← België

ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.034

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 24 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.034 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090224.7 Arrest- Rolnummer: 34/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-02-25 Raadplegingen: 549 - laatst gezien 2026-06-30 08:35 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONDERWIJS - Onderwijsinrichting - Secundair onderwijs PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vordering tot schorsing (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Vordering tot schorsing van het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 juli 2008 « tot regeling van de inschrijvingen van de leerlingen in de eerste graad van het secundair onderwijs en tot bevordering van de sociale gemengdheid binnen de schoolinrichtingen », ingesteld door Katia Aksajef en anderen. Onderwijs - Franse Gemeenschap - Secundair onderwijs - Eerste graad - Inschrijving. # Schorsing - Voorwaarden - Belangenafweging -

  1. Belang van de verzoekers -
  2. Algemeen belang. Wettelijke bepalingen: Decreet Franse Gemeenschap - 18-07-2008 - 50 ELI link Pub nr 2008029400 Tekst van de beslissing Rolnummer 4564 Arrest nr. 34/2009 van 24 februari 2009 In zake : de vordering tot schorsing van het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 juli 2008 « tot regeling van de inschrijvingen van de leerlingen in de eerste graad van het secundair onderwijs en tot bevordering van de sociale gemengdheid binnen de schoolinrichtingen », ingesteld door Katia Aksajef en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 25 november 2008 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 26 november 2008, is een vordering tot schorsing ingesteld van het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 juli 2008 « tot regeling van de inschrijvingen van de leerlingen in de eerste graad van het secundair onderwijs en tot bevordering van de sociale gemengdheid binnen de schoolinrichtingen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 26 augustus 2008, tweede editie), door Katia Aksajef, wonende te 1040 Brussel, Nerviërslaan 37/4, Ahmed Alami El Ahmadi en Souad Gherbi, wonende te 1090 Brussel, Charles Woestelaan 286/1, Benoît Alsteens en Marie-Pierre Chalant, wonende te 1150 Brussel, Maurice Liétartstraat 10, Hassen Amdouni en Ouafae Benzakour, wonende te 1020 Brussel, Emile Bockstaellaan 125, Mohamed Amghar en Rachida El Homasi, wonende te 1000 Brussel, Rapenstraat 15/5, Naziha Amtout, wonende te 1020 Brussel, Stiénonlaan 90, Michel Andhal en Eva Andhal, wonende te 1040 Brussel, Edmond Mesenslaan 65, Mohamed Azaitraoui en Nadia Lamranni, wonende te 1600 Sint- Pieters-Leeuw, Brusselbaan 95, Rachid Azzaoui en Nadia Errabah, wonende te 1090 Brussel, Esseghemstraat 49, Paul Badoux en Vinciane Gillet, wonende te 1040 Brussel, Van Meyelplein 25, Ayman Badr El Din, wonende te 1040 Brussel, Oudergemlaan 302, Pascal Baert en Anne Van Bamis, wonende te 1800 Vilvoorde, Devoerlaan 63, Christophe Bauduin en Anne Durbecq, wonende te 1160 Brussel, Blauwborstjeslaan 15, Didier Baus en Phara van Zuilen, wonende te 1853 Grimbergen, Beverstraat 15, Patrick Beard en Sylvie Willems, wonende te 1850 Grimbergen, Pastoor Claeshof 13, Xavier Beghin en Joëlle Simon, wonende te 1853 Grimbergen, Strombeeklinde 81, Eric Beirens, wonende te 1020 Brussel, Rode Kruislaan 21, Fatima Belafquih, wonende te 1020 Brussel, Mode Vlieberghstraat 33, Carine Belien, wonende te 1800 Vilvoorde, Reigerslaan 38, Fathia Belrhezal, wonende te 1120 Brussel, Japanse Torenstraat 9, Valérie Belsack, wonende te 1120 Brussel, Alchimiststeeg 28, Mustafa Ben Hadi en Halima Belahmira, wonende te 1020 Brussel, Heizelstraat 48, Amina Ben Mohand, wonende te 1082 Brussel, Josse Goffinlaan 83, Jonas Bena Makamina en Nsunda Mibanunu, wonende te 1200 Brussel, Tweehuizenweg 189, Hysni Berisha en Shpresa Velija, wonende te 1080 Brussel, Pierre Jacobsstraat 33, Seyed Bidgoli, wonende te 1082 Brussel, Basilieklaan 84, Danilo Boccardo en Emanuela Galeazzi, wonende te 1040 Brussel, Sint-Michielslaan 32, Dominique Bokingi, wonende te 1140 Brussel, Oud- Strijderslaan 46, Lahsen Boukil, wonende te 1020 Brussel, Leopold I-straat 136, Fabienne Bosson, wonende te 1120 Brussel, Olmkruidlaan 37, Antonin Braho en Capi Donika, wonende te 1000 Brussel, Leysstraat 40, Olivier Broers en Souhiela Goriya, wonende te 1300 Waver, avenue de la Bourse 38, Sabine Bruggeman, wonende te 1150 Brussel, Paulalaan 7, Giacomo Calnaghi en Bénédicte Spinnler, wonende te 1970 Wezembeek-Oppem, Sint-Hubertuslaan 65, Gil Caroz en Patricia Bosquin, wonende te 1050 Brussel, Luikenaarsstraat 43, Alexis Charon en Vanessa Issi, wonende te 1000 Brussel, Vleurgatsesteenweg 184, François Chaudoir en Nathalie Van Helshoecht, wonende te 1970 Wezembeek-Oppem, de Burburelaan 10/12, Jean-Pierre Christiaens, wonende te 1090 Brussel, Burgemeester Jean Neyberghlaan 5, Philippe Cools, wonende te 1120 Brussel, Hogeleeststraat 37, Alejandro Coppens en Jacqueline Vander, wonende te 1160 Brussel, Tinklaan 27, François Cordonnier en Adelaïde Hecht, wonende te 1150 Brussel, Kolonel Daumerielaan 17, Dominique Cornesse, wonende te 1970 Wezembeek-Oppem, Hoevedreef 15, Vahid Gregory Creitz en Anne-Laure Cordier, wonende te 1040 Brussel, Posschierstraat 12, Christian Culot en Jeannine Vanderhulst, wonende te 1370 Geldenaken, Chemin du Verdi 1, Patrick Cussac en Giang Ngoc Nguyen, wonende te 1140 Brussel, 3 Weerstandstraat 38, Alain Cuypers en Corinne Derau, wonende te 1731 Asse, Jan Baptist de Greeflaan 39, Daniele d’Amico en Patrizia Bontempi, wonende te 1150 Brussel, Boomkleverslaan 27, Eftatio Daskayeanis, wonende te 1083 Brussel, Keizer Karellaan 276, Katia Fivet, wonende te 1020 Brussel, Vuurkruisenlaan 13, Jean-Paul De Baets en Claudine Exsteen, wonende te 1160 Brussel, Henri Strauvenlaan 31, Nadia De Broi, wonende te 1200 Brussel, Raymond de Meesterlaan 27, Jean De Coster en Agnès Szabo, wonende te 1000 Brussel, Hoogstraat 182, Alphonse de Grady de Horion en Claude Thonon, wonende te 1050 Brussel, Majoor René Dubreucqstraat 39, Christine De Greef, wonende te 1780 Wemmel, Hagedoornlaan 21, Emmanuel De Hairs en Nathalie Coillin, wonende te 1120 Brussel, Stroobantsstraat 36, Bruno De Jaeger en Pascale Goffart, wonende te 3080 Tervuren, Hertenbergstraat 44, Régis de Kerautem, wonende te 1040 Brussel, Sneesensstraat 16, Pierre-Yves de Laminne de Bex en Barbara La Maille, wonende te 1160 Brussel, Invalidenlaan 173, Giancarlo De Luco en Ariane Nelissen, wonende