← België

ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.054

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.054 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090319.3 ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090319.10 Arrest- Rolnummer: 54/2009 Invoerdatum: 2009-04-06 Raadplegingen: 259 - laatst gezien 2026-06-29 23:07 Versie(s): Versie FR Versie DE Tekst van de beslissing Rolnummer 4466 Arrest nr. 54/2009 van 19 maart 2009 ___________ In zake : de prejudiciële vraag over artikel 1, 3°, eerste lid, van artikel 3 (« Overgangsbepalingen ») van de wet van 14 juli 1976 betreffende de wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten en de huwelijksvermogensstelsels, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Nijvel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 7 mei 2008 in zake B.M. tegen R.C., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 15 mei 2008, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Nijvel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 1, 3°, eerste lid, van artikel 3 van de overgangsbepalingen van de wet van 14 juli 1976 betreffende de wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten en de huwelijksvermogensstelsels, dat bepaalt dat de echtgenoten die de in het 1° bedoelde verklaring niet hebben afgelegd en die de tot de aanwinsten beperkte gemeenschap hadden aanvaard, worden onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 1415 tot 1426 voor al wat betrekking heeft op het bestuur van de gemeenschap en van hun eigen goederen, alsook aan die van de artikelen 1408 tot 1414 betreffende de gemeenschappelijke schulden en de rechten van de schuldeisers, in die zin geïnterpreteerd dat de vroegere artikelen 1453 en 1463 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn op de in het voormelde artikel bedoelde categorieën van echtgenoten, de artikelen 10, 11 en 11bis van de Grondwet en het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in zoverre de gescheiden vrouw die niet binnen drie maanden en veertig dagen na de echtscheiding de gemeenschap heeft aanvaard, wordt geacht daarvan afstand te hebben gedaan, terwijl de man zijn rechten in de gemeenschap van rechtswege verkrijgt ? ». Memories zijn ingediend door : - B.M.; - R.C.; - de Ministerraad. B.M. en de Ministerraad hebben memories van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 14 januari 2009 : - zijn verschenen : . Mr. J.-M. Thiery, advocaat bij de balie te Nijvel, voor B.M.; . Mr. R. Van Vooren loco Mr. A. Bedoret en Mr. J. Fierens, advocaten bij de balie te Brussel, voor R.C.; . Mr. J. Bourtembourg, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers P. Martens en E. Derycke verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De partijen in het hoofdgeding, B.M. en R.C., zijn gehuwd vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 juli 1976, onder het stelsel van gemeenschap beperkt tot de aanwinsten; bij de inwerkingtreding van die wet hebben zij geen verklaring afgelegd tot handhaving van hun vroegere huwelijksvermogensstelsel. De partijen zijn inmiddels gescheiden maar komen niet tot overeenstemming, in het kader van de procedure tot vereffening en verdeling, over het recht van B.M., de ex-echtgenote, om de verdeling van de gemeenschap van aanwinsten te eisen. B.M. voert in hoofdorde aan dat het vroegere artikel 1463 van het Burgerlijk Wetboek is opgeheven bij de wet van 14 juli 1976 of, indien dat niet het geval is, dat het te dezen niet van toepassing is omdat zij de gemeenschap heeft aanvaard en omdat R.C. afstand heeft gedaan van het recht om zich op het voordeel van dat artikel te beroepen; in ondergeschikte orde verzoekt zij de Rechtbank een prejudiciële vraag te stellen over de bestaanbaarheid van het voormelde vroegere artikel 1463 met de artikelen 10, 11 en 11bis van de Grondwet. R.C. beweert daarentegen dat het vroegere artikel 1463 wel van toepassing is op het geschil - waarbij het Hof van Cassatie overigens heeft gepreciseerd dat het van toepassing bleef wegens het overgangsrecht dat vervat is in de wet van 14 juli 1976 - en dat zijn ex-echtgenote de verdeling niet kan eisen omdat zij de gemeenschap niet heeft aanvaard binnen drie maanden en veertig dagen na de echtscheiding. Na meer bepaald te hebben geoordeeld dat, rekening houdend met het voormelde cassatiearrest, het vroegere artikel 1463 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing blijft krachtens de overgangsbepalingen van de wet van 14 juli 1976, en dat B.M. de gemeenschap niet heeft aanvaard binnen de wettelijke termijn en dus geacht wordt ervan afstand te hebben gedaan, stelt de verwijzende rechter het Hof de bovenvermelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- Standpunt van R.C., de ex-echtgenoot A.

