← België

ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.040

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 11 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.040 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090311.2 Arrest- Rolnummer: 40/2009 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-03-11 Raadplegingen: 830 - laatst gezien 2026-07-02 04:57 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof onder voorbehoud van de interpretaties vermeld in B.29.4, B.33.4 en B.70.2, verwerpt de beroepen. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - DISCRIMINATIE - RACISME - XENOFOBIE - Antiracismewet - 30 juli 1981 PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 10 mei 2007 tot wijziging van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, ingesteld door Jurgen Ceder en anderen en door de vzw « Liga voor Mensenrechten ». Bestrijding van racisme en xenofobie -

  1. Legaliteitsbeginsel in strafzaken - a. Het begrip discriminatie - b. Het begrip opzettelijke directe discriminatie - c. Het begrip opzettelijke indirecte discriminatie - d. Het begrip opdracht tot discrimineren - e. Het begrip intimidatie - f. Het begrip positieve actie - g. Het begrip segregatie - h. Het begrip behoren tot een groep of een vereniging die discriminatie of segregatie verkondigt -
  2. Aanzetten tot discriminatie, segregatie, haat of geweld -
  3. Verspreiding van denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat -
  4. Het feit te behoren tot een groep of vereniging die discriminatie of segregatie verkondigt -
  5. Maatregelen van positieve actie -
  6. Omkering van bewijslast -
  7. Houders van een vorderingsrecht. # Rechten en vrijheden -
  8. Jurisdictionele waarborgen - Recht op een eerlijk proces -
  9. Vrijheid van meningsuiting -
  10. Vrijheid van vereniging en van vergadering. Wettelijke bepalingen: Wet - 10-05-2007 - 38 ELI link Pub nr 2007002097 Tekst van de beslissing Rolnummers 4312 en 4355 Arrest nr. 40/2009 van 11 maart 2009 In zake : de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 10 mei 2007 tot wijziging van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, ingesteld door Jurgen Ceder en anderen en door de vzw « Liga voor Mensenrechten ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 11 oktober 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 12 oktober 2007, is beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 10 mei 2007 tot wijziging van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 mei 2007, tweede editie) door Jurgen Ceder, wonende te 1700 Dilbeek, Prieeldreef 1a, Frank Vanhecke, wonende te 8310 Assebroek, J. Van Belleghemstraat 1, Gerolf Annemans, wonende te 2050 Antwerpen, Blancefloerlaan 175, Filip Dewinter, wonende te 2180 Ekeren, Klaverveldenlaan 1, en Joris Van Hauthem, wonende te 1750 Lennik, Scheestraat
  11. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 29 november 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 november 2007, heeft de vzw « Liga voor Mensenrechten », met zetel te 9000 Gent, Stopenberghestraat 2, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 21 van voormelde wet van 10 mei
  12. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4312 en 4355 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Ministerraad heeft memories ingediend, de verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook memories van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 19 juni 2008 : - zijn verschenen : . Mr. B. Siffert, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 4312; . Mr. J. Vander Velpen, advocaat bij de balie te Antwerpen, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 4355 . Mr. K. Lemmens, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. De Groot en J. Spreutels verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid In de zaak nr. 4312 A.
  13. De verzoekende partijen in de zaak nr. 4312 zijn van oordeel dat ze belang hebben bij hun beroep tot vernietiging van de wet van 10 mei 2007 « tot wijziging van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden » (hierna : wet van 10 mei 2007), aangezien zij allen het volk vertegenwoordigen in een nationaal of supranationaal orgaan, waar zij gebruik moeten kunnen maken van de vrijheid van meningsuiting om de burgers ervan te overtuigen hun politieke mening te steunen met een stem. Zij oordelen dat de bestreden wet een ernstige inbreuk vormt op de vrije meningsuiting van volksvertegenwoordigers. De cruciale begrippen die in die wet worden gebruikt zijn immers zo vaag en ruim dat elk politiek voorstel dat verband houdt met de onderwerpen asiel, immigratie en islam door tegenstanders kunnen worden bestempeld als « aanzetten tot discriminatie » in de zin van de wet. Zij wijzen bovendien erop dat het Hof hun belang in een vergelijkbare zaak reeds heeft aanvaard. Zij motiveren ten slotte hun belang ook door erop te wijzen dat het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, dat in het kader van de bestreden wet vorderingsrecht verkrijgt, in het verleden meerdere vorderingen heeft ingesteld tegen de voormalige politieke partij waartoe zij behoorden, wegens door die partij geuite meningen. A.2.
  14. De Ministerraad is van oordeel dat de verzoekende partijen niet kunnen optreden ter behartiging van de belangen van de politieke partij « Vlaams Belang ». Nergens in het verzoekschrift wordt immers aangegeven dat zij die politieke partij rechtsgeldig zouden vertegenwoordigen. In zoverre het verzoekschrift is gebaseerd op de schending van de fundamentele rechten van het « Vlaams Belang » of het « Vlaams Blok », is het niet ontvankelijk. A.2.
  15. De verzoekende partijen antwoorden dat zij nergens hebben gesuggereerd dat zij optreden namens een politieke partij. Zij motiveren hun belang persoonlijk en individueel. A.3.
  16. Volgens de Ministerraad beroept geen enkele van de verzoekende partijen zich op de hoedanigheid van openbaar officier of ambtenaar, noch op de hoedanigheid van drager of agent van het openbaar gezag of de openbare macht. Vermits artikel 23 van de Antiracismewet, zoals ingevoegd bij de wet van 10 mei 2007, uitsluitend van toepassing is op die categorieën van personen, hebben de verzoekende partijen geen belang bij de vernietiging van die bepaling. A.3.
  17. De verzoekende partijen zijn bereid te aanvaarden dat zij geen belang hebben bij het bestrijden van de betreffende bepaling op voorwaarde dat de Ministerraad uitdrukkelijk erkent dat volkvertegenwoordigers niet kunnen worden beschouwd als dragers van de openbare macht of het openbaar gezag. A.4.
  18. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de verzoekende partijen in essentie een onwettig belang nastreven, aangezien zij de wetgeving op grond waarvan drie met de voormalige politieke partij « Vlaams Blok » gelieerde vzw’s werden veroordeeld, bestrijden, met de bedoeling ertoe te komen dat het behoren tot of zijn medewerking verlenen aan een groep of een vereniging die kennelijk, herhaaldelijk en publiek discriminatie of segregatie bedrijft of verkondigt, niet meer strafbaar zou zijn, en dit in strijd met alle regels die de basis van het « mensdom » uitmaken. Hij wijst erop dat de drie bedoelde vzw’s, bij een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 21 april 2004, werden veroordeeld wegens het behoren tot of hun medewerking verlenen aan een groep of een vereniging die kennelijk, herhaaldelijk en publiek discriminatie of segregatie bedrijft of verkondigt (het vroegere artikel 3 van de Antiracismewet). De voorziening in cassatie tegen dat arrest werd door het Hof van Cassatie verworpen bij een arrest van 9 november
  19. Een beroep tegen de verwerping van de voorziening bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens werd manifest ongegrond verklaard. De veroordeling heeft dus gezag en kracht van gewijsde en is derhalve definitief. A.4.
  20. De verzoekende partijen antwoorden dat de argumentatie van de Ministerraad betreffende het onwettige belang irrelevant is, aangezien de bijzondere wet van 6 januari 1989 een vorderingsrecht verleent aan 4 eenieder die door de bestreden wet rechtstreeks en ongunstig kan worden geraakt. Zij wijzen bovendien erop dat zij geen procespartijen waren in de procedures die de Ministerraad aanhaalt. A.5.
  21. Volgens de Ministerraad vergissen de verzoekende partijen zich systematisch bij de aanduiding van de bestreden artikelen. De bestreden wet telt slechts drie artikelen. Het derde artikel voegt in de Antiracismewet 34 nieuwe artikelen in. De verzoekende partijen bestrijden niet het derde artikel van de wet van 10 mei
  22. Het verzoekschrift is dan ook onontvankelijk aangezien het manifest zonder voorwerp is, nu de bestreden artikelen formeel gezien niet bestaan. A.5.
  23. De verzoekende partijen antwoorden dat de bestreden wet technisch-formeel inderdaad maar uit drie artikelen bestaat, waarbij het derde artikel de tekst van de zogenaamde nieuwe Antiracismewet bevat. Net zoals dit is gebeurd in de parlementaire voorbereiding en in de rechtsleer, werden de middelen in het verzoekschrift, omwille van de leesbaarheid, gericht tegen elk van de 34 nieuwe artikelen van de Antiracismewet, en niet steeds tegen artikel 3 van de wet van 10 mei
  24. Uit zijn memories blijkt overigens dat de Ministerraad de middelen wel degelijk heeft begrepen. A.6.
  25. Ofschoon de verzoekende partijen op de eerste pagina van hun verzoekschrift hebben vermeld dat zij de vernietiging beogen van de volledige wet van 10 mei 2007, voeren zij, volgens de Ministerraad, enkel middelen aan tegen de artikelen 10, 17, 18, 19, 20, 22, 23, 24, 25, 29, 30, 31 en 32 van de Antiracismewet, zoals ingevoegd bij de wet van 10 mei
  26. Het verzoekschrift kan dan ook enkel ontvankelijk zijn in zoverre het die artikelen betreft. A.6.
  27. In hun memorie van antwoord bevestigen de verzoekende partijen dat hun verzoekschrift enkel is gericht tegen de bepalingen van de bestreden wet die erin worden vermeld. In de zaak nr. 4355 A.
  28. De verzoekende partij in de zaak nr. 4355 is van oordeel dat zij als vereniging zonder winstoogmerk met rechtspersoonlijkheid belang heeft bij haar beroep tot vernietiging van artikel 21 van de wet van 10 mei 2007, omdat die bepaling specifieke belangen aantast, zoals omschreven in haar statuten, die te onderscheiden zijn van het algemeen belang. Zij wijst erop dat zij, volgens artikel 3 van haar statuten, tot doel heeft elke onrechtvaardigheid en elke aanslag op de rechten van personen of gemeenschappen te bestrijden. Volgens datzelfde artikel verdedigt zij de beginselen van gelijkheid, vrijheid en humanisme, waarop de democratische maatschappijen zijn gebaseerd en die zijn vervat in de mensenrechtenverdragen en -verklaringen. Volgens artikel 4 van haar statuten kan de vereniging rechtsgedingen instellen voor het verwezenlijken van haar doel. Zij meent dat de bestreden bepaling niet bestaanbaar is met de vrijheid van meningsuiting, zoals onder meer gewaarborgd in de Grondwet en in het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij wijst ten slotte erop dat het Hof in andere zaken het belang van de vereniging reeds heeft aanvaard. A.8.
  29. De Ministerraad voert aan dat het beroep tot vernietiging onontvankelijk is, aangezien de verzoekende partij een niet-bestaande bepaling aanvecht. Zij vraagt de vernietiging van artikel 21 van de wet van 10 mei 2007, terwijl die wet slechts uit drie artikelen bestaat. A.8.
  30. De verzoekende partij antwoordt dat uit de memories van de Ministerraad blijkt dat hij de aangevoerde middelen wel degelijk heeft begrepen. Om alle misverstanden te verhelpen, bevestigt de verzoekende partij dat zij artikel 21 van de Antiracismewet, zoals ingevoegd bij de wet van 10 mei 2007, bestrijdt. A.9.
  31. Volgens de Ministerraad kan uit rechtspraak van het Hof worden afgeleid dat het niet volstaat dat een vzw zich beroept op haar « abstract » maatschappelijk doel dat erin bestaat de mensenrechten te verdedigen, opdat zij een voldoende belang zou hebben bij een beroep tot vernietiging. Zij moet ook aantonen dat er een voldoende band bestaat tussen het « concreet » maatschappelijk doel en de bestreden bepalingen. De Ministerraad ziet niet in hoe een bepaling die beoogt om, in bepaalde omstandigheden, de verspreiding van denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat, te bestraffen, de verzoekende partij ongunstig kan raken. De bestreden bepaling sluit integendeel heel nauw aan bij het « concreet » maatschappelijk doel van de verzoekende partij, die erg actief is op het vlak van de bestrijding van racisme. Het beroep dient dan ook als een actio popularis te worden beschouwd. 5 A.9.
  32. De verzoekende partij antwoordt dat haar maatschappelijk doel niet alleen erin bestaat het gelijkheidsbeginsel te verdedigen, maar ook de vrijheden, waaronder de vrijheid van meningsuiting. Zij voert bovendien aan dat zij niet alleen actief is op het vlak van racismebestrijding, maar ook op het vlak van de verdediging van de vrijheid van meningsuiting. Ten gronde In de zaak nr. 4312 Ten aanzien van het eerste middel in de zaak nr. 4312 A.
  33. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 14 van de Grondwet, doordat de bestreden artikelen 20, 22, 23, 24 en 25 het « aanzetten tot » of het « verkondigen van » discriminatie strafbaar stellen, maar daarbij het substantiële onderdeel van die misdrijven, namelijk « discriminatie », op een uiterst vage en onvoorzienbare wijze onderverdelen in vier verschillende handelingen, namelijk

(1)opzettelijke directe discriminatie,
(2)opzettelijke indirecte discriminatie,
(3)opdracht tot discrimineren en
(4)intimidatie. A.
  1. De verzoekende partijen zetten uiteen dat artikel 14 van de Grondwet vereist dat elke strafwet zodanig is opgesteld dat personen, op het ogenblik waarop zij een gedrag aannemen, kunnen bepalen of dat gedrag al dan niet strafbaar is. De vier handelingen die in de bestreden wet als discriminatie worden gekwalificeerd zijn echter zodanig vaag dat niet kan worden gesteld dat voldaan is aan de vereisten van artikel 14 van de Grondwet. A.12.
  2. Volgens de Ministerraad is het middel onontvankelijk, aangezien uit de uiteenzetting ervan niet kan worden afgeleid op grond van welke juridische argumentatie en op grond van welk artikel van de Grondwet de betreffende bepalingen worden bestreden. Volgens het in het middel aangehaalde artikel 14 van de Grondwet kan geen straf worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet. Dat artikel verwoordt bijgevolg het strafrechtelijk rechtsbeginsel nulla poena sine lege. Uit de wijze waarop de verzoekende partijen het eerste middel beargumenteren, blijkt echter dat zij niet zozeer het opleggen van een straf bekritiseren, maar wel de incriminatie. Hun betoog heeft dus voornamelijk betrekking op het in artikel 12 van de Grondwet vervatte rechtsbeginsel nullum crimen sine lege. Aangezien onduidelijk is of de verzoekende partijen een schending van artikel 12, dan wel van artikel 14, van de Grondwet aanvoeren, voelt de Ministerraad zich genoodzaakt om de exceptio obscuri libelli aan te voeren en derhalve de onontvankelijkheid van het middel op te werpen. A.12.
