← België

ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.043

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 11 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.043 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090311.5 Arrest- Rolnummer: 43/2009 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-03-11 Raadplegingen: 307 - laatst gezien 2026-06-29 21:44 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : In zoverre artikel 3, derde lid, van de wet van 14 juli 1961 « tot regeling van het herstel der door grof wild aangerichte schade » verwijst naar artikel 7bis, tweede tot zesde lid, van de wet van 28 februari 1882, schendt het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Jacht en visvangst - Jacht - Waals Gewest PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende artikel 3, derde lid, van de wet van 14 juli 1961 « tot regeling van het herstel der door grof wild aangerichte schade » en artikel 7bis van de jachtwet van 28 februari 1882, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Neufchâteau, de Vrederechter van het eerste kanton Hoei, de Vrederechter van het kanton Saint-Hubert - Bouillon - Paliseul en de Vrederechter van het kanton Vielsalm - La Roche-en-Ardenne - Houffalize. Burgerlijke aansprakelijkheid -

  1. Schade veroorzaakt door grofwild - Bijzondere rechtspleging -
  2. Wildschade veroorzaakt door andere soorten - Gemeen recht van de burgerlijke rechtspleging. # Jacht - Waals Gewest - Schade veroorzaakt door grof wild. Wettelijke bepalingen: Wet - 28-02-1882 - 7bis - 30 ELI link Pub nr 1882022801 Wet - 14-07-1961 - 3,L3 - 30 ELI link Pub nr 1961071402 Wet - 28-02-1882 - 7bis,L2 - 30 ELI link Pub nr 1882022801 Wet - 28-02-1882 - 7bis,L3 - 30 ELI link Pub nr 1882022801 Wet - 28-02-1882 - 7bis,L4 - 30 ELI link Pub nr 1882022801 Wet - 28-02-1882 - 7bis,L5 - 30 ELI link Pub nr 1882022801 Wet - 28-02-1882 - 7bis,L6 - 30 ELI link Pub nr 1882022801 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummers 4437, 4438, 4462, 4475 en 4476 Arrest nr. 43/2009 van 11 maart 2009 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 3, derde lid, van de wet van 14 juli 1961 « tot regeling van het herstel der door grof wild aangerichte schade » en artikel 7bis van de jachtwet van 28 februari 1882, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Neufchâteau, de Vrederechter van het eerste kanton Hoei, de Vrederechter van het kanton Saint-Hubert - Bouillon - Paliseul en de Vrederechter van het kanton Vielsalm - La Roche-en-Ardenne - Houffalize. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging a. Bij vonnis van 13 februari 2008 in zake Marcel Dufour tegen Daniel Cassart, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 25 februari 2008, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Neufchâteau de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 3, derde lid, van de wet van 14 juli 1961 tot regeling van het herstel der door grof wild aangerichte schade de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het, door te verwijzen naar artikel 7bis van de jachtwet van 28 februari 1882, voorziet in een bijzondere wijze om de eis in te stellen, die afwijkt van de wijzen van het gemeen recht bepaald in het Gerechtelijk Wetboek, en een gerechtelijke weg mogelijk maakt die gemakkelijker is voor diegene die de vergoeding van de door grof wild aangerichte schade eist, terwijl een dergelijke mogelijkheid niet bestaat voor de slachtoffers van door andere dieren aangerichte schade, wier eis door het gemeen recht wordt geregeld ? ». b. Bij vonnis van 21 februari 2008 in zake Marc Letihon en Catharina Vrancken tegen Henri Cop, in aanwezigheid van Etienne Caprasse en anderen, tussenkomende partijen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 27 februari 2008, heeft de Vrederechter van het eerste kanton Hoei de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Is artikel 3 van de wet van 14 juli 1961 tot regeling van het herstel der door grof wild aangerichte schade, dat bepaalt dat de eigenaar van de beschadigde oogst een beroep kan doen op de procedure waarin artikel 7bis van de jachtwet van 28 februari 1882 voorziet voor het herstel van door konijnen aangerichte schade, in de huidige omstandigheden nog steeds een verantwoorde maatregel, die evenredig is met het beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie ? ». c. Bij vonnis van 11 april 2008 in zake de cv « SOCOSAPAR » tegen Zacharie Van Hassel, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 25 april 2008, heeft de Vrederechter van het kanton Saint-Hubert – Bouillon – Paliseul de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 3, derde lid, van de wet van 14 juli 1961 tot regeling van het herstel der door grof wild aangerichte schade, doordat het de eigenaar van beschadigde akkers, vruchten en oogsten toestaat een beroep te doen op de procedure voorgeschreven bij artikel 7bis van de jachtwet van 28 februari 1882, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het verwijst naar een artikel dat zelf door uw Hof ongrondwettig werd geacht aangezien uw Hof in zijn arrest nr. 44/2007 van 21 maart 2007 voor recht heeft gezegd dat artikel 7bis van de jachtwet van 28 februari 1882 en artikel 24 van het jachtdecreet van het Vlaamse Gewest van 24 juli 1991 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden ? ». d. Bij vonnis van 10 juni 2008 in zake de nv « Pépinières Pirothon » tegen Fernand Humblet en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 16 juni 2008, heeft de Vrederechter van het kanton Vielsalm - La Roche-en-Ardenne - Houffalize de volgende prejudiciële vragen gesteld :
  3. « Schendt artikel 3, § 3, van de wet van 14 juli 1961 tot regeling van het herstel der door grof wild aangerichte schade de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door te verwijzen 3 naar artikel 7bis van de jachtwet van 28 februari 1882, terwijl het Grondwettelijk Hof in zijn arrest van 21 maart 2007 voor recht heeft gezegd dat dat artikel in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ? »;
  4. « Schendt het derde lid van artikel 7bis van de jachtwet van 28 februari 1882 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het een procedure invoert tot aanwijzing van een deskundige zonder voorafgaande debatten en de partijen ertoe verplicht al hun middelen uiterlijk tijdens de plaatsopneming te doen kennen, terwijl, in het kader van de bij het Gerechtelijk Wetboek geregelde procedure, artikel 972 het deskundigenonderzoek mogelijk maakt na een debat op tegenspraak ? ». e. Bij vonnis van 10 juni 2008 in zake Agnès Collard tegen Pierre Bourgeois, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 16 juni 2008, heeft de Vrederechter van het kanton Vielsalm - La Roche-en-Ardenne - Houffalize de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 3, derde lid, van de wet van 14 juli 1961 tot regeling van het herstel der door grof wild aangerichte schade de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het, door te verwijzen naar artikel 7bis van de jachtwet van 28 februari 1882, voorziet in een bijzondere wijze om de eis in te stellen, die afwijkt van de wijzen van het gemeen recht bepaald in het Gerechtelijk Wetboek, en een gerechtelijke weg mogelijk maakt die gemakkelijker is voor diegene die de vergoeding van de door grof wild aangerichte schade eist, terwijl een dergelijke mogelijkheid niet bestaat voor de slachtoffers van door andere dieren aangerichte schade, wier eis door het gemeen recht wordt geregeld ? ». Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4437, 4438, 4462, 4475 en 4476 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - Daniel Cassart, wonende te 6836 Dohan, route Sati 15, in de zaak nr. 4437; - Marc Letihon en Catharina Vrancken, wonende te 4390 Eben-Emael, rue Aumont 5, in de zaak nr. 4438; - de cv « SOCOSAPAR », waarvan de zetel is gevestigd te 5555 Bièvre, rue de la Gare 34B, in de zaak nr. 4462; - Zacharie Van Hassel, wonende te 6830 Les Hayons, rue de la Semois 46, in de zaak nr. 4462; - de « Union professionnelle du Saint-Hubert Club de Belgique – Ligue des chasseurs », waarvan de zetel is gevestigd te 1030 Brussel, Lambermontlaan 410, en de « ASBL Wallonne du Royal Saint-Hubert Club de Belgique », waarvan de zetel is gevestigd te 1030 Brussel, Lambermontlaan 410, in de zaken nrs. 4475 en 4476; - Michel Damoiseaux, wonende te 4340 Awans, Château d’Awans, rue du Château 1, in de zaak nr. 4475; - Agnès Collard, wonende te 6987 Rendeux, rue Lavaux 5, in de zaak nr. 4476; 4 - de Waalse Regering, in de zaken nrs. 4437 en
  5. Memories van antwoord zijn ingediend door : - Daniel Cassart, in de zaak nr. 4437; - de cv « SOCOSAPAR », in de zaak nr. 4462; - de « Union professionnelle du Saint-Hubert Club de Belgique – Ligue des chasseurs » en de « ASBL Wallonne du Royal Saint-Hubert Club de Belgique », in de zaken nrs. 4475 en 4476; - Agnès Collard, in de zaak nr.