  1. Wat het recht betreft dat van toepassing is op het aan de verwijzende rechter voorgelegde geschil, wijst die partij erop dat het Hof van Cassatie, in zijn arrest van 6 juni 2005, heeft besloten dat het vroegere artikel 1463 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing bleef op de ontbinding en de vereffening van een gemeenschap van aanwinsten die echtgenoten gehuwd vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 juli 1976, bij hun stelsel van scheiding van goederen hadden gevoegd. Die rechtspraak dient volgens de memorie eveneens te worden toegepast op de vereffening van een stelsel van gemeenschap beperkt tot de aanwinsten, vermits die twee stelsels op dezelfde wijze worden beoogd door artikel 1, 3°, eerste en tweede lid, van de overgangsbepalingen die vervat zijn in artikel 3 van de wet van 14 juli 1976; de toepassing van de vroegere artikelen 1453 en 1463 van het Burgerlijk Wetboek op de situatie van de partijen in het geding voor de verwijzende rechter, is duidelijk het gevolg van de toepassing van de opheffings- en wijzigingsbepalingen van de wet van 14 juli
  2. A.
  3. In hoofdorde is R.C. van mening dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft. In de veronderstelling dat het Grondwettelijk Hof zich moet uitspreken over de grondwettigheid van de vroegere artikelen 1453 en 1463 van het Burgerlijk Wetboek, via die van een bepaling van de wet van 14 juli 1976, is de toepassing van de vroegere wet immers, zoals het Hof van Cassatie in zijn voormelde arrest van 6 juni 2005 onderstreept, een gevolg van artikel 47, § 1, van de opheffings- en wijzigingsbepalingen vervat in artikel 4, § 5, van dezelfde wet : de prejudiciële vraag neemt echter dat artikel 47, § 1, niet in aanmerking. Bovendien heeft het Grondwettelijk Hof, in zijn arresten nrs. 7/2003, 109/2003 en 122/2003, artikel 1, 3°, eerste lid, van artikel 3 van de overgangsbepalingen van de wet van 14 juli 1976 alleen in aanmerking genomen in zoverre het de toepassing van sommige bepalingen uitsluit, maar heeft het nooit vastgesteld dat het leidde tot de toepassing van normen die het niet beoogt. 4 Daaruit zou voortvloeien dat de prejudiciële vraag niet naar behoren is geformuleerd - waarbij het noch het Grondwettelijk Hof, noch a fortiori de partijen overigens is toegestaan ze te herformuleren. De vraag zou dus geen antwoord behoeven. A.3.
  4. In ondergeschikte orde wordt in de memorie de vraag onderzocht die zou worden gesteld in verband met de gelijkheid tussen mannen en vrouwen, namelijk het feit dat de uit de echt gescheiden vrouw die niet binnen drie maanden en veertig dagen na de echtscheiding de gemeenschap heeft aanvaard, wordt geacht daarvan afstand te hebben gedaan, terwijl de man zijn rechten in de gemeenschap van rechtswege verkrijgt. A.3.
  5. Naast het feit dat dit verschil in behandeling op een objectief criterium berust - het al dan niet voorhanden zijn van een huwelijkscontract -, wordt in de memorie aangevoerd dat het recht van de echtgenote om bij de ontbinding van het huwelijk de gemeenschap te aanvaarden of te weigeren, vanaf de Code Napoléon ertoe strekte het voor de echtgenote zeer ongunstige karakter van het huwelijksvermogensstelsel van de gemeenschap beperkt tot de aanwinsten te compenseren; het optierecht had tot doel en heeft nog steeds tot doel, wanneer het van toepassing is, de gelijkheid die gedurende het huwelijk ten gunste van de echtgenoot is verbroken, te herstellen. R.C. voegt eraan toe dat die bekommernis om gelijkheid eveneens verklaart dat het optierecht verdween toen het stelsel van gemeenschap van aanwinsten niet langer het beheer door de echtgenoot privilegieerde. A.3.
  6. De wetgever heeft eveneens het imperatief karakter van de aanpassing van de wetgeving betreffende de huwelijksvermogensstelsels aan de rechtsbekwaamheid van de gehuwde vrouw, willen verzoenen met de eerbied voor de wilsautonomie van de partijen. A.3.
  7. Na verschillende artikels ter zake uit de rechtsleer te hebben toegelicht, besluit R.C. dat het optierecht waarin is voorzien in de vroegere artikelen 1453 en 1463 van het Burgerlijk Wetboek en de toepassing ervan op de huwelijksvermogensstelsels die vóór 1976 werden bedongen, tot doel en tot gevolg hebben dat de in de Grondwet ingeschreven beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie in acht worden genomen, met eerbiediging van de oorspronkelijke keuze van de partijen. Standpunt van B.M., de ex-echtgenote A.