te 1860 Meise, Vilvoordsesteenweg 98, Nathalie De Mol, wonende te 1910 Kampenhout, Waterstraat 9, Marianne De Moyer, wonende te 1120 Brussel, Hoornklaversgaarde 32, Véronique De Thier, wonende te 1050 Brussel, Kluisstraat 34, Patrick De Wilde en Carine Vanormelingen, wonende te 1800 Vilvoorde, Weikantstraat 18, Michel Degrève en Jessei Ruth Skrzypek Garnica, wonende te 1040 Brussel, Olmstraat 13, Olivier Delattre en Frédérique Psiuk, wonende te 1160 Brussel, Lebonlaan 132, Jean-Jacques Deleeuw en Carole Fivet, wonende te 1060 Brussel, Jef Lambeauxlaan 20, Michael Delvigne en Isabelle Delain, wonende te 1020 Brussel, Ernest Masoinlaan 123, Benoît Delvosal en Chantal Liesse, wonende te 1020 Brussel, Wannekouterlaan 28, Sabine Desmedt, wonende te 3080 Tervuren, Gaystraat 10, Jacqueline Dessy, wonende te 1020 Brussel, Laënneclaan 13, Leonardo Di Stefano en Marina Ladu, wonende te 1000 Brussel, Hopstraat 65, Eric Dohmen, wonende te 1800 Vilvoorde, Veldstraat 12, Régis Donnez en Bernadette Vervloet, wonende te 1731 Asse, Rasselstraat 54, Thierry Duchesne en Patricia Vanderschueren, wonende te 1800 Vilvoorde, Pauwstraat 19, Carine Dufour, wonende te 1800 Vilvoorde, Hoveniersstraat 82, Olivier Dupong en Mary Shirley Chan Kin, wonende te 1200 Brussel, Centauruslaan 83, Patrick Dupong en Elsa Garcia, wonende te 1170 Brussel, Armand Huysmanlaan 178, Ahmed El Abbassi en Aicha Sehali, wonende te 1020 Brussel, Lokvogelstraat 19, Mohamed El Bakkali en Asmaa Moukkadem, wonende te 1060 Brussel, Théodore Verhaegenstraat 124, Louis Eloy en Annick Heymans, wonende te 1150 Brussel, Mostincklaan 129, Alexander English en Leyre Fuertes Marraco, wonende te 1150 Brussel, Politieke Gevangenenlaan 2/4, Vincent Fagard en Concetta Spitaleri, wonende te 1160 Brussel, Wahalaan 48, Esteban Ausberto Ferrufino Villarroel en Elena Meneses de Ferrufino, wonende te 1210 Brussel, Joseph Dekeynstraat 56, Duncan Freeman en Gwenaëlle Ansieau, wonende te 1150 Brussel, Catteyalaan 36, Fabrice Gason en Isabelle Demelenne, wonende te 1950 Kraainem, Aprillaan 20, Géraldine Gathy, wonende te 1050 Brussel, Congolaan 4/13, Gontran Ghislain en Christine Bourla, wonende te 1090 Brussel, Duysburghstraat 30/6D/R, Alexandre Giacomini en Sandrine Le Maire de Falhé, wonende te 1150 Brussel, Sperwerlaan 28, Eric Gidrol en Isabelle Husson, wonende te 1150 Brussel, Maurice Liétartstraat 46, Sophie Gigovic, wonende te 1090 Brussel, Audrey Hepburnstraat 12, Xavier Gillis en Fabienne Roelants, wonende te 1950 Kraainem, Kapellaan 274, Simon Girresch en Concepcion De Benito Diaz, wonende te 1050 Brussel, Lensstraat 32, Jose Gonzales Puell en Christine Da Silva Barata, wonende te 1030 Brussel, Vleugelsstraat 99, Françoise Guillick, wonende te 1120 Brussel, Lombartzijdestraat 239, Fabienne Hankard, wonende te 1190 Brussel, Laroussesquare 1, Vincent Hannouille, wonende te 1150 Brussel, Kardinaal Micaralaan 2, Philippe Henry en Nathalie Steurs, 4 wonende te 1180 Brussel, Brugmannlaan 370, Mabel Herrera Serrano, wonende te 1030 Brussel, Huart Hamoirlaan 89, Anh Tuan Hoang en Thi Huong Pham, wonende te 1150 Brussel, Gebroeders Legrainlaan 8, Marc Huwart en Nathalie Baeten, wonende te 1180 Brussel, Wolvendaellaan 31, Nathalie Isserentant, wonende te 1970 Wezembeek- Oppem, Sikkelgangstraat 26, Rokneddin Javadian en Mariam Attar, wonende te 1700 Dilbeek, Livinius Walravenstraat 18, Nathalie Jenart, wonende te 1210 Brussel, A. Lynenstraat 3, Jerôme Jolibois en Marianne Bruck, wonende te 1000 Brussel, Papenvest 11, Jean Kalantarian en Nathalie Erdmanis, wonende te 1180 Brussel, Edith Cavellstraat 118, Mokhtar Kamri, wonende te 1090 Brussel, Guillaume De Greeflaan 4/10/1, Despina Kanellou, wonende te 1150 Brussel, Sint-Michielscollegestraat 63, Eric Kinet en Liliane Maes, wonende te 1150 Brussel, Crokaertlaan 186, Michäel Kizozo en Claudine Rabet, wonende te 1080 Brussel, Edmond Machtenslaan 72/32, Sébastien Lacroix en Diana Roset, wonende te 1030 Brussel, Auguste Reyerslaan 31, Bernard Laruelle en Marianne De Decker, wonende te 1120 Brussel, Nachtegaalsweg 66, Philippe Leblanc en Annick Lebrun, wonende te 1050 Brussel, Generaal Jacqueslaan 2, Daniel Leclercq en Anne Rahier, wonende te 1140 Brussel, Stroobantsstraat 36, Justyna Lempio, wonende te 1770 Liedekerke, Stationstraat 362, Shaochong Li en Jing Zhang, wonende te 1200 Brussel, Solleveldstraat 31, Didier Linsen en Karin Hermanus, wonende te 5100 Namen, rue Bertrand Janquin 15, Yves Lobert, wonende te 1180 Brussel, Paul Hankarstraat 24, Tim Lucking en Brigit Francq, wonende te 1150 Brussel, Kamelialaan 52, Emmanuel Lyriou en Yuka Numao, wonende te 1970 Wezembeek-Oppem, Lange Eikstraat 50, Christian Mahieu en Véronique Vanhove, wonende te 1120 Brussel, Warandeveldstrat 62, Ardeshir Mahmoudian en Haideh Firouzbakhch, wonende te 1170 Brussel, Reigersboslaan 92, Pierre Mahy en Nathalie De Nit, wonende te 1150 Brussel, Louis Jasminlaan 315, Jean Makhoul en Rita Najm, wonende te 1030 Brussel, Eugène Demolderstraat 113, Julien Marechal en Caroline Dufaux, wonende te 1040 Brussel, Baron de Castrolaan 48, Hervé Marquis, wonende te 1040 Brussel, Kolonel Van Gelestraat 52, Didier Matgen en Barbara Cooreman, wonende te 1150 Brussel, Franciskanenlaan 27, Hugues Maton, wonende te 1150 Brussel, Konkelstraat 167, Yoshikazu Matsumoto en Mika Matsumoto, wonende te 3080 Tervuren, Kwikstaartlaan 35, Anne Mattheeuws, wonende te 1030 Brussel, Alexandre Markelbachstraat 70, Emile Matthys, wonende te 1020 Brussel, Mutsaardlaan 73, Henri Maupin en Véronique Lagae, wonende te 1130 Brussel, Verdinstraat 161, Philip Mellish en Doris Mellish, wonende te 1150 Brussel, Bemelstraat 126, Pyrrhus Mercouris en Verginiya Mercouri, wonende te 1040 Brussel, Van Meyelplein 29, Olivier Meulenyzer en France Goeseels, wonende te 1050 Brussel, Baljuwstraat 90, Murielle Michel, wonende te 1030 Brussel, Kerselarenlaan 57, Ali Mohammadi en Mahtab Forouzandehshahraki, wonende te 1140 Brussel, Henri Dunantlaan, 7/15, Guy Mols en Florence Rolland, wonende te 1150 Brussel, Manuelgaarde 5, Oliver Money-Kyrle en Rachel Napthine, wonende te 1030 Brussel, Léon Frédéricstraat 45, Hamid Monjazizadehahmadi en Mojgan Jafary, wonende te 1140 Brussel, Henri Consciencelaan 18, Matthew Moore en Nathalie Flandin, wonende te 1000 Brussel, Leonardo da Vincistraat 30, Laurent Muguet, wonende te 1180 Brussel, Dieweg 129, Laura Muhima, wonende te 1020 Brussel, Jean de Bolognelaan 93, Quefser Mujaj, wonende te 1800 Vilvoorde, Romeinsesteenweg 286, Rose Murera, wonende te 1000 Brussel, Marcqstraat 19, Stefano Murgano en Dora Gizzi, wonende