  3. De verzoekende partijen antwoorden dat de artikelen 12 en 14 van de Grondwet nauw met elkaar zijn verweven, wat zowel door de rechtspraak als door de rechtsleer wordt erkend. Beide artikelen worden beschouwd als de basis van het wettigheidsbeginsel in strafzaken en het daarmee samenhangende beginsel van de voorzienbaarheid. Aangezien in het verzoekschrift melding wordt gemaakt van het wettigheidsbeginsel en van het beginsel van de voorzienbaarheid, kan niet worden gesteld dat het middel onduidelijk zou zijn. Uit de memorie van de Ministerraad blijkt overigens dat hij het middel wel degelijk heeft begrepen. In ondergeschikte orde bevestigen de verzoekende partijen dat het eerste middel ook is afgeleid uit een schending van artikel 12 van de Grondwet. A.13.
  4. Ten gronde is de Ministerraad van oordeel dat de verzoekende partijen het strafrechtelijke wettigheidsbeginsel te strikt interpreteren. Zij schijnen ervan uit te gaan dat de strafwet de strafbare gedraging tot in de kleinste details zou moeten omschrijven. Het is echter een illusie te denken dat de wetgever strafwetten zou kunnen uitvaardigen die geen enkele ruimte voor interpretatie laten. Er moet immers rekening worden gehouden met het algemene karakter van de wetten, de uiteenlopende situaties waarin zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen. Ofschoon de Ministerraad betwist dat de in de bestreden bepalingen gehanteerde termen onvoldoende duidelijk zouden zijn, herinnert hij eraan dat het toekennen van beoordelingsbevoegdheid aan de rechter niet in strijd is met het wettigheidsbeginsel. Aan de vereiste van duidelijkheid en voorspelbaarheid kan immers ook via de rechtspraak en de rechtsleer worden voldaan. De Ministerraad verwijst in dit kader naar recente rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Bij de interpretatie van strafbaarstellingen kan bovendien een beroep worden gedaan op de parlementaire voorbereiding. A.13.
  5. De verzoekende partijen oordelen dat de stelling dat juridische begrippen steeds moeten worden geïnterpreteerd door de rechtspraak, geen argument kan vormen om al te vage en zelfs intrinsiek onbegrijpelijke 6 misdrijven in te voeren. Bovendien ontslaat het bestaan van een parlementaire voorbereiding de wetgever niet van de verplichting om strafbepalingen helder en begrijpelijk te formuleren. Wat de « opzettelijke directe discriminatie » betreft A.
  6. De verzoekende partijen leiden uit de bepalingen van de bestreden wet af dat onder « opzettelijke directe discriminatie » moet worden begrepen een direct onderscheid op basis van nationaliteit, een zogenaamd ras, huidskleur, afkomst en nationale of etnische afstamming, tenzij dit direct onderscheid, voor wat betreft alle beschermde criteria behalve nationaliteit, objectief wordt gerechtvaardigd door de situaties bedoeld in de artikelen 8, 10 en 11 van de bestreden wet, of tenzij, voor wat betreft het criterium nationaliteit, een objectieve rechtvaardiging voorhanden is door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend zijn. Gelet op de in artikel 20 van de bestreden wet gehanteerde woorden « en dit zelfs buiten de in artikel 5 bedoelde domeinen » is het op opzettelijke directe discriminatie gebaseerde misdrijf zelfs van toepassing in de strikt private sfeer. Volgens de verzoekende partijen brengt een dergelijke strafbaarstelling met zich mee dat het voor de burger onmogelijk is vooraf te weten of hij al dan niet een misdrijf pleegt. De burger zal zich bij het stellen van handelingen, ongeacht of die worden gesteld in de publieke dan wel in de private sfeer, moeten afvragen of het onderscheid dat hij eventueel maakt wel wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en of de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. Zij zijn van oordeel dat de wetgever ten onrechte de subtiele criteria die werden ontwikkeld om na te gaan of de overheid al dan niet een discriminerende handeling stelt, opdringt aan de burger, die aldus een moeilijke en delicate afweging moet maken in al zijn maatschappelijke gedragingen. Een dergelijk transponeren van voorschriften voor de overheid naar voorschriften voor de burger is ongrondwettig. A.15.
  7. De Ministerraad wijst in de eerste plaats erop dat het Hof in zijn arrest nr. 157/2004 de term « aanzetten tot » voldoende duidelijk heeft geacht. De term houdt meer bepaald in « het aansporen tot concrete en opzettelijke vormen van discriminatie » en veronderstelt een bijzonder opzet. Dit laatste betekent dat de dader moet weten dat zijn gedraging een inbreuk op de strafwet uitmaakt. Bovendien moet het aanzetten tot discriminatie willens gebeuren, wat inhoudt dat de dader werkelijk beoogt dat anderen effectief tot vormen van opzettelijke discriminatie overgaan. Niemand kan het in het bestreden artikel 20 van de Antiracismewet, zoals ingevoegd bij de wet van 10 mei 2007, vervatte misdrijf dus onbewust plegen. De argumentatie van de verzoekende partijen dat het voor de burger onmogelijk is vooraf te weten of hij een misdrijf pleegt, is dus onjuist. A.15.
  8. De verzoekende partijen stellen met verbazing vast dat de Ministerraad zich in zijn argumentatie beroept op het arrest nr. 157/2004, nu het Hof in dat arrest een deel van de vroegere Antidiscriminatiewet heeft vernietigd en een ander deel sterk beperkend heeft moeten interpreteren om een schending van de vrijheid van meningsuiting te voorkomen. Bovendien is het niet omdat het Hof in dat arrest heeft geoordeeld dat het misdrijf een bijzonder opzet veronderstelt, dat de bepaling daardoor duidelijk wordt. Uit de rechtspraak blijkt immers dat de woorden « aanzetten tot » totaal willekeurig worden ingevuld. A.15.
  9. De Ministerraad antwoordt dat het Hof in zijn arrest nr. 157/2004 wel degelijk de term « aanzetten tot » grondwettig heeft geacht. Uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet blijkt bovendien dat de wetgever zich heeft laten inspireren door dat arrest. Voor het overige wijst de Ministerraad erop dat het Hof zich dient uit te spreken over de in de bestreden wet vervatte strafbaarstellingen en bijgevolg niet over de vraag of de hoven en rechtbanken de vroegere Antiracismewet correct hebben toegepast. A.16.
  10. Volgens de Ministerraad is ook de term « opzettelijke directe discriminatie » voldoende duidelijk, aangezien artikel 4 van de Antiracismewet, zoals ingevoegd bij de wet van 10 mei 2007, het begrip « directe discriminatie » definieert. De term « opzettelijk » geeft aan dat moet worden aangezet tot doelbewuste discriminatie. Onder « opzettelijke directe discriminatie » moet worden begrepen : de situatie waarin iemand doelbewust ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld op grond van een beschermd criterium, terwijl men weet dat dit onderscheid niet kan worden gerechtvaardigd. Dit betekent concreet dat het gaat om een ongunstige behandeling, waarbij het motief van het onderscheid ligt in de intentie om personen met een beschermd criterium, op grond van dat beschermde criterium, te benadelen. 7 A.16.
  11. De verzoekende partijen menen dat de poging van de Ministerraad om de vage begrippen te verduidelijken tot contradicties en cirkelredeneringen leidt. Volgens de argumentatie van de Ministerraad hebben de begrippen « aanzetten tot » en « opzettelijk » blijkbaar eenzelfde inhoud. A.16.
  12. De Ministerraad antwoordt dat in de strafbaarstelling « aanzetten tot directe discriminatie » twee keer opzet verweven zit. De term « aanzetten tot » veronderstelt een bijzonder opzet. Bovendien moet worden aangezet tot « opzettelijke directe discriminatie » in die zin dat men iemand ertoe moet aanzetten een bepaalde persoon doelbewust ongunstiger te behandelen op grond van een beschermd criterium, terwijl men weet dat dit onderscheid niet kan worden gerechtvaardigd. Het bijzonder opzet dat in de term « aanzetten tot » vervat zit, heeft dan ook niets te maken met het opzet dat in de term « opzettelijke directe discriminatie » vervat zit. De verzoekende partijen vergissen zich bovendien wanneer zij stellen dat de bestreden wet de criteria die voor de overheid gelden strafrechtelijk transponeert naar alle burgers op alle domeinen van het maatschappelijk leven. Het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel is immers een algemeen en open discriminatieverbod, terwijl de bestreden wet met een limitatieve lijst van beschermde criteria werkt. Bovendien stelt de bestreden wet slechts bepaalde handelingen strafbaar, terwijl het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel de volledige verticale relatie tussen burger en overheid beheerst. Dat de in artikel 20 vervatte strafbaarstellingen ook gelden buiten de in artikel 5 opgesomde domeinen, heeft te maken met artikel 4 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie. Die bepaling verplicht de wetgever immers om het aanzetten tot discriminatie, haat of geweld strafbaar te stellen in alle domeinen van het maatschappelijke leven. De wetgever is bovendien daarvoor bevoegd, aangezien de Raad van State in zijn advies heeft geoordeeld dat de federale wetgever algemene strafbepalingen inzake discriminatie of aanzetten tot discriminatie kan aannemen. Vanwege de in artikel 20 vervatte woorden « in één van de in artikel 444 van het Strafwetboek bedoelde omstandigheden » wordt ten slotte ook uitgesloten dat die bepaling toepassing zou kunnen vinden in de private sfeer. Wat de « opzettelijke indirecte discriminatie » betreft A.
  13. Uit de bepalingen van de bestreden wet leiden de verzoekende partijen af dat onder « opzettelijke indirecte discriminatie » moet worden begrepen : « een indirect onderscheid op basis van nationaliteit, een zogenaamd ras, huidskleur, afkomst en nationale of etnische afstamming, tenzij de ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze die aan de grondslag ligt van het indirecte onderscheid objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn ». Ook het op indirecte discriminatie gebaseerde misdrijf is van toepassing in de strikt private sfeer, gelet op de in artikel 20 gehanteerde woorden « en dit zelfs buiten de in artikel 5 bedoelde domeinen ». De op « opzettelijke indirecte discriminatie » gebaseerde strafbaarstelling brengt met zich mee dat het voor de burger onmogelijk is vooraf te weten of hij al dan niet een misdrijf pleegt. Bovendien is het in de wet opgenomen begrip « indirect onderscheid » volstrekt ontoereikend. Volgens artikel 4, 8°, van die wet is een indirect onderscheid « de situatie die zich voordoet wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen gekenmerkt door een bepaald beschermd criterium, in vergelijking met andere personen bijzonder kan benadelen ». Het is allerminst duidelijk wat moet worden verstaan onder « een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze » en « een bijzondere benadeling ». Het is evenmin duidelijk met welke « andere personen » moet worden vergeleken. Ten slotte leidt het gebruik van het woord « kan » vóór het woord « benadelen » ertoe dat iemand schuldig kan zijn aan het plegen van het misdrijf, zelfs indien het vermeende slachtoffer daarvan geen enkele benadeling heeft ondervonden. De toevoeging van het woord « opzettelijk » kan de onduidelijkheid van de strafbaarstelling volgens de verzoekende partijen niet opvangen. In haar advies bij het wetsontwerp dat heeft geleid tot de nieuwe Antidiscriminatiewet heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State overigens kritische bemerkingen gemaakt bij de strafbaarstelling op het vlak van indirecte discriminatie, en dit in het licht van het arrest van het Hof over de vroegere antidiscriminatiewet. A.18.
  14. Onder « opzettelijke indirecte discriminatie » moet, volgens de Ministerraad, worden verstaan de situatie waarin een persoon doelbewust een neutraal criterium hanteert met het oog op het omzeilen van het verbod op directe discriminatie. Ofschoon de verzoekende partijen verwijzen naar het arrest nr. 157/2004 van het Hof om aan te tonen dat de term « opzettelijke indirecte discriminatie » te vaag is om te kunnen worden gebruikt 8 in een strafrechtelijke bepaling, meent de Ministerraad dat de term wel degelijk tegemoetkomt aan het voorzienbaarheidscriterium. Dat indirecte discriminatie wel degelijk opzettelijk kan worden gepleegd, blijkt uit de ontstaansgeschiedenis van het concept in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. In de zaak Jenkins diende het Hof van Justitie zich uit te spreken over een werkgever die, op het vlak van het loon, een onderscheid maakte tussen voltijdse en deeltijdse werknemers (HvJ, 31 maart 1981, nr. 96/80, Jenkins). Vóór 1975 maakte de betreffende werkgever op dat vlak een onderscheid tussen de mannelijke en de vrouwelijke werknemers, terwijl hij geen onderscheid maakte op het vlak van de vergoeding per arbeidsuur voor deeltijds of voltijds werk. In 1975 werd in het Verenigd Koninkrijk een wet betreffende de gelijke beloning van mannen en vrouwen van kracht. Vanaf dat ogenblik stelde de werkgever het uurloon voor deeltijds werk vast op een niveau dat 10 pct. lager lag dan dat voor voltijds werk. Uit de feiten van de zaak bleek duidelijk dat de werkgever met de maatregel beoogde zijn vrouwelijke werknemers te blijven benadelen op het vlak van het loon. Teneinde het verbod dat hem was opgelegd te omzeilen, heeft hij wetens en willens die verboden praktijk de vorm gegeven van een ogenschijnlijk neutrale praktijk, waarvan hij pertinent zeker wist dat zij, gelet op de structuur van het personeel in zijn onderneming, de vrouwen zou benadelen. Uit dat arrest van het Hof van Justitie blijkt dat een indirecte discriminatie opzettelijk kan worden gepleegd. Het gaat daarbij om de situatie waarin de dader in kwestie het voornemen heeft te discrimineren onder dekking van een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze. De dader is zich dus bewust van het nadelige gevolg dat de bepaling, maatstaf of handelwijze op personen met het beschermde criterium zou kunnen hebben. Later heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen duidelijk gemaakt dat indirecte discriminatie eveneens onopzettelijk kan worden gepleegd. Er is dan sprake van indirecte discriminatie, zelfs indien het nadelige gevolg van een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze niet wordt nagestreefd door de persoon die discriminatie pleegt en zelfs indien die persoon niet wist dat er een nadelig gevolg kon optreden. Door het verbieden van onopzettelijke indirecte discriminatie wordt dus de mogelijkheid gecreëerd om een antwoord te bieden op structurele vormen van achterstelling van beschermde groepen. De omstandigheid dat het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat indirecte discriminatie eveneens onopzettelijk kan worden gepleegd, brengt evident niet met zich mee dat die discriminatie niet meer opzettelijk zou kunnen worden gepleegd. Dat een indirecte discriminatie zowel opzettelijk als onopzettelijk kan worden gepleegd, wordt niet alleen in de internationale, maar ook in de Belgische rechtspraak en rechtsleer erkend. De Ministerraad haalt daarbij verschillende passages uit de rechtsleer aan. Opzettelijke indirecte discriminatie bestaat dus wel degelijk en de burgers kunnen perfect inschatten wat dat begrip inhoudt. Zij kunnen dus ook weten wat de strafrechtelijke gevolgen zijn indien zij aanzetten tot opzettelijke indirecte discriminatie. A.18.