  8. Die partij verwijst eveneens naar het voormelde arrest van het Hof van Cassatie van 6 juni 2005 : zij bekritiseert de interpretatie van het Hof van Cassatie, door meer bepaald te verwijzen naar de rechtsleer. Volgens de memorie waren, zelfs vóór de uitspraak van dat arrest, eminente auteurs de mening toegedaan dat die artikelen stilzwijgend waren opgeheven, en een zeer ruime meerderheid van de rechtsleer had felle kritiek op het arrest van 6 juni 2005, dat een letterlijke interpretatie van de overgangsbepalingen van de wet van 14 juli 1976 bekrachtigt, die strijdig is met de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie. Zoals het Hof bevestigde in zijn arrest nr. 7/2003, worden de aangelegenheid van het beheer van de gemeenschap en van de eigen goederen alsook die van de gemeenschappelijke schulden en de rechten van de schuldeisers voortaan uitsluitend geregeld door de artikelen 1408 en 1426 van het Burgerlijk Wetboek, zodat geen enkele formaliteit meer moet worden vervuld met betrekking tot de rechten van de echtgenote in de gemeenschap op het ogenblik van de vereffening. Het vroegere artikel 1463 van het Burgerlijk Wetboek, dat ertoe strekte de onbekwaamheid van de echtgenote te ondervangen, heeft sinds de inwerkingtreding van de wet van 14 juli 1976 geen bestaansreden meer omdat het niet gaat om een bepaling die de verrichtingen van vereffening en verdeling regelt - een aangelegenheid die geregeld blijft door de conventionele bepalingen -, maar om een bepaling die enkel was aangenomen om de rechten van de echtgenote te vrijwaren. De wetgever had voorzien in een uitweg, in een gunst voor de echtgenote, om haar ertoe in staat te stellen niet de negatieve gevolgen te moeten ondergaan van het beheer van de gemeenschappelijke goederen, waaraan zij niet had kunnen deelnemen omdat de vroegere Code Napoléon (het vroegere artikel 1421) het beheer van die goederen uitsluitend aan de echtgenoot toekende. Het vroegere artikel 1463 van het Burgerlijk Wetboek valt bijgevolg onder het beheer van de gemeenschap en de regeling van de schulden, en is geen bepaling die betrekking heeft op de vereffening en verdeling van het huwelijksvermogensstelsel. De nieuwe bepalingen van de wet van 14 juli 1976 betreffende het beheer van de gemeenschap zijn bijgevolg, wanneer het standpunt van het Hof in zijn arrest nr. 7/2003 wordt gevolgd, onmiddellijk van toepassing, en er is geen reden meer om artikel 1463 toe te passen. 5 A.5.
  9. Indien die bepaling niettemin zou worden beschouwd als een regel van vereffening-verdeling, zou het Grondwettelijk Hof volgens B.M. enkel kunnen vaststellen dat het gelijkheidsbeginsel geschonden is. A.5.
  10. Volgens een van de auteurs die in de memorie wordt geciteerd, is het egalitaire beheer van vermogens, waarin de wet van 1976 voorziet, van openbare orde en veronderstelt het de onmiddellijke nietigheid van alle regels van ongelijk beheer, met inbegrip van de consequenties ervan, zoals de keuzemogelijkheid, voor de echtgenote, om afstand te doen van de gemeenschap of ze te aanvaarden; het nieuwe egalitaire beheer impliceert dat wettig gestelde handelingen in acht worden genomen en erkent niet het recht om afstand te doen van het gemeenschappelijk actief of passief. Indien het vroegere optierecht om de gemeenschap te aanvaarden of afstand ervan te doen zou worden gehandhaafd, zou er een tegenstelling zijn tussen de vroegere en de nieuwe bepalingen. Meer bepaald om die reden zou het optierecht niet kunnen worden beschouwd als « noodzakelijk » in de zin van artikel 47, § 3, met als gevolg dat het Hof zou moeten besluiten dat die regel niet van toepassing is. A.5.
  11. Overigens, aangezien het vroegere artikel 1463 van het Burgerlijk Wetboek van openbare orde was en dus vreemd aan de wil van de partijen, zou louter het argument van de bindende kracht van het huwelijkscontract niet kunnen verantwoorden dat wordt besloten tot de toepasbaarheid van die bepaling. A.5.