te 1080 Brussel, E. van Cauwenberghstraat 75, Antonios Mylonas en Paraskevoula Seuyas, wonende te 1800 Vilvoorde, Zangrijelaan 22, Shafik Nemmaoui en Mina Harraz, wonende te 1083 Brussel, Beethovenlaan 29, Assion Netchenawoe, wonende te 1080 Brussel, Zaadstraat 65, Alvaro Jaime Neves da Silva en Maria Felipa Corte Real Goncalves Fe, wonende te 1040 Brussel, Edouard Lacomblélaan 38, Eddy Ngando Ngena en Maguy 5 Kawaya Amunazo, wonende te 1090 Brussel, Van Bessenlaan 30, Van Tan Nguyen en Thi Hong Diem Le, wonende te 1780 Wemmel, Alboom 37, Boris Nicaise en Annabelle Legros, wonende te 1090 Brussel, Carton de Wiartlaan 133, Pierre Nicolas en Sandrine Le Maire de Falhé, wonende te 1150 Brussel, Sint-Hubertusstraat 51, Annick Niedner, wonende te 1030 Brussel, Frédéric Pelletierstraat 46, Patricio Ortiz en Ana Blass Rico, wonende te 1200 Brussel, Mistrallaan 54, Jérôme Otte en Isabelle Maton, wonende te 1150 Brussel, Aprillaan 20, Aziz Ouriaghli-Zefzaki, wonende te 1020 Brussel, Molenbeekstraat 27, Marcel Ovyn en Isabelle Swenne, wonende te 1210 Brussel, Maria-Theresiastraat 98, David Palmer en Megumi Suekawa, wonende te 1200 Brussel, A.J. Slegerslaan 51, René Pazmino Gavilanes en Claudia Castro Romero, wonende te 1060 Brussel, César Depaepestraat 9, Stephan Peten en Myriam Dahan, wonende te 1050 Brussel, Guillaume Gilbertlaan 30, Jean-Marie Pisani en Samantha Christey, wonende te 1150 Brussel, Hertogstraat 15, Mireille Poljak, wonende te 1800 Vilvoorde, Hof ten Voordestraat 10, Victor Popoff en Marianne Ghyssen, wonende te 1970 Wezembeek-Oppem, Renbaanlaan 22, Stéphan Pouyat en Carole Goasdoue, wonende te 1050 Brussel, F. Rooseveltlaan 214, Nordine Regragui en Muriel Graindorge, wonende te 1150 Brussel, Bemelstraat 95, Olivier Ricard, wonende te 1150 Brussel, Horizonlaan 45, Véronique Robert, wonende te 1050 Brussel, Klein-Zwitserlandplein 11, Maurizio Romanin en Elena Cigolot, wonende te 1933 Zaventem, Groeningelaan 17, Philippe Rombout en Véronique Vandermeeren, wonende te 1853 Grimbergen, Kareelbakkerijstraat 24, Dominique Rosseau, wonende te 1020 Brussel, Araucarialaan 26, Maurice Saad en Renée Zein, wonende te 1200 Brussel, Steenbakkerijenlaan 10, Dris Salek Chergui en Karin Mommens, wonende te 1020 Brussel, Schapenweg 62, Johan Scotte en Anne Leenders, wonende te 1030 Brussel, Eugène Plaskylaan 30, Frank Sebert en Luce Picard, wonende te 1040 Brussel, Hoornstraat 119, Igor Semenoff en Laurence Cornez, wonende te 1050 Brussel, Stassartstraat 74, Olivier Serniclaes en Sophie Joly-Mortier, wonende te 1853 Grimbergen, Lindelaan 7, Bartholomeus Seuntjens, wonende te 1030 Brussel, Marchallaan 3c, en Murielle Lona, wonende te 3080 Tervuren, Brusselsesteenweg 242, Stephan Simon en Yvonne Josten, wonende te 1150 Brussel, Xavier Henrardlaan 13, Benjamin Simonnot en Gersende Courrèges d’Agnos, wonende te 1200 Brussel, Prekelindenlaan 90, Sophie Steegen, wonende te 1850 Grimbergen, Schransstraat 12, Laurent Steyaert en Nathalie Snakkers, wonende te 1020 Brussel, Pagodenlaan 369, Konstantin Stoichkov en Jivka Stoichkova, wonende te 1200 Brussel, Théodore de Cuyperstraat 119/23, Tahar Tahtouh, wonende te 1020 Brussel, François Lesninostraat 52, Bruno Tangre, wonende te 1800 Vilvoorde, Berkendallaan 140, Marie Tasiaux, wonende te 1160 Brussel, Driebruggenstraat 43, Milena Tedeschi, wonende te 1090 Brussel, Dielegemdreef 89, Vincent Thouhsaint en Corine Lorsignol, wonende te 1140 Brussel, Lindestraat 23, Pascal Timmermans, wonende te 1090 Brussel, Marlène Dietrichstraat 8/AE0A, Sophie Pesch, wonende te 1800 Vilvoorde, Kazernestraat 12, Jan Tombinski en Agnieszka Tombinska, wonende te 1150 Brussel, Tervurenlaan 282, Luc Troyckens en Fabienne Haeseleer, wonende te 1790 Affligem, Ternatstraat 159, Soldimar Urena de Poznanski, wonende te 1020 Brussel, Stuyvenberghstraat 38, Jean-François Van Cottem en Laurence Vanhoebroek, wonende te 1140 Brussel, Lindestraat 97, Vincent Van Hee en Thi Thuc Trinh Nguyen, wonende te 1000 Brussel, Verenigingstraat 43, Stéphane Van Linthoudt en Carla Tiso, wonende te 1800 Vilvoorde, Devoerlaan 38, Marc Vandendael, wonende te 1780 Wemmel, H. De Molstraat 5, Eric Vandermeersch, wonende te 1380 Lasne, rue Haute 26, Thierry Vandevelde en Fatima Malha, wonende te 1731 Asse, Huisdal 1, Thierry Vangansbek en Hélène Dhaeyer, wonende te 1140 Brussel, Maquisstraat 59, Jean- Marc Vanoevelen en Caroline Poucet, wonende te 1020 Brussel, Heizelstraat 84, Luc 6 Verriest, wonende te 1850 Grimbergen, Smaragdstraat 33, Philippe Verschelden en Muriel Goessens, wonende te 1800 Vilvoorde, Streekbaan 276, Miguel Visiedo Gil en Fabienne Broeders, wonende te 1200 Brussel, Terkamerenstraat 78, Jean-Paul Vito en Odile Leclercq, wonende te 1200 Brussel, Broquevillelaan 265, Irush Vrioni en Albana Vrioni, wonende te 1000 Brussel, Ambiorixsquare 30, Jean-Charles Walecha en Irina Malinovskaia, wonende te 1040 Brussel, Boerenstraat 22, Nicolas Weinreb-Willard en Nathalie Dubois, wonende te 1330 Rixensart, rue de l’Eglise 40/4, Simon Wets en Dominique Sledsens, wonende te 1970 Wezembeek-Oppem, Rode Beukenlaan 78, Thierry Wieme en Isabelle Gérardy, wonende te 1120 Brussel, Warandeveldstraat 2, Pi Chung Wu, wonende te 1040 Brussel, Legerlaan 92, Guillaume Wunsch en Elda Guzman Lopez, wonende te 1000 Brussel, Kandelaarsstraat 13, Pierre Youatou Towo en Michèle Ngassa Fasso wonende te 1200 Brussel, Koninklijk Atheneumstraat 85/b2, Hondlu Zhang, wonende te 1180 Brussel, Visserijstraat 101, en Yuan Zhijun en Junru Guo, wonende te 1140 Brussel, Jules Bordetlaan 138/
  3. Bij hetzelfde verzoekschrift vorderen de verzoekende partijen eveneens de vernietiging van hetzelfde decreet. Bij beschikking van 16 december 2008 heeft het Hof de terechtzitting bepaald op 14 januari 2009 na de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 bedoelde overheden te hebben uitgenodigd hun eventuele schriftelijke opmerkingen, in de vorm van een memorie, uiterlijk op 8 januari 2009 in te dienen en een afschrift ervan binnen dezelfde termijn aan de verzoekende partijen over te zenden. De Franse Gemeenschapsregering heeft schriftelijke opmerkingen ingediend. Op de openbare terechtzitting van 14 januari 2009 : - zijn verschenen : . Mr. V. De Wolf en Mr. G. Generet, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; . Mr. J. Sautois, tevens loco Mr. M. Uyttendaele, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Franse Gemeenschapsregering; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 7 II. In rechte -A- Ten aanzien van de middelen Wat de eerste twee middelen samen betreft A.1.