  15. De verzoekende partijen zijn van mening dat de Ministerraad in zijn argumentatie de bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen niet correct weergeeft. Dat Hof heeft immers niet de taak om als strafrechter op te treden. Het door de Ministerraad aangehaalde arrest stelt geenszins dat de Staten de plicht hebben om opzettelijke indirecte discriminatie strafrechtelijk te bestraffen. Het arrest stelt enkel dat de betreffende Europese regelgeving toepasselijk is op situaties waarin een verschil in behandeling in feite is gericht op een benadeling van vrouwen. De bestreden wet handelt overigens niet over discriminatie van vrouwen. A.18.
  16. De Ministerraad antwoordt dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen wel degelijk bevoegd is om in het kader van een prejudiciële procedure de richtlijn 2000/43/EG van 29 juni 2000 « houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming » (hierna : Rasrichtlijn) en andere richtlijnen uit te leggen. De in het aangehaalde arrest Jenkins gegeven interpretatie van de richtlijnen die in die zaak voorlagen, is wel degelijk relevant voor de interpretatie van de Rasrichtlijn, aangezien die richtlijnen soortgelijke bepalingen bevatten. De Ministerraad wijst erop dat hij het bedoelde arrest heeft aangehaald om aan te tonen dat opzettelijke indirecte discriminatie wel degelijk bestaat, niet om aan te tonen dat het noodzakelijk zou zijn om die discriminatie strafrechtelijk te bestraffen. In zoverre het Hof niet overtuigd zou zijn van de mogelijkheid om opzettelijk indirect te discrimineren, stelt de Ministerraad, in ondergeschikte orde voor daarover een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, die zou kunnen luiden : 9 « Moet het begrip ‘ indirecte discriminatie ’ van artikel 2
(2)(b) van de rasrichtlijn zo worden uitgelegd dat het ofwel : - enkel opzettelijke indirecte discriminatie omvat, waarbij onder ‘ opzettelijke indirecte discriminatie ’ moet worden verstaan de situatie waarin opzettelijk een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze wordt gebruikt om personen van een bepaald ras of een bepaalde etnische afstamming, in vergelijking met andere personen, bijzonder te benadelen; ofwel - enkel onopzettelijke indirecte discriminatie omvat, waarbij onder ‘ onopzettelijke indirecte discriminatie ’ moet worden verstaan de situatie waarin een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen van een bepaald ras of een bepaalde etnische afstamming, in vergelijking met andere personen, bijzonder benadeelt, zonder dat de auteur van het onderscheid zich hiervan bewust is; ofwel - zowel opzettelijke indirecte discriminatie als onopzettelijke indirecte discriminatie omvat ? ». Wat de « opdracht tot discrimineren » betreft A.
  1. Volgens de verzoekende partijen voldoet de strafbaarstelling betreffende een « opdracht tot discrimineren » evenmin aan het in artikel 14 van de Grondwet vervatte wettigheidsbeginsel. Indien een dader van discriminatie onmogelijk kan voorzien wanneer hij het terrein van de strafwet betreedt, dan geldt dit ook voor de zogenaamde opdrachtgever. A.20.
  2. Volgens de Ministerraad is de term « opdracht tot discrimineren » voldoende duidelijk om in een strafrechtelijke bepaling te worden gebruikt, aangezien artikel 4, 12°, van de Antiracismewet, zoals gewijzigd bij de wet van 10 mei 2007, de term definieert als een handelwijze die erin bestaat wie ook opdracht te geven om een persoon, een groep, een gemeenschap of een van hun leden te discrimineren op grond van een van de beschermde criteria. De term « opdracht geven » dient volgens zijn gangbare betekenis te worden geïnterpreteerd, namelijk bevelen, instructie geven. De burger kan dus perfect inschatten wat de strafrechtelijke gevolgen van zijn daden zijn. A.20.
  3. De verzoekende partijen stellen vast dat de Ministerraad van oordeel is dat het gerechtvaardigd is dat een persoon die vanop de derde rij betrokken is bij een discriminatie strafbaar is. Wie discriminatie pleegt is niet strafbaar, maar diegene die aanzet tot het geven van een opdracht tot discriminatie is wel strafbaar. Zij zijn van oordeel dat de voorzienbaarheid van de strafbepaling ver te zoeken is. Wat de « intimidatie » betreft A.
  4. Uit de bepalingen van de bestreden wet leiden de verzoekende partijen af dat onder « intimidatie » moet worden begrepen « ongewenst gedrag dat met één van de beschermde criteria verband houdt, en tot doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast en een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd ». De in die omschrijving vervatte substantiële elementen zijn bijzonder onduidelijk. De omschrijving van intimidatie als een gedrag dat een bepaald doel of een bepaald gevolg heeft, brengt bovendien een onopzettelijk element binnen in het misdrijf, terwijl het strafrecht vrijwel steeds een algemeen of bijzonder opzet vereist, tenzij in zeer grondig gemotiveerde gevallen. Een dergelijke motivering ontbreekt echter. Het begrip « waardigheid van de persoon » is bijzonder vaag en leidt tot een aantasting van de vrijheid van meningsuiting, zeker wanneer ermee rekening wordt gehouden dat de definitie nog verwijst naar het creëren van een « kwetsende omgeving ». Het gebruik van het woord « kwetsend » is bijzonder verontrustend aangezien het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van oordeel is dat de vrije meningsuiting ook moet gelden voor meningen die verontrusten, choqueren of kwetsen. Bovendien lijkt de wet een tegenstrijdigheid te bevatten : terwijl er in artikel 19 sprake is van een intimidatie op grond van een beschermd criterium, wordt in artikel 4, 10°, gewag gemaakt van een ongewenst gedrag dat verband houdt met een beschermd criterium. A.22.
  5. De Ministerraad is het niet eens met de stelling van de verzoekende partijen dat de in de artikelen 4, 10°, en 19 van de Antiracismewet, zoals ingevoegd bij de wet van 10 mei 2007, vervatte definities van « intimidatie » elkaar tegenspreken. Artikel 19 verduidelijkt dat, wat de strafrechtelijke bepalingen betreft, onder « discriminatie » onder meer « intimidatie » moet worden verstaan. Nergens kan uit worden afgeleid dat 10 het begrip « intimidatie » op een andere manier moet worden begrepen dan zoals gedefinieerd in artikel 4, 10°, van de Antiracismewet, zoals ingevoegd bij de wet van 10 mei
  6. De Ministerraad is het ook oneens met de stelling van de verzoekende partijen dat de definitie van intimidatie een onopzettelijk element in het misdrijf binnenbrengt, wat de voorzienbaarheid zou aantasten. Enkel de persoon die aanzet tot het aantasten van de waardigheid van een persoon wordt immers strafrechtelijk aansprakelijk gesteld. Het is onmogelijk om onopzettelijk te beogen dat de waardigheid van een persoon zou worden aangetast. Bovendien is vereist dat het gaat om een aanzetten tot een gedrag dat een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving creëert. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen laten uitschijnen, laat het begrip « bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving » niet toe dat de rechter een gedrag zou bestraffen op basis van subjectieve gegevens. Het komt uiteindelijk steeds de rechter toe om te oordelen over de realiteit van de « bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving » en over het oorzakelijke verband tussen die omgeving en het ongewenste gedrag. Hij moet daarbij rekening houden met de objectieve gegevens die hem worden voorgelegd. De Ministerraad verwijst ten slotte naar het arrest nr. 71/2006, waarin het Hof heeft geoordeeld dat artikel 442bis van het Strafwetboek voldoet aan het strafrechtelijke wettigheidsbeginsel. Nochtans bevat dat artikel een strafbaarstelling die veel ruimer kan worden opgevat dan de strafbaarstelling « aanzetten tot intimidatie ». A.22.
  7. De verzoekende partijen zijn van oordeel dat de toelichting van de Ministerraad de vaagheid van het begrip niet kan verhelpen. Terwijl de rechter bij de beoordeling van het in artikel 442bis van het Strafwetboek vervatte misdrijf twee feiten moet vaststellen (« daden van belaging » en « verstoring van de rust »), moet de rechter bij het bestreden misdrijf zes vage elementen interpreteren (« ongewenst gedrag », « verband houden met », « doel of gevolg », « waardigheid van de persoon », « bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving », en « wordt gecreëerd »). Ten aanzien van het tweede middel in de zaak nr. 4312 A.
  8. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van artikel 14 van de Grondwet, doordat het bestreden artikel 20, 3°, het aanzetten tot segregatie jegens een groep, een gemeenschap of de leden ervan, strafbaar stelt, zonder daarbij het substantiële element « segregatie » te definiëren. A.
  9. De verzoekende partijen zijn van oordeel dat indien een wet het aanzetten tot een bepaalde handeling strafbaar stelt, die wet minstens dient te definiëren wat met die handeling wordt bedoeld. De bestreden wet bevat geen enkele definitie van het begrip « segregatie ». Dat begrip is overigens niet terug te vinden in het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, noch in de Rasrichtlijn, waarvan de bestreden wet de uitvoering zou zijn. Zij wijzen erop dat in de dagvaarding, uitgaande van het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, van de voormalige politieke partij « Vlaams Blok », een politiek pleidooi voor het uitwijzen van illegale vreemdelingen en voor het afnemen van het verblijfsrecht van vreemdelingen die definitief zijn veroordeeld voor een misdrijf waarop meer dan drie jaar gevangenisstraf staat, werd gekwalificeerd als « segregatie ». Dit wijst erop dat het vage begrip « segregatie » kan worden gebruikt om elk politiek pleidooi voor een strakker immigratie- en asielbeleid te criminaliseren. A.25.
  10. Net zoals bij het eerste middel, is de Ministerraad van oordeel dat het tweede middel onontvankelijk is omdat het onduidelijk is of de verzoekende partijen een schending van artikel 12, dan wel van artikel 14, van de Grondwet aanvoeren. Bovendien is het tweede middel onontvankelijk, aangezien het gericht is tegen een incriminatie die niet door de bestreden wet in de Belgische rechtsorde werd ingevoerd, maar die reeds bestond. De Antiracismewet bevatte immers reeds vóór de inwerkingtreding van de bestreden wet een bepaling die segregatie strafbaar stelde. A.25.
  11. De verzoekende partijen verwijzen naar hun antwoord op de exceptie van de Ministerraad bij het eerste middel. Zij betwisten bovendien de stelling van de Ministerraad dat het middel onontvankelijk zou zijn omdat de incriminatie reeds bestond in het Belgische recht. De verbodsbepalingen van de Antiracismewet, zoals ingevoegd bij de wet van 10 mei 2007, die zowel burgerrechtelijk als strafrechtelijk van aard zijn, zijn immers veel ruimer dan die van de vroegere Antiracismewet. 11 A.26.
  12. Ten gronde meent de Ministerraad dat de bewoordingen van artikel 20, 3°, van de Antiracismewet, zoals ingevoegd bij de wet van 10 mei 2007, voldoende duidelijk zijn om te weten welke handelingen erdoor strafbaar worden gesteld. De term « segregatie » is zodanig ingeburgerd dat iedereen redelijkerwijze weet wat de betekenis ervan is. Uit het feit dat de term reeds vóór de bestreden wet in de Antiracismewet was opgenomen en uit het feit dat de verzoekende partijen naar aanleiding van het proces tegen het « Vlaams Blok » noodzakelijkerwijze geconfronteerd zijn geweest met die term, vloeit voort dat zij ermee voldoende bekend moeten zijn. Dit geldt des meer daar het Hof van Beroep te Gent in zijn arrest van 21 april 2004 heeft geoordeeld dat het niet bewezen was dat de politieke partij « Vlaams Blok » tijdens de bedoelde periode segregatie had verkondigd. Bovendien vloeit de term « segregatie » wel degelijk voort uit artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, zodat bezwaarlijk kan worden volgehouden dat de term onbekend is in de Belgische rechtsorde. Ten slotte blijkt ook uit de parlementaire voorbereiding heel duidelijk wat onder de term moet worden begrepen. A.26.
  13. De verzoekende partijen betwisten dat de term « segregatie » in het dagelijkse taalgebruik een voldoende courante term is. De toelichting die tijdens de parlementaire voorbereiding werd gegeven, verduidelijkt overigens geenszins de inhoud ervan. A.26.
  14. De Ministerraad antwoordt dat uit de parlementaire voorbereiding duidelijk blijkt dat de wetgever, om alle betwistingen te voorkomen, duidelijk heeft willen maken dat segregatie, ofschoon het kan gaan om een gelijke maar gescheiden behandeling, ook als een ongunstige behandeling moet worden beschouwd. Ten aanzien van het derde middel in de zaak nr. 4312 A.
  15. Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 19 van de Grondwet, doordat het bestreden artikel 20 het uiten van een mening in vier gevallen strafbaar stelt wanneer die mening kan worden geïnterpreteerd als een « aanzetten tot » een handeling of een gevoelsmatige ingesteldheid, terwijl het stellen van de laakbare handeling zelf niet strafbaar wordt gesteld. A.
  16. De verzoekende partijen wijzen erop dat de bestreden wet slechts in drie gevallen het stellen van een discriminerende handeling strafbaar stelt, namelijk wanneer dit gebeurt door een ambtenaar (artikel 23), wanneer dit gebeurt in het domein van de toegang tot goederen en diensten die publiek beschikbaar zijn (artikel 24) en wanneer dit gebeurt in het domein van de arbeidsbetrekkingen (artikel 25). Bij alle andere daden van discriminatie heeft de wetgever gemeend dat een burgerrechtelijk verbod volstaat, en dat een strafbaarstelling niet nodig is. Een « aanzetten tot » discriminatie wordt evenwel in de meest ruime zin strafbaar gesteld, en dit zelfs buiten de in artikel 5 van de Antiracismewet bedoelde domeinen. De verzoekende partijen zien niet in waarom het noodzakelijk zou zijn om in strafrechtelijke sancties te voorzien voor meningsuitingen die op zich geen discriminerende handelingen vormen, als de wetgever het niet noodzakelijk acht te voorzien in strafsancties voor handelingen die wel als discriminaties kunnen worden gekwalificeerd. A.
