id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 11 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.044 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090311.6 Arrest- Rolnummer: 44/2009 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-03-11 Raadplegingen: 262 - laatst gezien 2026-06-30 01:45 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 479 van het Wetboek van strafvordering schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in zoverre het de raadsheer in sociale zaken niet beoogt. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (STRAFZAKEN) - Voorrecht rechtsmacht PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende artikel 479 van het Wetboek van strafvordering, gesteld door het Hof van Cassatie en door de raadkamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Nijvel. Strafrechtspleging - Voorrecht van rechtsmacht -
- Raadsheer in het arbeidshof -
- Raadsheer in sociale zaken. Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 12-12-1808 - 479 - 30 ELI link Pub nr 1808121250 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummers 4447 en 4483 Arrest nr. 44/2009 van 11 maart 2009 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 479 van het Wetboek van strafvordering, gesteld door het Hof van Cassatie en door de raadkamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Nijvel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging a. Bij arrest van 18 maart 2008 in zake J.J. tegen M.B., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 28 maart 2008, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 479 Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet, in zoverre het de raadsheer in sociale zaken niet begrijpt onder de magistraten en ambtsdragers welke voor de misdaden en wanbedrijven door hen gepleegd buiten hun ambt, slechts op vordering van de procureur-generaal bij het hof van beroep kunnen worden gedagvaard voor het hof van beroep, terwijl de raadsheer in sociale zaken toch overeenkomstig artikel 103 Gerechtelijk Wetboek deel uitmaakt van het arbeidshof en overeenkomstig artikel 104 Gerechtelijk Wetboek samen met een raadsheer in het arbeidshof mede kennisneemt van zaken die tot de bevoegdheid van dit hof behoren, en voor hem dezelfde waarborgen als voor de raadsheer in het arbeidshof verantwoord kunnen lijken ? ». b. Bij beschikking van 23 juni 2008 in zake J.-P. R., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 30 juni 2008, heeft de raadkamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Nijvel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 474 [lees : 479] van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de raadsheer in sociale zaken niet begrijpt onder de magistraten en ambtsdragers welke voor de misdaden en wanbedrijven door hen gepleegd buiten hun ambt, slechts op vordering van de procureur-generaal bij het hof van beroep kunnen worden gedagvaard voor het hof van beroep, terwijl de raadsheer in sociale zaken krachtens artikel 103 van het Gerechtelijk Wetboek deel uitmaakt van het arbeidshof en krachtens artikel 104 van het Gerechtelijk Wetboek samen met een raadsheer in het arbeidshof mede kennisneemt van zaken die tot de bevoegdheid van dat hof behoren, en voor hem dezelfde waarborgen als voor de raadsheer in het arbeidshof verantwoord kunnen lijken ? ». Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4447 en 4483 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. In de zaak nr. 4447 zijn memories en memories van antwoord ingediend door : - J.J.; - M.B. en M. V.L.; - de Ministerraad. De Ministerraad heeft ook een memorie ingediend in de zaak nr.