  4. Het eerste en het tweede middel, die in identieke bewoordingen zijn geformuleerd, zijn afgeleid uit de schending, door de artikelen 2, 3, 4, 5, 10 en 1 tot 9 van het bestreden decreet, van de artikelen 10, 11, 19, 22, 22bis, 23, 24, 27 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8, 9, 10 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 17, 18, 19 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 10 en 13 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, met de artikelen 5, 14, 16, 18 en 28 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, met de artikelen 2 en 1165 van het Burgerlijk Wetboek en met de algemene beginselen van de niet-retroactiviteit, de rechtszekerheid, standstill en de inachtneming van de gewettigde verwachtingen van anderen. A.1.
  5. In een eerste onderdeel verwijten de verzoekende partijen de in het geding zijnde bepalingen een verschil in behandeling in te voeren tussen de scholen verbonden voor het schooljaar 2008-2009 en die voor het schooljaar 2009-2010, en de voor het jaar 2009 en 2010 verbonden en niet-verbonden scholen identiek te behandelen, hetgeen zou indruisen tegen de wil van de wetgever en redelijk noch evenredig zou zijn. De verzoekers zijn van mening dat de wil van de wetgever erin bestond om, bij wijze van overgangsmaatregel, de leerlingen van minstens twee opeenvolgende schooljaren de mogelijkheid te verzekeren zich prioritair te kunnen inschrijven in de eerste cyclus van de secundaire school waarvoor een vooraf opgemaakte overeenkomst hen prioritair bestemde. De verzoekende partijen voeren aan dat, in tegenstelling tot de wil van de wetgever, het nieuwe artikel 88, § 4, elfde lid, van het « decreet taken » van 24 juli 1997, zoals vervangen bij artikel 5 van het bestreden decreet, door sommige inrichtende machten in die zin is geïnterpreteerd dat het hen toestond om de verbindingsovereenkomsten die reeds waren gesloten, niet vóór 30 september 2008 aan de administratie van de Franse Gemeenschap mee te delen, hetgeen volgens hen een nieuw criterium toevoegt aan de prioritaire aanvaarding van leerlingen wier juridische situatie nochtans definitief geregeld leek. A.1.
  6. In een tweede onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de vereiste van nieuwe criteria voor de erkenning van verbindingsovereenkomsten die op geldige wijze onder de gelding van de wetgeving vóór het bestreden decreet zijn gesloten voor het schooljaar 2009-2010, de rechtszekerheid en de gewettigde verwachtingen van de betrokken verzoekers aantast. Behalve dat het een retroactieve werking heeft tot een datum vóór de bekendmaking ervan (1 augustus 2008), zijn de verzoekende partijen van mening dat het bestreden decreet tot gevolg heeft dat het situaties wijzigt die definitief gestalte hebben gekregen in onherroepelijk verworven rechten, indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het de voorrang regelt bij de inschrijving voor het jaar 2009-2010, voorrang die bij wijze van overgang bij het decreet van 19 oktober 2007 aan bepaalde leerlingen van verbonden scholen is toegekend. A.1.
  7. In een derde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de verplichting, door de toepassing van nieuwe regels en een ongunstige loting, ten aanzien van sommige leerlingen om het pedagogisch continuüm te onderbreken waarin zij waren ingeschreven op basis van een bepaald opvoedkundig project, een ongepaste en onevenredige aantasting van de vrije onderwijskeuze zou vormen. A.1.
  8. De verzoekende partijen voeren in een vierde onderdeel aan dat het onderscheid tussen de leerlingen op grond van de verbindingsovereenkomsten objectief noch redelijk zou zijn : het criterium van onderscheid tussen de eerste en de tweede tussen scholen gesloten verbindingsovereenkomsten zou nauwelijks gepreciseerd zijn en zou het bijgevolg niet mogelijk maken die overeenkomsten van elkaar te onderscheiden. Dat criterium zou evenmin verantwoord zijn. Het onderscheid tussen de verbindingsovereenkomsten zou ook niet pertinent zijn in het licht van de door de wetgever nagestreefde doelstellingen : de verzoekende partijen zien niet in hoe het onderscheid tussen de verbonden scholen zou bijdragen tot de doelstelling die erin bestaat een doeltreffend en rechtvaardig alternatief in te voeren voor de wachtrijen die konden ontstaan door de uitvoering van het decreet van 8 maart
  9. 8 A.1.
  10. In een vijfde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de voorwaarde dat de scholen die een verbindingsovereenkomst kunnen aangaan, administratief gezien in dezelfde gemeente moeten zijn gevestigd, scholen die geografisch gezien dicht bij elkaar in verschillende gemeenten zijn gelegen, zonder pertinente, redelijke en evenredige grondslag verschillend behandelt. A.2.
  11. In haar memorie merkt de Franse Gemeenschapsregering in verband met de « formele » retroactiviteit van het in het geding zijnde decreet op dat het, op het ogenblik dat het in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, nog niet mogelijk was leerlingen in te schrijven, zodat de retroactiviteit van de in het geding zijnde bepalingen geen enkele rechtsonzekerheid heeft teweeggebracht. In verband met de « materiële » retroactiviteit van het in het geding zijnde decreet wenst de Franse Gemeenschapsregering de nieuwe regeling inzake de verbinding in haar context te plaatsen. Zij onderstreept dat het beginsel van een pedagogisch continuüm centraal staat in die regeling, beginsel dat de decreetgever ertoe heeft gebracht de rechtmatige voorwaarden te willen preciseren waaronder kinderen mogelijk een objectief verschil zouden moeten aanvoeren om te verantwoorden dat hun een voorrang van inschrijving wordt toegekend, zelfs indien die voorrang bedoeld is om nog enige tijd tegemoet te komen aan de verwachtingen van sommige ouders. De Franse Gemeenschapsregering preciseert overigens dat het decreet de overgangsregeling van de voorrang van inschrijving gekoppeld aan die verbinding heeft uitgebreid tot alle leerlingen van de betrokken lagere school of basisschool, terwijl het vorige decreet het voordeel ervan alleen voorbehield aan de laatste generaties van leerlingen van het vijfde en zesde leerjaar. Op die manier kon beter rekening worden gehouden met de gewettigde verwachtingen van de ouders die hun kind hadden laten inschrijven in een lagere school, wetende dat het aldus een prioritair inschrijvingsrecht zou genieten. Voor het overige is de Regering van mening dat het decreet de vrijheid van vereniging van de inrichtende machten heeft beperkt op een wijze die evenredig is met het nagestreefde doel van sociale gemengdheid, waarbij die inrichtende machten zich als enige kunnen uitspreken over de opportuniteit om een bevoorrechte band te behouden tussen de inrichtingen voor lager onderwijs en voor secundair onderwijs, en waarbij hun recht wordt behouden om ervan af te zien een verbindingsovereenkomst te sluiten. Op een al even evenredige wijze heeft het decreet, rekening houdend met het tweede daarin nagestreefde doel, namelijk de transparantie in de inschrijvingsprocedure, voor de inrichtende machten een uiterste datum vastgelegd waarna, indien aan de administratie niet één of twee verbindingsovereenkomsten zijn meegedeeld, het voor hen niet langer mogelijk zal zijn daarop aanspraak te maken in het kader van het volgende inschrijvingsproces. A.2.
  12. Het derde onderdeel van het eerste middel is niet ernstig, aldus de Franse Gemeenschapsregering. Het bestreden decreet, alsook het decreet dat het Hof in zijn arrest nr. 119/2008 van 31 juli 2008 geldig heeft verklaard, beperkt op zich immers niet de keuzevrijheid van de ouders, die een inschrijvingsaanvraag kunnen indienen in de schoolinrichting van hun keuze, wetende dat, behalve in geval van een weigering op grond van de redenen bedoeld in artikel 88, § 1, eerste en tweede lid, in de volgorde van de wachtlijst een plaats wordt voorgesteld zodra die in de inrichting beschikbaar wordt. A.2.
