id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 04 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.035 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090304.1 Arrest- Rolnummer: 35/2009 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-03-09 Raadplegingen: 720 - laatst gezien 2026-07-03 04:35 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - Artikel 53, eerste lid, van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de interpretatie volgens welke die bepaling aan de veroordeelde een absoluut verbod oplegt om door zijn raadsman te kunnen worden vertegenwoordigd op de zittingen van de strafuitvoeringsrechtbank. - Artikel 53, eerste lid, van dezelfde wet schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in de interpretatie volgens welke de veroordeelde zich niet door zijn raadsman kan laten vertegenwoordigen op een zitting waarop de strafuitvoeringsrechtbank de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit onderzoekt. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - TENUITVOERLEGGING VAN DE STRAFFEN - Externe rechtspositie veroordeelden - Modaliteiten door strafuitvoeringsrechtbank PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 53, eerste lid, van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, gesteld door de Strafuitvoeringsrechtbank te Brussel. Strafrechtspleging - Strafuitvoeringsrechtbank - Procedure tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit - Verschijning in persoon. Wettelijke bepalingen: Wet - 17-05-2006 - 53,L1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4459 Arrest nr. 35/2009 van 4 maart 2009 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 53, eerste lid, van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, gesteld door de Strafuitvoeringsrechtbank te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 1 april 2008 in zake F.H., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 18 april 2008, heeft de Strafuitvoeringsrechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 53, § 1 [lees : eerste lid], van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, in die zin geïnterpreteerd dat het aan de veroordeelde een absoluut verbod oplegt om op de zitting te kunnen worden vertegenwoordigd door zijn advocaat, het grondwettelijke beginsel van gelijkheid vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ? ». Memories zijn ingediend door : - de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », met zetel te 1050 Brussel, Washingtonstraat 40, en J. André, wonende te 5000 Namen, chaussée de Dinant 243; - F.H., die keuze van woonplaats doet te 5100 Jambes, rue de Dave 33; - de Ministerraad. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone », J. André en de Ministerraad hebben memories van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 9 december 2008 : - zijn verschenen : . Mr. B. Cambier, advocaat bij de balie te Brussel, tevens loco Mr. A. Masset, advocaat bij de balie te Verviers, voor de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » en J. André; . Mr. C. Molitor, tevens loco Mr. J. Bourtembourg, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil F.H., die momenteel in het detentiecentrum van Saint-Hubert is opgesloten, is verschillende malen veroordeeld tot vrijheidsstraffen en hoofdzakelijk tot een straf van twintig jaar opsluiting wegens gewone diefstal en doodslag. Hij zal zijn straf op 9 februari 2016 hebben uitgezeten. Hij komt sinds 16 juni 2002 in aanmerking voor de voorwaardelijke invrijheidstelling en sinds 18 december 2001 voor de beperkte detentie. Hij dient bij de Strafuitvoeringsrechtbank een verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling in maar verschijnt niet op de zitting en laat zich door zijn raadsman vertegenwoordigen. Artikel 53, eerste lid, van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten bepaalt dat de strafuitvoeringsrechtbank de veroordeelde en zijn raadsman hoort. Op grond van de parlementaire voorbereiding van de voormelde wet heeft het Hof van Cassatie, bij een vonnis van 7 november 2007, die bepaling in die zin geïnterpreteerd dat ze de verplichting oplegt dat de veroordeelde persoonlijk moet verschijnen zonder dat hij zich door zijn advocaat kan laten vertegenwoordigen, waarbij de persoonlijke aanwezigheid van de veroordeelde waarborgt dat hij met volle bewustheid de aan zijn invrijheidstelling opgelegde verplichtingen en voorwaarden aanvaardt. Die interpretatie zou, volgens de verwijzende rechter, aanleiding kunnen geven tot een schending van het bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet gewaarborgde gelijkheidsbeginsel, voor zover zij de veroordeelde die een verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling indient, de verplichting zou opleggen persoonlijk te verschijnen, terwijl een vervolgde persoon in alle andere stadia van de correctionele procedure het recht heeft zich door zijn advocaat te laten vertegenwoordigen. Het is op grond van die overwegingen dat de Strafuitvoeringsrechtbank te Brussel, ambtshalve, de hierboven weergegeven prejudiciële vraag heeft gesteld. III. In rechte -A- Ten gronde Standpunt van F.H., partij voor de verwijzende rechter A.