- Op de openbare terechtzitting van 14 januari 2009 : - zijn verschenen : 3 . Mr. W. Goris, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. J. Vercraeye en Mr. M. Souidi, advocaten bij de balie te Antwerpen, voor J.J.; . Mr. D. Libotte, tevens loco Mr. H. Van Bavel, Mr. S. Sottiaux en Mr. C. Van Buggenhout, advocaten bij de balie te Brussel, voor M.B. en M. V.L.; . Mr. E. Jacubowitz, tevens loco Mr. P. De Maeyer, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. De Groot en J. Spreutels verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen In de zaak nr. 4447 Voor de Correctionele Rechtbank te Antwerpen voerde J.J. aan dat de Rechtbank niet bevoegd is om van de strafvordering tegen hem kennis te nemen, vanwege zijn hoedanigheid van raadsheer in sociale zaken. Bij tussenvonnis van 10 mei 2006 verklaarde de Rechtbank zich echter bevoegd en oordeelde daarbij dat het niet nodig was om dienaangaande een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Bij eindvonnis van 21 juni 2006 werd J.J. veroordeeld voor de hem ten laste gelegde misdrijven. Tegen dat vonnis werd hoger beroep aangetekend door J.J., het openbaar ministerie en de burgerlijke partij. In zijn arrest van 14 november 2007 bevestigde het Hof van Beroep te Antwerpen het vonnis van 10 mei 2006 met betrekking tot de bevoegdheidsexceptie. Het Hof van Beroep oordeelde eveneens dat er geen grond was tot het stellen van een prejudiciële vraag. Tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen diende J.J. een cassatieberoep in, waarin hij aanvoerde dat het arrest artikel 479 van het Wetboek van strafvordering en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt. In zijn arrest van 18 maart 2008 stelde het Hof van Cassatie vast dat het voormelde artikel 479, dat het stelsel van voorrecht van rechtsmacht regelt, zeer uitdrukkelijk enkel de magistraten en andere openbare gezagdragers aanwijst die het beoogt. Het Hof oordeelde dat de raadsheren in sociale zaken geen raadsheren in het arbeidshof zijn, zodat het voorrecht van rechtsmacht niet op hen van toepassing is. Vervolgens achtte het Hof van Cassatie het aangewezen de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen aan het Hof. In de zaak nr. 4483 Voor de raadkamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Nijvel voerde J.-P. R. aan dat hij de hoedanigheid heeft van raadsheer in sociale zaken en dat hij daarom valt onder het stelsel van voorrecht van rechtsmacht, zoals geregeld in artikel 479 van het Wetboek van strafvordering. Hij verwees daarbij naar de prejudiciële vraag die het Hof van Cassatie over dat artikel heeft gesteld in zijn arrest van 18 maart
- De raadkamer achtte het aangewezen dezelfde prejudiciële vraag te stellen aan het Hof. 4 III. In rechte -A- A.
- J.J., eiser in cassatie, wijst erop dat de wetgever met het voorrecht van rechtsmacht, enerzijds, de magistraten wou vrijwaren van niet-gegronde vervolgingen en, anderzijds, wou voorkomen dat zij te streng of met te veel toegevendheid zouden worden behandeld. Bovendien wou de wetgever voorkomen dat een magistraat zou worden vervolgd en bestraft door zijn ondergeschikten of zijn rechtstreekse ambtgenoten. Hij wijst tevens erop dat het voorrecht van rechtsmacht niet werd ingesteld in het belang van diegenen op wie het van toepassing is, maar in het belang van de samenleving en meer bepaald ter vrijwaring van het door de betrokken personen beklede ambt tegen eventuele misbruiken. A.2.
- De in het geding zijnde bepaling roept, volgens J.J., binnen de categorie van personen die deel uitmaken van de rechterlijke macht of daarmee zijn verbonden, een niet objectief en redelijk te verantwoorden verschil in behandeling in het leven tussen, enerzijds, magistraten - met inbegrip van de plaatsvervangende magistraten - en bepaalde in de in het geding zijnde bepaling vermelde ambtsdragers en, anderzijds, de rechters en raadsheren in sociale zaken. In de rechtspraak wordt immers geoordeeld dat die laatste categorie niet onder het toepassingsgebied van die bepaling valt. A.2.
- J.J. wijst erop dat het Hof van Cassatie heeft aanvaard dat plaatsvervangende rechters wel onder het stelsel van voorrecht van rechtsmacht vallen. Hij is van oordeel dat, in het licht van de door de wetgever nagestreefde doelstellingen, niet kan worden verantwoord dat plaatsvervangende rechters onder dat stelsel vallen, terwijl dat niet het geval is voor rechters en raadsheren in sociale zaken. Plaatsvervangende rechters worden immers louter benoemd om verhinderde rechters tijdelijk te vervangen en hebben aldus geen vaste zittingsdagen, in tegenstelling tot rechters en raadsheren in sociale zaken. Bovendien kunnen plaatsvervangende raadsheren, volgens artikel 321 van het Gerechtelijk Wetboek, nooit als voorzitter van een kamer worden aangesteld, zodat zij enkel zitting kunnen nemen als bijzitter. Bijgevolg hebben zij een soortgelijk statuut als raadsheren in sociale zaken, die eveneens enkel als bijzitter zitting kunnen nemen. A.2.