  6. Op de openbare terechtzitting van 14 januari 2009 : - zijn verschenen : . Mr. T. de Broqueville, advocaat bij de balie te Brussel, voor Daniel Cassart, in de zaak nr. 4437, en voor Zacharie Van Hassel, in de zaak nr. 4462; . Mr. A. Grégoire loco Mr. J.-L. Dewez, advocaten bij de balie te Luik, voor Marc Letihon en Catharina Vrancken, in de zaak nr. 4438; . Mr. F. De Muynck, tevens loco Mr. J. Bouckaert, advocaten bij de balie te Brussel, voor de « Union professionnelle du Saint-Hubert Club de Belgique – Ligue des chasseurs » en de « ASBL Wallonne du Royal Saint-Hubert Club de Belgique », in de zaken nrs. 4475 en 4476; . Mr. D. Tellier, advocaat bij de balie te Namen, voor Michel Damoiseaux, in de zaak nr. 4475; . Mr. Y. Ranscelot, advocaat bij de balie te Luik, voor Agnès Collard, in de zaak nr. 4476; . Mr. O. Schmitz, advocaat bij de balie te Neufchâteau, voor de Waalse Regering, in de zaken nrs. 4437 en 4438; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en E. De Groot verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 5 II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen In de zaak nr. 4437 Marcel Dufour stelt begin januari 2006 vast dat reeën aanzienlijke schade hebben aangericht aan zijn aanplanting van sparren. Voor die schade eist hij een vergoeding van Daniel Cassart, die houder is van het jachtrecht op een aanpalend bosperceel. Daartoe dient hij op 15 maart 2006 een verzoekschrift in bij de Vrederechter van het kanton Saint-Hubert – Bouillon – Paliseul teneinde de procedure in te stellen bedoeld in artikel 3, derde lid, van de wet van 14 juli 1961 « tot regeling van het herstel der door grof wild aangerichte schade », namelijk de procedure omschreven in artikel 7bis van de jachtwet van 28 februari
  7. Bij vonnis van 17 april 2007 verklaart die Vrederechter de vordering van Marcel Dufour ontvankelijk maar niet gegrond. De Rechtbank van eerste aanleg te Neufchâteau, waarbij tegen die beslissing hoger beroep is ingesteld, gaat op verzoek van Daniel Cassart na of de herstelvordering ontvankelijk is, gelet op het arrest van het Hof nr. 44/2007 van 21 maart 2007, waarin artikel 7bis van de wet van 28 februari 1882 onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet is bevonden. De verwijzende rechter onderstreept dat dat arrest alleen betrekking heeft op de schade veroorzaakt door konijnen en niet op die veroorzaakt door grofwild. Hij merkt ook op dat de beoordeling van het Hof verschillend zou kunnen zijn ten aanzien van grofwild, meer bepaald ten aanzien van everzwijnen. Hij acht het dus nuttig om aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen. In de zaak nr. 4438 Marc Letihon en Catharina Vrancken stellen in juli 2007 vast dat everzwijnen aanzienlijke schade hebben aangericht aan hun tarwe- en bietenteelt. Op grond van artikel 1 van de wet van 14 juli 1961 vorderen zij het herstel van die schade van Henri Cop, die houder is van het jachtrecht. Daartoe dienen zij op 25 juli 2007 een verzoekschrift in bij de Vrederechter van het eerste kanton Hoei, teneinde de procedure in te stellen bedoeld in artikel 7bis van de wet van 28 februari
  8. Zij verantwoorden het instellen van die procedure door het dringende karakter van een plaatsopneming door een deskundige, aangezien de tarwe op elk ogenblik kan worden geoogst wanneer het weer dat toelaat. Henri Cop betwist het gebruik, door de verwijzende rechter, van die procedure wegens de vaststelling van ongrondwettigheid in het voormelde arrest nr. 44/
  9. De verwijzende rechter vraagt zich af wat de draagwijdte van dat arrest is en beslist aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag, voorgesteld door Marc Letihon en Catharina Vrancken, te stellen. In de zaak nr. 4462 De cv « SOCOSAPAR » stelt in februari 2004 vast dat hertachtigen aanzienlijke schade hebben aangericht aan haar aanplantingen van sparren. Op grond van artikel 1 van de wet van 14 juli 1961 vordert zij het herstel van die schade van Zacharie Van Hassel, die houder is van het jachtrecht op terreinen in de nabijheid van die aanplantingen. Daartoe dient zij op 17 juni 2004 een verzoekschrift in bij de Vrederechter van het kanton Saint- Hubert – Bouillon – Paliseul teneinde de procedure in te stellen bedoeld in artikel 7bis van de wet van 28 februari
  10. Zacharie Van Hassel betwist de ontvankelijkheid van de vordering van de cv « SOCOSAPAR » door de vaststelling van ongrondwettigheid in het voormelde arrest nr. 44/2007 aan te voeren. De verwijzende rechter onderstreept dat dat arrest niet alleen betrekking heeft op de wijze waarop de eis wordt ingesteld, maar een « geheel van procedurele maatregelen » beoogt, omschreven in het tweede tot zesde lid van artikel 7bis van de wet van 28 februari
  11. Vervolgens vraagt de verwijzende rechter zich af wat de draagwijdte van dat arrest is en of het mogelijk is een procedure in te stellen die omschreven is in een ongrondwettig verklaarde tekst waarnaar een te dezen toepasselijke tekst verwijst, en beslist hij aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen. 6 In de zaak nr. 4475 De nv « Pépinières Pirothon » stelt midden maart 2006 vast dat herten schade hebben aangericht aan haar sparrenplanten. Op grond van artikel 1 van de wet van 14 juli 1961 vordert zij het herstel van die schade onder meer van Michel Damoiseaux, die houder is van het jachtrecht op terreinen in de nabijheid van haar aanplantingen. Daartoe dient zij op 28 maart 2006 een verzoekschrift in bij de Vrederechter van het kanton Vielsalm - La Roche-en-Ardenne – Houffalize, teneinde de procedure in te stellen waarin artikel 7bis van de wet van 28 februari 1882 voorziet. Michel Damoiseaux betwist de ontvankelijkheid van de vordering van de nv « Pépinières Pirothon » door te verwijzen naar het voormelde arrest nr. 44/
  12. Volgens de verwijzende rechter zorgt dat arrest voor « rechtsonzekerheid », waarbij sommige rechtzoekenden ertoe worden aangezet tot dagvaarding over te gaan, op het gevaar af dat hun wordt verweten dat zij hebben gekozen voor de duurste manier om het geding in te leiden en dat zij de kosten ervan moeten dragen. Hij voert ook aan dat, hoewel herten aan de landbouw niet dezelfde schade aanrichten als everzwijnen, hertachtigen bossen ernstig beschadigen, waarvan de eigenaars geen recht op een schadevergoeding hebben. Hij vraagt zich eveneens af of artikel 7bis van de wet van 28 februari 1882 verenigbaar is met de rechten van de verdediging en met de vereiste van een debat op tegenspraak, gelet op de wet van 15 mei 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het deskundigenonderzoek en tot herstel van artikel 509quater van het Strafwetboek. Hij beslist derhalve aan het Hof de twee hiervoor weergegeven prejudiciële vragen te stellen. In de zaak nr. 4476 Agnès Collard stelt vast dat everzwijnen aanzienlijke schade hebben aangericht aan haar weideland. Op grond van artikel 1 van de wet van 14 juli 1961 vordert zij het herstel van die schade van Pierre Bourgeois, die houder is van het jachtrecht op de terreinen waar die everzwijnen vandaan komen. Daartoe dient zij op 25 oktober en 5 november 2007 twee verzoekschriften in bij de Vrederechter van het kanton Vielsalm - La Roche-en-Ardenne – Houffalize, teneinde de procedure in te stellen bedoeld in artikel 7bis van de wet van 28 februari
  13. Zij verantwoordt het instellen van die procedure door het feit dat het weideland dringend moet worden gemaaid vóór het einde van het weideseizoen. Pierre Bourgeois betwist de ontvankelijkheid van de herstelvordering door de vaststelling van ongrondwettigheid in het voormelde arrest nr. 44/2007 aan te voeren. Op verzoek van de laatstgenoemde beslist de verwijzende rechter bijgevolg aan het Hof dezelfde prejudiciële vraag te stellen als die in de zaak nr.
