id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.057 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090319.6 Arrest- Rolnummer: 57/2009 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-08 Raadplegingen: 232 - laatst gezien 2026-06-29 23:08 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zendt de zaken terug naar de verwijzende rechter. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONDERWIJS - Onderwijsinrichting - Universiteit Vrije woorden: Prejudiciële vragen over de artikelen 79bis tot 79octies van het decreet van de Franse Gemeenschap van 31 maart 2004 betreffende de organisatie van het hoger onderwijs ter bevordering van de integratie in de Europese ruimte van het hoger onderwijs en betreffende de herfinanciering van de universiteiten, zoals ingevoegd bij artikel 10 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 1 juli 2005 betreffende de studies in de geneeskunde en de tandheelkunde, gesteld door de Raad van State. Onderwijs - Universiteiten - Studierichting - Geneeskunde - Toegang tot het tweede jaar van bachelor in de geneeskunde. Wettelijke bepalingen: Decreet Franse Gemeenschap - 31-03-2004 - 79bis - 56 ELI link Pub nr 2004029170 Decreet Franse Gemeenschap - 31-03-2004 - 79octies - 56 ELI link Pub nr 2004029170 Decreet Franse Gemeenschap - 01-07-2005 - 10 - 38 ELI link Pub nr 2005029222 Tekst van de beslissing Rolnummers 4527, 4528 en 4529 Arrest nr. 57/2009 van 19 maart 2009 In zake : de prejudiciële vragen over de artikelen 79bis tot 79octies van het decreet van de Franse Gemeenschap van 31 maart 2004 betreffende de organisatie van het hoger onderwijs ter bevordering van de integratie in de Europese ruimte van het hoger onderwijs en betreffende de herfinanciering van de universiteiten, zoals ingevoegd bij artikel 10 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 1 juli 2005 betreffende de studies in de geneeskunde en de tandheelkunde, gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arresten nrs. 186.851, 186.852 en 186.850 van 2 oktober 2008 in zake respectievelijk Lara Neuwels, Florence de Roubaix en Adil Wiart tegen de « Facultés Universitaires Notre- Dame de la Paix » en de examencommissie van het eerste jaar bachelor in de geneeskunde van de « Facultés Universitaires Notre-Dame de la Paix », waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 9 oktober 2008, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 79bis tot 79octies van het decreet van 31 maart 2004 betreffende de organisatie van het hoger onderwijs ter bevordering van de integratie in de Europese ruimte van het hoger onderwijs en betreffende de herfinanciering van de universiteiten, zoals zij werden ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2005, de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 13.2, c), van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, opgemaakt te New York op 19 december 1966 en goedgekeurd bij de wet van 15 mei 1981, in zoverre die bepalingen een student die aan het einde van het eerste studiejaar van de graad van bachelor in de geneeskunde ‘ minstens 60 punten (op 100) ’ behaald heeft en ‘ minstens 10/20 […] voor elk onderwijs dat op zijn programma staat ’, kunnen verhinderen het toegangsattest te verkrijgen voor het tweede deel van de studie van de eerste cyclus in de geneeskunde doordat het totaal aantal attesten toegewezen aan de universitaire instelling waar hij zijn studie heeft aangevat reeds volledig werd toegekend, en zich in te schrijven in het tweede jaar van bachelor in de geneeskunde ? ». Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4527, 4528 en 4529 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - de vzw « Facultés Universitaires Notre-Dame de la Paix », waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 5000 Namen, rue de Bruxelles 61, en de examencommissie van het eerste jaar bachelor in de geneeskunde van de « Facultés Universitaires Notre-Dame de la Paix »; - de Franse Gemeenschapsregering. Op de openbare terechtzitting van 4 februari 2009 : - zijn verschenen : . Mr. Y. Printz, advocaat bij de balie te Namen, voor de vzw « Facultés Universitaires Notre-Dame de la Paix » en de examencommissie van het eerste jaar bachelor in de geneeskunde van de « Facultés Universitaires Notre-Dame de la Paix »; . Mr. E. Spampinato loco Mr. P. Levert en Mr. B. Trachte, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Franse Gemeenschapsregering; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht; 3 - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Drie studenten van de « Facultés Universitaires Notre-Dame de la Paix » behaalden aan het einde van de tweede zittijd van hun eerste studiejaar van de graad van bachelor in de geneeskunde (de vroegere kandidatuur in de geneeskunde), een gemiddelde dat schommelt tussen 13,47/20 en 14,19/
- Niettemin stelde de examencommissie, doordat zij het aantal toegangsattesten waarover zij beschikte voor het tweede studiejaar, had uitgeput, met weinig woorden vast dat die studenten geslaagd waren voor hun eerste studiejaar, maar « niet het toegangsattest hebben verkregen voor het tweede deel van de studie van de eerste cyclus in de geneeskunde, zodat hij/zij zich niet kan inschrijven in het tweede jaar van bachelor in de geneeskunde ». Die drie studenten vorderen voor de Raad van State de schorsing, volgens de procedure van uiterst dringende noodzakelijkheid, van de beslissingen die op hen betrekking hebben. Vanuit de vaststelling dat het ernstige karakter van het middel afhangt van de beoordeling van de grondwettigheid van de decretale bepalingen die de basis vormen van het bekritiseerde systeem, ondervraagt de Raad van State het Hof, in de voormelde bewoordingen, over de bestaanbaarheid van het systeem van beperking van de toegangsattesten voor het tweede jaar van bachelor in de geneeskunde, met de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 13.2, c), van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten. III. In rechte -A- De « Facultés Universitaires Notre-Dame de la Paix » en hun examencommissie van het eerste jaar van bachelor in de geneeskunde voor het academiejaar 2007-2008 A.
- In een eerste deel van hun memorie lichten de « Facultés Universitaires Notre-Dame de la Paix » en hun examencommissie van het eerste jaar van bachelor in de geneeskunde voor het academiejaar 2007-2008 (hierna : de FUNDP en hun betrokken commissie) achtereenvolgens en op uitvoerige wijze de situatie toe van de drie studenten Florence De Roubaix, Adil Wiart en Lara Neuwels - verzoekende partijen voor de Raad van State - na de laatste deliberatie van september 2008, het selectiemechanisme aan het einde van het eerste jaar van de graad van bachelor in de geneeskunde, op grond van de decretale bepalingen die het onderwerp vormen van een prejudiciële vraag, alsook de toepassing van het mechanisme van numerus clausus, door de betrokken commissie, tijdens het academiejaar 2007-
- Wat dat laatste punt betreft, geven de FUNDP en hun betrokken commissie een uitvoerige beschrijving van de evolutie van de in het geding zijnde regelgeving, van de standpunten van de academische overheden en van de bevoegde minister, van de rechterlijke uitspraken ter zake en, in fine, van het decreet van 24 oktober 2008 betreffende de toestand van de studenten in de geneeskunde en de tandheelkunde. A.2.
- In het tweede deel van hun memorie formuleren diezelfde partijen verschillende opmerkingen. A.2.
- In de eerste plaats wijzen zij erop dat de FUNDP, net zoals de andere universiteiten, destijds van mening waren dat het mechanisme van « numerus clausus » dat bij het decreet van 1 juli 2005 werd ingevoerd, een vooruitgang vormde ten opzichte van de voorgaande systemen, namelijk (in 1997) de selectie aan het einde van de kandidaturen (3 jaar), waarna (in 2003) een selectie werd doorgevoerd door een interuniversitaire 4 commissie, aan het einde van de 7 studiejaren (decreet van 27 februari 2003). Het feit dat die evolutie unaniem werd beschouwd als een gunstige evolutie van het systeem van contingentering, zou volgens de memorie eveneens blijken uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 1 juli 2005, uit het advies dat erover werd verstrekt door de Raad van State, en uit de beoordeling door de « Fédération des Etudiants francophones ». A.2.