- J.J. is eveneens van oordeel dat er geen objectieve en redelijke verantwoording bestaat voor het verschil in behandeling tussen, enerzijds, de leden van het auditoraat of van het coördinatiebureau van de Raad van State, die onder het stelsel van voorrecht van rechtsmacht vallen, en, anderzijds, de raadsheren in sociale zaken, die er niet onder vallen. In arrest nr. 117/98 van 18 november 1998 heeft het Hof immers geoordeeld dat de keuze van de wetgever om het stelsel ook toepasselijk te maken op de auditeurs in de Raad van State niet van verantwoording verstoken is, gelet op de nauwe betrokkenheid van de auditeurs bij de rechtsbedeling. Het Hof stelde eveneens dat de auditeurs, hoewel zij geen geschillen beslechten, rechtstreeks deelnemen aan het onderzoek van de zaken van de Raad. Het Hof besloot dat de wetgever aldus heeft kunnen oordelen dat de functie van de auditeurs voldoende gelijkenis vertoonde met die van leden van de rechterlijke orde om ze op het vlak van het voorrecht van rechtsmacht aan dezelfde regeling te onderwerpen. J.J. meent dat de motivering van het Hof in het voormelde arrest integraal en onverkort opgaat voor de raadsheren in sociale zaken, die ook zeer nauw zijn betrokken bij de rechtsbedeling, veel meer zelfs dan de leden van het coördinatiebureau van de Raad van State of de referendarissen bij het Hof van Cassatie, die zelfs niet in contact komen met de rechtzoekenden. A.
- M.B., verweerder in cassatie, en M. V.L., voorzitter van de « Christelijke Vervoerarbeiders en Diamantbewerkers », wijzen erop dat het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat de opsomming in de in het geding zijnde bepaling van de categorieën van personen op wie het voorrecht van rechtsmacht van toepassing is, limitatief is, omdat die bepaling afwijkt van het gemeen recht. Vermits de raadsheren in sociale zaken niet voorkomen in de bedoelde opsomming, vallen zij dus niet onder het voorrecht van rechtsmacht. A.4.
- Volgens M.B. en M. V.L. dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord, in hoofdorde omdat de erin vermelde categorieën niet vergelijkbaar zijn. Rechters en raadsheren in sociale zaken worden aangesteld uit hoofde van hun beroepsactiviteit als werkgever, arbeider of bediende. Zij kunnen worden beschouwd als vertegenwoordigers van de voor de beroepen representatieve organisaties, die erop toezien dat de rechterlijke macht op onpartijdige wijze en conform de wet recht spreekt. Het was de bedoeling van de wetgever om praktische kennis met betrekking tot de 5 arbeidsverhoudingen binnen te brengen in de arbeidsrechtbanken en -hoven, zodat de beroepsmagistraten voldoende voeling zouden blijven behouden met de sociale werkelijkheid. Aldus wordt het vertrouwen in justitie bij het middenveld en de bevolking verhoogd. Niettemin zijn de rechters en raadsheren in sociale zaken geen beroepsmagistraten, maar slechts lekenrechters. Dit uit zich bijvoorbeeld op het vlak van hun benoeming, vermits zij, in tegenstelling tot