- De partij voor de verwijzende rechter stelt dat de interpretatie van het Hof van Cassatie in zijn arrest van 7 november 2007 het grondwettelijke beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schendt. Door een veroordeelde de verplichting op te leggen persoonlijk te verschijnen voor de strafuitvoeringsrechtbank, zonder dat hij zich door zijn raadsman kan laten vertegenwoordigen, breekt die interpretatie immers met de regeling die geldt in de procedure voor het strafgerecht en die tot de veroordeling leidt. Voor de permanente strafgerechten verschijnt de beklaagde persoonlijk of in de persoon van een advocaat (artikel 185, § 1, van het Wetboek van strafvordering), onder voorbehoud van de mogelijkheid voor de rechter om te beslissen dat de beklaagde persoonlijk moet verschijnen (artikel 185, § 2, van hetzelfde Wetboek). Die gemeenrechtelijke regeling, ingevoerd door de wetgever naar aanleiding van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, kent geen uitzonderingen, noch voor de veroordeling van de beklaagde tot de opgelegde straf, met name een werkstraf (artikel 37ter, § 3, van het Strafwetboek), noch voor de toekenning van de maatregelen van opschorting van de veroordeling of van het probatie-uitstel. De hier bekritiseerde interpretatie « is gebaseerd op het idee dat de aanwezigheid van de veroordeelde tijdens de debatten voor de strafuitvoeringsrechtbank zou waarborgen dat hij met volle bewustheid de voorwaarden aanvaardt waarmee de uitvoeringsmodaliteit van zijn straf, modaliteit die hij zal kunnen genieten, gepaard gaat ». 4 Dat argument lijkt, volgens de auteur van de memorie, niet opportuun, voor zover de wetgever de vertegenwoordiging van de rechtzoekende door zijn advocaat voor de strafrechter (onderzoeksgerecht, vonnisgerecht) op uiterst ruime wijze heeft aanvaard, zelfs in de gevallen waarin hem een probatiemaatregel of een werkstraf moet worden toegekend. Een regeling van verplichte vertegenwoordiging zou de goede uitvoering, door de strafuitvoeringsrechtbank, van haar bevoegdheden kunnen verhinderen en, door het starre karakter ervan, zou die regeling het nastreven van de beoogde doelstelling, namelijk de sociale reïntegratie van de veroordeelde, in gevaar kunnen brengen en zelfs kunnen verlammen. Dat is des te meer het geval daar in gedachten dient te worden gehouden dat de veroordeelde, door zijn situatie, vaak uiterst verzwakt is. Zijn afwezigheid tijdens de voor de strafuitvoeringsrechtbank hangende debatten kan verschillende redenen hebben. Ten slotte breekt die interpretatie, volgens de tussenkomende partij, ook met het evenredigheidsbeginsel ten aanzien van de doelstelling van de hervorming. Standpunt van de Ministerraad A.2.