  17. Volgens de Ministerraad is het middel onontvankelijk, aangezien het niet zozeer het bestreden artikel, maar wel artikel 4, a), van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie viseert. Volgens die laatste bepaling verbinden de lidstaten zich immers ertoe het aanzetten tot raciale discriminatie strafbaar te stellen. Het nadeel waarover de verzoekende partijen zich beklagen wordt dus niet door de bestreden bepaling veroorzaakt, maar vloeit rechtstreeks voort uit het aangehaalde Verdrag. A.30.
  18. Ten gronde meent de Ministerraad dat het middel inhoudelijk soortgelijk is aan een middel dat werd aangevoerd in de zaak die heeft geleid tot het arrest nr. 157/2004 van het Hof. In dat arrest heeft het Hof gesteld dat het aan de wetgever toekomt te beoordelen hoe hij de overtreding van de door hem aangenomen wetsbepalingen wenst te bestraffen, via burgerlijke, dan wel strafrechtelijke weg. Het gaat bijgevolg over een opportuniteitsoordeel, waarover het Hof zich niet kan uitspreken. Dat opportuniteitsoordeel werd te dezen overigens uitvoerig toegelicht in de parlementaire voorbereiding, waaruit blijkt dat de keuze voor burgerrechtelijke sancties in de eerste plaats is ingegeven door praktische overwegingen. Daden van discriminatie en racisme zijn vaak moeilijk te bewijzen, wat de strafrechtelijke bestraffing ervan moeilijk maakt. Dit is echter niet het geval met het aanzetten tot een discriminatie, wat gemakkelijker kan worden bewezen. Uit die voorbereiding blijkt ook dat de wetgever, ofschoon hij principieel heeft gekozen voor de burgerrechtelijke afdwinging van de wet, ook rekening heeft willen houden met artikel 4 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie. In die zin is de bestreden bepaling het resultaat van de afweging die de wetgever vermocht te maken tussen, enerzijds, de internationale verplichting om bepaalde handelingen strafbaar te stellen en, anderzijds, overwegingen van doeltreffendheid. 12 A.30.
  19. Volgens de verzoekende partijen weerlegt de Ministerraad op geen enkele wijze het argument gebaseerd op het feit dat de bestreden bepaling van toepassing is « zelfs buiten de in artikel 5 bedoelde domeinen ». Daardoor is de bestreden bepaling ook van toepassing op het aanzetten tot acties die op geen enkele wijze het voorwerp kunnen uitmaken van een sanctie, zelfs niet van een burgerrechtelijke. A.30.
  20. De Ministerraad antwoordt dat discriminatie « buiten de in artikel 5 bedoelde domeinen » wel degelijk op een of andere grond is verboden. Hij verwijst daarbij naar wetgeving van de gemeenschappen en de gewesten, de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet (in zoverre het gaat om een discriminatie door een publieke overheid), het in artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek vervatte beginsel van de goede trouw, de theorie van het rechtsmisbruik, het verbod om in overeenkomsten afbreuk te doen aan wetten van openbare orde en goede zeden en de leer van de precontractuele aansprakelijkheid. Ten aanzien van het vierde middel in de zaak nr. 4312 A.
  21. Het vierde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 19 van de Grondwet, doordat het bestreden artikel 20 het uiten van een mening in vier gevallen strafbaar stelt wanneer die mening kan worden geïnterpreteerd als « een aanzetten tot discriminatie, haat of geweld », waarbij het woord « geweld » heel ruim wordt geïnterpreteerd en de woorden « aanzetten tot », « discriminatie » en « haat » niet worden gedefinieerd, zodat de vrijheid van meningsuiting op onverantwoorde wijze wordt beperkt. A.
  22. De verzoekende partijen zijn van oordeel dat de vrijheid van meningsuiting al te zeer wordt beperkt door de strafbaarstelling inzake « aanzetten tot discriminatie, haat of geweld », temeer daar de bewoordingen van die strafbaarstelling bijzonder vaag zijn. Voor wat betreft de vage inhoud van het begrip « discriminatie » verwijzen zij naar hun argumentatie bij het eerste middel. Met betrekking tot het begrip « geweld » wijzen zij erop dat de politieke partij waartoe zij behoren, geweld tegen vreemdelingen steeds heeft veroordeeld. Zij stellen echter vast dat het verspreiden van meningen via geschriften zonder meer wordt gelijkgesteld met het aanzetten tot geweld. Wanneer elke tekening, publicatie of toespraak die enige kritische mening ventileert over het gevoerde immigratie- of asielbeleid wordt geïnterpreteerd als « een aanzetten tot geweld », wordt de vrijheid van meningsuiting al te ruim aan banden gelegd. Met betrekking tot het begrip « haat » onderstrepen zij dat ze handelen vanuit de legitieme bekommernis om de eigen identiteit en cultuur van hun vaderland te beschermen, en dus geenszins vanuit de bedoeling haat te promoten ten aanzien van wie dan ook. Het begrip « haat » is echter zodanig vaag dat een daarop gebaseerd misdrijf niet voldoet aan de vereiste van voorzienbaarheid, en de vrijheid van meningsuiting al te sterk wordt beperkt. Blijkbaar wordt met haat een bepaalde gevoelsmatige ingesteldheid bij een doelpubliek bedoeld, maar die ingesteldheid is niet objectief waarneembaar. Het gaat dus om een opiniedelict dat voltrokken zou zijn indien mag worden aangenomen dat bij enig doelpubliek een gevoelsmatige ingesteldheid van haat wordt gewekt. De vraag rijst dan of niet elk politiek discours in de publieke ruimte, dat zich afspeelt op een delicaat terrein en kwetsend of choquerend geformuleerd wordt, een kern in zich draagt die met kwade wil « een aanzetten tot haat » kan worden genoemd. Wanneer een organisatie bijvoorbeeld kritiek levert op het ritueel slachten van dieren, omdat dit zonder verdoving gebeurt, wordt die kritiek door sommigen nogal vlug gelijkgesteld met « een aanzetten tot haat ». A.33.
  23. Volgens de Ministerraad is het middel, in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, onontvankelijk en ongegrond. De verzoekende partijen leggen immers op geen enkele wijze uit in welke zin de bestreden bepaling het gelijkheidsbeginsel zou schenden. Bovendien is het middel manifest ongegrond, aangezien het tegenstrijdig is geformuleerd. De verzoekende partijen beweren immers dat de bestreden bepaling elk politiek discours beoogt dat kwetsend en choquerend wordt geformuleerd. Tegelijkertijd betogen ze echter dat de bepaling een - niet nader verduidelijkt - onderscheid invoert. Een dergelijke argumentatie is contradictorisch en leidt niet alleen tot de onontvankelijkheid van het middel, maar ook tot de ongegrondheid ervan. De Ministerraad meent ook dat de verzoekende partijen zich in essentie beroepen op de schending van artikel 12 van de Grondwet, aangezien ze zich beklagen over de onduidelijkheid van de bestreden incriminaties. Nochtans voeren zij de schending van artikel 12 van de Grondwet niet aan. Ten slotte is de Ministerraad van oordeel dat het middel gericht is tegen een normatieve bepaling die reeds vóór de bestreden wet deel uitmaakte van de Belgische rechtsorde, aangezien de bestreden bepaling het vroegere artikel 1 van de Antiracismewet overneemt. A.33.
  24. De verzoekende partijen antwoorden dat de memorie van de Ministerraad voldoende ervan doet blijken dat hij de inhoud en de draagwijdte van het middel heeft begrepen. 13 A.
  25. Ten gronde verwijst de Ministerraad voor de betekenis van de termen « aanzetten tot » en « discriminatie » naar zijn argumentatie bij het eerste middel. Met betrekking tot de termen « haat » en « geweld » verwijst hij naar het arrest nr. 157/2004, waarin het Hof heeft geoordeeld dat die woorden zodanig ingeburgerd zijn dat iedereen redelijkerwijze weet wat de betekenis ervan is. A.35.
  26. Met betrekking tot de aangevoerde schending van de vrijheid van meningsuiting, wijst de Ministerraad erop dat de wetgever, volgens artikel 19 van de Grondwet, strafrechtelijke grenzen kan stellen aan die vrijheid. Te dezen moet echter worden vastgesteld dat de bestreden bepaling geen beperking van de vrije meningsuiting inhoudt. Die bepaling stelt immers enkel het wetens en willens aansporen van anderen om effectief tot discriminatie, haat of geweld over te gaan, strafbaar. Een dergelijke strafbaarstelling houdt geen verband met de vrijheid van meningsuiting. Indien het Hof van oordeel zou zijn dat dit toch het geval is, dan moet worden vastgesteld dat de wetgever van de mogelijkheid gebruik heeft gemaakt om, met naleving van het in de Grondwet verankerde strafrechtelijke wettigheidsbeginsel, grenzen te stellen aan het recht op vrije meningsuiting. Daarbij moet worden onderstreept dat de begrippen « haat » en « geweld » niet toelaten dat de rechter een gedrag zou bestraffen op basis van de subjectieve inschatting van de gevoelens van een vermeend doelpubliek. De rechter moet integendeel rekening houden met de objectieve gegevens die hem worden voorgelegd. Het louter formuleren van een polemische, kritische, kwetsende of schokkende mening valt dan ook niet onder de strafbaarstelling. A.35.
  27. De verzoekende partijen zijn van mening dat de Ministerraad geen keuze durft te maken tussen twee stellingen die elkaar uitsluiten, namelijk, enerzijds, de stelling dat de bestreden bepaling geen enkele beperking van de vrije meningsuiting inhoudt, en, anderzijds, de stelling dat de bestreden bepaling wel degelijk een beperking van de vrijheid van meningsuiting inhoudt, maar dat die beperking is toegestaan door de Grondwet. Zij zijn van oordeel dat niet kan worden volgehouden dat de bestreden wet geen beperking inhoudt van de vrije meningsuiting. Het Hof heeft in zijn arrest nr. 157/2004 immers geoordeeld dat de vergelijkbare antidiscriminatiewet de vrijheid van meningsuiting beperkte. Bovendien werd reeds in de jaren zestig een voorbehoud geformuleerd bij de ondertekening van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, ter vrijwaring van de vrijheid van meningsuiting. De verzoekende partijen zijn ook van oordeel dat de argumentatie van de Ministerraad volgens welke het formuleren van een polemische, kritische, felle, kwetsende of schokkende mening niet onder de strafbaarstelling valt, niet opgaat, aangezien dat niet blijkt uit de tekst van de bestreden bepaling. A.35.
  28. De Ministerraad antwoordt dat zou kunnen worden geargumenteerd dat de in de bestreden bepaling vervatte strafbaarstelling eigenlijk geen beperking van de vrijheid van meningsuiting inhoudt. Indien toch wordt geoordeeld dat het gaat om een beperking van de betreffende vrijheid, dan valt die beperking binnen de door de Grondwet gestelde grenzen, wat het Hof reeds heeft gesteld in zijn arrest nr. 157/
  29. Ten aanzien van het vijfde middel in de zaak nr. 4312 A.
  30. Het vijfde middel is afgeleid uit de schending van artikel 19 van de Grondwet, doordat het bestreden artikel 21 de verspreiding van denkbeelden verbiedt indien die denkbeelden door een rechter worden gekwalificeerd als zijnde gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat, en aldus een schending inhoudt van de vrijheid van meningsuiting. A.
  31. De verzoekende partijen onderstrepen dat zij geen denkbeelden koesteren of verspreiden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat, maar stellen vast dat zij regelmatig worden geconfronteerd met het feit dat hun politieke meningen kwaadwillig als dusdanig worden gekwalificeerd. Zij zijn van oordeel dat het bestreden artikel 21 een bijzonder verregaande inbreuk op de vrijheid van meningsuiting vormt en dat een beperking van de verspreiding van denkbeelden, die op zich geen enkele discriminerende handeling uitmaken, in een democratische rechtsstaat onaanvaardbaar is. Zij verwijzen daarbij naar het arrest nr. 157/2004, waarin het Hof een bepaling heeft vernietigd naar luid waarvan het was verboden openlijk zijn voornemen te kennen te geven tot discriminatie, haat of geweld. Een verbod om denkbeelden te verspreiden smoort elk debat, omdat de fouten in die denkbeelden niet kunnen worden bestudeerd en weerlegd. Bovendien is het verbod onnodig, gelet op de andere strafbaarstellingen in de bestreden wet. A.38.
  32. Volgens de Ministerraad is het middel onontvankelijk, aangezien het nadeel waarover de verzoekende partijen zich beklagen niet voortvloeit uit de bestreden bepaling, maar uit artikel 4 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie. 14 A.38.
  33. De verzoekende partijen antwoorden dat het voormelde artikel 4 geen directe werking heeft en door de Belgische wetgever moet worden omgezet in Belgisch recht. De wetgever moet daarbij de in de Belgische Grondwet verankerde vrijheid van meningsuiting respecteren, temeer daar de Belgische Staat bij het ondertekenen van het betreffende Verdrag op dat vlak een voorbehoud heeft gemaakt. A.39.
  34. Ten gronde is de Ministerraad van oordeel dat de verwijzing door de verzoekende partijen naar het arrest nr. 157/2004 niet pertinent is. In tegenstelling tot de bepaling die het Hof in dat arrest heeft vernietigd, bestraft de thans bestreden bepaling niet « het te kennen geven van een voornemen tot discriminatie, haat of geweld ». De bestreden bepaling bestraft enkel het verspreiden van denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat. Onder de term « verspreiden » moet worden verstaan de daad die erin bestaat dergelijke denkbeelden uit te brengen, te uiten of voor te staan als intellectueel auteur. Bovendien is een bijzonder opzet vereist. Het betrokken gedrag zal alleen strafrechtelijk worden geviseerd als de verspreiding van de ideeën tot doel heeft de haat ten aanzien van een groep van mensen aan te wakkeren en de totstandkoming van een voor hen discriminerend of op segregatie gericht beleid te rechtvaardigen. De bestreden strafbaarstelling heeft dus in werkelijkheid niets te maken met de vrijheid van meningsuiting. Indien dat toch het geval zou zijn, moet worden vastgesteld dat die vrijheid niet is geschonden, aangezien de wetgever, op grond van artikel 19 van de Grondwet, strafrechtelijke perken kan stellen aan die vrijheid. Dat is zeker het geval wanneer het om racisme gaat, aangezien artikel 4 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie de Belgische Staat de verplichting oplegt om het verspreiden van racistische denkbeelden strafbaar te stellen. A.39.