beroepsmagistraten, niet voor het leven zijn benoemd. Hun benoeming geldt slechts voor een hernieuwbare periode van vijf jaar. Zij hebben dus niet de hoedanigheid van magistraat. De afwijkende procedureregels van voorrecht van rechtsmacht werden door de wetgever voorbehouden aan personen die met de hoedanigheid van magistraat zijn bekleed of aan bepaalde ambtsdragers. Zo genieten de plaatsvervangende rechters voorrecht van rechtsmacht, om reden dat zij het statuut hebben van magistraat. Toegevoegde rechters of substituten genieten eveneens voorrecht van rechtsmacht indien zij de hoedanigheid van magistraat hebben. Indien een magistraat wegens het bereiken van de leeftijdsgrens in ruste wordt gesteld, blijft hij bekleed met het ambt, zelfs al oefent hij dit niet meer daadwerkelijk uit, zodat hij het voorrecht van rechtsmacht geniet. Indien een magistraat om een andere reden in ruste wordt gesteld, bijvoorbeeld wegens ziekte of ontslag, behoort hij niet meer tot de rechterlijke macht en geniet hij bijgevolg niet meer het voorrecht van rechtsmacht. In dezelfde logica genieten de gerechtelijke stagiairs, de burgerlijke leden van het militair gerecht en de leden van de jury niet het voorrecht van rechtsmacht, aangezien zij geen magistraten zijn. Raadsheren in sociale zaken zijn bijgevolg niet vergelijkbaar met raadsheren in het arbeidshof. A.4.
- J.J. antwoordt dat de prejudiciële vraag niet enkel betrekking heeft op het verschil in behandeling tussen raadsheren in sociale zaken en raadsheren in het arbeidshof. Die vraag heeft betrekking op het verschil in behandeling tussen raadsheren in sociale zaken, enerzijds, en alle personen vermeld in de in het geding zijnde bepaling, anderzijds. Het is onmiskenbaar dat raadsheren in sociale zaken, vanwege hun functie binnen het gerecht en hun nauwe betrokkenheid bij de rechtsbedeling, vergelijkbaar zijn met bepaalde in die bepaling vermelde personen. A.5.
- M.B. en M. V.L. menen dat er evenmin kan worden gesproken van enige vorm van benadeling. Wanneer het hof van beroep kennis neemt van de strafvordering ingesteld tegen personen die het voorrecht van rechtsmacht genieten, houdt het immers zitting als vonnisgerecht in eerste en laatste aanleg. De personen die onder het toepassingsgebied van het voorrecht van rechtsmacht vallen, genieten de dubbele aanleg dus niet. Er is bovendien geen enkele reden om aan te nemen dat rechters en raadsheren in sociale zaken op het vlak van de rechtsbescherming over minder omvangrijke waarborgen zouden beschikken door het feit dat zij niet het voorrecht van rechtsmacht genieten. A.5.
- J.J. antwoordt dat het voorrecht van rechtsmacht wel degelijk een bescherming biedt, aangezien het wil voorkomen dat ondoordachte, onverantwoorde of tergende vervolgingen zouden worden ingesteld tegen personen op wie dat stelsel van toepassing is. Aanvoeren dat het voorrecht van rechtsmacht veeleer een nadeel dan een voordeel zou zijn, vloeit overigens voort uit een subjectieve appreciatie. A.6.