  14. III. In rechte -A– Ten aanzien van de zaken nrs. 4437, 4438 en 4462 A.
  15. In de zaken nrs. 4437 en 4438 verzoekt de Waalse Regering het Hof te zeggen dat artikel 3, derde lid, van de wet van 14 juli 1961 « tot regeling van het herstel der door grof wild aangerichte schade » niet in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zij merkt op dat artikel 7bis van de jachtwet van 28 februari 1882 de bevoegdheid van de vrederechter op grond van artikel 591, 13°, van het Gerechtelijk Wetboek niet in het gedrang brengt en dat het de landbouwers de mogelijkheid biedt een snelle schadevergoeding te verkrijgen door een vereenvoudigde procedure in te stellen. Zij merkt onder meer op dat die procedure kan worden ingesteld zonder dagvaarding en dat zij het mogelijk maakt onmiddellijk een deskundig onderzoek op tegenspraak uit te voeren waaraan, naast de deskundige, ook de vrederechter deelneemt, waarbij de doeltreffendheid van die procedure niet ter discussie staat. De Waalse Regering voegt eraan toe dat die vereenvoudigde procedure dus zowel het slachtoffer van door grofwild aangerichte schade als de vermoedelijke aansprakelijke voor die schade vrijstelt van de procedure tot aanwijzing van een deskundige op eenzijdig verzoekschrift waarin artikel 594, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek voorziet. 7 Volgens de Waalse Regering steunt het verschil in behandeling bedoeld in de prejudiciële vragen in de zaken nrs. 4437 en 4438 op drie objectieve criteria. De vereenvoudigde procedure heeft alleen betrekking op de schade aangericht aan velden, vruchten en oogsten, zij is alleen van toepassing op schade veroorzaakt door grofwild bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet van 14 juli 1961, en zij kan alleen worden ingesteld binnen de termijn van zes maanden bedoeld in artikel 3, eerste lid, van dezelfde wet. De Waalse Regering is van mening dat die afwijkende procedure verantwoord is door de hinder die de sterke toename van grofwild – in het bijzonder van everzwijnen – aan de landbouw veroorzaakt. Zij oordeelt dat het everzwijn in dat opzicht voor de Waalse landbouw een plaag vormt die vergelijkbaar is met die van de konijnen op het einde van de negentiende eeuw. De Waalse Regering toont vervolgens aan dat de procedurele maatregelen evenredig zijn, door de redenen uiteen te zetten waarom de everzwijnenpopulatie – en dus de schade die die dieren aanrichten – tussen 1975 en 2007 met 250 pct. is toegenomen : de minder strenge winters van de laatste jaren, het toegenomen voedingspotentieel van het bos als gevolg van de stormen van 1999, de aan de jagers meegedeelde richtlijnen voor het schieten teneinde de populatie te laten vergroten, de gewijzigde landbouwpraktijken en in het bijzonder de toegenomen maïsteelt, het zeldzamer worden van kleinwild in open veld, de beperking van de jachtgebieden als gevolg van de verstedelijking waardoor de afstand tussen de steden en de bossen kleiner wordt. Zij verwijst ook naar enkele cijfergegevens met betrekking tot de vergoeding van schade aan de landbouw veroorzaakt door everzwijnen in Frankrijk. De Waalse Regering herinnert ten slotte eraan dat de elementen van het probleem dat in de voormelde prejudiciële vragen aan het Hof wordt voorgelegd, niet identiek zijn aan die welke ten grondslag liggen aan het arrest nr. 44/
  16. Zij merkt ook op dat, in het Vlaamse Gewest, artikel 7bis van de wet van 28 februari 1882 alleen van toepassing is op schade veroorzaakt door konijnen. A.2.
  17. In hoofdorde verzoekt Daniel Cassart, geïntimeerde partij voor de verwijzende rechter in de zaak nr. 4437, het Hof te zeggen dat artikel 3, derde lid, van de wet van 14 juli 1961 in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Hij herinnert aan het arrest nr. 44/2007 en onderstreept dat artikel 7bis van de wet van 28 februari 1882 een geheel van procedurele maatregelen bevat die gunstig zijn voor de eiser en die afwijken van de gemeenrechtelijke procedureregels die de inachtneming van het fundamenteel beginsel van de rechten van de verdediging beogen. Hij merkt op dat de jager die op grond van de voormelde bepaling voor de vrederechter wordt opgeroepen, zich niet onder dezelfde voorwaarden kan verdedigen als die waarin is voorzien door de gemeenrechtelijke procedure, die op gang wordt gebracht door een dagvaarding of door een verzoekschrift op tegenspraak. Hij wijst erop dat de jager, vóór de plaatsopneming – waarvoor hij automatisch wordt opgeroepen -, de onontvankelijkheid van de eis niet kan aanvoeren, het belang of de hoedanigheid om op te treden van de eiser of de hoedanigheid waarin hij wordt opgeroepen niet kan betwisten, of niet kan debatteren over de opdracht van de deskundige. Hij betreurt dat artikel 7bis van de wet van 28 februari 1882 de aanneming van onderzoeksmaatregelen toestaat, zonder voorafgaand debat op tegenspraak over de grond van de zaak. Daniel Cassart is van mening dat, vermits het Hof artikel 7bis van de wet van 28 februari 1882 ongrondwettig heeft verklaard, de verwijzing naar die bepaling – in artikel 3, derde lid, van de wet van 14 juli 1961 – noodzakelijkerwijs in strijd is met de Grondwet. Hij voegt eraan toe dat, indien het Hof die mening niet deelt, het een wetsbepaling zal doen « herleven » die reeds meerdere malen ongrondwettig werd bevonden. Hij verwijst in dat opzicht naar de arresten nrs. 5/98, 53/98, 125/2001 en 44/
  18. Daniel Cassart is van mening dat het verschil in behandeling dat artikel 3, derde lid, van de wet van 14 juli 1961 maakt tussen, enerzijds, de jagers die moeten instaan voor de schade veroorzaakt door grofwild en, anderzijds, diegenen die moeten instaan voor de schade veroorzaakt door andere dieren vanaf de aanneming van de in het geding zijnde bepaling niet evenredig en niet verantwoord was ten opzichte van het door de wetgever nagestreefde doel. Hij voegt eraan toe dat de verwijzing in de in het geding zijnde bepaling nooit een maatregel is geweest die door feitelijke omstandigheden was verantwoord. Daniel Cassart zet in dat verband uiteen dat de wetgever niet de strijd wilde aanbinden tegen een plaag die vergelijkbaar was met die van de konijnen op het einde van de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw. Hij merkt ook op dat de wet van 14 juli 1961 een bijzonder streng en van het gemeen recht afwijkend stelsel van aansprakelijkheid van de houders van het jachtrecht invoert, stelsel dat de wetgever zelfs niet heeft aangenomen in het kader van de bestrijding van de konijnenplaag. Hij leidt hieruit af dat het niet noodzakelijk was om daarnaast te voorzien in een uitzonderlijke procedure ten behoeve van de landbouwers. 8 Daniel Cassart voert vervolgens aan dat de in het geding zijnde bepaling niet kan worden verantwoord in zoverre zij onder de jagers een verschil in behandeling invoert naargelang zij in rechte worden opgeroepen voor schade veroorzaakt door grofwild dan wel door kleinwild. Hij onderzoekt ook het verschil in behandeling dat de in het geding zijnde bepaling invoert tussen, enerzijds, de jager op grofwild en, anderzijds, de persoon die een dier onder zijn bewaring heeft in de zin van artikel 1385 van het Burgerlijk Wetboek. Hij merkt op dat, hoewel de jager geen controle heeft over het wild en onderworpen is aan een aansprakelijkheidsstelsel ten aanzien van dieren dat veel strenger is dan dat van de personen die dieren onder hun bewaring hebben, de in het geding zijnde bepaling hem bovendien onderwerpt aan procedureregels die de rechten van de verdediging minder beschermen. Daniel Cassart is van mening dat noch de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling, noch de feitelijke omstandigheden dat verschil in behandeling verantwoorden. A.2.
  19. In ondergeschikte orde verzoekt Daniel Cassart het Hof te zeggen dat artikel 3, derde lid, van de wet van 14 juli 1961 in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het betrekking heeft op de schade veroorzaakt door hertachtigen, reeën, damherten en moeflons. Hij voert aan dat damherten en moeflons geen schade aanrichten, dat de door hertachtigen aangerichte schade zeldzaam, marginaal en relatief beperkt is en dat reeën slechts schade aanrichten in bossen en niet aan de landbouwproductie in de strikte zin. Hij merkt op dat de Waalse Regering geen enkel element aanvoert waaruit blijkt dat die verschillende diersoorten een plaag vormen die vergelijkbaar is met die van de konijnen tijdens de eerste helft van de twintigste eeuw. Daniel Cassart onderstreept ten slotte dat, in tegenstelling tot wat de Waalse Regering beweert, de aanzienlijke schade aangericht door everzwijnen verre van vergelijkbaar is met die van konijnen vroeger. Hij stelt vast dat de Waalse Regering op 10 april 2008 akte heeft genomen van het jaarverslag over de ontwikkeling van de everzwijnenpopulatie, opgesteld door haar administratie voor het jachtjaar 2007-2008, verslag waaruit zou blijken dat de everzwijnenpopulatie in die periode niet is toegenomen en zelfs in het algemeen zou afnemen. Daniel Cassart merkt op dat de Regering op basis van dat verslag logischerwijze heeft beslist de data voor de opening en de sluiting van het jachtseizoen niet aan te passen. Hij is van mening dat de Regering geen dergelijke beslissing zou hebben genomen indien het everzwijn voor de landbouw een plaag zou vormen. A.