  35. De Ministerraad wijst erop dat de Belgische Staat bij het aangehaalde Verdrag een toelichtende verklaring heeft aangenomen, naar luid waarvan de Belgische Staat de nadruk legt op de eerbiediging van de vrijheid van meningsuiting. Volgens de Ministerraad is de bestreden bepaling evenwel niet in strijd met de vrijheid van meningsuiting. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt immers dat de verspreiding van denkbeelden die zijn gebaseerd op rassuperioriteit of op rassenhaat niet onder de bescherming van artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens valt. De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft dan ook met betrekking tot het voorontwerp van de bestreden bepaling terecht gesteld dat die bepaling kan worden verantwoord in zoverre de toepassing ervan gebeurt in overeenstemming met de artikelen van de Grondwet en het Europees Verdrag voor de rechten van de mens over de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid. A.39.
  36. De Ministerraad is ook van oordeel dat de rechtspraak van het Hof erop wijst dat de bestreden bepaling niet in strijd is met de vrijheid van meningsuiting. In het arrest nr. 45/96 heeft het Hof immers het beroep tegen de wet van 23 maart 1995 « tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de tweede wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd » verworpen. Naar analogie met wat het Hof in die zaak heeft geoordeeld, kan te dezen worden gesteld dat de beperkingen van de vrijheid van meningsuiting zijn ingegeven door de wil de samenleving te beschermen tegen de bijzonder ernstige consequenties van het verspreiden van denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat en de gevolgen hiervan voor derden. De beperking van de vrijheid van meningsuiting is bovendien niet preventief, maar repressief. De bestraffing vindt eveneens slechts plaats voor zover de verspreiding heeft plaatsgevonden in de door artikel 444 van het Strafwetboek bepaalde omstandigheden. De bestreden bepaling dient eveneens strikt te worden geïnterpreteerd, onder meer de term « verspreiden », wat blijkt uit de parlementaire voorbereiding. Gelet op de internationaalrechtelijke instrumenten inzake de uitbanning van racisme en op de wetgeving in andere Staten, kon de wetgever eveneens oordelen dat hij diende te voorkomen dat België een vrijhaven zou worden voor racisten. Bovendien kan te dezen ook worden verwezen naar artikel 17 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dat de bescherming van de grondrechten ontzegt aan diegenen die deze rechten willen gebruiken om de grondrechten van anderen te vernietigen of te beperken. De Ministerraad verwijst ten slotte ook naar het arrest nr. 10/2001, waarin het Hof heeft geoordeeld dat de veroordeling van racisme en vreemdelingenhaat ontegenzeggelijk een beginsel vormt dat essentieel is voor het democratisch karakter van een regime. A.39.
  37. De verzoekende partijen antwoorden dat de bestreden bepaling op geen enkele wijze een bepaald gevolg of een bepaald opzet vereist, zodat het louter verspreiden van ideeën strafbaar wordt gesteld. Ten aanzien van het zesde middel in de zaak nr. 4312 A.
  38. Het zesde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 14, 19, 23, 26 en 27 van de Grondwet, doordat het bestreden artikel 22 « het behoren tot of het medewerking verlenen aan » een groep die 15 discriminatie of segregatie verkondigt, strafbaar stelt en dit in vage bewoordingen, zodat die bepaling niet voldoet aan het strafrechtelijke wettigheidsbeginsel en een inbreuk vormt op de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vereniging en de vrijheid om vreedzaam en ongewapend te vergaderen. A.41.
  39. Volgens de verzoekende partijen leidt de in het bestreden artikel 22 vervatte strafbaarstelling ertoe dat elke burger, in welke hoedanigheid dan ook (drukker, verhuurder van zalen, leverancier van tenten of geluidsinstallaties, enz.), kan worden vervolgd, ongeacht de aanwezigheid van enig kwaad opzet van zijnentwege, indien hij, zelfs eenmalig, zijn medewerking verleent aan een groep die kennelijk en herhaaldelijk discriminatie of segregatie wegens een van de beschermde criteria verkondigt in de in artikel 444 van het Strafwetboek bedoelde omstandigheden. A.41.
  40. De verzoekende partijen zijn van oordeel dat de begrippen « segregatie » en « discriminatie » te vaag zijn om in een strafbaarstelling te kunnen worden gebruikt en verwijzen daarvoor naar hun argumentatie bij het eerste en het tweede middel. Ook het in de bestreden bepaling gebruikte woord « verkondigen » is, naar hun oordeel, te vaag. Uit het feit dat de wetgever in het bestreden artikel 20 de woorden « aanzetten tot » heeft gehanteerd, en in artikel 22 het woord « verkondigen », leiden zij af dat de wetgever « verkondigen » heeft opgevat als iets anders dan « aanzetten tot ». Uit de zeer ruime betekenis in het normale taalgebruik van de term « verkondigen » zou kunnen worden afgeleid dat daarmee elke verspreiding van ideeën wordt bedoeld. Aldus kan elke meningsuiting die van ver of nabij betrekking heeft op het debat rond immigratie en asiel, ongeacht de vraag of daarmee wordt aangezet tot een handeling, aanleiding geven tot vervolging. Om die reden is het bestreden artikel 22 in strijd met de vrijheid van meningsuiting. A.41.
  41. Ook de notie « kennelijk en herhaaldelijk verkondigen » is, volgens de verzoekende partijen, te vaag om te worden gebruikt in een strafbepaling. Een mening kan voor de ene kennelijk discriminerend zijn, terwijl dat voor een andere niet zo is. Indien het enkel toekomt aan de rechter om te beoordelen welke mening kennelijk discriminerend is, is de voorzienbaarheid van de strafwet onbestaande en de beperking van de vrijheid van meningsuiting ontoelaatbaar. Met betrekking tot het woord « herhaaldelijk » kan de vraag overigens worden gesteld waarom een eenmalig geuite mening per definitie minder strafbaar zou zijn dan een mening die herhaaldelijk wordt geuit. Er mag van politici en politieke partijen immers worden verwacht dat zij in hun meningen enige standvastigheid vertonen. A.41.
  42. Ook de woorden « behoren tot » en vooral « medewerking verlenen aan » zijn, volgens de verzoekende partijen, zodanig ruim dat geen enkele vorm van opzet is vereist. Indien de rechter van mening is dat een bepaalde groep voldoet aan de voorwaarde « kennelijk en herhaaldelijk discriminatie of segregatie verkondigen », dan is elke vorm van behoren tot of medewerking verlenen aan die groep strafbaar. De eigenaar van een parochiezaal die te goeder trouw zijn zaal verhuurt aan een groep, pleegt hetzelfde misdrijf als de voorzitter van de groep. De verhuurder die eenmalig een geluidsinstallatie levert aan een groep is even schuldig als diegenen die in die groep het woord voeren. A.41.
  43. De verzoekende partijen zijn van oordeel dat de ongrondwettigheid van het bestreden artikel 22 duidelijk blijkt uit een vergelijking van die bepaling met artikel 140, § 1, van het Strafwetboek. Volgens die laatste bepaling is een persoon die deelneemt aan enige activiteit van een terroristische groep slechts strafbaar als hij weet dat zijn deelname bijdraagt tot het plegen van een misdaad of een wanbedrijf door die groep. Er kan niet worden ingezien waarom een dergelijk opzet niet is vereist bij het in het bestreden artikel 22 omschreven misdrijf. A.42.
  44. In zoverre het middel is afgeleid uit een schending van de artikelen 14 en 23 van de Grondwet, is het, volgens de Ministerraad, onontvankelijk. De verzoekende partijen lijken hun middel gedeeltelijk af te leiden uit het beginsel nullum crimen sine lege, maar voeren enkel artikel 14 van de Grondwet aan, dat handelt over de legaliteit van de straffen en dus niet van de incriminaties. De verzoekende partijen leggen bovendien op geen enkele wijze uit, en de Ministerraad ziet niet in, hoe de bestreden bepaling de sociaaleconomische grondrechten zou kunnen schenden. A.42.
  45. De verzoekende partijen verwijzen naar hun antwoord op de exceptie van de Ministerraad bij het eerste middel. A.43.
  46. Ten gronde betoogt de Ministerraad dat de artikelen 19 (vrijheid van meningsuiting), 26 (vrijheid van vergadering) en 27 (vrijheid van vereniging) van de Grondwet weliswaar verbieden dat preventief wordt 16 tussengekomen in de betrokken vrijheden, maar geenszins verbieden dat er wettelijke grenzen aan worden gesteld. A.43.
  47. De Ministerraad is het niet eens met de stelling van de verzoekende partijen dat de bestreden bepaling te vaag zou zijn geformuleerd om als wettelijke grens van de betreffende grondwettelijke vrijheden te kunnen fungeren. Met betrekking tot de beweerde vaagheid van de termen « discriminatie » en « segregatie », verwijst hij naar zijn argumentatie bij het eerste en het tweede middel. A.43.
  48. Met betrekking tot de aangevoerde schending van de vrijheid van meningsuiting, wijst de Ministerraad erop dat de in de bestreden bepaling vervatte norm reeds bestond vóór de inwerkingtreding van de bestreden wet. De verzoekende partijen moeten worden geacht de in die bepaling vervatte begrippen « verkondigen » « herhaaldelijk » en « kennelijk » te kennen, temeer daar drie met de voormalige politieke partij « Vlaams Blok » gelieerde vzw’s door het Hof van Beroep te Gent, bij een arrest van 21 april 2004, werden veroordeeld op grond van het vroegere artikel 3 van de Antiracismewet. In dat arrest is heel duidelijk vastgesteld wat onder die termen dient te worden verstaan. Zo heeft het Hof van Beroep gesteld dat de wetgever met de vereiste dat de groep « kennelijk en herhaaldelijk » discriminatie of segregatie bedrijft of verkondigt, heeft willen uitsluiten dat personen die te goeder trouw zijn, misleid zouden worden. De toepassing van de bestreden bepaling veronderstelt dus de wil om tot de groep of de vereniging te behoren. Bovendien werden de termen ook verduidelijkt tijdens de parlementaire voorbereiding. Daaruit blijkt dat de bestreden bepaling essentieel dezelfde draagwijdte heeft als het vroegere artikel 3 van de Antiracismewet. Daaruit blijkt eveneens dat de term « verkondigen » dezelfde betekenis heeft als de term « aanzetten tot » in artikel 20 van de Antiracismewet, zoals ingevoegd bij de wet van 10 mei
  49. Het verschillende woordgebruik is enkel toe te schrijven aan het feit dat de wetgever de terminologie van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie en van het vroegere artikel 3 van de Antiracismewet heeft willen overnemen. A.43.
  50. De Ministerraad is het ten slotte niet eens met de stelling van de verzoekende partijen dat de termen « behoren tot » en « medewerking verlenen aan » dermate ruim zouden zijn geformuleerd dat geen enkele vorm van opzet zou zijn vereist. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt immers heel duidelijk dat is vereist dat de beklaagde wetens en willens behoort tot of zijn medewerking verleent aan een groep of vereniging die kennelijk en herhaaldelijk discriminatie of segregatie verkondigt. Daarom is de verwijzing van de verzoekende partijen naar artikel 140, § 1, van het Strafwetboek zonder pertinentie. Niet alleen vergelijkt zij misdrijven die niet vergelijkbaar zijn, ook het uitgangspunt van de vergelijking is fout, aangezien in beide gevallen het opzet een essentieel bestanddeel van het misdrijf is. Ten aanzien van het zevende middel in de zaak nr. 4312 A.
  51. Het zevende middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het bestreden artikel 10 met zich meebrengt dat discriminatie is toegelaten, indien die discriminatie kan worden gekwalificeerd als positieve actie. A.45.
  52. Volgens de verzoekende partijen creëert het bestreden artikel 10, door te bepalen dat een positieve actie nooit een vorm van directe discriminatie kan zijn, een vrijbrief voor openlijke en manifeste discriminatie op basis van ras en etnische afstamming en dit zowel in de publieke als in de private sector. Niet alleen de overheid, maar ook private personen en bedrijven zullen openlijk mogen discrimineren, zolang zij dit maar verpakken als een maatregel van positieve actie. Aldus worden twee categorieën van burgers verschillend behandeld. Zij wijzen daarbij erop dat de Rasrichtlijn nergens bepaalt dat positieve actie een rechtvaardiging zou zijn voor directe discriminatie. A.45.
  53. Volgens de verzoekende partijen kan een burger onmogelijk toepassing maken van de voorwaarden die de wet verbindt aan een zogenaamde positieve actie. Hij zou moeten beoordelen of er sprake is van een kennelijke ongelijkheid, hij zou het verdwijnen van die ongelijkheid moeten aanwijzen als doelstelling, zijn maatregel zou van tijdelijke aard moeten zijn en moeten verdwijnen indien de beoogde doelstelling is bereikt en de maatregel zou niet onnodig andermans rechten mogen beperken. Dergelijke afwegingen zijn delicate politieke oefeningen, waarmee de wetgever iedere dag wordt geconfronteerd en waarvoor de politici steun vragen aan de kiezer. De wetgever heeft de fout gemaakt de voorwaarden die de overheid bij het nemen van een maatregel van positieve actie moet vervullen, zomaar te transponeren naar de private verhoudingen tussen de burgers onderling. 17 A.46.
  54. De Ministerraad wijst erop dat het Hof in zijn arrest nr. 157/2004 heeft geoordeeld dat positieve actie principieel verenigbaar is met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Hij ziet niet in hoe het Hof tot een andere stelling zou kunnen komen, temeer daar de bestreden bepaling de grenzen van een positieve actie duidelijker heeft afgelijnd dan de bepaling die werd bestreden in de zaak die heeft geleid tot het arrest nr. 157/
  55. Zo zijn de voorwaarden waaraan maatregelen van positieve actie moeten voldoen, uitdrukkelijk in de wet opgenomen. A.46.
  56. Volgens de Ministerraad berusten de bezwaren van de verzoekende partijen op een foute lezing van de bestreden bepaling. Die bepaling geeft private personen geenszins een vrijbrief tot discriminatie. Integendeel, de bepaling geeft duidelijk aan dat maatregelen van positieve actie in de eerste plaats van de overheid uitgaan. In de tweede plaats kunnen ook private personen, zoals werkgevers, een beleid van positieve actie ontwikkelen, doch enkel binnen de grenzen van een reglementair kader dat door de overheid bij koninklijk besluit wordt uitgetekend. Private personen zullen dus enkel maatregelen van positieve actie kunnen nemen in bepaalde, door de overheid vastgelegde situaties en onder specifieke voorwaarden. Bovendien moeten alle maatregelen van positieve actie, zowel die welke uitgaan van de overheid, als die welke uitgaan van private personen, voldoen aan de in de wet omschreven voorwaarden, die werden overgenomen uit de rechtspraak van het Hof. A.46.