- In zoverre er sprake zou zijn van een ongelijke behandeling van vergelijkbare situaties, bestaat voor dat verschil in behandeling, volgens M.B. en M. V.L., een objectieve en redelijke verantwoording en is de maatregel niet onevenredig met het beoogde doel, wat reeds door het Hof van Beroep te Antwerpen werd gesteld in een arrest van 11 juni
- Allereerst dient ermee rekening te worden gehouden dat er geen grondrecht of enig ander fundamenteel beginsel in het geding is, zodat het Hof te dezen slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid beschikt en zodat slechts moet worden nagegaan of het feit dat raadsheren in sociale zaken niet het voorrecht van rechtsmacht genieten, al dan niet een kennelijk willekeurig of onredelijk verschil in behandeling in het leven roept. De regeling inzake het voorrecht van rechtsmacht is in de eerste plaats een beleidskwestie die door de wetgever dient te worden beslecht. Vervolgens dient ermee rekening te worden gehouden dat de wetgever met de betwiste regeling heeft willen voorkomen dat magistraten zouden worden berecht door hun rechtstreekse collega’s of ondergeschikten, of door lagere magistraten, waardoor zij te streng of met te veel toegevendheid zouden kunnen worden behandeld. Daaruit zou duidelijk blijken dat de bijzondere regels van het voorrecht van rechtsmacht in hoofdzaak zijn gericht tot beroepsmagistraten. Ten aanzien van rechters en raadsheren in sociale zaken is het risico immers onbestaande dat zij voor wanbedrijven of misdaden door rechtstreekse ambtgenoten zouden worden berecht. Bovendien wou de wetgever slechts een beperkte afwijking van de gemeenrechtelijke regels in het leven roepen. De uitbreiding van het voorrecht van rechtsmacht tot andere categorieën zou het risico 6 inhouden dat die bijzondere regeling haar uitzonderlijk karakter verliest. Rechters en raadsheren in sociale zaken hebben naast hun functie binnen de rechterlijke macht immers doorgaans nog een andere beroepsactiviteit, zodat de kans dat zij buiten hun ambt bepaalde feiten plegen, groter is dan bij beroepsmagistraten. Bovendien zouden er nieuwe discriminaties ontstaan, aangezien de leden van de beroepsgroep waartoe de betrokken lekenrechter behoort, niet het voorrecht van rechtsmacht zouden genieten. A.6.
- J.J. is van oordeel dat M.B. en M. V.L. de grondwettigheidsvraag beperken tot een vergelijking tussen raadsheren in het arbeidshof en raadsheren in sociale zaken. Hij wijst erop dat bijvoorbeeld ook de referendarissen bij het Hof van Cassatie en de leden van het coördinatiebureau bij de Raad van State onder het stelsel van voorrecht van rechtsmacht vallen. A.
- Zelfs indien het Hof van oordeel zou zijn dat er sprake is van een ongrondwettigheid, kan er, volgens M.B. en M. V.L., hoogstens sprake zijn van een discriminatie veroorzaakt door een leemte in de wetgeving. Dit zou met zich meebrengen dat de wetgever zou moeten beoordelen of de regeling van het voorrecht van rechtsmacht zou moeten worden uitgebreid tot de rechters en raadsheren in sociale zaken, dan wel voor bepaalde andere categorieën zou moeten worden afgeschaft. Noch het Hof, noch de verwijzende rechters hebben immers de bevoegdheid om te bepalen welke gevolgen zouden moeten worden verbonden aan een arrest waarin wordt vastgesteld dat de discriminatie voortvloeit uit een leemte in de wetgeving. A.8.
- De Ministerraad is van oordeel dat de prejudiciële vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De desbetreffende categorieën van personen kunnen weliswaar worden beschouwd als vergelijkbaar, maar voor het verschil in behandeling bestaat een objectieve en redelijke verantwoording. A.8.
- Volgens de Ministerraad heeft de wetgever met de in het geding zijnde bepaling een rechtmatig doel nagestreefd, wat door het Hof overigens reeds meerdere malen is bevestigd, meer bepaald in de arresten nrs. 66/94, 50/96, 60/96, 13/98, 112/98 en 117/
- In een arrest van 15 juli 2003 heeft ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aanvaard dat met het voorrecht van rechtsmacht een rechtmatig doel wordt nagestreefd, namelijk het goed functioneren van de rechterlijke macht. Bovendien brengt het verschil in behandeling geen kennelijk onevenredige gevolgen met zich mee. Dat zou daarentegen wel het geval zijn bij een uitbreiding van het toepassingsgebied van het voorrecht van rechtsmacht, waarvan steeds werd aanvaard dat het restrictief moet worden geïnterpreteerd. Er dient immers rekening te worden gehouden met het feit dat het voorrecht van rechtsmacht de rechten van de burgerlijke partij beperkt, in die zin dat zij onder dat stelsel niet de mogelijkheid heeft om personen rechtstreeks te dagvaarden. Bovendien is er ook een beperking van de rechten van andere personen die niet rechtstreeks onder het toepassingsgebied van het voorrecht van rechtsmacht vallen, maar moeten worden berecht samen met de persoon die er wel onder valt. A.8.
