id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 11 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.048 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090311.10 Arrest- Rolnummer: 48/2009 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-03-11 Raadplegingen: 271 - laatst gezien 2026-06-29 21:46 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 10, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, zoals vervangen bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 10, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, zoals vervangen bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, gesteld door het Arbeidshof te Gent. Sociaal recht - Arbeidsrecht - Bescherming van het loon der werknemers - Verwijlintresten -
- Werknemer -
- RSZ. Wettelijke bepalingen: Wet - 26-06-2002 - 82 - 55 ELI link Pub nr 2002012847 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet - 12-04-1965 - 10,L2 - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Tekst van de beslissing Rolnummer 4489 Arrest nr. 48/2009 van 11 maart 2009 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 10, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, zoals vervangen bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, gesteld door het Arbeidshof te Gent. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe en J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 27 juni 2008 in zake de bvba « Nuance Communications International » tegen Michael Ziegler, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 1 juli 2008, heeft het Arbeidshof te Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 10, tweede lid, van de Loonbeschermingswet al dan niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, enerzijds, doordat de werknemer, die het deel van het loon dat overeenstemt met het bedrag van de in te houden RSZ-bijdragen en bedrijfsvoorheffing, niet kan opeisen van de werkgever, in geval van vertraging bij de betaling van het loon, ten laste van de werkgever toch recht heeft op de betaling van verwijlintrest op dat deel, terwijl elke andere schuldeiser in geval van vertraging in de uitvoering van een verbintenis die betrekking heeft op het betalen van een geldsom, bij wijze van schadevergoeding slechts recht heeft op verwijlintrest berekend op de geldsom die hij zelf van zijn schuldenaar kan opeisen, en anderzijds, doordat de werkgever in geval van vertraging in de uitvoering van zijn verbintenis tot het betalen van loon, niet alleen aan de werknemer intrest verschuldigd is op het gehele loon, dus ook op dat deel ervan dat overeenstemt met de in te houden RSZ-bijdragen van de werknemer en bedrijfsvoorheffing, doch bovendien aan de derden die het recht hebben de betaling van die RSZ-bijdragen en die bedrijfsvoorheffing van hem te vorderen, zijnde de RSZ en de Belgische Staat, op het deel van het loon dat overeenstemt met de in te houden RSZ-bijdragen en bedrijfsvoorheffing, verwijlintrest verschuldigd is, terwijl elke andere schuldenaar op een zelfde deel van een schuld maar éénmaal verwijlintrest verschuldigd is, en wel enkel aan die schuldeiser die met betrekking tot dat deel over een opeisbare schuldvordering beschikt ? ». De Ministerraad heeft een memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 14 januari 2009 : - is verschenen : Mr. A. Swinnen loco Mr. M. Van Reybrouck, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Het Arbeidshof te Gent dient in beroep uitspraak te doen over een vordering, ingeleid door M. Ziegler tegen de bvba « Nuance Communications International », strekkende tot de veroordeling van die vennootschap 3 tot betaling van een compensatoire vergoeding, wegens toepassing van het concurrentiebeding, van 78 120,69 euro, vermeerderd met de wettelijke en gerechtelijke intresten. In eerste aanleg werd de vordering van M. Ziegler ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard en de vennootschap « Nuance Communications International » veroordeeld tot het betalen van 70 432,97 euro, als compensatoire vergoeding, vermeerderd met de wettelijke en gerechtelijke intresten. De vennootschap « Nuance Communications International » gaat hiertegen in beroep. Het Arbeidshof te Gent verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het vonnis van de eerste rechter, maar stelt toch de bovenvermelde prejudiciële vraag aan Hof aangaande de problematiek van de intresten, meer bepaald over de basis van de berekening van de intresten. III. In rechte -A- A.1.