  20. Volgens Marc Letihon en Catharina Vrancken, eisers voor de verwijzende rechter in de zaak nr. 4438, schendt artikel 3, derde lid, van de wet van 14 juli 1961 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Marc Letihon en Catharina Vrancken voeren aan dat, in het Waalse Gewest, de landbouwers wier oogsten zijn beschadigd door andere dieren dan grofwild, geen gebruik kunnen maken van de uitzonderlijke procedure waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet. Zij preciseren dat die landbouwers, volgens het gemeen recht van de gerechtelijke procedure, kunnen kiezen tussen twee manieren om het geding in te leiden : de dagvaarding met verzoek tot het instellen van een deskundig onderzoek of het eenzijdig verzoekschrift bedoeld in artikel 594, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, dat de aanwijzing van een deskundige beoogt. In het eerste geval wordt de procedure op tegenspraak gevoerd en is het deskundig onderzoek - met betrekking tot materiële vaststellingen, het bepalen van de oorzaak van de schade en van de omvang ervan – tegenstelbaar aan de jager. In het tweede geval zal de deskundige alleen het materiële karakter van de schade kunnen vaststellen en zal de landbouwer vervolgens de jager moeten dagvaarden voor een feitenrechter. De eisers voor de verwijzende rechter in de zaak nr. 4338 herinneren eraan dat het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden op zich niet discriminerend is. Zij merken op dat het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk de diersoort die schade heeft aangericht, waarbij de soort die niet behoort tot het grofwild uiteraard kleiner is. Marc Letihon en Catharina Vrancken merken eveneens op dat de categorieën van personen die te dezen verschillend worden behandeld, zich niet bevinden in identieke feitelijke omstandigheden, aangezien de schade aangericht door grofwild noodzakelijkerwijs omvangrijker is en het grofwild in aantal blijft toenemen. Zij onderstrepen vervolgens dat de prejudiciële vraag waarop het Hof met het arrest nr. 44/2007 heeft geantwoord, betrekking heeft op feitelijke omstandigheden die losstaan van de onderhavige zaak. Zij merken in dat opzicht op dat grofwild een werkelijke plaag vormt door de problematische aangroei ervan, voornamelijk wat de everzwijnen betreft. Zij zijn van mening dat, hoewel de meeste schade aangericht door grofwild wordt 9 veroorzaakt door everzwijnen die de oogsten kunnen vernielen, de omvang van de schade aangericht door hertachtigen niet mag worden verwaarloosd, daar die schade even aanzienlijk is en de populatie ervan in vijftien jaar meer dan verdubbeld is. Vervolgens wijzen zij op de voeding van het everzwijn en de gevolgen ervan voor de landbouw. Zij merken ook op dat het aantal everzwijnen in de Waalse bossen sinds 1980 meer dan verdubbeld is en verwijzen, onder de oorzaken van dat fenomeen, naar de zachte winterperiodes van de laatste jaren, de toename van het voedingspotentieel van het bos veroorzaakt door de stormen, en het gedrag van de jagers dat de forse toename van het aantal everzwijnen in de hand werkt, onder meer door de « afleidende bijvoeding ». Ten slotte merken zij op dat de bevoegde minister van het Waalse Gewest zich bewust is van de forse toename van het aantal everzwijnen en van de noodzaak om de landbouwers te beschermen tegen de aanzienlijke schade die daaruit voor hen voortvloeit. Marc Letihon en Catharina Vrancken voeren daarnaast aan dat het besluit van de Waalse Regering van 11 mei 2006 « waarbij de openings-, sluitings- en schorsingsdatums voor de jacht van 1 juli 2006 tot 30 juni 2011 vastgelegd worden » - dat volgt op het besluit van de Waalse Regering van 17 mei 2001 « tot vaststelling van de openings-, sluitings- en schorsingsdatums van de jacht, van 1 juli 2001 tot en met 30 juni 2006 » - met name tot doel heeft de schadelijke gevolgen van de overpopulatie van everzwijnen te bestrijden, door de mogelijkheden om op dat wild te jagen maximaal uit te breiden. Zij zijn echter van mening dat die maatregel geen einde zal maken aan het fenomeen van de overpopulatie van everzwijnen, gelet op het belangenconflict tussen landbouwers en jagers. Zij leiden hieruit af dat de overpopulatie van grofwild een permanent probleem zal blijven. De eisers voor de verwijzende rechter in de zaak nr. 4338 merken op dat het Hof, in zijn arrest nr. 80/2003, vaststelt dat de omstandigheden die de aanneming van de wet van 14 juli 1961 hebben verantwoord, niet zijn gewijzigd, en zijn van mening dat vandaag geen enkel motief bestaat om in de onderhavige zaak van die vaststelling af te wijken. Zij verwijzen voor het overige naar een vonnis van de Vrederechter van het kanton Fléron van 11 september 2007, waarin hij stelt dat de huidige overpopulatie van everzwijnen een specifieke gerechtelijke procedure verantwoordt, alsook naar een vonnis van de Vrederechter van het kanton Etalle van 21 maart 2008 dat dezelfde richting uitgaat wat de hertachtigen betreft. Dezelfde eisers besluiten uit hetgeen voorafgaat dat, gelet op het uitzonderlijke en aanhoudende karakter van de overpopulatie van everzwijnen, de specifieke procedurele regeling waarnaar de in het geding zijnde bepaling verwijst, ruimschoots verantwoord en evenredig is ten aanzien van de door de wet van 14 juli 1961 nagestreefde doelstellingen. Zij preciseren, enerzijds, dat de snelle schadevergoeding van de landbouwers die worden geconfronteerd met de zorgwekkende toename van het aantal everzwijnen moet worden vergemakkelijkt en, anderzijds, dat de specifieke procedurele regeling ook ten goede komt aan het algemeen belang waartoe de landbouw bijdraagt. A.
  21. In hoofdorde verzoekt Zacharie Van Hassel het Hof te zeggen dat artikel 3, derde lid, van de wet van 14 juli 1961 in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. In uiterst ondergeschikte orde verzoekt hij het Hof te zeggen dat die wetsbepaling in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij betrekking heeft op de schade aangericht door hertachtigen, reeën, damherten en moeflons. De verwerende partij voor de verwijzende rechter in de zaak nr. 4462 zet een argumentatie uiteen die identiek is aan die van Daniel Cassart. A.5.
  22. De cv « SOCOSAPAR », eiseres in de zaak nr. 4462, verzoekt het Hof voor recht te zeggen dat artikel 3, derde lid, van de wet van 14 juli 1961 niet in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de eigenaars van beschadigde velden, vruchten en oogsten toelaat gebruik te maken van de bij artikel 7bis van de wet van 28 februari 1882 ingevoerde procedure. Zij voert aan dat het Hof, ten aanzien van grofwild, niet zou kunnen vaststellen dat de feitelijke omstandigheden aanzienlijk zijn gewijzigd sinds de aanneming van de in het geding zijnde bepaling, zoals het dat heeft gedaan in de arresten nrs. 5/98, 53/98, 125/2001 en 44/2007, die betrekking hadden op de konijnenplaag. Zij verwijst naar het deskundigenverslag dat de verwijzende rechter heeft aangevraagd, naar de motivering van een voorstel voor een Waals decreet tot wijziging van de wet van 14 juli 1961 en naar een recente studie, en voert aan dat er een overpopulatie is van everzwijnen en hertachtigen. Zij leidt hieruit af dat de 10 invoering van de in 1961 aangenomen vereenvoudigde gerechtelijke procedure - teneinde het de benadeelde persoon mogelijk te maken om op tegenspraak en zo snel mogelijk, vóór het verdwijnen van de sporen, de oorsprong van de door grofwild aangerichte schade aan te tonen - thans niet ongrondwettig zou kunnen worden geacht. Zij voegt eraan toe dat die procedure redelijk verantwoord is, gelet op de snelheid waarmee rondtrekkend grofwild de plaats verlaat na de gewassen te hebben beschadigd, alsook op het feit dat de sporen die aantonen waar dat wild vandaan komt, snel kunnen verdwijnen, onder meer door het klimaat. De cv « SOCOSAPAR » herinnert vervolgens eraan dat de bijzondere aansprakelijkheidsregeling in verband met schade veroorzaakt door grofwild, waarin andere bepalingen van de wet van 14 juli 1961 voorzien, in overeenstemming met de Grondwet is bevonden in het arrest nr. 123/