  12. In de memorie wordt eveneens eraan herinnerd dat het Hof in zijn arrest nr. 7/2003 heeft beslist dat de wet van 14 juli 1976 van onmiddellijke toepassing was wat de aangelegenheden betreft die betrekking hebben op het nagestreefde doel. Het doel dat met de hervorming van huwelijksvermogensstelsels werd nagestreefd, bestond duidelijk erin de juridische ontvoogding van de gehuwde vrouw en de gelijkheid tussen mannen en vrouwen vast te leggen, beginselen waarmee het vroegere artikel 1463 van het Burgerlijk Wetboek in tegenspraak is. Bovendien is de regeling waarin die bepaling voorziet, onevenredig : de echtgenoot moet geen enkele stap ondernemen in het kader van de vereffening, en beschikt ambtshalve over de helft van de gemeenschap; wanneer a contrario de echtgenote geen enkele stap onderneemt (namelijk een verklaring binnen de termijn van drie maanden en veertig dagen), beschikt de echtgenoot over het geheel van de gemeenschap die tijdens het huwelijk werd gevormd, en dat terwijl het beheer van het vermogen egalitair is geworden met de wet van 14 juli
  13. Wanneer de redenering verder wordt doorgetrokken, zou men zelfs kunnen stellen dat er sprake is van discriminatie ten aanzien van de echtgenoot, die geen afstand kan doen van de gemeenschap van aanwinsten, zelfs al heeft de echtgenote, via het egalitaire beheer dat werd ingevoerd bij de wet van 14 juli 1976, mogelijkerwijs aanzienlijke schulden gemaakt buiten het medeweten van haar echtgenoot. A.5.
  14. Er ontstaat met andere woorden een ongelijke behandeling tussen mannen en vrouwen door de instandhouding en toepassing van de vroegere artikelen 1453 en 1463 van het Burgerlijk Wetboek, als gevolg van de interpretatie van het Hof van Cassatie. A.6.
  15. In de memorie van antwoord van B.M. wordt haar voorgaande argumentatie overgenomen en worden twee opmerkingen toegevoegd. A.6.
  16. De eerste opmerking betreft de weerslag van de hervorming van 1976 op de grondwettigheid van de vroegere artikelen 1453 en 1463 van het Burgerlijk Wetboek. Die bepalingen leidden niet tot ongelijkheid onder de vroegere regeling van de huwelijksvermogensstelsels : zij hadden immers « tot doel de echtgenote te beschermen tegen het exclusieve beheer van de goederen door de echtgenoot », en waren dus evenredig ten opzichte van de regeling die vóór 1976 van kracht was. Diezelfde bepalingen zouden echter ongelijkheid in de hand werken na de voormelde hervorming, waarbij de juridische ontvoogding van de vrouw en het egalitaire beheer van de goederen die het vermogen van de echtgenoten vormen, werden vastgelegd. De nieuwe regels betreffende het beheer van het vermogen zouden dus onmiddellijk van toepassing zijn op de echtgenoten, maar een vroegere regel, in dit geval het optierecht, zou nog op de echtgenoten van toepassing zijn, en dat zonder redelijke verantwoording. Het in het geding zijnde verschil in behandeling zou niet meer verantwoord zijn vermits de reden die de wetgever ertoe had gebracht aan de echtgenote een optierecht toe te kennen, namelijk het exclusieve beheer door de echtgenoot, niet meer bestaat. 6 A.6.
  17. De memorie van antwoord voegt ten slotte eraan toe dat het Hof de prejudiciële vraag geheel onafhankelijk moet onderzoeken en dat het meer bepaald geen rekening moet houden met het argument volgens hetwelk een arrest dat de vroegere artikelen 1453 en 1463 van het Burgerlijk Wetboek discriminerend zou verklaren, aanleiding zou kunnen geven tot talrijke aansprakelijkheidsvorderingen tegen de Staat. Standpunt van de Ministerraad A.
  18. Na te hebben herinnerd aan bepaalde kritiek uit de rechtsleer, die werd ingegeven door de beperkte toepassing van de nieuwe bepalingen op de paren die gehuwd waren vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 juli 1976 - waarbij meer bepaald de nieuwe bepalingen inzake vereffening en verdeling, en in het bijzonder de artikelen 1446 en 1447 van het Burgerlijk Wetboek werden uitgesloten - citeert de Ministerraad het arrest van het Hof van Cassatie van 15 mei 1998, waarbij werd gewezen op de volkomen ondubbelzinnige bewoordingen van artikel 1, 3°, van de wet van 14 juli
  19. Overigens bevestigde het Grondwettelijk Hof, toen het werd ondervraagd over de grondwettigheid van het lot van de paren die, vóór 14 juli 1976, niet hadden geopteerd voor het wettelijke stelsel, bij zijn arrest nr. 7/2003, de interpretatie die kon worden afgeleid uit de gewone lezing van de wet van 14 juli
  20. Het oordeelde, anderzijds, dat er geen sprake was van ongrondwettigheid van het onderscheid tussen paren, wat de toepassing van de nieuwe regeling betrof, naargelang zij vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 juli 1976 het wettelijke stelsel of een ander huwelijksvermogensstelsel hadden bedongen. Dat arrest werd bevestigd door twee andere arresten die datzelfde jaar werden gewezen (nrs. 109/2003 en 122/2003). A.8.