  13. De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat het vierde onderdeel van het eerste middel het eerste onderdeel tegenspreekt. De verzoekende partijen willen daarin immers de gevolgen behouden van het vorige decreet betreffende het voorrangsrecht gekoppeld aan de inschrijving in een verbonden secundaire school, terwijl dat decreet in geen enkele voorwaarde voorzag voor het sluiten van de verbindingsovereenkomst. In dat onderdeel van het middel vragen de verzoekende partijen aan het Hof om vast te stellen dat het « decreet sociale gemengdheid » een prioritair inschrijvingsrecht toekent dat steunt op een niet-pertinent criterium, namelijk echter nog steeds het bestaan van een verbindingsovereenkomst. Die tegenstrijdigheid zou evenwel zo kunnen worden geïnterpreteerd dat de verklaringen van de verzoekers coherent worden : het zou erom gaan de gevolgen van de verbinding alleen nog voor te behouden aan de kinderen die betrokken zijn bij de aanvang van het schooljaar 2009-2010, met uitsluiting van de kinderen van scholen die onder de nieuwe regeling zijn verbonden. Na te hebben stilgestaan bij het belang van de verzoekers om dat onderdeel aan te voeren, in zoverre de kinderen van verschillende onder hen afkomstig zijn uit lagere scholen die geen enkele verbindingsovereenkomst hebben meegedeeld, voert de Franse Gemeenschapsregering aan dat het door het decreet gemaakte onderscheid onder de « verbonden » scholen naargelang zij al dan niet verbindingsovereenkomsten kunnen sluiten, pertinent is, vermits het aansluit bij het nagestreefde doel van sociale gemengdheid. 9 In dat perspectief en rekening ermee houdend dat, onder de gelding van het « decreet inschrijvingen (bis) » verschillende scholen voor secundair onderwijs niet één maar meerdere overeenkomsten hadden willen sluiten met verschillende lagere scholen - zonder dat die beantwoorden aan de opvatting die men heeft van een werkelijke verbonden school -, waardoor aldus het aantal prioritaire leerlingen toeneemt ten koste van de niet-prioritaire leerlingen, heeft de wetgever naar aanleiding van het « decreet sociale gemengdheid » de draagwijdte en de grenzen van het prioritair inschrijvingsrecht gekoppeld aan de verbinding willen verduidelijken. Om die reden heeft de wetgever bepaald dat, om als verbonden school te kunnen worden beschouwd, de lagere school ten opzichte van de secundaire school moet voldoen aan minstens drie van de hieronder vermelde voorwaarden die een zeker pedagogisch continuüm waarborgen : - dezelfde inrichtende macht hebben als de secundaire school; - een gemeenschappelijk inrichtingsproject hebben, behalve voor de maatregelen die specifiek zijn voor het betrokken onderwijsniveau; - zich in dezelfde gemeente bevinden; - minstens 40 pct. van de leerlingen van het zesde leerjaar hebben die zich de voorbije twee jaar hebben ingeschreven in de betrokken secundaire school. A.2.
  14. Ten aanzien van het criterium van de vestiging in dezelfde gemeente dat de verzoekers in het vijfde onderdeel bekritiseren, voert de Franse Gemeenschapsregering aan dat het derde gekozen cumulatieve criterium - dat van de vestiging in dezelfde gemeente - objectief, pertinent en evenredig is. Het eerste doel van de wetgever bestaat erin de sociale gemengdheid aan te moedigen, waarop evenwel uitzonderingen kunnen worden gemaakt die verband houden met ofwel het nagestreefde pedagogisch continuüm, ofwel de wil om zoveel mogelijk de ontworteling van een kind te voorkomen, risico dat groter kan worden wanneer sociaaleconomisch benadeelde gezinnen nieuwe verplaatsingen worden opgelegd. Wat het derde middel betreft A.
  15. Het derde middel is gericht tegen de artikelen 2, 3, 4 en 5 van het bestreden decreet en is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet. De verzoekende partijen voeren aan dat het decreet vanuit wiskundig oogpunt ongelijkheden zou teweegbrengen en daardoor onder de leerlingen verschillen zou invoeren die noch pertinent, noch redelijk, noch evenredig zouden zijn. De verzoekende partijen steunen op de werkzaamheden van een emeritus hoogleraar wiskunde aan de « Facultés universitaires Notre-Dame de Namur » en voeren aan dat het decreet de leerlingen statistisch gezien niet gelijk behandelt. Het middel beoogt in het bijzonder de alfabetische en chronologische criteria waarvan het decreet gebruikmaakt in de rangschikkingsfase voor de loting die in de in het middel beoogde bepalingen wordt geregeld. De verzoekende partijen zijn voorts van mening dat, gelet op de relatieve eenvoud van de problemen die in dat middel worden opgeworpen, een arrest van onmiddellijk antwoord zou kunnen worden gewezen in de zin van artikel 72 van de bijzondere wet van 6 januari
  16. A.
  17. De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat, wat het derde middel betreft, het Hof zal oordelen of het bevoegd is om de door de verzoekers behandelde wiskundige vragen te beoordelen. In werkelijkheid gaat het debat over de evenredigheid van een maatregel om een keuze te maken uit de inschrijvingsaanvragen op basis van het ene of het andere willekeurige criterium, zonder dat die rangschikking evenwel het resultaat is van een volledige loting zonder meer, dat als enige afwijkingen kan uitsluiten zoals die welke voortvloeien uit de in het beroep uiteengezette kansberekeningen, in de veronderstelling dat die exact zijn. Dat zou immers de enige rangschikkingsformule zijn die overeenstemt met het door de wetgever nagestreefde doel, dat op dat punt erin bestaat een transparante, neutrale en objectieve keuze te kunnen maken uit de beschikbare plaatsen in een instelling voor secundair onderwijs, gelet op het aantal inschrijvingsaanvragen, waarbij alle zaken voor de rest gelijk blijven (met andere woorden, los van de andere kwesties met betrekking tot de aanvaardbaarheid van die aanvragen). 10 Hoewel de Franse Gemeenschapsregering kan overwegen zich op dat punt te gedragen naar het oordeel dat het Hof binnen de grenzen van zijn bevoegdheden zal uitbrengen, wenst zij evenwel op te merken dat zij, door de drie rangschikkingscriteria op te nemen in het « decreet sociale gemengdheid » en de schoolinrichtingen en inrichtende machten de rangschikkingsformule te laten kiezen, alle imperatieven die zij zichzelf had opgelegd, met elkaar heeft verzoend, waaronder de naleving van de autonomie van de betrokkenen op het terrein, de afschaffing van de wachtrijen en de toename van de sociale gemengdheid. Wat het vierde vernietigingsmiddel betreft A.
  18. Het vierde middel is gericht tegen de artikelen 2 en 3 van het bestreden decreet en is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 24 ervan. De verzoekende partijen voeren aan dat die bepalingen, in de rangschikkingsfase, inschrijvingsquota’s vaststellen voor de leerlingen die hun woonplaats hebben in de gemeente, enerzijds, en diegenen die hun woonplaats hebben buiten de gemeente, anderzijds, terwijl de voormelde grondwetsartikelen elke vorm van discriminatie verbieden die niet objectief is, niet is verantwoord door een gewettigd doel en niet steunt op middelen die evenredig zijn met dat doel, en terwijl artikel 24 van dezelfde tekst de ouders de vrijheid toekent om de inrichting te kiezen waar zij willen dat hun kind naar school gaat. Ook al is het criterium van onderscheid, namelijk de woonplaats, klaarblijkelijk objectief, zoals de partijen toegeven, zijn de laatstgenoemden van mening dat de discriminatie op zich toch niet verantwoord is ten aanzien van een gewettigd doel en dat die maatregel overigens slechts « op onhandige wijze » zou zijn verantwoord in de parlementaire voorbereiding. A.6 De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat de verzoekende partijen de parlementaire voorbereiding objectief moesten aanhalen en met name opmerken dat het decreet de thans bekritiseerde verhouding heeft ingevoerd « in eenzelfde perspectief van progressiviteit » als dat in het kader waarvan zij de verhouding ten behoeve van de leerlingen afkomstig uit kansarme lagere scholen heeft ingevoerd. Op geen enkel ogenblik bespreken of betwisten de verzoekende partijen echter de pertinentie van de ingevoerde regeling ten aanzien van die gewenste progressiviteit. Zij zouden dat ook niet kunnen doen, temeer daar de maatregel op adequate wijze aan dat doel tegemoetkomt. De Franse Gemeenschapsregering begrijpt overigens niet goed waarom de verzoekers verklaren dat, « indien de wetgever een zekere nabijheid had willen bevorderen, hij aan de leerlingen van de gemeente een prioritair inschrijvingsrecht had moeten toekennen of, zoals hij dat heeft gedaan voor de leerlingen van de kansarme lagere scholen, een percentage van aan hen voorbehouden plaatsen had moeten vaststellen ». Naast het feit dat de wetgever, door een geografische verhouding in te voeren zoals hij dat heeft gedaan, binnen bepaalde grenzen precies een voorrang heeft toegekend aan leerlingen van de gemeente en, a contrario, aan leerlingen die niet uit de gemeente afkomstig zijn, blijkt immers duidelijk dat hij gebruik heeft gemaakt van de formule van het percentage van voorbehouden plaatsen naar het model van de verhouding die hij heeft vastgesteld ten behoeve van de leerlingen afkomstig uit kansarme scholen. Wat het vijfde middel betreft A.