  23. Zij onderstreept dat het Hof, in het arrest nr. 80/2003, vaststelt dat die regeling niet onverantwoord is geworden door een wijziging van de omstandigheden. Zij is van mening dat het slachtoffer van dergelijke schade gebruik moet kunnen maken van een procedure die het mogelijk maakt het doel van die afwijkende aansprakelijkheidsregeling te bereiken, namelijk de vergoeding van de schade die grofwild aan de gewassen heeft aangericht. De erkenning van een recht zou gepaard moeten gaan met de middelen die dienstig zijn om het te doen gelden, temeer daar te dezen de snelle toename van grofwild almaar grotere schade aanricht. De eiseres voor de verwijzende rechter in de zaak nr. 4462 is van mening dat alleen een vereenvoudigde procedure het slachtoffer van die schade verzekert dat het de herkomst van het schade aanrichtend wild op contradictoire wijze zal kunnen aantonen, alsook de datum en de werkelijkheid van de schade, teneinde het vermoeden iuris et de iure bepaald in artikel 1 van de wet van 14 juli 1961 te genieten. De cv « SOCOSAPAR » is daarnaast van mening dat, sinds de inwerkingtreding van artikel 5 van de wet van 26 april 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op het bestrijden van de gerechtelijke achterstand, de bekritiseerde procedure niet langer leidt tot een verschillende behandeling van de houders van het jachtrecht ten opzichte van de personen die de schade moeten vergoeden veroorzaakt door andere dieren dan grofwild. Zij merkt op dat, in de gerechtelijke procedure van gemeen recht, het gebruik van een verzoekschrift in plaats van een dagvaarding voortaan wordt bestraft met een relatieve nietigheid, gelet op de wijziging van artikel 700 van het Gerechtelijk Wetboek. Bovendien merkt zij op dat die gemeenrechtelijke procedure het de vrederechter die elk verlies van bewijselementen wil voorkomen, ook mogelijk maakt om onmiddellijk, op basis van de artikelen 19, tweede lid, en 735 van het Gerechtelijk Wetboek, een deskundig onderzoek te bevelen alvorens elk verweer over de grond van de rechtsvordering te horen. De cv « SOCOSAPAR » is van mening dat de bij artikel 7bis van de wet van 28 februari 1882 ingevoerde procedure ook ertoe strekt het fundamenteel beginsel van de rechten van de verdediging in acht te nemen. Zij merkt op dat het inleidend verzoekschrift automatisch ter kennis wordt gebracht van de verweerder, die onmiddellijk wordt geïnformeerd over de hoedanigheid waarin hij wordt opgeroepen voor een plaatsopneming op tegenspraak, tijdens welke hij elk probleem inzake ontvankelijkheid kan aanvoeren of die hoedanigheid kan betwisten. Zij voert aan dat de opdracht van de aangewezen deskundige even eenvoudig is als voor een gemeenrechtelijke procedure : vaststellingen doen of technisch advies verstrekken. Zij merkt op dat, in geval van opmerkingen of van een ingewikkelde evaluatie van de schade, aan de deskundige een aanvullende opdracht wordt toevertrouwd onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 972 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek. Zij verklaart dat, in de praktijk, wanneer geen overeenstemming wordt bereikt tijdens de plaatsopneming, de zaak wordt uitgesteld tot een latere zitting teneinde te worden onderzocht. Hieruit zou voortvloeien dat de verplichting om al zijn middelen aan te voeren vóór de plaatsopneming – verplichting die niet wordt opgelegd op straffe van nietigheid of niet-ontvankelijkheid – de rechten van de verdediging niet schaadt. De cv « SOCOSAPAR » voert ten slotte aan dat de in het geding zijnde bepaling niet ongrondwettig is in zoverre daarin wordt verwezen naar een andere wetsbepaling die ongrondwettig is verklaard bij het arrest nr. 44/
  24. Zij onderstreept dat de procedure waarin artikel 7bis van de wet van 28 februari 1882 voorziet, slechts met de huidige omstandigheden onevenredig is in zoverre zij van toepassing is op de door konijnen aangerichte schade. De cv « SOCOSAPAR » betwist het onderscheid dat andere partijen voorstellen te maken tussen, enerzijds, het everzwijn en, anderzijds, de hertachtigen, reeën, moeflons en damherten, gelet op het zogenaamd marginale karakter van de schade die deze laatste soorten veroorzaken. Zij wijst erop dat de Waalse minister van Landbouw, Leefmilieu en Landelijke Aangelegenheden op 19 maart 2008, in antwoord op een parlementaire vraag, het bestaan heeft erkend van een overpopulatie van hertachtigen die aanzienlijke schade aanrichten. A.5.
  25. In ondergeschikte orde verzoekt de cv « SOCOSAPAR » het Hof, omwille van het beginsel van de rechtszekerheid, geen situaties ter discussie te stellen die reeds vele jaren op geldige wijze verworven zijn. Zij onderstreept in dat opzicht dat het verzoekschrift dat het geding heeft ingeleid dat voor de verwijzende rechter in 11 de zaak nr. 4462 hangende is, werd ingediend in juni 2004, namelijk op een ogenblik dat de grondwettigheid van artikel 3, derde lid, van de wet van 14 juli 1961 niet was betwist. Zij voegt eraan toe dat een vaststelling van ongrondwettigheid zou leiden tot een discriminerend verschil in behandeling tussen, enerzijds, de slachtoffers van schade veroorzaakt door kleinwild of door dieren bedoeld in artikel 1385 van het Burgerlijk Wetboek en, anderzijds, de slachtoffers van schade veroorzaakt door grofwild, vermits de laatstgenoemden, in tegenstelling tot de eerstgenoemden - die de gemeenrechtelijke verjaringstermijn genieten -, alleen in rechte zouden kunnen treden binnen de termijn van zes maanden waarin artikel 3, eerste lid, van de wet van 14 juli 1961 voorziet, terwijl de aansprakelijkheidsvordering die door slachtoffers van beide categorieën wordt ingesteld, aan dezelfde gemeenrechtelijke procedure zou zijn onderworpen. Ten aanzien van de zaken nrs. 4475 en 4476 A.6.1.
  26. Michel Damoiseaux, verweerder voor de verwijzende rechter in de zaak nr. 4475, is in hoofdorde van mening dat de twee in die zaak gestelde prejudiciële vragen bevestigend dienen te worden beantwoord. Hij onderstreept dat artikel 7bis van de wet van 28 februari 1882 een geheel van procedurele maatregelen bevat, zodat te dezen niet alleen de wijze van rechtsingang in het geding is. Hij wijst in die bepaling op een aantal afwijkingen van het gemeen recht van de procedure : de mogelijkheid om een - schriftelijk of mondeling – verzoek in te dienen zonder bijstand van een advocaat, de benoeming van een deskundige binnen acht dagen na de indiening van het verzoekschrift zonder voorafgaand debat op tegenspraak, de automatische plaatsopneming, de vrijstelling voor de vrederechter om een proces-verbaal van de verklaringen van de deskundige en van zijn eigen vaststellingen op te maken wanneer de eis niet voor hoger beroep vatbaar is, de verplichting voor de partijen om al hun middelen uiterlijk tijdens de plaatsopneming kenbaar te maken, het verhoor van de partijen door de vrederechter zonder enige andere procesvorm op de terechtzitting waarnaar de zaak eventueel is verwezen, de voorwaarden waaronder een onderzoek of een nieuw deskundig onderzoek worden georganiseerd, en de noodzaak van een met redenen omkleed vonnis wanneer de termijnen worden verlengd. A.6.1.
  27. Michel Damoiseaux is van mening dat de eerste prejudiciële vraag in werkelijkheid identiek is aan die welke in de zaak nr. 4462 is gesteld. Hij merkt op dat de procedureregels van artikel 7bis van de wet van 28 februari 1882 niet zijn overgenomen in de tekst van de wet van 14 juli 1961, zodat de ongrondwettigheid van de eerste bepaling – vastgesteld in de arresten nrs. 125/2001 en 44/2007 – volgens hem de verwijzing in artikel 3, derde lid, van de wet van 14 juli 1961 ongeldig maakt. Hij is van mening dat, indien die bepaling niet ongrondwettig wordt verklaard, zij het gebruik van een als dusdanig beschouwde procedure mogelijk zou maken. A.6.1.