- De Ministerraad wijst erop dat de prejudiciële vraag uit twee delen bestaat. Wat betreft het eerste deel, meent de Ministerraad dat dat deel betrekking heeft op het eventuele voordeel van de werknemer ten aanzien van andere schuldeisers doordat de intrest steeds wordt berekend op het bedrag van de geldsom die de schuldeiser van de schuldenaar kan vorderen, terwijl volgens artikel 10, tweede lid, van de Loonbeschermingswet de werknemer toch de betaling van de intrest kan vorderen op het deel van het loon dat hij niet kan opeisen, te weten het bedrag dat overeenstemt met de RSZ-bijdragen en de bedrijfsvoorheffing. Overeenkomstig artikel 10, tweede lid, van de Loonbeschermingswet is, sedert 1 juli 2005, intrest verschuldigd op het brutoloon. A.1.
- Volgens de Ministerraad is de werknemer schuldeiser van zijn brutoloon, waarop intresten eisbaar zijn tot op het ogenblik dat de werkgever de inhoudingen op dat loon in mindering zal brengen. Bovendien gaat, volgens de Ministerraad, de prejudiciële vraag uit van de verkeerde veronderstelling als zou enkel de werknemer als schuldeiser ten aanzien van zijn schuldenaar, de werkgever, bevoordeeld zijn. Ook kooplieden die hun factuur invorderen, zelfstandigen die aanspraak maken op hun ereloon, bijvoorbeeld, hebben recht op het brutobedrag van hun vordering en kunnen op dat brutobedrag intresten vorderen. Derhalve is er geen sprake van een onderscheiden behandeling. A.1.
- Subsidiair wijst de Ministerraad er nog op dat het sociaal recht een autonome rechtstak is, gelet op het feit dat het gaat om een beschermingswetgeving met ongelijke partijen, waarbij de werknemer, als zwakkere partij, een bijzondere en eigensoortige bescherming geniet. In die optiek zijn er nog andere afwijkingen van het gemeen recht in verband met het loon in het sociaal recht. A.2.
- Wat betreft het tweede deel, merkt de Ministerraad op dat het betrekking heeft op de benadeling van de werkgever die intresten zou moeten betalen op het volledige loon ten aanzien van de werknemer en daarenboven aan derden. In het sociaal recht zijn de bijdrageopslagen en de nalatigheidsintresten geen burgerlijke sancties, maar administratieve sancties, die rechtstreeks krachtens de wet van toepassing zijn op diegenen die de verschuldigde bijdragen niet stipt en tijdig betalen en aldus de financiering en de goede werking van de sociale zekerheid, zijnde een openbare dienst, in het gedrang kan brengen. Derhalve kan niet worden gesteld dat de werkgever gehouden is tot een dubbele intrestbetaling. Bovendien zijn de aard en de oorzaak van de gehoudenheid tot het betalen van de intresten verschillend, zodat het mogelijk is dat het betalen van intresten kan gelden ten opzichte van meerdere schuldeisers. Daarnaast is er, volgens de Ministerraad, tevens een verschil ten aanzien van de periode waarop de verschuldigde sommen betrekking hebben. 4 A.2.
- Bovendien voert de Ministerraad aan dat, zelfs indien er sprake zou zijn van een onderscheiden behandeling, die onderscheiden behandeling niet te wijten is aan artikel 10, tweede lid, van de Loonbeschermingswet, maar wel aan de bijzondere systematiek van de socialezekerheids- en belastingwetgeving ten aanzien van werknemers in vergelijking met andere beroepscategorieën. Ten aanzien van werknemers wordt erin voorzien dat de betaling van socialezekerheidsbijdragen en de bedrijfsvoorheffing geschiedt door een wettelijke afhoudingsplicht ten laste van de werkgever. Het is die systematiek die de beweerde ongelijke behandeling in het leven roept. A.
- Derhalve dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord. -B- B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 10, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers (hierna : « Loonbeschermingswet »), zoals vervangen bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen. Dat artikel 10 bepaalt : « Voor het loon is van rechtswege rente verschuldigd met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar wordt. Die rente wordt berekend op het loon, vooraleer de in artikel 23 bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht ». B.2.