- De Ministerraad stelt dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord : het voormelde arrest van het Hof van Cassatie brengt immers op correcte wijze verslag uit over de bedoeling van de wetgever, met betrekking tot het verloop van de procedure voor de strafuitvoeringsrechtbank, om de veroordeelde te verplichten persoonlijk te verschijnen. In de parlementaire voorbereiding van de wet van 17 mei 2006 wordt de onmogelijkheid om zich voor de strafuitvoeringsrechtbank door een advocaat te laten vertegenwoordigen, en dus de verplichting tot persoonlijke verschijning van de veroordeelde, in voorkomend geval bijgestaan door een advocaat, verantwoord door, enerzijds, het grote belang voor de veroordeelde om tijdens het beslissingsproces persoonlijk te kunnen worden gehoord teneinde hem te kunnen confronteren met de verplichtingen en voorwaarden die hij in acht dient te nemen en, anderzijds, het feit dat de persoonlijke verschijning van de veroordeelde de waarborg biedt dat hij die verplichtingen en die voorwaarden met volle bewustheid aanvaardt. Het kan moeilijk worden betwist dat dergelijke overwegingen de in de prejudiciële vraag bedoelde maatregel objectief en redelijk kunnen verantwoorden. Bovendien blijkt de maatregel die het voorwerp uitmaakt van de prejudiciële vraag, geenszins onevenredig. In zoverre artikel 53 van de wet van 17 mei 2006 voor de veroordeelde in de verplichting voorziet persoonlijk voor de strafuitvoeringsrechtbank te verschijnen, druist het niet in tegen het doel van de wet. De bepaling die het voorwerp uitmaakt van de prejudiciële vraag belet overigens geenszins dat de strafuitvoeringsrechtbank rekening kan houden met de inhoud van het optreden van de advocaat van de veroordeelde. Het Hof van Cassatie heeft de stelling bevestigd volgens welke de zaken die onder de bevoegdheid van de strafuitvoeringsrechtbank vallen, geen strafrechtelijke vervolgingen zijn in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Bijgevolg kan worden getwijfeld aan de relevantie van de verwijzing naar de gemeenrechtelijke regeling inzake verschijning en vertegenwoordiging voor de vonnisgerechten in strafzaken, aangezien in die regeling rekening wordt gehouden met de vereisten van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dat niet van toepassing is op de strafuitvoeringsrechtbank. De Ministerraad verduidelijkt voorts dat het doel van het optreden van die twee soorten van rechtscolleges fundamenteel verschillend is. Met betrekking tot de vonnisgerechten in strafzaken komt het erop aan te oordelen over de gegrondheid van een strafvervolging en dus, met name, te oordelen over het bestaan en de materiële werkelijkheid van de aan de beklaagde verweten feiten, te oordelen over de toerekening ervan aan de beklaagde en de straf te bepalen. De strafuitvoeringsrechtbank treedt, harerzijds, op nadat een veroordeling is uitgesproken, teneinde, in voorkomend geval, de uitvoeringsmodaliteiten vast te stellen van de straf die vooraf is uitgesproken. In dat opzicht kunnen die twee soorten van rechtscolleges bijgevolg niet met elkaar worden vergeleken. 5 A.2.
- In zijn memorie van antwoord stelt de Ministerraad dat de tussenkomende partijen ten onrechte aannemen dat de wetgever de noodzaak om de tegenspraak voor de strafuitvoeringsrechtbank te verzekeren, heeft aangevoerd teneinde, voor dat rechtscollege, de verplichting voor de veroordeelde om persoonlijk te verschijnen, te verantwoorden. Zoals toegelicht in de parlementaire voorbereiding, kan de veroordeelde, voor de strafuitvoeringsrechtbank, noch verstek laten gaan, noch zich door zijn advocaat laten vertegenwoordigen voor zover het noodzakelijk is dat hij tijdens het beslissingsproces persoonlijk wordt gehoord, een noodzakelijke voorwaarde opdat de veroordeelde kan worden geconfronteerd met de verplichtingen en voorwaarden die hij in acht zal moeten nemen in het raam van de maatregel tot aanpassing van de uitvoering van zijn straf en die hij kan genieten. De Ministerraad wenst te beklemtonen dat de wetgever wettig en redelijkerwijze vermocht te oordelen dat het nagestreefde doel beter zou worden bereikt via een regeling van persoonlijke verschijning dan via een systeem waarin de vertegenwoordiging van de veroordeelde zou zijn toegestaan. Er kan niet worden aangenomen dat de in de in het geding zijnde bepaling vervatte maatregel in bijzondere mate afbreuk doet aan de privébelangen, en te dezen aan de belangen van de veroordeelden, of meer afbreuk zou doen aan die belangen dan andere maatregelen die hadden kunnen worden overwogen. Er dient immers niet te worden aangenomen dat de veroordeelde die in de onmogelijkheid zou verkeren om aanwezig te zijn op de zitting, om redenen die kunnen worden verantwoord of die niet aan hem toe te schrijven zouden zijn, de door hem verzochte maatregel tot aanpassing van zijn straf, alleen om die reden, niet toegekend zou kunnen krijgen. In dat opzicht, en met betrekking tot de mogelijkheid om in voorkomend geval een uitstel toe te kennen teneinde de persoonlijke verschijning van de veroordeelde op een latere zitting mogelijk te maken, dient te worden aangenomen dat de strafuitvoeringsrechtbank wel degelijk over een beoordelingsbevoegdheid beschikt. Standpunt van de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » (OBFG) en van Mr. Julie André A.3.