  28. Michel Damoiseaux merkt op dat, indien het Hof de eerste prejudiciële vraag bevestigend beantwoordt, het ook de tweede bevestigend zal moeten beantwoorden. Daarnaast is hij van mening dat de procedureregels bedoeld in de tweede prejudiciële vraag nooit evenredig zijn geweest met de feitelijke omstandigheden die ten grondslag liggen aan de wet van 14 juli
  29. In dat verband voert hij aan dat de burgerlijke aansprakelijkheidsregeling voor de schade veroorzaakt door grofwild strenger is dan die voor de schade veroorzaakt door konijnen. Het feit dat de slachtoffers van schade niet verplicht zijn een fout aan te tonen, benadeelt de als aansprakelijke aangewezen persoon bij de verdediging van zijn belangen. Michel Damoiseaux voert vervolgens aan dat het doel dat de wetgever nastreefde met de aanneming van de wet van 14 juli 1961, geen procedure vereist die afbreuk doet aan de tegenspraak van de debatten en aan de rechten van de verdediging. Hij is van mening dat de gemeenrechtelijke procedure volstaat om dat doel te verwezenlijken. In dat opzicht herinnert hij eraan dat het slachtoffer van door grofwild veroorzaakte schade met toepassing van artikel 708 van het Gerechtelijk Wetboek in spoedeisende gevallen een kortere termijn van dagvaarding kan verkrijgen. Hij wijst ook erop dat de rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt, met toepassing van de artikelen 19, tweede lid, en 735 van het Gerechtelijk Wetboek, reeds bij de inleidingszitting kan nagaan of het opportuun is een plaatsopneming en een deskundig onderzoek te bevelen. Hij merkt op dat de plaatsopneming en de raming van de schade terzelfder tijd in aanwezigheid van de partijen, de rechter en de deskundige kunnen plaatshebben. Hij voegt eraan toe dat, wanneer de partijen geen overeenstemming bereiken, het geding kan worden verdaagd tot een nabije datum en de gemeenrechtelijke procedure wordt voortgezet. 12 Michel Damoiseaux zet vervolgens uiteen waarom de in artikel 7bis van de wet van 28 februari 1882 omschreven procedure afbreuk doet aan het beginsel van het tegensprekelijk karakter van de debatten en aan dat van de rechten van de verdediging. Hij is van mening dat die procedure een persoon zonder hoedanigheid en zonder belang om in rechte te treden, toelaat een plaatsopneming en een deskundig onderzoek te laten uitvoeren en tijdens die procedure verklaringen af te leggen, nog vóór zijn hoedanigheid en zijn belang konden worden onderzocht. Hij verklaart ook dat de in artikel 7bis van de wet van 28 februari 1882 omschreven procedure, daar zij niet voorziet in een debat vóór de plaatsopneming en het deskundig onderzoek, niet toelaat een persoon die klaarblijkelijk niet aansprakelijk is, buiten vervolging te stellen vooraleer aanzienlijke en nutteloze kosten zijn gemaakt, zowel voor de onterecht opgeroepen persoon als voor het slachtoffer van de door grofwild aangerichte schade. Michel Damoiseaux betreurt verder de gevolgen van de snelheid die deze procedure kenmerkt. Uit artikel 7bis, derde lid, van de wet van 28 februari 1882 leidt hij af dat de persoon die niet aanwezig is op de plaatsopneming zich van zijn recht vervallen zal zien om zijn middelen van verweer aan te voeren, ook al is zijn afwezigheid gewettigd of tekent hij later verzet aan tegen het verstekvonnis waarbij hij zou worden veroordeeld. Daarnaast is hij van mening dat de houder van het jachtrecht beoogd in het inleidend verzoekschrift, door de snelheid van die procedure slechts met grote moeite alle andere bij de schade betrokken jagers tijdig in de zaak zal kunnen betrekken, zodat niet zelden de tegenstelbaarheid van de onderzoeksmaatregelen wordt betwist. Michel Damoiseaux zet in dat opzicht uiteen dat de procedure die oorspronkelijk is ingevoerd voor de schade veroorzaakt door konijnen, geenszins is aangepast aan de geschillen die voortvloeien uit schade veroorzaakt door grofwild, omdat het slachtoffer minder gemakkelijk de aansprakelijken kan identificeren, die, doordat dat wild rondtrekt, veel talrijker kunnen zijn dan de aansprakelijken voor de schade aangericht door konijnen, die op een kleiner gebied leven. Nog steeds over de aantasting van het tegensprekelijk karakter van de debatten en van de rechten van de verdediging als gevolg van de bekritiseerde procedure, merkt hij op dat de partijen niet in staat zijn opmerkingen te formuleren over de keuze van de deskundige en over de definitie van zijn opdracht. Ten slotte merkt hij op dat de verweerder ertoe gehouden is zich te verdedigen zonder kennis te hebben kunnen nemen van de argumenten en van de dossiers van de eiser en van de andere eventuele tussenkomende partijen. A.6.
  30. In ondergeschikte orde is Michel Damoiseaux van mening dat de bepalingen die de twee prejudiciële vragen beogen, in strijd zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij betrekking hebben op de schade veroorzaakt door herten, damherten, moeflons of reeën. Hij voert aan dat die dieren nooit aanzienlijke schade hebben aangericht aan gewassen, maar beweert dat de auteurs van de wet van 14 juli 1961 de vergoeding van dergelijke schade wilden verzekeren door te verwijzen naar de procedure bedoeld in artikel 7bis van de wet van 28 februari
  31. Hij deelt in dat verband de mening van Zacharie Van Hassel. A.7.
  32. Volgens Agnès Collard is artikel 3, derde lid, van de wet van 14 juli 1961 niet in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De eiseres voor de verwijzende rechter in de zaak nr. 4476 zet dezelfde argumenten uiteen als Marc Letihon en Catharina Vrancken in de zaak nr.
  33. In verband met de situaties waarin de verschillend behandelde personen zich bevinden, preciseert zij dat de schade aangericht door everzwijnen niet kan worden vergeleken met die welke wordt aangericht door konijnen. Die laatste zouden onmiddellijk kunnen worden gelokaliseerd dankzij hun holen, zouden zich niet verplaatsen over meer dan enkele honderden meters en zouden in elk jaargetijde gemakkelijk kunnen worden vernietigd, zodat een overdreven toename van het aantal konijnen slechts zou kunnen voortvloeien uit een foutieve nalatigheid van de boseigenaars of van de houders van het jachtrecht. Agnès Collard voert aan dat everzwijnen daarentegen rondtrekkende dieren zijn, die verschillende kilometers afleggen om voedsel te zoeken, hierdoor moeilijk kunnen worden gelokaliseerd en dus moeilijk te vernietigen zijn. De vernietiging ervan zou aanzienlijke middelen vergen en de drijfjacht zou in open veld verboden zijn van 1 januari tot 30 september. Agnès Collard herinnert ten slotte eraan dat, sinds het everzwijn door de wetgever niet langer wordt beschouwd als een wild dier, het niet meer het hele jaar door met alle middelen mag worden vernietigd en voortaan nog slechts gedurende korte periodes mag worden geschoten. A.7.2.
  34. In haar memorie van antwoord leidt Agnès Collard uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 14 juli 1961 de ratio legis af van de verwijzing naar de procedureregels in artikel 7bis van de wet van 28 februari
  35. Zij voert aan dat de termijnen van die procedure een snelle vaststelling van de schade vóór de oogst mogelijk maken. Zij merkt in dat verband op dat de oogst, tijdens bepaalde periodes, als gevolg van 13 veranderende weersomstandigheden snel moet kunnen gebeuren. Zij onderstreept ook dat het, wanneer de gewassen door grofwild zijn beschadigd, noodzakelijk is snel te oogsten om het verlies aan inkomsten te beperken. Agnès Collard voegt eraan toe dat de toepassing van de aansprakelijkheidsregeling ingevoerd bij de wet van 14 juli 1961 een snel onderzoek ter plaatse vereist. Zij herinnert eraan dat de plaats waar het grofwild dat de schade heeft aangericht, vandaan komt een fundamenteel element van die regeling is, zodat de sporen van dat wild moeten worden vastgesteld nog vóór ze verdwijnen of veranderen. Agnès Collard is van mening dat de wet van 14 juli 1961 ertoe strekt de oogst te beschermen van de landbouwers wier gewassen door grofwild verwoest zijn en blijven. In dat opzicht beklemtoont zij de « explosief toegenomen » everzwijnenpopulatie. A.7.2.
  36. In haar memorie van antwoord voert Agnès Collard ook aan dat de uitvoering van een procedure die afwijkt van het gemeen recht ten aanzien van de aansprakelijkheid voor de schade veroorzaakt door grofwild, een maatregel blijft die evenredig is met de door de wet van 14 juli 1961 nagestreefde doelstellingen. Zij is van mening dat de gemeenrechtelijke procedureregels niet toelaten de rechten van de landbouwers voldoende te vrijwaren. Zij voert aan dat, indien de artikelen 19, tweede lid, 735 en 747, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek worden toegepast, de termijn van dagvaarding acht dagen bedraagt. Zij merkt op dat de vermindering van die termijn, op grond van artikel 708 van hetzelfde Wetboek, een uitzondering vormt en afhangt van de soevereine beoordeling door de rechter. Zij leidt hieruit af dat de snelheid van de klassieke procedure onzeker is en dat die laatste het dus niet mogelijk maakt hetzelfde resultaat te verkrijgen als dat van de procedure omschreven in artikel 7bis van de wet van 28 februari
  37. Agnès Collard merkt op dat de rechter in kort geding alleen bevoegd zal zijn wanneer hij oordeelt dat de zaak spoedeisend is en dat er dringende en voorlopige maatregelen moeten worden genomen. Zij leidt hieruit af dat het resultaat van een eis in kort geding afhankelijk is van de subjectiviteit van de magistraat bij wie de zaak aanhangig is gemaakt. Agnes Collard voegt eraan toe dat, indien de landbouwers die door grofwild veroorzaakte schade lijden, niet beschikten over de procedure omschreven in artikel 7bis van de wet van 28 februari 1882, zij geen andere keuze zouden hebben dan een beroep te doen op de uitzonderlijke procedures bepaald in het Gerechtelijk Wetboek (kortere termijnen van dagvaarding, kort geding, enz.), zodat de uitzondering in die materie de regel zou worden. Zij leidt hieruit af dat het noodzakelijk is te voorzien in een specifieke procedure die van het gemeen recht afwijkt. Agnès Collard voert ten slotte aan dat de omstandigheden die ten grondslag liggen aan artikel 3, derde lid, van de wet van 14 juli 1961, vandaag uitgesprokener zijn dan gisteren wegens de toename van de populatie van grofwild. A.8.
  38. De « Union professionnelle du Saint-Hubert Club de Belgique, Ligue des chasseurs » en de « ASBL Wallonne du Royal Saint-Hubert Club de Belgique » dienen een memorie in op grond van artikel 87, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari
  39. Om hun belang aan te tonen, verwijzen zij naar B.2.6 van het arrest nr. 44/2008 en naar B.3.6 van het arrest nr. 89/
  40. Zij merken op dat de antwoorden op de prejudiciële vragen in de zaken nrs. 4475 en 4476 gevolgen zullen hebben voor de procedures tot uitvoering van de objectieve aansprakelijkheid van de houders van het jachtrecht wegens schade veroorzaakt door grofwild. Uit de definitie van hun maatschappelijk doel leiden zij af dat die antwoorden hun situatie en die van hun leden rechtstreeks zullen beïnvloeden. A.8.2.
