft dat de in artikel 301, § 4, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde termijn een aanvang neemt op de datum van de inwerkingtreding van de wet, namelijk op 1 september 2007, voor de uitkeringen tot levensonderhoud die zijn vastgesteld bij een vonnis dat aan die inwerkingtreding voorafgaat, terwijl de termijn voor de vóór die datum aangevraagde maar niet vastgestelde uitkeringen tot levensonderhoud een aanvang zou kunnen nemen op de datum van de ontbinding van het huwelijk ? ». Op 11 december 2008 hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en E. De Groot, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen een arrest van onmiddellijk antwoord te wijzen. De bepalingen van voormelde bijzondere wet met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Voor de verwijzende rechter is hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Bergen waarin, onder meer, een door een gescheiden echtgenote tegen haar ex-echtgenoot ingestelde vordering tot betaling van een vergoedende uitkering is toegewezen. De echtscheiding, die volgde op een scheiding die zich in 1965 had voorgedaan, werd in 1978 uitgesproken en, sedert dat ogenblik en tot in maart 2005, genoot de ex-echtgenote (niettegenstaande de ontbinding van het huwelijk, zo geeft de verwijzende rechter aan) de betaling, ten laste van haar ex-echtgenoot, van een maandelijkse som waarvan het bedrag overeenstemde met dat van de door de verwijzende rechter in 1979 vastgestelde onderhoudsbijdrage. Dat bedrag werd vervolgens op vraag van de ex-echtgenote geïndexeerd, en daarna verminderd. De eerste rechter was van oordeel dat de door de ex-echtgenoot tussen 1978 en 2005 betaalde uitkering voldoende was en veroordeelde hem tot het betalen van een vergoedende uitkering vanaf 2005, waarbij werd vastgesteld dat de duur van de uitkering niet langer mocht zijn dan de duur van het huwelijk, aangezien de termijn van artikel 301, § 4, van het Burgerlijk Wetboek volgens hem te dezen op 1 september 2007 een aanvang nam. De verwijzende rechter, aangezocht door de ex-echtgenoot, oordeelt dat artikel 42, § 3, van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding een bepaling is die afwijkt van de algemene beginselen van het overgangsrecht en bijgevolg restrictief dient te worden geïnterpreteerd, zodat enkel het beginsel van het verkrijgen of van de uitsluiting van de uitkering tot levensonderhoud aan de vroegere regel is onderworpen, terwijl de regels met betrekking tot de voorwaarden inzake de vaststelling van het bedrag ervan en de inwerkingstelling ervan bij de nieuwe wet zijn bepaald. Hij is van oordeel dat, rekening houdend met de geest van de nieuwe wet, het ogenblik waarop de maximale duur van de in artikel 301, § 4, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde uitkering ingaat, dat van de ontbinding van het huwelijk is. 3 Hij stelt vast dat de door de ex-echtgenote aangevraagde uitkering tot levensonderhoud te dezen nooit is « vastgesteld » vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet, op 1 september 2007, wellicht omdat de ex-echtgenoot, ondanks de ontbinding van het huwelijk, de als onderhoudsbijdrage verschuldigde sommen was blijven betalen. Hij is bijgevolg van oordeel dat hij het voormelde artikel 42, § 5, niet kan toepassen, dat betrekking heeft op de vóór de inwerkingtreding van de wet « vastgestelde » uitkeringen. De duur van de uitkering, die de duur van het huwelijk niet zou kunnen overschrijden, zou te dezen dus eindigen in 2002, terwijl die duur, indien de uitkering vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet was « vastgesteld », pas op 1 september 2007 een aanvang zou hebben genomen. Hij acht het dus noodzakelijk het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.1. In hun conclusies, opgemaakt op grond van artikel 72 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, hebben de rechters-verslaggevers vastgesteld dat het Hof bij zijn arrest nr. 172/2008 van 3 december 2008 artikel 42, § 5, van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding heeft vernietigd. Zij hebben bijgevolg geoordeeld dat de zaak naar de verwijzende rechter zou kunnen worden teruggezonden teneinde het hem mogelijk te maken de weerslag van die vernietiging op het aan hem voorgelegde geschil en de noodzakelijkheid voor hem om aan het Hof een nieuwe prejudiciële vraag te stellen, in te schatten. A.2. Er is geen enkele memorie met verantwoording ingediend. -B- B.1.1. Artikel 301, § 4, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt : « De duur van de uitkering mag niet langer zijn dan die van het huwelijk. In geval van buitengewone omstandigheden, kan de rechtbank de termijn verlengen, indien de uitkeringsgerechtigde aantoont dat hij bij het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn, om redenen onafhankelijk van zijn wil, nog steeds in staat van behoefte verkeert. In dit geval beantwoordt het bedrag van de uitkering aan het bedrag dat noodzakelijk is om de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde te dekken ». B.1.2. Artikel 42, § 5, van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding bepaalt : « Artikel 301, § 4, van hetzelfde Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 7, is van toepassing op de uitkeringen tot levensonderhoud, die zijn vastgesteld door een vonnis dat voorafgaat aan de inwerkingtreding van deze wet. Indien de duur van de uitkering niet werd bepaald, neemt de in artikel 301, § 4, bepaalde termijn een aanvang op de datum van de inwerkingtreding van deze wet. 4 Indien de duur van de uitkering werd bepaald, blijft deze duur van toepassing, zonder dat ze de beperking waarin wordt voorzien in het tweede lid kan overschrijden ». B.2. Bij zijn arrest nr. 172/2008 van 3 december 2008 heeft het Hof het voormelde artikel 42, § 5, vernietigd. B.3. Aangezien een van de twee bepalingen waarop de prejudiciële vraag betrekking heeft, is vernietigd, dient de zaak naar de verwijzende rechter te worden teruggezonden teneinde het hem mogelijk te maken de weerslag van die vernietiging op het aan hem voorgelegde geschil en de noodzakelijkheid voor hem om aan het Hof een nieuwe prejudiciële vraag te stellen, in te schatten. 5 Om die redenen, het Hof zendt de zaak terug naar de verwijzende rechter. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 24 februari 2009. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.033 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.