- Vervolgens voeren de FUNDP aan dat zij zich niet wensen uit te spreken over de bestaanbaarheid van het in het geding zijnde mechanisme van numerus clausus met de internationale normen, en dat zij niet hun juridisch standpunt wensen mee te delen over een systeem dat hun decretaal is opgelegd : zij wensen enkel een korte stand van zaken weer te geven. De universiteit legt evenwel de nadruk op haar belangrijkste functie : haar opdracht bestaat niet erin deel te nemen aan een selectiesysteem waarvan de motivering is een antwoord te bieden op een planning van het medisch aanbod, maar te voorzien - ten gunste van de gehele maatschappij - in de opleiding van toekomstige artsen, op grond van een selectiesysteem dat gebaseerd is op criteria die zuiver academisch en universitair zouden moeten blijven. A.2.
- Niettemin merken de FUNDP op dat het Hof zal moeten nagaan of de vraag over de betwiste decretale bepaling en de overeenstemming ervan met de internationale bepalingen nog pertinent is in zoverre het voormelde decreet van 24 oktober 2008 « het mechanisme van het decreet van 1 juli 2005 impliciet lijkt te hebben opgeheven voor de studenten die beroep hebben ingesteld bij de Raad van State ». Zij wijzen eveneens erop dat het Hof, in zijn arresten nrs. 47/97 en 107/2004, heeft geoordeeld dat het recht op onderwijs een reglementering van de toegang tot het onderwijs, inzonderheid van het onderwijs dat wordt verstrekt na afloop van de leerplicht, op grond van de behoeften en de mogelijkheden van de gemeenschap en het individu, niet in de weg stond en dat artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 13 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten - al dan niet in samenhang gelezen met artikel 2 van dat Verdrag - evenmin eraan in de weg stonden dat de toegang tot het hoger onderwijs afhankelijk wordt gemaakt van voorwaarden die de bekwaamheid van de kandidaat-studenten betreffen, voor zover het gelijkheidsbeginsel in acht wordt genomen. Er wordt eveneens opgemerkt dat het terrein van de geneeskunde niet het enige is dat aan een contingentering is onderworpen. Zo wordt, wat de toegang tot de magistratuur betreft, een contingent vastgesteld van stagiairs die slaagden voor de selectieproef, meer bepaald op grond van een prognose van de in te vullen betrekkingen. Wat betreft het standstill-effect van de artikelen 2 en 13 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, verwijzen de FUNDP naar het arrest van het Hof nr. 33/92, waarin de uit dat Verdrag voortvloeiende verplichting werd gedefinieerd : zij verhindert elke Belgische overheid maatregelen te nemen die ingaan tegen de doelstelling van een geleidelijke invoering van gelijke toegankelijkheid tot het hoger onderwijs voor eenieder op basis van bekwaamheid, rekening houdend met de situatie van de overheidsfinanciën. Dat standstill-effect zou ertoe verplichten de situatie inzake inschrijvingsrecht die uit het in het geding zijnde decreet voortvloeit, te vergelijken met de situatie op 6 juli 1983, datum waarop het Verdrag voor België bindend is geworden. In de memorie wordt eveneens verwezen naar het arrest nr. 35/98, dat betrekking heeft op de weigering, door de wetgever, om de inschrijving van bepaalde studenten in aanmerking te nemen voor de financiering van de universiteiten, meer bepaald van de studenten die zich inschrijven voor de tweede cyclus van de studie voor de graad van doctor in de geneeskunde terwijl zij niet beschikken over het attest dat noodzakelijk is voor hun inschrijving in de derde cyclus van die studie; B.4.2 van dat arrest wordt meer bepaald beoogd in zoverre het onder meer bekrachtigt dat de inschrijving wordt geweigerd of de financiering van sommige studenten wordt afgeschaft, inzonderheid wanneer die bij herhaling niet geslaagd zijn voor universitaire examens of wanneer zij niet voldoen aan de specifieke toelatingscriteria die voor bepaalde studies kunnen worden vastgesteld. A.