  19. Het vijfde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet door de artikelen 2 en 4 van het bestreden decreet, in zoverre die bepalingen het inrichtingshoofd en de inrichtende machten de keuze laten tussen drie criteria om de leerlingen te selecteren in geval van overtallige inschrijvingsaanvragen. De verzoekende partijen zijn van mening dat, teneinde tegemoet te komen aan de kritiek die de Raad van State in zijn advies heeft geuit en volgens welke de oorspronkelijke ontwerptekst geen enkel selectiecriterium preciseerde, één enkel criterium had moeten worden gekozen en niet drie zoals in de uiteindelijk aangenomen tekst. A.
  20. De Franse Gemeenschapsregering herinnert eraan dat het ontwerpdecreet aan de inrichtende machten alle ruimte liet om in geval van overtallige inschrijvingen de selectiewijze te kiezen. Om te antwoorden op de kritiek die de Raad van State in zijn advies heeft uitgebracht, heeft de decreetgever uiteindelijk het bekritiseerde systeem aangenomen, dat wel door de Raad van State is goedgekeurd. 11 Wat het zesde middel betreft A.
  21. Het zesde middel is afgeleid uit de schending van artikel 24 van de Grondwet door de artikelen 2 en 4 van het bestreden decreet. De verzoekende partijen verwijten die twee bepalingen dat zij slechts bij wijze van voorbeeld een motief voorstellen met toepassing waarvan de Regering zou kunnen toestaan om meer dan 10 pct. af te wijken van het percentage van de leerlingen die hun woonplaats in dezelfde gemeente hebben, percentage dat op 1 oktober 2008 is vastgesteld. Opnieuw om tegemoet te komen aan het advies van de Raad van State, die de ontwerptekst verweet het wettigheidsbeginsel niet in acht te nemen door geen enkel criterium te bepalen voor de afwijkingen die zouden kunnen worden toegekend, is de tekst gewijzigd door toe te voegen dat de motivering onder meer steunt « op de demografische evolutie in en buiten de gemeente ». De verzoekende partijen zijn evenwel van mening dat het aldus toegevoegde criterium onvoldoende gepreciseerd is. A.
  22. De Franse Gemeenschapsregering geeft toe dat de afdeling wetgeving inderdaad heeft geoordeeld dat het voorstel voor een decreet niet tegemoetkwam aan de wettigheidsvereiste die voortvloeit uit artikel 24, § 5, van de Grondwet, in zoverre het zonder toelichtingen erin voorzag dat de verhouding ten behoeve van de leerlingen van dezelfde gemeente het voorwerp kon uitmaken van een afwijking die de Regering toekende op gemotiveerd verzoek van het inrichtingshoofd of van de inrichtende macht, zonder dat de afwijkingscriteria werden vermeld. De wetgever heeft aan die opmerking gevolg gegeven. Hij heeft immers bepaald dat de afwijking zou worden toegekend door de Regering op een met redenen omklede aanvraag die « onder meer [steunt] op de demografische evolutie in en buiten de gemeente ». Het Hof zal oordelen of dat antwoord voldoet aan de voorschriften van artikel 24, § 5, van de Grondwet. Toch is het zo dat de in het zesde middel beoogde wettekst zodanig is opgesteld dat de afwijkingsaanvraag waarin hij voorziet, indien die er komt, geen gevolg krijgt vóór
  23. De verzoekers hebben dus geen klaarblijkelijk belang erbij die bepaling aan te vechten, althans niet in een vordering tot schorsing om dringende redenen. Wat het zevende middel betreft A.
  24. Het zevende middel is afgeleid uit de schending, door de artikelen 2 en 4 van het bestreden decreet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 24 van de Grondwet, en meer bepaald artikel 24, §
  25. De verzoekende partijen verwijten die bepalingen dat zij aan elke inrichting de zorg overlaten om de verhouding vast te stellen van het aantal leerlingen afkomstig uit een kansarme vestiging voor basisonderwijs of lager onderwijs. Uit die bepalingen zou voortvloeien dat het percentage van de leerlingen afkomstig uit een kansarme school of vestiging voor basisonderwijs of lager onderwijs in elke inrichting verschillend zal zijn. Bovendien had de wetgever die verhouding moeten definiëren, en niet de inrichtingshoofden. A.12 De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat de verzoekende partijen ten onrechte verklaren dat geenszins wordt uitgelegd hoe de ruimte die aan de inrichtingen wordt gelaten om een variabel percentage te hanteren voor de verhouding van leerlingen afkomstig uit kansarme inrichtingen voor lager onderwijs, het mogelijk zou maken het doel van sociale gemengdheid te bereiken. Het decreet moedigt de inrichtingen alleen ertoe aan de sociale gemengdheid te bevorderen door hun de mogelijkheid te bieden verder te gaan dan de daarin uitdrukkelijk voorgeschreven minimale drempel, die voor iedereen gelijk is, operatie die overeenstemt met de inwerkingstelling van een positieve actie conform de grondwettigheidsvoorwaarden die het Hof heeft opgelegd (cf. het arrest nr. 9/94 van 27 januari 1994). Wat het achtste middel betreft A.
  26. Het achtste middel brengt de bij het bestreden decreet ingevoerde procedures voor de loting en de rangschikking in het geding, die volgens de verzoekende partijen in strijd zouden zijn met de artikelen 10 en 11 12 van de Grondwet, in zoverre zij geen mechanisme invoeren dat de objectiviteit en het eerlijke karakter van de loting en van de rangschikking op basis waarvan de overtallige kandidaat-leerlingen zullen worden aangewezen, voldoende kan waarborgen. Ook al voorziet het decreet in de aanwezigheid van een ambtenaar van de diensten van de Regering gedurende de procedure van de loting, zouden zijn rol en de voorwaarden met betrekking tot zijn optreden niet gepreciseerd zijn. Er is overigens niet voorzien in de aanwezigheid van een ambtenaar tijdens de fase waarin de inschrijvingen worden gerangschikt op basis van de letter van het alfabet of de spildatum die tijdens de fase van de loting wordt bepaald. A.
  27. De Franse Gemeenschapsregering merkt in de eerste plaats op dat het optreden van een ambtenaar van de diensten van de Regering op evenredige en redelijke wijze plaatsheeft op het cruciale ogenblik van het inschrijvingsproces, namelijk tijdens de eventuele fase van de loting van de twee letters van het alfabet of van de spildatum. Daar die gegevens bepalend zijn voor alle rangschikkingsoperaties die daaruit zullen voortvloeien, was het voorzichtig om de administratieve controle te vertalen in de vorm van een fysieke verplaatsing van een ambtenaar van de diensten van de Regering naar de bij die fase betrokken inrichtingen en hem tijdens die zitting het proces-verbaal van de loting te laten opstellen. Vervolgens zijn de inrichtingshoofden en inrichtende machten, telkens als de rangschikking van de inschrijvingsaanvragen uitdraait op een ex aequo, ertoe gehouden de ambtenaar van de diensten van de Regering onmiddellijk erover in te lichten dat zij uit de betrokken inschrijvingsaanvragen hebben moeten kiezen door gebruik te maken van een gewone loting. In het algemeen voorziet het « decreet sociale gemengdheid » ten slotte erin dat de diensten van de Regering toezien op de naleving, door de inrichtingshoofden en de inrichtende machten, van alle bepalingen ervan en met name van de rangschikkingsfasen waarvan de krachtlijnen daarin worden geregeld. Wat het negende middel betreft A.