- De OBFG en Mr. Julie André, raadsman van de veroordeelde in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot de prejudiciële vraag, stellen dat de vraag bevestigend dient te worden beantwoord : de interpretatie volgens welke artikel 53, eerste lid, van de wet van 17 mei 2006 aan de veroordeelde een absoluut verbod zou opleggen om op de zitting door zijn raadsman te kunnen worden vertegenwoordigd, schendt het algemene grondwettelijke beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie en blijkt, op zijn minst, onevenredig. Het recht op bijstand en vertegenwoordiging bij het niet persoonlijk verschijnen is ruimschoots erkend door de Europese rechtspraak in het kader van de strafrechtspleging, naar aanleiding waarvan het Hof van Cassatie een ommekeer in zijn rechtsspraak heeft doorgevoerd en de Belgische wet is gewijzigd. Onder verwijzing naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, naar de rechtspraak van het Hof van Cassatie en naar de wet van 12 februari 2003 « tot wijziging van het Wetboek van strafvordering wat het verstek betreft en tot opheffing van artikel 421 van hetzelfde Wetboek », doen de tussenkomende partijen gelden dat het recht voor een advocaat om zijn cliënt te kunnen vertegenwoordigen die niet persoonlijk verschijnt, ruimschoots is erkend in het kader van het strafproces. De tussenkomende partijen stellen dat, hoewel de verplichting om, in beginsel, persoonlijk te verschijnen in het kader van het strafproces kan worden verantwoord, voor zover de waarborgen van een eerlijk proces zijn verzekerd, zulks echter niet het geval is, voor de strafuitvoeringsrechtbank in het kader van het strafproces, met betrekking tot het beginsel van de persoonlijke verschijning die wordt verantwoord door de noodzaak om het contradictoire karakter van de debatten te verzekeren, met name ten aanzien van de burgerlijke partij. Voor de strafuitvoeringsrechtbank is het slachtoffer als dusdanig geen partij in het geding. Bovendien heeft de wetgever, in het kader van het strafproces, de verplichting tot persoonlijke verschijning beperkt, in aansluiting op de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De tussenkomende partijen verwijzen ter zake naar het verwijzingsvonnis en naar de regeling die van toepassing is op het opleggen van een werkstraf zoals die bij de wet van 17 april 2002 is vastgesteld. Er wordt eveneens verwezen naar de uitspraak van de in de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie bedoelde maatregelen. Volgens de tussenkomende partijen is aanvaard dat de raadsman van de beklaagde, namens en net zoals die laatstgenoemde zelf, kan waarborgen dat de verplichtingen en voorwaarden die zijn opgelegd in het kader van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling en van het probatie-uitstel van de tenuitvoerlegging van de straffen, met volle bewustheid worden aanvaard. Zulks kan niet anders zijn voor de strafuitvoeringsrechtbank. Dat zou een verschil in behandeling inhouden, waarvoor geen objectieve en redelijke verantwoording wordt gezien, tussen de veroordeelden die voor de 6 strafuitvoeringsrechtbank verschijnen en de beklaagden die voor de correctionele rechter verschijnen voor de toekenning van een werkstraf of van een probatiemaatregel. Volgens de tussenkomende partijen is de in het geding zijnde bepaling duidelijk. Zij voorziet in geen enkele sanctie. De door de strafuitvoeringsrechtbank genomen maatregel is enkel een strafuitvoeringsmodaliteit, zodat het algemene rechtsbeginsel van de wettigheid van de misdrijven en van de straffen niet van toepassing is. In dat geval, indien de wetgever had willen voorzien « in de ongunstige gevolgen wanneer de veroordeelde niet persoonlijk verschijnt en zich laat vertegenwoordigen door zijn raadsman », had hij zulks uitdrukkelijk dienen te doen. Het belang van de sociale reïntegratie van de veroordeelde en de waarborgen die hem moeten worden toegekend, worden