  57. Volgens de Ministerraad verbiedt de richtlijn 2000/78/EG van 27 november 2000 « tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep » (hierna : Kaderrichtlijn) niet dat in het nationale recht een rechtvaardigingsgrond voor positieve actie door private personen wordt opgenomen. Hij verwijst daarbij naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen inzake geslachtsdiscriminatie, waarin werd aangenomen dat werkgevers maatregelen van positieve actie kunnen nemen. De Ministerraad wijst ook erop dat positieve actie geen positieve discriminatie is. Positieve actie moet immers altijd worden getoetst aan het individuele recht op gelijke behandeling van personen die de maatregel niet kunnen genieten. Een maatregel van positieve actie mag andermans rechten dan ook niet onnodig beperken. Dit betekent bijvoorbeeld dat bij een selectie of een promotie, de betere kandidaat nog steeds het pleit moet winnen. Enkel bij gelijke kwalificatie kan rekening worden gehouden met het beschermde criterium, en dan nog enkel in zoverre geen absolute of onvoorwaardelijke voorrang wordt gegeven aan de bevoordeelde groep. Ten aanzien van het achtste middel in de zaak nr. 4312 A.
  58. Het achtste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 13, 14, 19, 22, 23, 24, 25, 26 en 27 van de Grondwet, doordat de bestreden artikelen 29 en 30 de bewijslast, zonder noodzaak of motivatie, omkeren, behalve in de strafrechtelijke procedures, zodat twee categorieën van slachtoffers worden gecreëerd, naargelang zij al dan niet de omkering van de bewijslast kunnen genieten, en zodat wordt voorbijgegaan aan het feit dat de burgerrechtelijke bewijsvoering wel degelijk een invloed kan hebben in een strafrechtelijke procedure die daarop zou volgen, terwijl uit de aangehaalde grondwetsartikelen, gelezen in samenhang, volgt dat het zowel in strafrechtelijke als in burgerrechtelijke zaken essentieel is dat een burger die ter verantwoording wordt geroepen, wordt geacht onschuldig en foutloos te zijn en dat het aan diegene die beweert slachtoffer te zijn toekomt het bewijs te leveren van datgene wat hij beweert of vordert. A.48.
  59. De verzoekende partijen zetten uiteen dat de bestreden artikelen 29 en 30 een niet te verantwoorden verschil in behandeling invoeren tussen twee categorieën van burgers, namelijk diegenen die zich kunnen beroepen op een van de beschermde criteria, ten gunste van wie de omkering van de bewijslast geldt, enerzijds, en diegenen die zich niet kunnen beroepen op een dergelijk criterium, ten gunste van wie geen omkering van de bewijslast geldt, anderzijds. Zij zijn van oordeel dat de Rasrichtlijn, ter uitvoering waarvan de bestreden wet zou zijn genomen, hoegenaamd niet in een verplichting voorziet om de bewijslast om te keren. Artikel 8, lid 5, van die richtlijn bepaalt immers dat de lidstaten lid 1 niet hoeven toe te passen in zaken waarin het aan de rechter of aan een andere bevoegde instantie staat om de feiten te onderzoeken. A.48.
  60. Volgens de verzoekende partijen vormt een omkering van de bewijslast bovendien een grove en flagrante inbreuk op de fundamentele regels van het bewijsrecht, die bepalen dat de persoon die iets vordert dat ook moet bewijzen. Die regels zijn van het grootste belang in discriminatiezaken, aangezien de ervaring leert dat bepaalde belangengroepen geneigd zijn om elke onvriendelijke uitspraak te beschouwen als een discriminerende uitspraak. Het is overigens moeilijk denkbaar hoe men het bewijs kan leveren van iets dat men niet heeft gedaan. Bovendien wordt de vermeende dader gedwongen zich te verdedigen tegen bewijselementen die niet door het slachtoffer zelf, maar wel door derden (belangenverenigingen en lobbygroepen) worden aangedragen, die vaak beschikken over een veelvoud van middelen, personeel en ervaring, de mogelijkheid hebben om bekende 18 advocaten in te huren en vlotte toegang hebben tot de media. Het bestreden artikel 30 zet bovendien de deur open voor de fel omstreden praktijktests, die zonder meer neerkomen op georganiseerde en gelegaliseerde uitlokking door private personen. A.48.
  61. De verzoekende partijen wijzen erop dat eenzelfde feit eerst burgerrechtelijk kan worden bestreden, en vervolgens strafrechtelijk. Zelfs wanneer de strafrechter in theorie niet is gebonden door een eventuele veroordeling op basis van een omgekeerde bewijslast in een eerder burgerrechtelijk proces, kan niet worden ontkend dat die veroordeling een invloed zal hebben op de strafrechter die later over dezelfde feiten moet oordelen. A.
  62. In hoofdorde voert de Ministerraad de onontvankelijkheid van het middel aan, op grond van de exceptio obscuri libelli, nu de verzoekende partijen in hun middel geenszins aantonen hoe de artikelen 13, 22, 23, 24, 25, 26 en 27 van de Grondwet zouden zijn geschonden door de bestreden bepalingen. A.
  63. Ten gronde wijst de Ministerraad erop dat het Hof in zijn arrest nr. 157/2004 heeft geoordeeld dat de bewijslastverdeling, zoals vervat in de vroegere Antidiscriminatiewet, principieel grondwettig was. Hij ziet niet in hoe het Hof zijn rechtspraak te dezen zou kunnen veranderen, nu de draagwijdte, de betekenis en de contouren van de bewijslastverdeling in de bestreden bepalingen duidelijker worden geregeld dan in de vroegere Antidiscriminatiewet. A.
  64. Volgens de Ministerraad is de Belgische Staat wel degelijk verplicht om het principe van de bewijslastverdeling in discriminatiezaken toe te passen in alle gerechtelijke procedures, met uitzondering van de strafprocedures. De stelling van de verzoekende partijen dat artikel 8 van de Rasrichtlijn de Belgische Staat niet verplicht het principe van de bewijslastverdeling in burgerrechtelijke procedures in te voeren, is niet correct. Artikel 8 van die richtlijn is immers een exacte kopie van de artikelen 3 en 4 van de richtlijn 97/80/EG van 15 december 1997 « inzake de bewijslast in gevallen van discriminatie op grond van het geslacht » (hierna : Bewijslastrichtlijn). Aangezien in overweging 16 van die laatste richtlijn wordt verduidelijkt dat het gaat om procedures waarin de eisende partij is vrijgesteld van de bewijslast ten aanzien van feiten die de rechter of de bevoegde instantie moet onderzoeken, geldt die vrijstelling enkel voor situaties waarin de rechter op inquisitoriale wijze nagaat of er al dan niet is gediscrimineerd, wat in de Belgische burgerlijke procedures niet het geval is. De Ministerraad verwijst ter zake ook naar overweging 22 van de Rasrichtlijn en naar een recente conclusie van de advocaat-generaal bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (zaak C-54/07). A.52.
  65. Volgens de Ministerraad bevat het bestreden artikel 30 geen omkering van de bewijslast, wel een verdeling ervan. In de eerste fase ligt de bewijslast immers bij het slachtoffer van de vermeende discriminatie en bij de belangenverenigingen, die feiten moeten aanvoeren die het bestaan van discriminatie kunnen doen vermoeden. Pas daarna is het aan de verweerder om het vermoeden van discriminatie te weerleggen, waarbij het zeker niet zo is dat de verweerder het bewijs moet leveren van een negatief feit. De verweerder kan het vermoeden van directe of indirecte discriminatie weerleggen door erop te wijzen dat de situaties niet vergelijkbaar zijn of dat het onderscheid gerechtvaardigd is. Bij directe discriminatie kan hij ook aanvoeren dat het verschil in behandeling niet steunt op een beschermd criterium. A.52.
  66. De Ministerraad is van oordeel dat het bestreden artikel 30 geen grond tot het proactief opsporen van discriminatie biedt. De bewijslastverdeling kan immers maar worden aangewend naar aanleiding van een concreet (vermoed) geval van discriminatie. Bovendien is het niet juist dat de strafrechter zou worden beïnvloed door een eventuele burgerrechtelijke veroordeling op grond van feiten vastgesteld door middel van een verdeling van de bewijslast. Zoals het Hof in zijn arrest nr. 157/2004 heeft onderstreept, is de strafrechter immers niet gebonden door een burgerrechtelijke uitspraak en is hij ertoe gehouden de bewijsstukken in concreto te beoordelen en het vermoeden van onschuld van de beklaagde te eerbiedigen. A.
  67. De Ministerraad wijst erop dat het beginsel volgens hetwelk het toekomt aan diegene die beweert slachtoffer te zijn om het bewijs te leveren van datgene wat hij beweert of vordert (actori incumbit probatio) in burgerlijke zaken in geen enkele grondwettelijke of internationaalrechtelijke bepaling is verankerd. Het beginsel is weliswaar opgenomen in artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek, maar de wetgever kan zonder probleem bij een latere en specifieke wet van die regel afwijken. De Ministerraad verwijst daarbij naar andere bepalingen 19 waarin wordt afgeweken van het beginsel en meent dat het daarbij telkens gaat om situaties waarin het vermeende slachtoffer zich in een veel zwakkere positie bevindt dan de vermeende dader. A.
  68. Volgens de Ministerraad is de in de bestreden bepalingen geregelde bewijslastverdeling bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het gaat immers om een evenredige maatregel ter waarborging van een efficiënte bescherming tegen discriminatie. Hij wijst erop dat het principe van de bewijslastverdeling is ontwikkeld door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, vanuit de vaststelling dat het slachtoffer van discriminatie niet over de nodige informatie beschikt op grond waarvan de discriminatie zou kunnen worden vastgesteld. Die informatie berust immers bij de dader. Ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft het beginsel van de bewijslastverdeling naar voren geschoven. A.55.
  69. De Ministerraad doet opmerken dat de wetgever heeft gekozen voor een open systeem dat aan de rechters de nodige flexibiliteit verleent om op gepaste wijze feiten te aanvaarden die discriminatie kunnen doen vermoeden. De paragrafen 2 en 3 van het bestreden artikel 30 geven voorbeelden van dergelijke feiten, maar bevatten geen exhaustieve lijst. Een dergelijke lijst zou overigens niet bestaanbaar zijn met artikel 8 van de Rasrichtlijn, volgens hetwelk alle feiten die discriminatie kunnen doen vermoeden tot een verschuiving van de bewijslast moeten leiden. Gelet op de grote variëteit en heterogeniteit van situaties waarin discriminaties zich kunnen voordoen, is het geven van een uitputtende omschrijving van de feiten die discriminatie kunnen doen vermoeden, overigens onmogelijk. Het flexibele open systeem heeft bovendien het voordeel dat rekening kan worden gehouden met toekomstige ontwikkelingen in de Europese rechtspraak. A.55.
  70. De Ministerraad betwist de stelling van de verzoekende partijen dat de voorbeelden die in de paragrafen 2 en 3 van het bestreden artikel 30 worden gegeven te vaag zijn. Op grond van het gewone taalgebruik kan de betekenis van de erin gebruikte termen reeds worden achterhaald. Bovendien werden zij uitgebreid in de parlementaire voorbereiding toegelicht en gaat het om concepten die in de rechtspraak en de rechtsleer welbekend zijn. De Ministerraad haalt daarbij de betreffende passages uit de parlementaire voorbereiding aan, en verwijst daarbij eveneens naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, waarin de betreffende concepten voorkomen. Ten aanzien van het negende middel in de zaak nr. 4312 A.
  71. Het negende middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 13, 14, 19, 22, 23, 24, 25, 26 en 27 van de Grondwet, doordat de bestreden artikelen 17, 18, 30, 31 en 32 aan private verenigingen en aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding de bevoegdheid verlenen om in rechte op te treden, terwijl de aangehaalde grondwettelijke bepalingen, in samenhang gelezen, vereisen dat een burger die ter verantwoording wordt geroepen in een min of meer gelijkwaardige situatie voor de rechter komt te staan als het slachtoffer. A.57.
  72. Volgens de verzoekende partijen organiseren de bestreden artikelen 17, 18, 30, 31 en 32 « een privatisering van de strafvervolging ». In een democratische rechtsstaat komt het echter toe aan het openbaar ministerie om te beoordelen of het instellen van een strafvervolging juridisch mogelijk en maatschappelijk wenselijk is. Het is niet aangewezen om van dat beginsel af te wijken, aangezien dit met zich mee kan brengen dat mensen lichtzinnig voor een rechtbank worden gesleept en aldus worden verplicht om juridische kosten te maken. Bovendien zorgen de daarop volgende vrijspraken voor een uitholling van het draagvlak van de betreffende wet. A.57.
  73. Volgens de verzoekende partijen creëren de bestreden bepalingen bovendien een niet te verantwoorden verschil in behandeling tussen twee categorieën van slachtoffers, namelijk de slachtoffers van misdrijven als moord, doodslag en verkrachting, die volledig zelf moeten instaan voor het opvolgen van de eventuele vervolging van de dader en de vergoeding van hun schade, enerzijds, en de slachtoffers van discriminatie, die daarbij op kosten van de overheid gratis bijstand krijgen van een centrum en van private verenigingen. A.
  74. In hoofdorde voert de Ministerraad de onontvankelijkheid van het middel aan, op grond van de exceptio obscuri libelli, nu de verzoekende partijen in hun middel geenszins aantonen hoe de artikelen 13, 14, 19, 22, 23, 24, 25, 26 en 27 van de Grondwet zouden zijn geschonden door de bestreden bepalingen. A.59.
  75. Ten gronde wijst de Ministerraad erop dat het Hof in zijn arrest nr. 157/2004 reeds heeft geoordeeld dat het actierecht van belangenverenigingen en van het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor 20 racismebestrijding objectief en redelijk verantwoord is. De bepaling die in die zaak werd bestreden was identiek aan de thans bestreden bepalingen, met als enig verschilpunt dat de bestaanstermijn die voor belangenverenigingen wordt geëist van vijf naar drie jaar werd teruggebracht. Die vermindering vindt haar oorzaak in de ingebrekestelling van de Belgische Staat door de Europese Commissie, die van oordeel was dat de voorheen geëiste termijn van vijf jaar te lang was, zodat de betrokken verenigingen ten onrechte werden beperkt in hun recht om een rechtszaak aan te spannen. Aangezien discriminatie de samenleving in haar geheel ondermijnt, is het verschil in behandeling tussen « discriminatie » en andere misdrijven verantwoord. A.59.