  21. De Ministerraad onderzoekt vervolgens de grond van de zaak en voert aan dat, ook al geven de vroegere artikelen 1453 en 1463 van het Burgerlijk Wetboek aanleiding tot een verschil in behandeling tussen mannen en vrouwen, het niet zou gaan om een afwijkende of discriminerende regel ten opzichte van het beginsel van egalitair beheer van het gemeenschappelijk vermogen. A.8.
  22. Het gaat om een regel ter bescherming, die werd aangenomen wegens het toenmalige systeem van ongelijk beheer. De echtgenote moest dienaangaande een standpunt innemen : ofwel afstand doen van de schulden en bijgevolg geen deel van het actief ontvangen (dat in gevaar was door de gemeenschappelijke schulden), ofwel het risico nemen het actief te aanvaarden en bijgevolg ook de schulden die haar echtgenoot tijdens het huwelijk had aangegaan. Bovendien bleef die vereiste van bescherming bestaan, ondanks de inwerkingtreding van de nieuwe wet : die laatste kon niet - behoudens schending van het beginsel van niet-retroactiviteit van de wet - de bescherming van de echtgenote retroactief opheffen voor de handelingen van beheer die tot 28 september 1977 waren gesteld, wat, paradoxaal en in tegenstelling tot het doel dat met de wet werd nagestreefd, de echtgenoot op onrechtvaardige wijze zou hebben bevoordeeld, die aldus de echtgenote de last zou hebben kunnen opleggen van de schulden die hij destijds alleen had aangegaan omdat hij wettelijk als enige daartoe de bekwaamheid had. De instandhouding van de vroegere artikelen 1453 en 1463 van het Burgerlijk Wetboek was met andere woorden gerechtvaardigd door de noodzaak om de bescherming die zij waarborgden, te handhaven. De Ministerraad wijst eveneens erop dat de gevolgen van de instandhouding van die bescherming beperkt zijn, en na verloop van tijd zullen verminderen. Ten slotte moet eveneens rekening worden gehouden met het vroegere artikel 1454 van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalde dat de vrouw die met betrekking tot goederen van de gemeenschap daden van inmenging had verricht, geen afstand kon doen van de gemeenschap. De facto is die inmenging vanzelfsprekend de algemene regel geworden met de invoering van het egalitaire beheer, zodat de instandhouding van de vroegere artikelen 1453 en 1463 een bescherming vrijwaart die in de feiten echter bijna steeds leidt tot een minstens stilzwijgende aanvaarding. A.8.
  23. Volgens de Ministerraad zijn de gevolgen van het in het geding zijnde onderscheid dus volkomen evenredig met het nagestreefde doel. Hij merkt daarnaast op dat een arrest dat de vroegere artikelen 1453 en 1463 van het Burgerlijk Wetboek discriminerend zou verklaren, onmiddellijk van toepassing zou zijn op alle toekomstige vereffeningen, met 7 inbegrip van die welke verbonden zijn aan echtscheidingen die reeds lang zijn uitgesproken - zoals in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot de prejudiciële vraag -, waardoor de verwachtingen van de partijen ten aanzien van hun handelwijze op het ogenblik van hun echtscheiding, in de war worden gestuurd. De afgesloten procedures zouden hunnerzijds aanleiding kunnen geven tot een groot aantal aansprakelijkheidsvorderingen tegen de Staat, die zouden leiden tot een desorganisatie van de burgerlijke rechtbanken en een mogelijk enorme overheidsschuld. Alle echtgenoten van wie de gemeenschap werd vereffend overeenkomstig de vroegere artikelen 1453 en 1463 van het Burgerlijk Wetboek, tussen de inwerkingtreding van de wet van 1976 en het antwoord dat nog moet worden gegeven op de prejudiciële vraag, zouden immers gegronde redenen hebben om zich te beklagen over de toepassing van « discriminerende » bepalingen en om vergoeding te eisen van de schade die zij hierdoor zouden hebben geleden : hetzij mannen die zouden zijn verlaten met een deficitaire gemeenschap, hetzij vrouwen die door onachtzaamheid hun rechten in een winstgevende gemeenschap zouden hebben verloren. -B- Ten aanzien van de prejudiciële vraag, de in het geding zijnde bepalingen en de exceptie B.