  28. Het negende middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 24 ervan. Het mechanisme van de positieve discriminatie waarin het bestreden decreet voorziet ten behoeve van de leerlingen afkomstig uit kansarme vestigingen voor lager onderwijs, wordt verweten dat het leidt tot een onbeheersbaar fenomeen van meervoudige inschrijvingen, zonder bijvoorbeeld te bepalen hoe het geval moet worden behandeld van de leerlingen die zich, na afloop van de derde inschrijvingsfase, in verschillende inrichtingen zouden mogen inschrijven. A.
  29. De Franse Gemeenschapsregering merkt op dat de decreetgever, die de logica heeft willen volgen van de wettigheidsaanbeveling van de Raad van State, heeft voorzien in een regeling waarmee de inrichtingen en de inrichtende machten de mogelijkheid zouden behouden te kiezen tussen verschillende systemen om de inschrijvingsaanvragen te rangschikken. Voor het overige is het fenomeen van de veelvuldige inschrijvingen het resultaat van de vrije keuze van de ouders, probleem dat niet voortvloeit uit de bestreden bepalingen, maar uit de toepassing die ervan is gemaakt. Wat het tiende middel betreft A.
  30. Het tiende middel verwijt het bestreden decreet de inrichtingen voor secundair onderwijs ertoe te verplichten een deel van hun plaatsen voor te behouden aan leerlingen die afkomstig zijn uit een kansarme basisschool, zonder rekening ermee te houden dat sommige inrichtingen voor secundair onderwijs hun onderwijs verstrekken rond een pedagogisch project dat met name steunt op het inprenten van specifieke godsdienstige waarden. Een en ander zou de artikelen 10, 11, 19 en 24 van de Grondwet schenden, die het recht van ieder individu erkennen om zich aan te sluiten bij de godsdienst van zijn keuze en dat te beoefenen. A.
  31. Het tiende middel is niet ernstig, aldus de Franse Gemeenschapsregering. Het « decreet sociale gemengdheid » verplicht immers geen enkele vrije onderwijsinrichting ertoe leerlingen te aanvaarden die niet het geloof zouden aanhangen waarrond het onderwijs er is georganiseerd. In verband met het gesubsidieerd onderwijs bepaalt het « decreet taken » stelselmatig in artikel 88, § 4, ervan - dat voortvloeit uit het « decreet sociale gemengdheid » -, dat de inschrijvingsaanvragen definitief worden geregistreerd « onverminderd […] de weigering van die inschrijvingen om één van de redenen bedoeld in paragraaf 1, 1e en 2e leden », leden die ongewijzigd zijn gebleven, namelijk het akkoord gaan met de educatieve en pedagogische projecten van de inrichtende macht. 13 Ten aanzien van het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel A.
  32. De verzoekende partijen zijn van mening dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden norm, op de dag dat de verzoekschriften zijn ingediend zou kunnen leiden tot het afsluiten van de inschrijvingen en het openen van de rangschikkingsfase, die tot gevolg zouden kunnen hebben dat de kinderen van de verzoekers niet worden ingeschreven in de school van hun keuze, ofwel omdat zij niet prioritair zijn ingeschreven, terwijl zij aanspraak maken op die voorrang, ofwel omdat een loting, waarvan het onbillijke karakter is aangetoond, voor hen ongunstig was. De ontstentenis van de mogelijkheid voor die kinderen om hun cursus voort te zetten in de school die beantwoordt aan de pedagogische keuze van hun ouders en de grote moeilijkheid of zelfs loutere onmogelijkheid om in een andere school een pedagogisch project of vergelijkbare onderwijsmethoden te vinden die op harmonieuze wijze in een pedagogisch continuüm kunnen worden geïntegreerd, zouden een aantasting vormen van de fundamentele rechten bedoeld in de eerste twee middelen, en met name van de vrije keuze van onderwijs. Die verbreking zou voortvloeien uit de schending van de waarborg die de verzoekers, naar de wil zelf van de wetgever, hadden om de rechten te behouden die de vroegere wetgeving hun rechtmatig toekende. Zij zou daarnaast voortvloeien uit de toepassing van criteria en beginselen die ongelijkheden met zich meebrengen, zowel op het niveau van de regels met betrekking tot de erkenning van de verbonden scholen, als op dat van de talrijke statistische ongelijkheden waarvan de verzoekers onvermijdelijk het voorwerp zullen uitmaken, aangezien die het resultaat zijn van de mechanismen zelf van de loting. De verzoekende partijen steunen ook op het schorsingsarrest dat de Raad van State op 12 november 2008 heeft gewezen en waarin de afwezigheid van een verbindingsovereenkomst tussen de school « Paradis des enfants » en het koninklijk atheneum Jean Absil werd aangevochten. De verzoekende partijen zijn voorts van mening dat een nadeel zou ontstaan als gevolg van het feit dat inschrijvingen op een ongrondwettige basis zouden zijn georganiseerd. Dat nadeel zou noodzakelijkerwijs ernstig zijn, vermits het zou gaan om een aantasting van het wezen van het recht, essentieel voor de uitoefening zelf van de vrijheid van onderwijs. Die aantasting zou alle inschrijvingen voor het in het geding zijnde schooljaar en bijgevolg een bijzonder groot aantal ouders en leerlingen kunnen treffen. Ten slotte onderstrepen de verzoekende partijen dat het beroep is ingediend binnen de termijn van drie maanden bedoeld in artikel 21 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, vóór het verstrijken van de termijnen bedoeld in het bestreden decreet om de inschrijvingen voor het schooljaar 2009-2010 definitief af te sluiten, en met de hoop dat een schorsing en een snelle vernietiging van de bestreden wetgeving het de wetgever mogelijk zullen maken de regels met betrekking tot de inschrijving grondig te herzien met het oog op de aanvang van dat schooljaar. Een vernietiging na de aanvang van dat schooljaar in september 2009 zou het niet mogelijk maken een dergelijk nadeel op gepaste wijze te herstellen, daar zij noodzakelijkerwijs de organisatie van een nieuwe inschrijvingsfase zou inhouden. Een vernietiging vóór de aanvang van dat schooljaar zou het alleen mogelijk maken een dergelijk nadeel op gepaste wijze te herstellen indien zij wordt uitgesproken nog vóór de ouders al hun schikkingen hebben genomen, soms zeer lang op voorhand. A.20.1 Voorafgaandelijk voert de Franse Gemeenschapsregering aan dat, rekening houdend met de in hun verzoekschrift uiteengezette middelen, alleen vanuit het oogpunt van de kinderen van de verzoekers die thans in het zesde leerjaar zitten en van hun ouders die thans zijn betrokken bij het lopende inschrijvingsproces met het oog op het jaar 2009-2010, moet worden nagegaan of een moeilijk te herstellen ernstig nadeel bestaat. A.20.2 In de eerste plaats voert de Franse Gemeenschapsregering aan dat het risico van een ernstig nadeel in dit stadium van de rechtspleging niet vaststaat. Met toepassing van het bestreden decreet, dat op zich niet de hun grondwettelijk gewaarborgde keuzevrijheid aantast, hebben de kinderen van de verzoekers die betrokken zijn bij het inschrijvingsproces voor het schooljaar 2009-2010 zich thans immers in elk geval kandidaat gesteld in een of meer secundaire scholen. Indien in die scholen een rangschikkingsfase moest worden opengesteld, dan zal die moeten zijn afgesloten op 15 december 2008, onder voorbehoud van de gerechtelijke initiatieven die hebben geleid tot de schorsing van het proces op het niveau van sommige inrichtende machten. Na afloop van die fase weten de betrokken verzoekers dus welk gevolg wordt gegeven aan hun inschrijvingsaanvraag. Voor 14 diegenen onder hen wier inschrijvingsaanvraag definitief is geregistreerd, ofwel omdat de secundaire school van hun keuze voldoende plaatsen bood, ofwel omdat die, doordat zij te weinig plaatsen had ten opzichte van het aantal inschrijvingsaanvragen, is overgegaan tot de rangschikking van die aanvragen op een wijze die in overeenstemming is met het decreet en voor hen gunstig is geweest, staat het ter ondersteuning van hun vordering tot schorsing omschreven nadeel niet langer vast. A.20.3 Vervolgens is het nadeel, in de veronderstelling dat het zich nog niet heeft voorgedaan, niet ernstig. In verband met het arrest van de Raad van State waarnaar de verzoekende partijen verwijzen, dient eraan te worden herinnerd dat een vordering tot schorsing van een wet, een decreet of een ordonnantie fundamenteel verschilt van een vordering tot schorsing van een individuele administratieve handeling. Bij