beklemtoond in de parlementaire voorbereiding van de wet van 17 mei 2006, wat strijdig is met de onmogelijkheid om, in bepaalde omstandigheden, door zijn raadsman te worden vertegenwoordigd en bijgevolg niet persoonlijk te verschijnen. De tussenkomende partijen doen vervolgens gelden dat de maatregel die is ingevoerd bij de bepaling die het voorwerp uitmaakt van de prejudiciële vraag, onevenredig is. De tussenkomende partijen verwijzen naar de noodzakelijkheidsregel, volgens welke de wetgever, uit verschillende maatregelen die mogelijk zijn om het nagestreefde doel te verwezenlijken, die maatregel dient te kiezen die het minst afbreuk doet aan de privébelangen. De in het geding zijnde bepaling, zoals ze is geïnterpreteerd, beperkt de vertegenwoordigingsbevoegdheden van de advocaat op onevenredige wijze. Zij verhindert de veroordeelde die in de onmogelijkheid verkeert om op de zitting aanwezig te zijn, en zulks ondanks de bijstand van zijn raadsman, zijn argumentatie te kunnen doen gelden. De tussenkomende partijen voeren de onmogelijkheid aan om persoonlijk te verschijnen ten gevolge van gezondheidsproblemen, of nog het geval van de veroordeelden voor wie, zoals te dezen, het dossier niet volledig is. De tussenkomende partijen beklemtonen ten slotte dat de maatregel die het voorwerp uitmaakt van de prejudiciële vraag, de bevoegdheden van de strafuitvoeringsrechtbank, die over geen enkele beoordeling beschikt wat betreft de omstandigheden die kunnen verantwoorden dat van de regel van de persoonlijke verschijning wordt afgeweken, op buitensporige wijze beknot. Een andere oplossing had kunnen worden gekozen, die minder afbreuk doet aan de op het spel staande privébelangen. De tussenkomende partijen verwijzen naar de regeling die van toepassing is op de verschijning voor de correctionele rechtbank, vastgesteld bij artikel 185 van het Wetboek van strafvordering. De tussenkomende partijen verwijzen ten slotte naar de evenredigheidsregel stricto sensu, met toepassing waarvan de gevolgen van de maatregel voor de situatie van de particulieren moeten worden afgewogen tegen het verwachte gevolg vanuit de invalshoek van het algemeen belang. Het verschijnen van de veroordeelde is een noodzakelijke voorwaarde om door de strafuitvoeringsrechtbank een bijzondere uitvoeringsmodaliteit van zijn straf toegekend te krijgen. Volgens de tussenkomende partijen kan niet worden ingezien welk algemeen belang aldus zou worden nagestreefd door artikel 53, eerste lid, van de wet van 17 mei 2006, zoals het hierboven is geïnterpreteerd. A.3.
- In hun memorie van antwoord wensen de tussenkomende partijen toe te voegen dat de betwiste interpretatie van artikel 53, eerste lid, van de in het geding zijnde wet in tegenspraak is met de evolutie in de wetgeving waardoor aan de veroordeelde meer rechten en waarborgen zijn toegekend die het hem mogelijk maken zijn voorgenomen maatschappelijke reïntegratie te doen gelden teneinde een uitvoeringsmodaliteit voor zijn straf te verkrijgen. Zij zijn immers van mening dat, om voor de veroordeelde het voordeel van de waarborgen te verzekeren die voortvloeien uit de jurisdictionele aard van de strafuitvoeringsrechtbank, hem zo ruim mogelijk het recht dient te worden toegekend om te worden bijgestaan en vertegenwoordigd door een advocaat. De enige afwijkingen van die waarborg die niet zouden mogen leiden tot een vaststelling van ongrondwettigheid, zouden uiteraard op objectieve en redelijke overwegingen moeten zijn gebaseerd die in het licht van de algemene evolutie van de externe rechtspositie van de veroordeelde dienen te worden beoordeeld. Zij stellen verder dat die interpretatie des te meer onverantwoord is daar de omvang van de aan de strafuitvoeringsrechtbank toegekende bevoegdheden enorm is, aangezien zij, door haar optreden, een straf, zoals die van de opsluiting, fundamenteel kan wijzigen door de voorwaardelijke invrijheidstelling toe te kennen. 7 -B- B.1.