  24. De verwijzende rechter ondervraagt het Hof over de bestaanbaarheid, met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, van artikel 1, 3°, eerste lid, van artikel 3 (« Overgangsbepalingen ») van de wet van 14 juli 1976 betreffende de wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten en de huwelijksvermogensstelsels (hierna : de wet van 14 juli 1976), in die zin geïnterpreteerd dat de vroegere artikelen 1453 en 1463 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn op de echtgenoten die, vóór de voormelde wet, de tot de aanwinsten beperkte gemeenschap hadden aanvaard, met als gevolg dat de uit de echt gescheiden vrouw die niet binnen drie maanden en veertig dagen na de echtscheiding de gemeenschap heeft aanvaard, wordt geacht daarvan afstand te hebben gedaan, terwijl de uit de echt gescheiden man zijn rechten in de gemeenschap van rechtswege verkrijgt. B.2.
  25. Artikel 1, 1° tot 3°, van artikel 3 (« Overgangsbepalingen ») van de wet van 14 juli 1976 (Belgisch Staatsblad, 18 september 1976) - waarvan alleen het 3°, eerste lid, in het geding is - bepaalt : « Overeenkomstig de volgende regels zijn de bepalingen van deze wet van toepassing op de echtgenoten die vóór de inwerkingtreding van deze wet zijn gehuwd zonder huwelijksvoorwaarden te hebben gemaakt of na een stelsel van gemeenschap te hebben aangenomen dan wel het stelsel van scheiding van goederen of het dotaal stelsel te hebben gekozen, waarin een gemeenschap van aanwinsten is bedongen als omschreven in de artikelen 1498 en 1499 van het Burgerlijk Wetboek : 8 1° Gedurende een termijn van een jaar te rekenen van de inwerkingtreding van deze wet kunnen de echtgenoten ten overstaan van een notaris verklaren dat zij hun wettelijk of bedongen huwelijksvermogensstelsel ongewijzigd wensen te handhaven. 2° Indien een dergelijke verklaring niet wordt afgelegd, zullen de echtgenoten die geen huwelijksvoorwaarden hebben gemaakt of het stelsel van wettelijke gemeenschap hebben aangenomen, bij het verstrijken van die termijn onderworpen zijn aan de bepalingen van de artikelen 1398 tot 1450 betreffende het wettelijk stelsel, onverminderd hetgeen zij bij huwelijkscontract hebben bedongen betreffende de voordelen aan beide echtgenoten of aan een van hen. Evenwel kunnen zij, zonder het verstrijken van die termijn af te wachten, ten overstaan van een notaris verklaren dat zij zich onmiddellijk wensen te onderwerpen aan de bepalingen betreffende het wettelijk stelsel. 3° Indien de verklaring bedoeld in 1° niet wordt afgelegd, zullen de echtgenoten die de gemeenschap beperkt tot de aanwinsten of de algemene gemeenschap hebben aangenomen, bij het verstrijken van die termijn onderworpen zijn aan de bepalingen van de artikelen 1415 tot 1426 voor alles wat betrekking heeft op het bestuur van de gemeenschap en van de eigen goederen, alsook aan de bepalingen van de artikelen 1408 tot 1414 betreffende de gemeenschappelijke schulden en de rechten van de schuldeisers. Hetzelfde geldt voor de echtgenoten die de scheiding van goederen of het dotaal stelsel hebben gekozen onder beding van een gemeenschap van aanwinsten als omschreven in de artikelen 1498 en 1499 van het Burgerlijk Wetboek, doch uitsluitend wat die gemeenschap betreft ». B.2.
  26. De vroegere artikelen 1453 en 1463 van het Burgerlijk Wetboek bepalen : « Art.
  27. Na de ontbinding van de gemeenschap heeft de vrouw of hebben haar erfgenamen en rechtverkrijgenden de bevoegdheid om de gemeenschap te aanvaarden of daarvan afstand te doen; elke hiermee strijdige overeenkomst is nietig ». « Art.
  28. De uit de echt of van tafel en bed gescheiden vrouw die de gemeenschap niet aanvaard heeft binnen drie maanden en veertig dagen nadat de echtscheiding of de scheiding van tafel en bed definitief is uitgesproken, wordt geacht van de gemeenschap afstand te hebben gedaan, behalve indien zij, nog voor het verstrijken van de termijn, van de rechter een verlenging daarvan bekomen heeft, op tegenspraak van de man of deze behoorlijk opgeroepen zijnde ». B.3.