  76. Volgens de Ministerraad houden de bestreden bepalingen geenszins een privatisering van de strafvervolging in. Die bepalingen verlenen aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding en aan de bedoelde verenigingen geen bevoegdheden die aan het openbaar ministerie toekomen. Er dient immers een onderscheid te worden gemaakt tussen het indienen van een klacht en het gevolg dat aan die klacht wordt gegeven. Enkel voor het eerste zijn de bedoelde verenigingen en het Centrum bevoegd. De Ministerraad wijst ten slotte erop dat de Belgische Staat, op grond van artikel 7, lid 2, van de Rasrichtlijn, de plicht heeft om een maatregel zoals vervat in de bestreden bepalingen te nemen. Bovendien bestaat het collectief vorderingsrecht reeds in andere domeinen van het Belgisch recht. In de zaak nr. 4355 Ten aanzien van het eerste middel in de zaak nr. 4355 A.60.
  77. Het eerste middel in de zaak nr. 4355 is gericht tegen artikel 21 van de wet van 10 mei 2007 en is afgeleid uit de schending van de artikelen 19 en 25 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De verzoekende partij deelt het middel op in drie onderdelen. Het eerste onderdeel betreft de vrijheid van meningsuiting, zoals geïnterpreteerd volgens de Belgische constitutionele traditie, het tweede onderdeel de vrijheid van meningsuiting, zoals gewaarborgd in het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en het derde onderdeel de onmogelijkheid om de bestreden bepaling grondwetsconform te interpreteren. A.60.
  78. De Ministerraad is van oordeel dat het geen zin heeft het middel onder te verdelen in het eerste en het tweede onderdeel, aangezien het Hof meermaals heeft aangegeven dat de artikelen 19 en 25 van de Grondwet geïnterpreteerd moeten worden in het licht van artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Ten aanzien van het eerste onderdeel van het eerste middel A.61.
  79. In het eerste onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de bestreden bepaling niet bestaanbaar is met de vrijheid van meningsuiting, zoals die dient te worden geïnterpreteerd volgens de Belgische constitutionele traditie. A.61.
  80. Volgens de verzoekende partij moeten, volgens die constitutionele traditie, de bepalingen van de Grondwet worden gelezen in samenhang met die van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in die zin dat de ruimste bescherming geldt. Het beschermingsmechanisme van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens komt dus niet zomaar in de plaats van dat van de Grondwet. Beide mechanismen moeten worden samengevoegd, wat ook blijkt uit het arrest nr. 157/2004 (B.75) van het Hof. Uit de Grondwet vloeit voort dat preventieve maatregelen en opiniedelicten onmogelijk zijn; uit het Europees Verdrag voor de rechten van de mens vloeit voort dat een repressief optreden slechts mogelijk is in de gevallen bij de wet bepaald en wanneer dat noodzakelijk is in een democratische samenleving ter waarborging van één van de doelstellingen van algemeen belang opgesomd in artikel 10.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.61.
  81. Volgens de verzoekende partij hebben de gewone hoven en rechtbanken zich in het verleden weinig vragen gesteld bij de verenigbaarheid van de in de vroegere Antiracismewet vervatte strafbaarstellingen met de vrijheid van meningsuiting. Vele strafrechters hebben de neiging gehad die incriminaties ruim uit te leggen. Het « aanzetten tot discriminatie, haat of geweld » werd veelal zo uitgelegd dat elke publieke uiting met racistische inhoud onder het toepassingsgebied van de wet viel. Nochtans verbiedt de Grondwet opiniedelicten. 21 A.61.
  82. Het Grondwettelijk Hof heeft, volgens de verzoekende partij, daarentegen wel een voor de vrijheid van meningsuiting beschermende rechtspraak ontwikkeld, meer bepaald in de arresten nrs. 45/96, 10/2001 en 157/
  83. Een van de belangrijkste krachtlijnen van die rechtspraak is dat de beperkingen van de vrijheid van meningsuiting alleen aanvaardbaar zijn als ze zich niet richten tegen opinies op zich, maar wel tegen hun nadelige gevolgen voor anderen of voor de democratische samenleving. Het Hof lijkt zuivere opiniedelicten niet te tolereren. A.61.
  84. Volgens de verzoekende partij voldoet de bestreden bepaling niet aan de door het Hof gestelde vereisten. De wetgever verlangt op geen enkele manier dat de betreffende uitingen een negatieve maatschappelijke impact hebben die verder gaat dan het « schokken, kwetsen of verontrusten » van (delen van) de bevolking. Alleen de inhoud van de uiting telt : is die gebaseerd op racistische denkbeelden, dan is de meningsuiting strafbaar. Het is geenszins nodig dat zij derden aanzet tot haat, discriminatie of geweld. Evenmin wordt vereist dat de uiting gebeurt met een graad van intentionaliteit die verder reikt dan het « algemeen opzet ». In die zin gaat het om een opiniedelict. A.62.
  85. Volgens de Ministerraad blijkt uit de tekst van het bestreden artikel 21 heel duidelijk dat het niet om een opiniedelict gaat. Er moet immers sprake zijn van een verspreiding, waaronder moet worden verstaan de daad die erin bestaat denkbeelden gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat uit te brengen, te uiten of voor te staan als intellectueel auteur. De verspreiding moet bovendien plaatsvinden in een van de in artikel 444 van het Strafwetboek bedoelde omstandigheden. Ten slotte veronderstelt het misdrijf een bijzonder opzet. Het betreffende gedrag zal alleen strafrechtelijk worden geviseerd als de verspreiding van de ideeën tot doel heeft de haat ten aanzien van een groep van mensen aan te wakkeren en de totstandkoming van een voor hen discriminerend of op segregatie gericht beleid te rechtvaardigen. A.62.
  86. Zoals de Ministerraad ook heeft aangevoerd bij zijn weerlegging van het vijfde middel in de zaak nr. 4312 heeft de bestreden bepaling in feite niets te maken met de vrijheid van meningsuiting. Indien dat toch het geval zou zijn, sluiten de artikelen 19 en 25 van de Grondwet niet uit dat de wetgever strafrechtelijke perken stelt aan die vrijheid. De bestreden bepaling bevat in ieder geval een repressieve, en dus geen preventieve regeling. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij aanvoert, heeft de wetgever de bedoelde uitingen niet vanwege hun inhoud op zich strafbaar gesteld, maar wel vanwege hun nadelige gevolgen voor anderen en voor de democratische samenleving. A.62.
  87. De Ministerraad wijst erop dat de Belgische Staat, op grond van artikel 4 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, de plicht heeft om het verspreiden van op racisme gestoelde denkbeelden strafrechtelijk te bestraffen. Ofschoon de Belgische Staat bij de ondertekening van dat Verdrag een toelichtende verklaring met betrekking tot het waarborgen van de vrijheid van meningsuiting heeft afgelegd, kan daaruit niet worden afgeleid dat de bestreden bepaling de vrijheid van meningsuiting schendt. De Ministerraad beargumenteert die stelling op dezelfde wijze als bij de weerlegging van het vijfde middel in de zaak nr.
  88. Hij wijst er evenwel nog op dat het Comité voor de Uitbanning van Rassendiscriminatie in zijn « Concluding Observations » over het door de Belgische Staat ingediende rapport, zijn bezorgdheid heeft geuit over het beroep tot vernietiging van artikel 21, dat bij het Hof aanhangig is. A.62.
  89. Volgens de verzoekende partij blijkt uit de door de Ministerraad gegeven omschrijving van de term « verspreiden » dat het wel degelijk om een opiniedelict gaat. Uit die omschrijving blijkt immers dat het « uiten » volstaat om van een verspreiding te kunnen spreken. Bovendien is de tekst van de bestreden bepaling duidelijk : elke verspreiding is strafbaar, ongeacht de impact van de betreffende ideeën op andermans rechten of de samenleving. De bestreden bepaling geeft niet aan vanaf wanneer de betreffende ideeën de in een democratische samenleving toelaatbare drempel overschrijden van het verkondigen van ideeën welke kunnen schokken, verontrusten of kwetsen. Tijdens de parlementaire voorbereiding heeft de bevoegde minister bovendien verklaard dat niet alleen de « auteurs » van de betreffende ideeën, maar ook personen die andermans ideeën verspreiden, aansprakelijk kunnen worden gesteld als medeplichtige, zij het binnen de perken van het in artikel 25, tweede lid, van de Grondwet bedoelde beginsel van de getrapte aansprakelijkheid. Volgens de verzoekende partij is die stelling onverenigbaar met het aangehaalde artikel 25, tweede lid, van de Grondwet, aangezien die bepaling niet toelaat dat de personen die andermans racistische publicaties uitgeven, drukken of verspreiden, worden veroordeeld als mededader of medeplichtige wanneer de schrijver bekend is en in België woont. 22 Volgens de verzoekende partij blijkt uit de tekst van de bestreden bepaling niet dat een bijzonder opzet is vereist. Dat blijkt weliswaar uit de parlementaire voorbereiding, maar die voorbereiding kan niet worden aangevoerd tegen de klare en duidelijke tekst van de wet. Bovendien laat de bestreden bepaling toe dat preventieve maatregelen worden uitgevaardigd. Artikel 18 van de Antiracismewet, zoals ingevoegd bij de wet van 10 mei 2007, verleent immers aan de voorzitters van de rechtbank van eerste aanleg, van de arbeidsrechtbank en van de rechtbank van koophandel, de bevoegdheid om de staking te bevelen van de overtredingen van de Antiracismewet. Volgens de rechtspraak van het Hof kan de voorzitter de staking echter pas bevelen nadat een reële verspreiding heeft plaatsgevonden. Met betrekking tot het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, wijst de verzoekende partij erop dat dit Verdrag geen verantwoording kan vormen voor een strafbaarstelling die tegen de vrijheid van meningsuiting ingaat. A.62.
  90. Met betrekking tot artikel 25 van de Grondwet antwoordt de Ministerraad dat het verspreiden van denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat kan plaatsvinden op vele manieren, die niet noodzakelijk als « drukpers » in de grondwettelijke betekenis van de term, zijn aan te merken. In dergelijke situaties zal artikel 25 van de Grondwet geen toepassing vinden. Pas wanneer de verspreiding plaatsvindt via de drukpers, kan er toepassing worden gemaakt van artikel 25 van de Grondwet. Bovendien geldt de daarin voorgeschreven immuniteit niet automatisch : de uitgever zal bijvoorbeeld die immuniteit slechts kunnen genieten als de auteur bekend is en in België zijn woonplaats heeft. Met betrekking tot het bijzonder opzet, antwoordt de Ministerraad dat algemeen wordt aanvaard, in de rechtsleer en in de rechtspraak, dat de vereiste van een bijzonder opzet kan blijken uit de parlementaire voorbereiding. In de rechtspraak van het Hof van Cassatie vindt men talrijke voorbeelden die aantonen dat het specifiek moreel element van een misdrijf slechts kon worden gevonden na raadpleging van de parlementaire voorbereiding. Ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft uitdrukkelijk aanvaard dat om de draagwijdte van een misdrijf te kennen, het noodzakelijk kan zijn de parlementaire voorbereiding te consulteren. Met betrekking tot artikel 18 van de Antiracismewet, wijst de Ministerraad erop dat dit artikel niet wordt bestreden en dat het daarop gebaseerde argument in wezen een nieuw middel is. Maar zelfs indien het Hof dat middel in aanmerking zou nemen, dan nog is het manifest ongegrond, aangezien van het in het geding zijnde misdrijf enkel sprake kan zijn wanneer er een verspreiding heeft plaatsgevonden, zodat er niet preventief kan worden ingegrepen. Ten aanzien van het tweede onderdeel van het eerste middel A.63.
  91. In het tweede onderdeel van het eerste middel voert de verzoekende partij aan dat de bestreden bepaling niet bestaanbaar is met de vrijheid van meningsuiting, zoals geïnterpreteerd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. A.63.
  92. Volgens de verzoekende partij kan uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens worden afgeleid dat bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van concrete beperkingen van de vrijheid van meningsuiting rekening moet worden gehouden met
(1)de intentie van de spreker,
(2)de schadelijke gevolgen van de uiting en
(3)de bredere maatschappelijke context. Ze verwijst daarbij naar de arresten Jersild t. Denemarken van 23 september 1993, Lehideux & Isorni t. Frankrijk van 23 september 1998 en Refah Partisi e.a. t. Turkije van 31 juli 2001 en 13 februari
  1. A.63.
  2. Uit de aangehaalde rechtspraak leidt de verzoekende partij af dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wetten die « hate speech » reguleren niet in abstracto afwijst, maar in elk concreet geval een afweging maakt tussen de vrijheid van meningsuiting, enerzijds, en de publieke belangen opgesomd in artikel 10.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, anderzijds. Een veroordeling van een verdragsstaat wordt waarschijnlijker naarmate bij een concrete beperking van de vrijheid van meningsuiting minder rekening wordt gehouden met factoren zoals de intentie van de spreker, de mogelijke gevolgen van de meningsuiting en de brede maatschappelijke context waarin de uiting gebeurt. Een meningsuiting die louter vanwege haar inhoud wordt verboden, wordt door het Hof slechts in uitzonderlijke gevallen als noodzakelijk beschouwd in een democratische samenleving. 23 A.63.
  3. De verzoekende partij is van oordeel dat uit het voorgaande blijkt dat het bestreden artikel 21 in abstracto niet strijdig is met artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Wel maakt de zeer algemene formulering van de incriminatie het mogelijk dat meningsuitingen worden bestraft die weliswaar op zich een racistische inhoud hebben, maar die gebeurden zonder de intentie te schaden en zonder dat zij in een concrete context schade opwekken. In de tekst van het bestreden artikel 21 ontbreekt immers elke verwijzing naar factoren als intentie en schadelijk effect. A.64.
  4. De Ministerraad is van oordeel dat de argumentatie van de verzoekende partij is gebaseerd op een verkeerde interpretatie van de bestreden bepaling. Die bepaling vereist immers wel degelijk een bijzonder opzet en houdt wel degelijk rekening met de schadelijke gevolgen van het verspreiden van de bedoelde ideeën. A.64.
  5. Volgens de Ministerraad heeft de verzoekende partij bovendien een verkeerd beeld van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake racisme, negationisme, antisemitisme en andere extremismen. De verwijzing naar het arrest Jersild is niet ter zake, aangezien de bestreden bepaling enkel de « intellectuele » auteurs van de ideeën die beogen de haat ten aanzien van een groep van mensen aan te wakkeren en de totstandkoming van een voor hen discriminerend of op segregatie gericht beleid te rechtvaardigen, bestraft. Onder de gelding van de bestreden bepaling zou de in die zaak bedoelde journalist dus vrijuit zijn gegaan. In de zaak Lehideux en Isorni heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens rekening gehouden met de beperkte risico’s verbonden aan de bedoelde meningsuiting, maar die rechtspraak is te dezen niet toepasselijk, vanwege de bijzonder ernstige consequenties van het verspreiden van denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat voor derden en de samenleving. A.64.