- De Strafuitvoeringsrechtbank te Brussel vraagt het Hof of artikel 53, eerste lid, van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, « in die zin geïnterpreteerd dat het aan de veroordeelde een absoluut verbod oplegt om op de zitting te kunnen worden vertegenwoordigd door zijn advocaat », de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt. B.1.
- De verwijzende rechter interpreteert de in het geding zijnde bepaling aldus dat de veroordeelde die niet persoonlijk verschijnt op een zitting van de strafuitvoeringsrechtbank, zich in geen enkel geval kan laten vertegenwoordigen door zijn raadsman. Het is in die interpretatie dat het Hof de prejudiciële vraag beantwoordt. B.2.
- De verwijzende rechter baseert die interpretatie op een arrest van het Hof van Cassatie van 7 november 2007 (P.07.1440.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071107.5) volgens hetwelk « uit de voorbereidende werkzaamheden van de wet blijkt […] dat de aanwezigheid van de veroordeelde in persoon borg staat voor zijn bewust aanvaarden van de opgelegde verplichtingen en voorwaarden ». B.2.
- In de door de verwijzende rechter gegeven interpretatie, voert de in het geding zijnde bepaling een verschil in behandeling in tussen twee categorieën van rechtzoekenden : enerzijds, de beklaagden die zich voor het vonnisgerecht kunnen laten vertegenwoordigen door een raadsman en, anderzijds, de veroordeelden die zich voor de strafuitvoeringsrechtbank die beslist over de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit, niet zouden kunnen laten vertegenwoordigen door een raadsman. B.
- Artikel 53 van de voormelde wet van 17 mei 2006 bepaalt : « De strafuitvoeringsrechtbank hoort de veroordeelde en zijn raadsman, het openbaar ministerie en de directeur. Het slachtoffer wordt gehoord over de bijzondere voorwaarden die in zijn belang moeten worden opgelegd. 8 Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een raadsman en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging. De strafuitvoeringsrechtbank kan beslissen eveneens andere personen te horen. De artikelen 36 en 37 zijn van toepassing ». B.
- Door te bepalen dat de strafuitvoeringsrechtbank, tijdens de procedure tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit, de veroordeelde en zijn raadsman, het openbaar ministerie en de directeur hoort, heeft de wetgever de verplichting willen opleggen dat de veroordeelde persoonlijk moet verschijnen, zonder dat hij zich, wat betreft de toekenning van alle strafuitvoeringsmodaliteiten, door zijn raadsman kan laten vertegenwoordigen. In dat verband staat in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat tot de in het geding zijnde bepaling heeft geleid, het volgende te lezen : « Dit principe wordt in het huidig ontwerp overgenomen en dit ten aanzien van de toekenning van alle strafuitvoeringsmodaliteiten waarover de strafuitvoeringsrechter dient te beslissen. Zoals het Overlegplatform voorwaardelijke invrijheidstelling aangeeft, beschouwen zij het als zeer belangrijk dat de veroordeelde tijdens het beslissingsproces persoonlijk kan worden gehoord omdat het op die manier mogelijk is de veroordeelde te confronteren met de plichten en de voorwaarden die hij moet naleven. De persoonlijke aanwezigheid van de veroordeelde biedt ook de garantie dat de veroordeelde deze plichten en voorwaarden aldus met kennis van zaken kan aanvaarden. Alle beslissingen worden dus geacht op tegenspraak te zijn gewezen » (Parl. St., Senaat, 2004-2005, nr. 3-1128/1, p. 24). B.