  29. Volgens de ex-echtgenoot zou de prejudiciële vraag geen antwoord behoeven, vermits daarin niet de bepaling zou worden beoogd die het in het geding zijnde verschil in behandeling kan bevatten, namelijk artikel 47 van de opheffings- en wijzigingsbepalingen vervat in artikel 4, § 5, van de wet van 14 juli
  30. 9 B.3.
  31. Het voormelde artikel 47 bepaalt : « §
  32. De artikelen 226bis tot 226septies, 300, 307, 776, eerste lid, 818, 905, 940, eerste lid, 1399 tot 1535, 1540 tot 1581, 2255 en 2256 van het Burgerlijk Wetboek, de artikelen 64 tot 72 van de Hypotheekwet van 16 december 1851, artikel 1562 van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 553 tot 560 van het Wetboek van koophandel en artikel 6 van het Wetboek der successierechten blijven, bij wijze van overgangsmaatregel, tot aan de vereffening van hun huwelijksvermogensstelsel, van kracht voor echtgenoten die, gehuwd vóór de inwerkingtreding van deze wet, een ander stelsel dan de gemeenschap hebben aangenomen dan wel krachtens de wet of een overeenkomst onder de regels van het gemeenschapsstelsel vallen, en overeengekomen zijn het bestaande stelsel ongewijzigd te handhaven. §
  33. Bij wijze van overgangsmaatregel blijven eveneens van kracht, zoals zij vóór de bekendmaking van deze wet luidden, de artikelen 124, 295, derde lid, 942, 1304, tweede lid, 1990 en 2254 van het Burgerlijk Wetboek, de artikelen 47 en 90bis van de Hypotheekwet van 16 december 1851 en de artikelen 567, eerste lid, 853, 1148, 1167, 1180, 1185, 1283 en 1319 van het Gerechtelijk Wetboek. §
  34. Indien echtgenoten, gehuwd na een gemeenschap van goederen te hebben aangenomen, krachtens de overgangsmaatregelen van deze wet, aan de bepalingen van deze wet alleen onderworpen zijn wat betreft het bestuur van de gemeenschap en van hun eigen goederen, de vaststelling van de gemeenschappelijke schulden en de rechten van de schuldeisers, blijven de artikelen opgesomd in de §§ 1 en 2 op hen toepasselijk in zoverre zij noodzakelijk zijn voor de werking en de vereffening van hun huwelijksvermogensstelsel ». B.3.
  35. Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de verwijzende rechter van mening is dat het vroegere artikel 1463 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing blijft « krachtens de overgangsbepalingen van de wet van 14 juli 1976 » en dat hij die overgangsbepalingen interpreteert met verwijzing naar een arrest van het Hof van Cassatie van 6 juni 2005 (Arr. Cass., 2005, nr. 318). In het arrest dat de verwijzende rechter aanhaalt, verwijst het Hof van Cassatie echter zowel naar artikel 1, 3°, van artikel 3 (« Overgangsbepalingen ») als naar artikel 47 van de wet om te besluiten « dat uit het geheel van die bepalingen volgt dat het oude artikel 1463 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing blijft op de ontbinding en de vereffening van een gemeenschap van aanwinsten die de echtgenoten die vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 juli 1976 zijn gehuwd, bij hun stelsel van scheiding van goederen hadden gevoegd ». 10 De bepalingen die ten grondslag liggen aan de toepassing van de vroegere artikelen 1453 en 1463 van het Burgerlijk Wetboek en aan het in B.1 uiteengezette verschil in behandeling, zijn dus op geldige wijze aan het Hof voorgelegd. B.3.
  36. De exceptie wordt verworpen. Ten gronde B.
  37. De wet van 14 juli 1976 had in hoofdzaak tot doel de juridische ontvoogding van de gehuwde vrouw, tot stand gebracht door de wet van 30 april 1958 betreffende de wederzijdse rechten en plichten van de echtgenoten, te concretiseren in de wetgeving betreffende de huwelijksvermogensstelsels : « Vanaf het ogenblik dat aan de gehuwde vrouw volle rechtsbekwaamheid wordt toegekend, […] moet deze onafhankelijkheid haar normale tegenhanger vinden op het gebied van de huwelijksvermogensstelsels. De ene hervorming gaat niet zonder de andere. Het bekrachtigen van de handelingsbekwaamheid van de gehuwde vrouw zonder daarbij de huwelijksvermogensstelsels te wijzigen of aan te passen, zou er op neerkomen een theoretisch werk te leveren dat praktisch denkbeeldig blijft » (Parl. St., Senaat, 1964-1965, nr. 138, p. 1; Parl. St., Senaat, 1976-1977, nr. 683/2, p. 1). De wetgever heeft de aanpassing van de wetgeving betreffende de huwelijksvermogensstelsels aan de rechtsbekwaamheid van de gehuwde vrouw willen verzoenen met de eerbied voor de wilsautonomie van de partijen. B.