- De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of artikel 10, tweede lid, van de Loonbeschermingswet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, doordat een werknemer recht heeft op verwijlintresten berekend op zijn volledige brutoloon, met inbegrip van het niet-opeisbare deel, te weten de socialezekerheidsbijdragen en de bedrijfsvoorheffing, ten laste van de werkgever, terwijl andere schuldeisers slechts recht hebben op verwijlintresten berekend op het opeisbare deel van de schuld (eerste onderdeel), en doordat een werkgever tweemaal verwijlintresten dient te betalen, namelijk aan de werknemer op zijn brutoloon, enerzijds, en aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) en de Belgische Staat op de RSZ-bijdragen en de bedrijfsvoorheffing, anderzijds, terwijl andere schuldenaren slechts eenmaal verwijlintresten dienen te betalen (tweede onderdeel). B.2.
- Het brutoloon is het loon zonder de werkgeversbijdragen, maar met inbegrip van de werknemersbijdragen en de bedrijfsvoorheffing. De werknemersbijdragen en de bedrijfsvoorheffing zijn inhoudingen op het loon en maken deel uit 5 van het loon dat de werkgever heeft toegezegd. Het brutoloon is een abstracte berekeningsbasis, waarvan de werkelijke loonbedragen, bijdragen en uitkeringen worden afgeleid. B.3.
- Het doel van de Loonbeschermingswet bestaat erin een maximale beschikbaarheid van het door de werknemer verdiende loon te verzekeren. « Onder de woorden ‘ bescherming van het loon ’ wordt in het ontwerp verstaan het vooraf bestaande recht op loon, hetzij ingevolge een arbeidsovereenkomst, of een andere overeenkomst tot het verrichten van arbeid, hetzij krachtens een wet of reglement, te beschermen. Dit doel wordt bereikt door het treffen van de nodige maatregelen opdat de gerechtigde in voldoende mate over zijn loon kan beschikken om in zijn levensonderhoud en in dat van zijn gezin kan voorzien » (Parl. St., Kamer, 1962-1963, nr. 471/1, p. 1). B.3.
- Aangaande de intrest werd in artikel 10 bepaald : « Voor het loon is van rechtswege rente verschuldigd met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar wordt ». Dienaangaande werd door de wetgever, naar aanleiding van het wetsontwerp tot instelling van het statuut der handelsvertegenwoordigers (Parl. St., Senaat, 1962-1963, nr. 185, pp. 74-75) opgemerkt dat « door de intrest ambtshalve te doen lopen, […] een oorzaak van slechte verstandhouding in de loop van het contract [wordt] weggenomen en […] dikwijls de goede betrekkingen tussen beide partijen [kunnen] blijven voortduren ». Daardoor is geen ingebrekestelling vereist. B.3.
- Door het Hof van Cassatie werd meermaals geoordeeld dat volgens de strekking en de bewoordingen van artikel 10 onder het begrip « loon » enkel wordt begrepen het loon waarop de werknemer aanspraak kan maken ten aanzien van de werkgever. Het Hof van Cassatie voegde daaraan toe dat, behoudens tegenstrijdig beding, de werknemer niet het recht heeft het bedrag van de bedrijfsvoorheffing op te eisen en hij evenmin het bedrag van zijn bijdrage voor de sociale zekerheid kan opeisen, zodat op die beide bedragen geen intrest verschuldigd is aan de werknemer (Cass., 10 maart 1986, Arr. Cass., 1985, p. 956; Cass., 17 november 1986, Arr. Cass., 1986, p. 364). 6 B.3.