- Vermits de raadsheren in sociale zaken niet de hoedanigheid van magistraat bezitten, vallen zij, volgens de Ministerraad, logischerwijze niet onder het stelsel van het voorrecht van rechtsmacht. Wat de vergelijking betreft tussen raadsheren in sociale zaken, enerzijds, en plaatsvervangende rechters en leden van het auditoraat en van het coördinatiebureau van de Raad van State, anderzijds, wijst de Ministerraad erop dat het statuut van de desbetreffende categorieën niet identiek is en dat de leden van het auditoraat en van het coördinatiebureau van de Raad van State moeten worden beschouwd als magistraten. -B- B.
- Sinds de laatste wijziging ervan bij artikel 205 van de wet van 15 september 2006 « tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen » bepaalt artikel 479 van het Wetboek van strafvordering : « Wanneer een vrederechter, een rechter in de politierechtbank, een rechter in de rechtbank van eerste aanleg, in de arbeidsrechtbank of in de rechtbank van koophandel, een 7 raadsheer in het hof van beroep of in het arbeidshof, een raadsheer in het Hof van Cassatie, een magistraat van het parket bij een rechtbank of een hof, een referendaris bij het Hof van Cassatie, een lid van het Rekenhof, een lid van de Raad van State, van het auditoraat of van het coördinatiebureau bij de Raad van State, een lid van het Arbitragehof, een referendaris bij dat Hof, de leden van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, een provinciegouverneur, ervan beschuldigd wordt buiten zijn ambt een misdrijf gepleegd te hebben dat een correctionele straf meebrengt, laat de procureur-generaal bij het hof van beroep hem dagvaarden voor dat hof, dat uitspraak doet, zonder dat beroep kan worden ingesteld ». B.
- Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van die bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij een verschil in behandeling invoert tussen twee categorieën van leden van het arbeidshof : enerzijds, de raadsheer in het arbeidshof en, anderzijds, de raadsheer in sociale zaken. In geval van een wanbedrijf of een gecorrectionaliseerde misdaad gepleegd buiten zijn ambt, kan alleen de eerstgenoemde slechts door het hof van beroep worden berecht. B.
- De raadsheer in sociale zaken is ten aanzien van de bijzondere regeling van het zogeheten systeem van het voorrecht van rechtsmacht, voldoende vergelijkbaar met de raadsheer in het arbeidshof. De raadsheer in sociale zaken maakt immers deel uit van het arbeidshof (artikel 103 van het Gerechtelijk Wetboek) en neemt, samen met een raadsheer in het arbeidshof, kennis van zaken die tot de bevoegdheid van dat hof behoren (artikel 104 van dat Wetboek). B.4.
- Het voorrecht van rechtsmacht, dat van toepassing is op de magistraten en op bepaalde andere titularissen van een openbaar ambt, is ingesteld met het oog op het verzekeren van een onpartijdige en serene rechtsbedeling ten aanzien van die personen. De bijzondere regels op het gebied van onderzoek, vervolging en berechting die het voorrecht van rechtsmacht inhoudt, beogen te vermijden dat, enerzijds, ondoordachte, onverantwoorde of tergende vervolgingen jegens de ambtsdragers op wie dat stelsel van toepassing is, op gang zouden worden gebracht, anderzijds, die ambtsdragers hetzij te streng, hetzij met te veel toegevendheid zouden worden behandeld. Het geheel van die motieven kan in beginsel redelijkerwijze verantwoorden dat de personen op wie het voorrecht van rechtsmacht van toepassing is, op het gebied van het 8 onderzoek, de vervolging en de berechting anders worden behandeld dan de rechtsonderhorigen op wie de gewone regels van de strafrechtspleging van toepassing zijn. B.4.