  41. De « Union professionnelle du Saint-Hubert Club de Belgique, Ligue des chasseurs » en de « ASBL Wallonne du Royal Saint-Hubert Club de Belgique » onderstrepen dat de prejudiciële vragen betrekking hebben op artikel 7bis, tweede tot zesde lid, van de wet van 28 februari 1882, dat procedurele regels bevat die afwijken van het gemeen recht van de burgerlijke procedure en die bovendien de rechten van de verdediging op niet te verwaarlozen wijze beperken. Zij merken op dat de persoon die in het inleidend verzoekschrift als aansprakelijke is aangewezen, zijn opmerkingen in verband met het opportune karakter van het deskundig onderzoek of van een plaatsopneming 14 niet kan aanvoeren en ertoe gehouden is zijn argumenten van verweer binnen een zeer korte termijn kenbaar te maken, bovendien alleen op basis van het eenzijdige verzoekschrift van de eiser. Zij merken op dat de persoon die in het verzoekschrift als aansprakelijke is aangewezen, alleen indien hij beschikt over voldoende technische kennis of wordt bijgestaan door zijn eigen deskundige, in staat zal zijn de conclusies van de deskundige op nuttige wijze te betwisten, vermits die laatstgenoemde zich beperkt tot verklaringen waarvan de vrederechter akte neemt en geen schriftelijke conclusies neerlegt die kunnen worden becommentarieerd in de conclusies van de partijen. De beroepsvereniging en de vereniging zonder winstoogmerk merken ook op dat de vermoedelijke aansprakelijke ertoe verplicht is om, in beginsel onmiddellijk, de vergoeding te betalen die de deskundige heeft vastgesteld, alsook de kosten van het deskundig onderzoek, waarbij die laatste zelfs moeten worden betaald als de jager zonder discussie aanvaardt het bedrag te vereffenen dat in het inleidend verzoekschrift wordt gevorderd. Ten slotte merken zij op dat de verlenging van de korte termijnen van die procedure veronderstelt dat uitzonderlijke omstandigheden worden aangetoond. A.8.2.
  42. De « Union professionnelle du Saint-Hubert Club de Belgique, Ligue des chasseurs » en de « ASBL Wallonne du Royal Saint-Hubert Club de Belgique » merken op dat, rekening houdend met het arrest nr. 44/2007, de bijzondere procedure bepaald in artikel 7bis van de wet van 28 februari 1882 in het Waalse Gewest alleen nog van toepassing is op de rechtzoekenden die zijn betrokken bij schade veroorzaakt door grofwild aan velden, vruchten en oogsten. Zij wijzen erop dat de rechtzoekenden betrokken bij schade aangericht door andere dieren aan andere goederen, anders worden behandeld, vermits het gemeen recht van de burgerlijke procedure op hen van toepassing is. De twee verenigingen zijn van mening dat dat verschil in behandeling niet evenredig is met het door de auteurs van de wet van 14 juli 1961 nagestreefde doel. Zij merken op dat de verwijzing naar de voormelde afwijkende procedure, die wordt geacht goedkoop te zijn, uitgaat van de zorg voor een snelle en vereenvoudigde procedure en niet van de zorg om een openbare ramp te bestrijden. Zij zijn van mening dat dat doel de reeds omschreven aantastingen van de rechten van de verdediging niet kan verantwoorden. Zij preciseren daarnaast dat het gemeen recht van de burgerlijke procedure aan het slachtoffer van schade veroorzaakt door grofwild reeds diverse middelen biedt om de procedure te versnellen, waarbij de rechten van de verdediging in acht worden genomen. Zij verwijzen in dat opzicht naar de artikelen 19, tweede lid, 735 en 747, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek. Zij voegen eraan toe dat een procedure in kort geding mogelijk veel sneller is dan de bekritiseerde procedure en dat de rechter in kort geding voorlopig uitspraak doet, zodat hij de rechten van de verdediging vrijwaart van de persoon die door de eiser in het geding is gesteld. Zij beweren dat het algemeen beginsel van de rechten van de verdediging minstens evenveel onder het algemeen belang ressorteert als de zorg om de landbouw te beschermen. De « Union professionnelle du Saint-Hubert Club de Belgique, Ligue des chasseurs » en de « ASBL Wallonne du Royal Saint-Hubert Club de Belgique » voeren dus aan dat het Hof te dezen hetzelfde standpunt moet innemen als in het arrest nr. 44/2007, maar merken op dat artikel 3, derde lid, van de wet van 14 juli 1961 nooit door uitzonderlijke omstandigheden kon worden gemotiveerd. Zij preciseren dat, indien het verschil in behandeling als gevolg van die afzonderlijk beschouwde bepaling toch zou worden geacht evenredig te zijn met het nagestreefde doel, echter zou moeten worden vastgesteld dat dat verschil in behandeling, onderzocht in combinatie met het verschil in behandeling dat in het leven wordt geroepen door artikel 1 van de wet van 14 juli 1961 (bijzondere aansprakelijkheidsregeling), afbreuk zou doen aan de evenredigheid vastgesteld in de arresten nrs. 80/2003 en 123/
  43. In dat opzicht herinneren zij eraan dat het onderwerp van de vragen die ten grondslag lagen aan die twee arresten niet hetzelfde was als dat van de vragen waarop te dezen moet worden geantwoord. -B- B.1.
  44. Artikel 1 van de wet van 14 juli 1961 « tot regeling van het herstel der door grof wild aangerichte schade », zoals het van toepassing is in het Waalse Gewest, bepaalt : 15 « De houders van het jachtrecht staan in voor de schade welke aan de velden, vruchten en oogsten wordt toegebracht door herten, reeën, damherten, wildschapen en everzwijnen welke te voorschijn komen uit de bospercelen waarop zij het jachtrecht hebben; zij kunnen noch toeval noch heirkracht inroepen. Indien de gedaagde het bewijs levert dat het wild van een of meer andere jachtgebieden dan het zijne voortkomt, kan hij de houders van het jachtrecht op die jachtgebieden in de zaak roepen en deze kunnen, in dat geval, tot herstelling van de gehele schade of van een deel van de schade veroordeeld worden ». Artikel 3 van dezelfde wet, zoals het van toepassing is in het Waalse Gewest, bepaalt : « De vordering moet ingesteld worden binnen zes maanden na de schade en, wat de landbouwteelten betreft, vóór het binnenhalen van de oogst. Zij kan ingesteld worden tegen de eigenaar der goederen, zo de houder van het jachtrecht zich niet heeft doen kennen, tenzij bedoelde eigenaar laatstgenoemde doet dagvaarden tot tussenkomst en tot vrijwaring. De eigenaar van de beschadigde oogst kan zijn toevlucht nemen tot de procedure omschreven in artikel 7bis van de wet van 28 februari 1882 op de jacht, met het oog op de vergoeding van de konijnenschade. Evenwel, wat voornoemd artikel 7bis betreft, zijn de bepalingen van het eerste lid, betreffende de dubbele schadevergoeding, en deze van het laatste lid, betreffende het recht tot hoger beroep, niet toepasselijk op de schade van het in voornoemd artikel 1 bedoeld wild ». B.1.