- Het is op grond van die overweging, volgens welke het voor de veroordeelde belangrijk is tijdens het beslissingsproces te kunnen worden gehoord teneinde hem te kunnen confronteren met de verplichtingen en de voorwaarden van het reclasseringsplan die hij in acht dient te nemen, dat het Hof van Cassatie het vonnis waarin de advocaat van de veroordeelde niet werd toegestaan hem te vertegenwoordigen op de zitting waarop de toekenning van een maatregel van voorwaardelijke invrijheidstelling werd onderzocht, niet heeft vernietigd. In een arrest van 19 maart 2008 (P.08.0363.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080319.10) heeft het Hof van Cassatie daarentegen geoordeeld dat uit artikel 53, eerste lid, van de wet van 17 mei 2006 niet kon worden afgeleid dat de veroordeelde dient te verschijnen op de zitting waarop de strafuitvoeringsrechtbank over een verzoek tot uitstel uitspraak doet. Het Hof heeft, in die zaak, het bestreden vonnis vernietigd door te oordelen dat « de strafuitvoeringsrechtbank [daardoor] het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging [miskent] ». 9 B.
- Naast de algemene voorwaarden bepaald in artikel 55 van de wet van 17 mei 2006, kan de strafuitvoeringsrechtbank de veroordeelde onderwerpen aan « geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden die de mogelijkheid bieden het sociaal reclasseringsplan uit te voeren of tegemoet te komen aan de in artikel 47, § 1, bedoelde tegenaanwijzingen, dan wel noodzakelijk blijken in het belang van de slachtoffers » (artikel 56, eerste lid, van voormelde wet). De strafuitvoeringsrechtbank kan de strafuitvoeringsmodaliteit enkel toekennen indien de veroordeelde zich akkoord verklaart met de opgelegde voorwaarden (artikel 54, tweede lid, van voormelde wet). De niet-naleving van de opgelegde bijzondere voorwaarden kan tot de schorsing, herroeping of herziening van de strafuitvoeringsmodaliteit leiden (artikelen 64, 66 en 67 van de wet van 17 mei 2006). B.
- De wetgever vermocht redelijkerwijs te oordelen dat de persoonlijke verschijning van de veroordeelde op een zitting van de strafuitvoeringsrechtbank waarop die de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit onderzoekt, ertoe kan bijdragen dat de veroordeelde de voorwaarden die de strafuitvoeringsrechtbank oplegt, aanvaardt en naleeft. B.
- Gelet op de door de wetgever nagestreefde doelstelling, is het evenwel niet redelijk verantwoord dat de veroordeelde zich niet kan laten vertegenwoordigen door zijn raadsman op een zitting van de strafuitvoeringsrechtbank waarop die de plichten en voorwaarden die de betrokkene moet naleven in het kader van de hem toegekende strafuitvoeringsmodaliteiten, niet onderzoekt. B.
- In de interpretatie volgens welke artikel 53, eerste lid, van de wet van 17 mei 2006 aan de veroordeelde een absoluut verbod oplegt om door zijn raadsman te kunnen worden vertegenwoordigd, dient de prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord. B.
- Het Hof stelt evenwel vast dat, in het licht van het in B.5 vermelde arrest van het Hof van Cassatie van 19 maart 2008, aan de in het geding zijnde bepaling een andere interpretatie kan worden gegeven, volgens welke de persoonlijke aanwezigheid van de veroordeelde enkel is vereist op de zitting waarop de strafuitvoeringsrechtbank de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit onderzoekt. De veroordeelde die niet persoonlijk verschijnt op een andere zitting dan die waarop de strafuitvoeringsrechtbank de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit onderzoekt, kan zich laten vertegenwoordigen door een raadsman. 10 B.
- In de interpretatie volgens welke de persoonlijke aanwezigheid van de veroordeelde enkel is vereist op de zitting waarop de strafuitvoeringsrechtbank de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit onderzoekt, dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord. B.
- De toetsing van de in het geding zijnde bepaling aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zou niet tot een andere conclusie kunnen leiden. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - Artikel 53, eerste lid, van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de interpretatie volgens welke die bepaling aan de veroordeelde een absoluut verbod oplegt om door zijn raadsman te kunnen worden vertegenwoordigd op de zittingen van de strafuitvoeringsrechtbank. - Artikel 53, eerste lid, van dezelfde wet schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in de interpretatie volgens welke de veroordeelde zich niet door zijn raadsman kan laten vertegenwoordigen op een zitting waarop de strafuitvoeringsrechtbank de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit onderzoekt. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 4 maart
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.035 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071107.5 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080319.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div