  6. De Ministerraad begrijpt niet wat de verzoekende partij bedoelt wanneer zij stelt dat de bestreden bepaling in abstracto verenigbaar is met artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. In zoverre de door het Hof uitgeoefende grondwettigheidcontrole in het kader van een beroep tot vernietiging abstract van aard is, moet worden vastgesteld dat de verzoekende partij zelf erkent dat het tweede onderdeel van het middel ongegrond is. A.64.
  7. De verzoekende partij antwoordt door nogmaals erop te wijzen dat de tekst van de bestreden bepaling geen bijzonder opzet vereist. Zij wijst eveneens erop dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens beperkende maatregelen in concreto toetst aan de vrijheid van meningsuiting. Daarbij speelt het evenredigheidscriterium een doorslaggevende rol. De bestreden bepaling zou in abstracto weliswaar verenigbaar kunnen worden geacht met de vrijheid van meningsuiting, maar in concreto ontbreekt het evenredigheidselement. A.64.
  8. De Ministerraad antwoordt dat de bestreden bepaling, hoewel zij het niet uitdrukkelijk vermeldt, noodzakelijk de afweging van de in het geding zijnde belangen vereist, met name bij de toepassing ervan in concreto. De argumentatie van de verzoekende partij komt erop neer dat een bepaling die een vrijheid beperkt slechts in overeenstemming is met het internationale recht dat die vrijheid beschermt als ze uitdrukkelijk vermeldt dat ze slechts kan worden toegepast na een belangenafweging. Die argumentatie zou ertoe leiden dat tal van strafrechtelijke en burgerrechtelijke bepalingen zouden moeten worden vernietigd. Een dergelijk formalisme leidt tot absurde gevolgen. Ten aanzien van het derde onderdeel van het eerste middel A.65.
  9. In het derde onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de bestreden bepaling, om de in de vorige onderdelen uiteengezette redenen, dient te worden vernietigd, en dat een grondwetsconforme interpretatie van die bepaling niet kan volstaan om de vrijheid van meningsuiting daadwerkelijk te waarborgen. A.65.
  10. Volgens de verzoekende partij kan enkel een vernietiging van de bestreden bepaling zorgen voor een effectieve bescherming van de vrijheid van meningsuiting. Een reddende grondwetsconforme interpretatie is immers niet in staat om het noodzakelijke respect voor het wettigheids- en rechtszekerheidsbeginsel te waarborgen. Volgens het wettigheidsbeginsel in strafzaken moeten de misdrijven in voldoende duidelijke, nauwkeurige en rechtszekerheid biedende bewoordingen worden omschreven in de wet. Volgens het rechtszekerheidsbeginsel, waaraan het Hof kan toetsen, moet de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk zijn, zodat de rechtzoekende in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien, op het tijdstip dat die handeling wordt verricht. Wanneer het Hof zou oordelen dat de bestreden bepaling, onder voorbehoud van een bepaalde interpretatie, niet in strijd is met de vrijheid van meningsuiting, ontstaat een conflict met het wettigheidsbeginsel in strafzaken. In de tekst van de bestreden bepaling zal immers 24 niet te lezen zijn dat alleen uitingen die aanzetten tot discriminatie, haat of geweld, en die zijn gebeurd vanuit een bijzonder opzet, strafbaar zijn. De burger zal daarom in vele gevallen de strafbaarheid van zijn uitingen « overschatten », waardoor de grondwetsconform geïnterpreteerde bepaling een « chilling effect » met zich mee zal brengen : de burger zal meer bepaald de neiging hebben het zekere voor het onzekere te nemen. De rechtsonzekerheid wordt bovendien nog versterkt door het feit dat de gewone hoven en rechtbanken niet altijd geneigd zijn om de wet uit te leggen op de wijze die het Hof voorschrijft. De interpretatie die het Hof in zijn arrest nr. 157/2004 heeft gegeven aan het begrip « aanzetten tot discriminatie, haat of geweld » werd in verschillende zaken niet gevolgd door de strafrechter. De verzoekende partij verwijst daarbij naar verschillende vonnissen en arresten waaruit zou blijken dat niet werd nagegaan of er werkelijk sprake was van een aansporing van derden tot discriminatie, haat of geweld, noch werd gecontroleerd of het vereiste bijzondere opzet aanwezig was. De gebrekkige navolging van de jurisprudentie van het Grondwettelijk Hof brengt bijgevolg met zich mee dat een grondwetsconforme interpretatie de rechtzoekende weinig zekerheid biedt. A.66.
  11. De Ministerraad is van oordeel dat een grondwetsconforme interpretatie overbodig is, aangezien de bestreden bepaling de Grondwet niet schendt. Maar zelfs indien het Hof van oordeel zou zijn dat het wenselijk is om de bestreden bepaling grondwetsconform te interpreteren, rijst er geen enkel probleem vanuit het perspectief van het wettigheids- en rechtszekerheidsbeginsel. Het strafrechtelijke wettigheidsbeginsel vereist immers niet dat de strafbare gedraging tot in de kleinste details wordt omschreven in een strafrechtelijke bepaling. Het toekennen van beoordelingsbevoegdheid aan de rechter is niet in strijd met dat beginsel. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft overigens aanvaard dat de interpretatie die een grondwettelijk hof geeft aan een vrijheidsbeperkende norm geldig kan bijdragen aan de vereiste voorzienbaarheid van die norm. Dit geldt des te meer aangezien de arresten van het Hof op dezelfde wijze bekend worden gemaakt als de wetten. Bovendien kan, ter interpretatie van strafbaarstellingen, worden teruggevallen op de parlementaire voorbereiding. Te dezen werd tijdens de parlementaire voorbereiding meermaals gesteld dat de in de bestreden bepaling vervatte strafbaarstelling een bijzonder opzet veronderstelt. Er bestaat ten slotte geen enkel constitutioneel bezwaar tegen een grondwetsconforme interpretatie van wetten, ook strafwetten, door het Grondwettelijk Hof. A.66.
  12. De Ministerraad is van oordeel dat het hem, omwille van de scheiding der machten, niet toekomt de door de verzoekende partij aangehaalde uitspraken van lagere rechters te bekritiseren of goed te keuren. Dat is evenmin een taak van het Hof. Uit het risico dat de lagere rechters de wet verkeerd kunnen interpreteren en toepassen, kan overigens niet worden afgeleid dat het Hof niet bevoegd zou zijn om de bestreden bepaling grondwetsconform te interpreteren. A.66.
  13. De verzoekende partij antwoordt dat, indien het Hof de bestreden bepaling grondwetsconform zou interpreteren, het betreffende verspreidingsmisdrijf nagenoeg samenvalt met het in artikel 20 van de Antiracismewet vervatte misdrijf betreffende het aanzetten tot discriminatie, segregatie, haat of geweld. Rekening houdend met het beperkte voordeel dat het grondwetsconform interpreteren van de bestreden bepaling oplevert in de strijd tegen racisme, moet het verspreidingsverbod als een onevenredig grote beperking van de vrijheid van meningsuiting worden beschouwd. Bovendien zou een grondwetsconforme interpretatie moeilijk te verzoenen zijn met het wettigheidsbeginsel in strafzaken. A.66.
  14. De Ministerraad antwoordt dat de verzoekende partij zelf toegeeft dat beide misdrijven (artikel 20 en 21) verschillend zijn, aangezien zij stelt dat de misdrijven « nagenoeg » samenvallen. De wetgever vermocht bijgevolg van oordeel te zijn dat beide handelingen dienen te worden bestraft. Ten aanzien van het tweede middel in de zaak nr. 4355 A.
  15. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat artikel 21 van de wet van 10 mei 2007 een verschil in behandeling in het leven roept, dat niet redelijk is verantwoord, tussen personen die het slachtoffer zijn van discriminatoire uitlatingen, naargelang die uitlatingen zijn gebaseerd op, enerzijds, nationaliteit, een zogenaamd ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming, dan wel, anderzijds, een andere discriminatiegrond. 25 A.68.
  16. De verzoekende partij zet uiteen dat het verspreiden van racistische denkbeelden volgens de bestreden bepaling steeds verboden is, terwijl het verspreiden van denkbeelden gebaseerd op superioriteitsgevoelens of haat tegenover andere door de wet beschermde personen (vrouwen, gehandicapten, homo’s, enz.) alleen verboden is wanneer wordt aangezet tot haat, discriminatie of geweld. Voor dat verschil in behandeling bestaat geen materiële verantwoording. Tijdens de parlementaire voorbereiding werd enkel een formeel argument aangehaald, namelijk het feit dat uit artikel 4 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie zou voortvloeien dat de Belgische wetgever het verspreiden van denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat strafbaar moet stellen. Die verantwoording is volstrekt ontoereikend. Artikel 4 van het voormelde Verdrag bepaalt weliswaar dat de verdragsstaten elke verspreiding van ideeën die gegrond zijn op rassuperioriteit of rassenhaat strafbaar moeten verklaren bij wet, maar die bepaling stelt ook dat dit dient te gebeuren « met inachtneming van de beginselen vervat in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en van de rechten die uitdrukkelijk worden genoemd in artikel 5 van dit Verdrag ». Een van de uitdrukkelijk in dat artikel 5 vermelde grondrechten is het recht op vrije meningsuiting. Bovendien heeft België bij de goedkeuring van het Verdrag een interpretatieve verklaring afgelegd, die uitdrukkelijk de bedoeling had de bestaande bescherming van de vrijheden van meningsuiting, vereniging en vergadering te vrijwaren. Het is dus zeer betwistbaar dat uit het voormelde Verdrag een verplichting zou voortvloeien om een ongeclausuleerd verspreidingsverbod in te voeren met betrekking tot racistische denkbeelden. A.68.
  17. De verplichting tot het invoeren van een verspreidingsverbod dient bovendien, volgens de verzoekende partij, te worden gerelativeerd op grond van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Uit die rechtspraak blijkt immers niet dat het recht op bescherming tegen rassendiscriminatie voorrang heeft op het recht op vrijheid van meningsuiting. Bij conflicten tussen beide grondrechten maakt het Hof een afweging in concreto, daarbij rekening houdend met de intentie van de spreker, de schadelijke gevolgen van de uiting en de bredere maatschappelijke context. A.69.
  18. Volgens de Ministerraad is de argumentatie van de verzoekende partij intern tegenstrijdig. In haar eerste middel betoogt ze immers dat de bestreden bepaling ongrondwettig is, en in haar tweede middel betreurt ze dat andere wetten geen soortgelijke bepaling bevatten. De wetgever zou ook in andere wetten de in de bestreden bepaling vervatte strafbaarstelling kunnen opnemen, maar dan zou hij nog veel verder ingrijpen in de vrijheid van meningsuiting, wat de verzoekende partij dan weer te verregaand vindt. A.69.
  19. De Ministerraad is van oordeel dat het bekritiseerde verschil in behandeling wel degelijk wordt verantwoord door de voor de Belgische Staat uit artikel 4 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie voorvloeiende verplichting om het verspreiden van denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat te bestraffen. Andere mensenrechtenverdragen bevatten niet een soortgelijke verplichting. Het Comité voor de Uitbanning van Rassendiscriminatie heeft daaromtrent geoordeeld dat het verbod van het verspreiden van ideeën gebaseerd op rassuperioriteit of rassenhaat verenigbaar is met de vrijheid van meningsuiting, zelfs wanneer artikel 4 van het aangehaalde Verdrag stelt dat het strafbaar stellen van die handelingen moet gebeuren « met inachtneming van de beginselen vervat in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en van de rechten die uitdrukkelijk worden genoemd in artikel 5 van dit Verdrag ». Bovendien heeft het Hof aanvaard dat de wetgever, wanneer hij perken stelt aan de vrijheid van meningsuiting, over een ruime appreciatievrijheid beschikt die hem toelaat bepaalde types van uitspraken te viseren, veeleer dan andere. Ten slotte heeft ook de Belgische Grondwetgever de ernst van racistische meningsuitingen onderkend, namelijk in artikel 150 van de Grondwet. A.69.
  20. De verzoekende partij antwoordt dat zij niet vraagt dat de in de bestreden bepaling vervatte maatregel zou worden uitgebreid naar andere wetten. Integendeel, zij oordeelt dat die maatregel niet gewenst is, om de in het eerste middel uiteengezette redenen en vanwege het feit dat die maatregel een verschil in behandeling met zich meebrengt, dat onvoldoende wordt verantwoord. 26 -B- Ten aanzien van de omvang van de beroepen B.1.
  21. De Ministerraad voert aan dat de beroepen zonder voorwerp zijn, omdat ze zijn gericht tegen wetsartikelen die formeel gezien niet bestaan. De bestreden wet van 10 mei 2007 « tot wijziging van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden » (hierna : wet van 10 mei 2007) bestaat immers slechts uit drie artikelen, waarvan het derde artikel 34 nieuwe artikelen invoegt in de wet van 30 juli 1981 « tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden » (hierna : Antiracismewet). Dat derde artikel wordt evenwel niet door de verzoekende partijen bestreden. B.1.
  22. Uit de verzoekschriften kan genoegzaam worden afgeleid dat de erin aangevoerde middelen zijn gericht tegen de artikelen van de Antiracismewet, zoals ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 10 mei
  23. De memories van de Ministerraad doen overigens ervan blijken dat hij in staat was te antwoorden op de middelen en de argumenten van de verzoekende partijen. De exceptie wordt verworpen. B.2.
  24. Het Hof kan slechts uitdrukkelijk bestreden wetskrachtige bepalingen vernietigen waartegen middelen worden aangevoerd en, in voorkomend geval, bepalingen die niet worden bestreden maar onlosmakelijk zijn verbonden met de bepalingen die moeten worden vernietigd. B.2.
  25. Te dezen worden enkel middelen aangevoerd tegen de artikelen 10, 17, 18, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 29, 30, 31 en 32 van de Antiracismewet, zoals ingevoegd bij de wet van 10 mei
  26. Bijgevolg wordt het onderzoek van het beroep tot vernietiging beperkt tot die bepalingen en tot die welke onlosmakelijk ermee zijn verbonden. 27 Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de beroepen In de zaak nr. 4312 B.3.
  27. De Ministerraad betwist het belang van de verzoekende partijen in de zaak nr. 4312 in zoverre zij zouden optreden namens een politieke partij. Zij zouden immers niet het bewijs leveren dat zij die partij rechtsgeldig zouden vertegenwoordigen. B.3.
  28. Ter verantwoording van hun belang voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen de vrijheid van meningsuiting zouden beperken waarover zij dienen te kunnen beschikken als lid van respectievelijk het Vlaams Parlement, de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat en het Europees Parlement.

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.