  45. Zoals ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 4 april 1900 « waarbij de wet van 28 Februari 1882 op de jacht gewijzigd wordt », vervolgens gewijzigd bij artikel 290 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, bij artikel 81 van het Wetboek der zegelrechten, bij artikel 2, derde lid, van de wet van 20 maart 1948 tot wijziging van sommige bedragen in burgerlijke en handelszaken, bij artikel 1, punt 2, van de wet van 30 juni 1967 « tot wijziging van de Franse tekst van de jachtwet van 28 februari 1882 en tot invoering van de Nederlandse tekst van dezelfde wet » en bij artikel 7 van het decreet van het Waalse Gewest van 4 juli 2002 « houdende bekrachtiging van de besluiten van de Waalse Regering tot uitvoering van artikel 4 van het decreet van 18 juli 2001 betreffende de invoering van de euro in de regelgeving en in de computerprogramma's van het Waalse Gewest, en houdende wijziging, met het oog op de invoering van de euro, van de economische wetgeving en de wetgeving inzake jacht en bossen », bepaalt artikel 7bis van de jachtwet van 28 februari 1882 ten aanzien van het Waalse Gewest : 16 « De vergoeding voor schade, door konijnen aan vruchten en gewassen veroorzaakt, bedraagt het dubbele van de schade. Hij die beweert schade te hebben geleden, richt tot de vrederechter een mondeling of schriftelijk verzoek, waarin hij zijn naam, beroep en woonplaats en die van de verantwoordelijke persoon vermeldt, alsmede het voorwerp en de oorzaak van de eis. Geschiedt het verzoek mondeling, dan maakt de rechter daarvan proces-verbaal op. Binnen de acht dagen benoemt hij een deskundige en, na te bekwamer tijd aangetekende brief en zo nodig bij geregistreerd telegram aan partijen kennis te hebben gegeven van de inhoud van het verzoek, alsmede van de dag en het uur van de plaatsopneming en van het deskundig onderzoek, begeeft hij zich, vergezeld van de deskundige ter plaatse. Is de eis vatbaar voor hoger beroep, dan maakt hij van de verklaringen van de deskundige proces-verbaal op en, indien daartoe reden is, ook van zijn eigen bevindingen. De partijen worden verzocht al hun middelen uiterlijk tijdens deze plaatsopneming te doen kennen. Tenzij de verweerder verkiest het bedrag, door de deskundige als dubbele vergoeding bepaald, en de kosten dadelijk te betalen, verwijst de rechter de zaak naar een terechtzitting, te houden binnen de eerstvolgende acht dagen. Is bij deze verwijzing een van de partijen niet aanwezig, dan wordt haar daarvan aanstonds kennis gegeven bij aangetekende brief. Op de terechtzitting waarnaar de zaak is verwezen, worden partijen zonder enige andere procesvorm gehoord en doet de rechter uitspraak. Indien de rechter een getuigenverhoor of een nieuw deskundig onderzoek beveelt, geschieden deze binnen acht dagen en partijen pleiten in voorkomend geval zonder verwijl. Het vonnis wordt terstond of uiterlijk binnen acht dagen uitgesproken. Worden de hierboven gestelde termijnen verlengd om uitzonderlijke redenen, dan worden deze in het vonnis vermeld. Hij die beweert schade te hebben geleden, kan de zaak ook bij gewone dagvaarding aanhangig maken. In dat geval kan hij dagvaarden, hetzij tot behandeling van de zaak in haar geheel, hetzij alleen tot instelling van een deskundig onderzoek en dan zijn de leden 2 tot 6 niet van toepassing. Aan partijen wordt, binnen drie dagen na de uitspraak, bij ter post aangetekende brief kennis gegeven van het beschikkende gedeelte van elk vonnis dat niet in hun tegenwoordigheid is gewezen. Hoger beroep is niet meer ontvankelijk na veertien dagen, te rekenen van de uitspraak van het vonnis. Eisen van 24,79 euro en minder, berekend op de grondslag van het enkele schadebedrag, worden uitgewezen bij een vonnis dat niet vatbaar is voor hoger beroep, maar alleen voor verzet ». B.
  46. Uit de feiten van de vijf zaken die aan de verwijzende rechters zijn voorgelegd, alsook uit de motivering van de verwijzingsbeslissingen blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 3, derde lid, van de voormelde wet van 14 juli 1961, in zoverre die bepaling een 17 verschil in behandeling invoert tussen twee categorieën van personen tegen wie een aansprakelijkheidsvordering tot herstel van schade veroorzaakt door dieren aan velden, vruchten en gewassen is gericht : enerzijds, diegenen van wie het herstel wordt gevorderd van schade veroorzaakt door een hert, een ree, een damhert of een everzwijn en, anderzijds, diegenen van wie het herstel wordt gevorderd van schade veroorzaakt door dieren die niet behoren tot het grofwild bedoeld in de wet van 14 juli
  47. De herstelvordering met betrekking tot de tweede categorie van personen kan alleen worden ingediend, onderzocht en afgedaan volgens de gemeenrechtelijke regels van de burgerlijke procedure, terwijl de herstelvordering met betrekking tot de eerste categorie van personen kan worden ingediend, onderzocht en afgedaan volgens de afwijkende regels geformuleerd in het tweede tot zesde lid van artikel 7bis van de voormelde wet van 28 februari
  48. B.3.
  49. De wet van 14 juli 1961 vindt haar oorsprong in het gegeven dat « ieder jaar door het grof wild aanzienlijke schade aangericht wordt aan de aan bossen en wouden palende akkers en hieruit, voor de betrokken landbouwbedrijven, belangrijke verliezen voortvloeien » (Parl. St., Kamer, 1959-1960, nr. 420/2, p. 1). De eerste drie artikelen van die wet hebben tot doel « de vergoeding mogelijk te maken van de telers in de meest achtergestelde of armste regio’s van Luxemburg waar de schade zich beperkt tot een vrij klein gebied, alsook de vergoeding mogelijk te maken van de schade aangericht door grof wild » (Hand., Kamer, 8 februari 1961, p. 27). Het gaat erom « de normale oogsten te beschermen tegen beschadiging door het wild » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1961, nr. 67, p. 3). B.3.
  50. Tijdens de parlementaire voorbereiding is nadrukkelijk erop gewezen « dat het noodzakelijk is, te voorzien in een eenvoudige rechtspleging, die, met uitsluiting van elke andere rechtspleging, tot schadeloosstelling kan leiden » (Parl. St., Kamer, 1959-1960, nr. 420/2, p. 2). Er is ook opgemerkt dat « de procedure extreem vereenvoudigd is » uitgaande van de vaststelling dat « het gewone rechtscollege nog steeds het snelste en minst dure is, waarvan de beste beslissingen kunnen worden verwacht » (Hand., Kamer, 8 februari 1961, p. 27). De 18 vereenvoudiging van de procedure heeft tot doel « met grotere zekerheid te komen tot de vaststelling van de schade en tot de vergoeding ervan » (ibid.). De procedure waarnaar de in het geding zijnde bepaling verwijst, wordt voorts voorgesteld als « eenvoudig en snel » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1961, nr. 67, p. 4). B.3.
  51. De procedureregels vervat in artikel 7bis, tweede tot zesde lid, van de voormelde wet van 28 februari 1882 waren oorspronkelijk ontworpen om het de landbouwer wiens gewassen door de konijnen waren verwoest, mogelijk te maken « op een andere manier dan via trage en dure rechtsgedingen » een vergoeding te verkrijgen (Parl. St., Kamer, 1897-1898, nr. 175, p. 14). Het beroep op de rechter vergemakkelijken voor de vordering tot herstel van de aangerichte schade werd dan voorgesteld als een middel om « de belangen van de telers zo goed mogelijk te vrijwaren » (ibid., p. 17). Het ging erom « de procedure tot vergoeding van de schade te vereenvoudigen en, voor diegenen die dat wensen, een einde te maken aan het optreden van tussenpersonen dat de kosten onnodig doet toenemen en vaak zorgt voor vertragingen in geschillen waar de betwistingen veelal gewone feitelijke kwesties zijn » (ibid. p. 20). Het is dus om « de kosten van de procedure te beperken […], vooral voor de kleine en arme landbouwers, die enkele stukken grond bebouwen en slechts kleine bedragen moeten eisen, hoewel die voor hen belangrijk zijn » dat die bepalingen de procedure voor de vrederechter « zoveel mogelijk » vereenvoudigen, dat zij die versnellen « door nieuwe termijnen vast te stellen » en dat zij de verweerder beletten « het rechtsgeding te laten aanslepen door de verdediging te spreiden » (ibid., p. 23). Door het schriftelijke of mondelinge verzoek toe te staan, stelt artikel 7bis, tweede lid, van de wet van 28 februari 1882 de benadeelde persoon ervan vrij « zich naar de naburige stad te begeven om een advocaat te raadplegen, zelfs om de deurwaarder om een dagvaarding te verzoeken » (ibid., p. 25). Door de partijen ertoe te verplichten al hun middelen uiterlijk bij de plaatsopneming kenbaar te maken, heeft artikel 7bis, derde lid, vierde zin, van de wet van 28 februari 1882 tot doel het de vrederechter mogelijk te maken om dadelijk en in aanwezigheid van de deskundige de controles uit te voeren die nodig zijn voor het onderzoek van de op de feiten gegronde middelen. Die regel sluit niet uit dat later middelen worden aangevoerd op grond van feiten waarvan de verweerder geen kennis kon hebben vóór de plaatsopneming (ibid., p. 25). 19 B.4.
  52. Het verschil in behandeling dat artikel 3, derde lid, van de wet van 14 juli 1961 - door de verwijzing in die bepaling naar de bijzondere procedureregels vermeld in artikel 7bis, tweede tot zesde lid, van de wet van 28 februari 1882 - invoert, is, gelet op het doel van vereenvoudiging dat de wetgever nastreeft in de in B.3.1 omschreven context, niet zonder redelijke verantwoording. B.4.
  53. Uit de verschillende door de partijen voorgelegde documenten blijkt immers niet dat de feitelijke omstandigheden waarin de wetgever de in het geding zijnde bepaling heeft aangenomen, dermate zouden zijn gewijzigd dat die bijzondere regels niet meer zouden zijn verantwoord. B.
  54. Uit de motieven van arrest nr. 44/2007 van 21 maart 2007 blijkt dat het Hof bij dat arrest slechts heeft geoordeeld dat artikel 7bis van de jachtwet van 28 februari 1882 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre het de schade veroorzaakt door konijnen beoogt. B.
  55. De prejudiciële vraag in de zaak nr. 4438 dient derhalve bevestigend te worden beantwoord, terwijl de andere prejudiciële vragen ontkennend dienen te worden beantwoord. 20 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : In zoverre artikel 3, derde lid, van de wet van 14 juli 1961 « tot regeling van het herstel der door grof wild aangerichte schade » verwijst naar artikel 7bis, tweede tot zesde lid, van de wet van 28 februari 1882, schendt het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 11 maart
  56. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.043 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.