- De regels betreffende het voorrecht van rechtsmacht zijn ingesteld om redenen van algemeen belang en niet in het persoonlijk belang van de personen op wie het stelsel van toepassing is. Die regels zijn van openbare orde, zodat die personen niet eraan kunnen verzaken, ook niet wanneer zij oordelen dat de toepassing van de gewone regels van de strafrechtspleging hun gunstiger uitvalt. B.
- Het staat in beginsel aan de wetgever om te beoordelen voor welke overheidsambten dient te worden voorzien in van de gewone regels van de strafrechtspleging afwijkende regels om de door hem nagestreefde - in B.4.1 aangehaalde - doelstellingen van algemeen belang te bereiken. Het Hof kan de door de wetgever op dat vlak gemaakte keuzes slechts in het geding brengen indien ze kennelijk onredelijk zijn of indien ze leiden tot een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen. B.6.
- De raadsheren in sociale zaken worden benoemd door de Koning, op voordracht van, al naargelang, de voor Arbeid bevoegde minister of de voor Middenstand bevoegde minister (artikel 216, eerste en tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek). De kandidaten worden in principe aan de minister voorgedragen door de representatieve organisaties van werkgevers, werknemers-arbeiders, werknemers-bedienden en zelfstandigen (artikelen 199, 201 en 216, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek). De raadsheren in sociale zaken worden benoemd voor een hernieuwbaar mandaat van vijf jaar (artikelen 202, tweede lid, en 216, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek). B.6.
- De raadsheren in het arbeidshof worden van hun kant benoemd op gemotiveerde voordracht van de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie, na afweging van hun bekwaamheid en geschiktheid (artikel 259ter, § 4, eerste, tiende en twaalfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Hun benoeming geldt voor het leven (artikel 152, eerste lid, van de Grondwet). 9 B.6.
- Ten aanzien van de tuchtregeling vermocht de wetgever ervan uit te gaan dat de raadsheren in sociale zaken en de raadsheren in het arbeidshof aan dezelfde tuchtregeling moesten worden onderworpen en dat dezelfde procedure zonder onderscheid moest worden toegepast op « diegenen die hun ambtsplichten verzuimen of door hun gedrag afbreuk doen aan de waardigheid van hun ambt » en op diegenen « die de taken van hun ambt verwaarlozen en zodoende afbreuk doen aan de goede werking van de justitie of aan het vertrouwen in die instelling » (artikelen 404, 410, § 1, 1°, 412, § 2, 1°, en 415, §§ 2 en 3, van het Gerechtelijk Wetboek). B.
- Wat daarentegen het voorrecht van rechtsmacht betreft, vermocht de wetgever rekening ermee te houden dat de raadsheren in sociale zaken in hoofdorde een beroep uitoefenen dat losstaat van de rechtsbedeling. Hoewel artikel 300, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de raadsheren in sociale zaken aan dezelfde regels van onverenigbaarheid als de werkende rechters zijn onderworpen, voorziet het in belangrijke afwijkingen van die regel, vermits die laatste van toepassing is « met uitzondering van » met name « het drijven van een handel, het beheer of de leiding van of het toezicht op handelsvennootschappen en nijverheids- of handelsinrichtingen », « het aangaan en de uitvoering van een arbeidsovereenkomst » en « de uitoefening van het beroep van bedrijfsrevisor en van accountant en de bezigheden die hen daardoor geoorloofd zijn ». B.
- Tussen de raadsheren in het arbeidshof en de raadsheren in sociale zaken bestaan dus zodanige verschillen die verantwoorden dat zij ten aanzien van het voorrecht van rechtsmacht verschillend worden behandeld. B.
- De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 479 van het Wetboek van strafvordering schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in zoverre het de raadsheer in sociale zaken niet beoogt. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 11 maart
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.044 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div