de schorsing van een dergelijke handeling is alleen een rechtsverhouding aangetast tussen bepaalde rechtzoekenden en de overheid, terwijl het in het geval van de schorsing van een wet, een decreet of een ordonnantie gaat om een algemene regel waarvan het toepassingsgebied betrekking heeft op een onbepaald aantal rechtssubjecten, waarbij de gevolgen van de schorsing bijgevolg erga omnes gelden. Voor het overige voert de Franse Gemeenschapsregering aan dat de gevolgen die zijn verbonden aan de inwerkingstelling van het decreet en die voor sommige kinderen van de verzoekers erin kunnen bestaan dat zij niet worden ingeschreven in de school die overeenstemt met hun eerste keuze, maar in een school die niettemin het resultaat zou zijn van de uitoefening van hun keuzevrijheid zoals die voortvloeit uit de Grondwet - en binnen de grenzen van dat begrip -, geen aantasting inhouden van de fundamentele rechten die in het beroep worden beoogd en niet dermate ernstig zijn dat zij de schorsing verantwoorden van de tekst waaruit zij voortvloeien. A.20.4 De Franse Gemeenschapsregering is vervolgens van mening dat het aangevoerde nadeel voldoende zal worden hersteld door een vernietigingsarrest, vermits de verzoekers zelf vragen dat dat arrest niet de resultaten zou beïnvloeden die verworven zijn na afloop van het inschrijvingsproces dat met toepassing van het door hen bestreden decreet is uitgevoerd. A.20.5 Ten slotte voert de Regering aan dat een schorsing van het « decreet sociale gemengdheid », op het ogenblik dat ze zou worden uitgesproken, een overdreven ernstig nadeel zou inhouden voor de andere leerlingen en hun ouders die het niet hebben bestreden en voor andere « deelnemers aan het onderwijsleven », zoals de schooldirecties en de inrichtende machten (zie daaromtrent het arrest van het Hof nr. 6/91 van 26 maart 1991), die door de uitwerking van de schorsing redelijkerwijs niet ertoe kunnen worden veroordeeld om in fine een groot deel van hun tijd te wijden aan het beheer van de inschrijvingen van het komende schooljaar. Zelfs in de veronderstelling dat is voldaan aan de voorwaarden van de schorsing, zou het Hof aldus de aanwezige belangen moeten afwegen en de vordering om die reden verwerpen. Zelfs indien het de bestreden bepalingen zou vernietigen, zou het Hof erover moeten waken door middel van een algemene maatregel de retroactieve werking van de vernietiging te beperken en de gevolgen van de vernietigde bepalingen te handhaven, in voorkomend geval om de rechtszekerheid in stand te houden. Het zal in dit stadium van de rechtspleging dus erover moeten waken dat het, door de schorsing die het zou uitspreken, de inschrijvingen en de wachtlijsten niet in het gedrang brengt die na aanzienlijke administratieve inspanningen tot stand zijn gekomen met naleving van het bestreden decreet, waardoor niet alleen de verzoekers, maar tevens alle personen die rechtstreeks bij de aanvang van het schooljaar 2009-2010 zijn betrokken, opnieuw in een situatie van onzekerheid zouden verkeren. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1.
  33. De vordering tot schorsing is gericht tegen het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 juli 2008 « tot regeling van de inschrijvingen van de leerlingen in de 15 eerste graad van het secundair onderwijs en tot bevordering van de sociale gemengdheid binnen de schoolinrichtingen ». B.1.
  34. Dat decreet wijzigt het decreet van 24 juli 1997 « dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren », het zogeheten « decreet taken », zoals dat decreet met name was gewijzigd bij het decreet van 8 maart 2007 « houdende diverse maatregelen met het oog op de regularisatie van de inschrijvingen en van de veranderingen van school in het leerplichtonderwijs » en bij het decreet van 19 oktober 2007 tot wijziging van het voormelde decreet van 8 maart
  35. Ten aanzien van het belang B.2.
  36. Aangezien de vordering tot schorsing ondergeschikt is aan het beroep tot vernietiging, dient de ontvankelijkheid van dat laatste, en met name het bestaan van het vereiste belang, reeds bij het onderzoek van de vordering tot schorsing te worden betrokken. B.2.
  37. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.3.
  38. De verzoekende partijen zijn allen ouders van leerlingen die zijn ingeschreven in een door de Franse Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde basisschool. De situatie van de verzoekende partijen kan rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door het bestreden decreet, dat de voorwaarden vaststelt voor de inschrijving van de leerlingen in de eerste cyclus van een door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde secundaire onderwijsinstelling. 16 B.3.
  39. Uit het beperkte onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging waartoe het Hof in het kader van de vordering tot schorsing is kunnen overgaan, blijkt niet dat het beroep tot vernietiging - en dus de vordering tot schorsing - onontvankelijk moet worden geacht. Ten aanzien van de vordering tot schorsing B.
  40. Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 dient aan twee grondvoorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : - de middelen die worden aangevoerd, moeten ernstig zijn; - de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. B.
  41. Uit het gebruik van het woord « kan » in artikel 19 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 volgt dat het Hof, zelfs wanneer het oordeelt dat aan de twee grondvoorwaarden in artikel 20, 1°, van dezelfde bijzondere wet om tot schorsing te kunnen overgaan is voldaan, niet is verplicht tot schorsing over te gaan. Het Hof dient na te gaan of het verantwoord is om tot schorsing van de bestreden bepalingen over te gaan, waarbij het de nadelen van de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepalingen voor de verzoekende partijen moet afwegen tegen de nadelen voor het algemeen belang die een schorsing zou meebrengen. B.
  42. Te dezen was de voor de prioritaire leerlingen bestemde eerste inschrijvingsfase, op het ogenblik dat de verzoekende partijen hun vordering tot schorsing hebben ingediend, reeds beëindigd, zoals volgt uit het nieuwe artikel 88, § 4, zesde lid, van het « decreet taken ». Hieruit vloeit voort dat een groot aantal leerlingen reeds in verschillende secundaire inrichtingen als prioritaire leerlingen waren ingeschreven. Op het ogenblik dat de vordering tot schorsing is ingediend, liep de tweede inschrijvingsfase overigens reeds tien dagen en eindigde zij vier dagen later. De verzoekende partijen konden redelijkerwijs niet verwachten dat vóór het afsluiten van die tweede fase een schorsingsarrest zou 17 worden uitgesproken. Na afloop van die tweede fase zijn andere inschrijvingsaanvragen ingediend, die definitief konden worden geregistreerd indien het totale aantal tijdens de eerste en de tweede fase geregistreerde aanvragen, voor een bepaalde secundaire inrichting, niet meer bedroeg dan het aantal beschikbare plaatsen. Ten slotte heeft de loting waarin het bestreden decreet voorziet, plaatsgehad in de inrichtingen waar het aantal inschrijvingsaanvragen groter was dan het aantal beschikbare plaatsen. Na die operatie zijn leerlingen in die inrichtingen ingeschreven. B.
  43. Een schorsing van de bestreden norm door het Hof, zou voor alle leerlingen wier inschrijving aldus definitief is geregistreerd en voor hun ouders rechtsonzekerheid met zich meebrengen. Alle leerlingen wier inschrijving is verkregen door de onmiddellijke toepassing van het decreet, zouden immers het voordeel ervan kunnen verliezen door de werking van een schorsing, hetgeen voor hen een nadeel met zich zou meebrengen dat zij door de onmiddellijke toepassing van het decreet niet lijden. Een schorsing van de bestreden bepalingen zou eveneens tot gevolg hebben dat het inschrijvingsproces moet worden overgedaan, hetgeen zou leiden tot een aanzienlijke administratieve en financiële last voor alle door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde secundaire onderwijsinstellingen. B.
  44. De vordering tot schorsing dient te worden verworpen. 18 Om die redenen, het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 24 februari
  45. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.034 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.035 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.