  38. In de interpretatie van de verwijzende rechter zijn de vroegere artikelen 1453 en 1463 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing op de vereffening van het huwelijksvermogensstelsel van echtgenoten die vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 juli 1976 zijn gehuwd onder het stelsel van de tot de aanwinsten beperkte gemeenschap. Het is in die interpretatie dat het Hof de prejudiciële vraag beantwoordt. Aan het Hof wordt het verschil in behandeling voorgelegd dat, volgens de prejudiciële vraag, die bepalingen zouden invoeren tussen de echtgenoten, in zoverre de uit de echt gescheiden vrouw die niet binnen drie maanden en veertig dagen na de scheiding de 11 gemeenschap heeft aanvaard, wordt geacht daarvan afstand te hebben gedaan, terwijl de uit de echt gescheiden man zijn rechten in de gemeenschap ambtshalve verkrijgt. B.
  39. Volgens de overgangsbepaling waarover het Hof wordt ondervraagd, zijn de vroegere artikelen 1453 en 1463 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing op gemeenschappen die achtereenvolgens door twee verschillende stelsels zijn geregeld wat de rechtsbekwaamheid van de gehuwde vrouw betreft. Vóór de inwerkingtreding van de voormelde wet behield artikel 1421 van het Burgerlijk Wetboek het beheer van de goederen van de gemeenschap voor aan de man, terwijl, zoals met name blijkt uit de artikelen 222 en 1416 van het Burgerlijk Wetboek, gewijzigd bij de wet van 14 juli 1976, iedere echtgenoot, binnen de in de wet aangegeven perken en onder de daarin vastgestelde voorwaarden, voortaan het gemeenschappelijk vermogen kan aanspreken. Artikel 1416 maakt deel uit van de bepalingen die artikel 1, 2° en 3°, van artikel 3 (« Overgangsbepalingen ») van de wet van 14 juli 1976 van rechtswege toepasselijk maakt, indien de echtgenoten de in het 1° van hetzelfde artikel bedoelde verklaring niet hebben afgelegd. B.7.
  40. Een bepaling die de ex-echtgenote al haar rechten in de tot de aanwinsten beperkte gemeenschap ontzegt indien zij die niet binnen een termijn van drie maanden en veertig dagen heeft aanvaard, behandelt haar anders dan de ex-echtgenoot die, zonder stappen te moeten ondernemen, zijn rechten in de gemeenschap automatisch verkrijgt en die gemeenschap volledig zal kunnen genieten indien de ex-echtgenote haar optierecht niet binnen de wettelijke termijn heeft uitgeoefend. B.7.
  41. Dat verschil in behandeling was verantwoord toen het de ongelijkheid tussen de echtgenoten corrigeerde op een ogenblik dat de man als enige de gemeenschappelijke goederen beheerde. Wanneer de gemeenschap deficitair bleek, moest de ex-echtgenote dus niet de lasten dragen van die gemeenschap, die niet door haar werd beheerd. B.7.
  42. De zorg om de echtgenote te beschermen, is daarentegen niet langer verantwoord sinds de wetgever een egalitair beheer van het gemeenschappelijk vermogen heeft geregeld. De in het geding zijnde bepaling heeft onevenredige gevolgen voor de ex-echtgenote, vermits 12 zij ertoe kan leiden dat haar al haar rechten worden ontzegd op een gemeenschap die zij, sinds de inwerkingtreding van de wet van 14 juli 1976, op gelijkwaardige wijze met haar man heeft beheerd. B.7.
  43. De in het geding zijnde bepaling voert bijgevolg tussen de ex-echtgenoten een verschil in behandeling in dat niet redelijk is verantwoord. B.
  44. Hieruit vloeit voort dat artikel 1, 3°, eerste lid, van artikel 3 (« Overgangsbepalingen ») van de wet van 14 juli 1976 niet bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 11bis van de Grondwet. B.
  45. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. 13 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 1, 3°, eerste lid, van artikel 3 (« Overgangsbepalingen ») van de wet van 14 juli 1976 betreffende de wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten en de huwelijksvermogensstelsels schendt de artikelen 10, 11 en 11bis van de Grondwet, in zoverre het de vroegere artikelen 1453 en 1463 van het Burgerlijk Wetboek toepasselijk maakt op rechten en verplichtingen van een tot de aanwinsten beperkte gemeenschap die na de inwerkingtreding van de wet van 14 juli 1976 is ontbonden. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 19 maart
  46. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.054 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.