- De wetgever heeft zich tegen die rechtspraak verzet door respectievelijk, bij de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, een artikel 3bis in de Loonbeschermingswet en een tweede lid in artikel 10 van die wet in te voegen. Volgens de parlementaire voorbereiding zijn beide toevoegingen te verklaren, enerzijds, door de bedoeling van die wet, te weten de bescherming van de betaling van hetgeen aan de werknemer verschuldigd is en daarmee samenhangend het recht van de werknemer op de uitbetaling van zijn brutoloon, en, anderzijds, door de berekening van de verwijlintresten op het brutoloon van de werknemer, omdat het brutoloon het loon is waarop de werknemer, ingevolge zijn arbeidsovereenkomst, recht heeft. Omdat de fiscale inhoudingen (bedrijfsvoorheffing) en de sociale inhoudingen (persoonlijke werknemersbijdragen) niet zouden kunnen worden verricht indien een werknemer geen recht zou hebben op de betaling van zijn brutoloon, heeft het recht van de werknemer op de betaling van zijn loon betrekking op zijn brutoloon (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1687/001, p. 48). B.4.
- Wat het eerste onderdeel van de prejudiciële vraag betreft, bestaat ter zake geen onderscheid in behandeling. Ten aanzien van beide categorieën van schuldeisers wordt de berekeningsbasis van de verwijlintresten vastgesteld op hetgeen aan hen verschuldigd is. Het brutoloon, te weten het nettoloon, de socialezekerheidsbijdragen en de bedrijfsvoorheffing, vormt immers het loon waarop de werknemer recht heeft ingevolge zijn arbeidsovereenkomst. De omstandigheid dat de bedrijfsvoorheffing en de socialezekerheidsbijdragen door de werkgever aan de desbetreffende overheidsinstanties worden doorgestort alvorens de werknemer over zijn loon kan beschikken, heeft niet tot gevolg dat die voormelde bijdragen niet zouden toebehoren aan de werknemer. De werknemersbijdragen en de bedrijfsvoorheffing zijn immers inhoudingen op wat reeds loon is en maken deel uit van het loon dat de werkgever heeft toegezegd. B.4.
- Derhalve wordt ten aanzien van beide categorieën van schuldeisers een dezelfde berekeningsbasis in acht genomen, namelijk hetgeen dat aan hen verschuldigd is. 7 B.
- De prejudiciële vraag dient, wat het eerste onderdeel betreft, ontkennend te worden beantwoord. B.
- Wat het tweede onderdeel van de prejudiciële vraag betreft, gaat de vraag uit van een foutieve veronderstelling. B.7.
- Het startpunt van de verwijlintresten ten aanzien van de werknemer en ten aanzien van de overheidsinstanties is verschillend. Ten aanzien van de werknemer zijn de verwijlintresten verschuldigd met ingang van het tijdstip waarop het brutoloon eisbaar wordt, te weten na afloop van de maand waarin de werknemer arbeidsprestaties heeft verricht. De loonverbintenis, die is aangegaan in wisselwerking met de arbeidsverbintenis, staat tegenover de gehele arbeidsverbintenis, zodat de betaling van elk deel van de loonschuld samenhangt met de uitvoering van de gehele arbeidsverbintenis. Ten aanzien van de overheidsinstanties zijn de verwijlintresten verschuldigd met ingang van het tijdstip waarop effectief tot uitbetaling van het loon wordt overgegaan. Bij elke loonbetaling moet de werkgever de bijdragen inhouden die ten laste van de werknemers vallen. Pas indien op dat moment geen inhoudingen werden verricht, zullen achterstallen en nalatigheidintresten kunnen worden gevorderd. B.7.
- Derhalve zal de werkgever niet tweemaal tot het betalen van dezelfde verwijlintresten worden veroordeeld, omdat slechts eenmaal verwijlintresten voor één schuldeiser voor een bepaalde periode zullen moeten worden betaald, en derhalve de intresten elkaar opvolgen in de tijd. B.
- De prejudiciële vraag dient, wat het tweede onderdeel betreft, ontkennend te worden beantwoord. 8 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 10, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, zoals vervangen bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 11 maart
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.048 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div