- Het dispositief van de memorie bevat twee punten. Het Hof wordt in de eerste plaats verzocht uitspraak te doen over de « eventuele gevolgen van het [voormelde] decreet van de Franse Gemeenschap van [24] oktober 2008 […] voor het thans aanhangige geschil ». Het wordt vervolgens verzocht zich uit te spreken over een eventuele schending, door de in het geding zijnde bepalingen, van de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 13.2, c), van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten. 5 De Franse Gemeenschapsregering A.
- De Franse Gemeenschapsregering beschrijft eveneens in detail de context van het dossier, meer bepaald de evolutie van de teksten - zowel de wettelijke als de reglementaire - die werden aangenomen op federaal niveau en op het niveau van de Gemeenschap; de Franse Gemeenschapsregering besluit dat eerste deel van haar memorie, net zoals de FUNDP, met de opmerking dat de Franse Gemeenschap recentelijk het decreet van 24 oktober 2008 aannam, dat met name bepaalt dat « […]de studenten ingeschreven voor het eerste deel van de studies van de eerste cyclus geneeskunde en tandheelkunde tijdens de academiejaren 2005-2006, 2006-2007, 2007-2008 en 2008-2009, toegang [kunnen] krijgen tot het tweede deel van de studies van de eerste cyclus in de geneeskunde of tandheelkunde op voorwaarde dat zij de zestig kredietpunten in verband met het programma van het eerste jaar bekomen hebben ». A.5.
- In het tweede deel van haar memorie licht de Franse Gemeenschap de redenen toe waarom het volgens haar aangewezen zou zijn de zaak terug te zenden naar de Raad van State en niet te antwoorden op de prejudiciële vraag - waartoe het dispositief besluit. A.5.
- In de memorie wordt in de eerste plaats erop gewezen dat de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter studenten zijn die geslaagd zijn voor hun eerste jaar van bachelor in de geneeskunde zonder dat zij toegang kunnen krijgen tot het tweede jaar, op het ogenblik van het instellen van hun beroep bij de Raad van State. Zij hebben niettemin het recht verkregen om zich in het tweede jaar in te schrijven als gevolg van de aanneming en de inwerkingtreding van het voormelde decreet van 24 oktober
- Daaruit zou volgen dat een nietigverklaring van de voor de Raad van State aangevochten akten hun geen enkel voordeel meer zou opleveren, en dat zij klaarblijkelijk hun belang zouden hebben verloren. Het antwoord op de aan het Hof gestelde vraag zou bijgevolg geen nut meer hebben. Ook al blijkt uit een ruime rechtspraak van het Hof dat het de verwijzende rechter toekomt te beoordelen of het antwoord op de vraag nuttig is, toch zou uit een groot aantal arresten eveneens volgen dat, wanneer de omstandigheden veranderd zijn - en meer bepaald wanneer een wijziging van wetgevende aard plaatsvond na de verwijzingsbeslissingen -, het raadzaam is de zaak terug te zenden naar de verwijzende rechter, zodat hij kan beoordelen of het nuttig is om de vraag te handhaven. A.5.
- In de memorie wordt eveneens onderstreept dat tegen die oplossing niet kan worden ingebracht dat het Hof dringend uitspraak zou moeten doen over de grondwettigheid van de door de prejudiciële vraag beoogde bepalingen. Immers, enerzijds hebben de verzoekende partijen van de Raad van State een voorlopige schorsing verkregen van de tenuitvoerlegging van de beslissingen om hun geen toegang te verlenen tot het tweede deel van de studie van de eerste cyclus in de geneeskunde; anderzijds heeft precies het decreet van 24 oktober 2008 de desbetreffende studenten van de academiejaren 2005-2006, 2006-2007, 2007-2008 en 2008-2009 definitief toegang verleend tot het tweede deel van de eerste cyclus van de studie in de geneeskunde. -B- B.
- Nadat vorderingen waren ingesteld tot schorsing van deliberaties van de « Facultés Universitaires Notre-Dame de la Paix » (hierna : de FUNDP) waarbij drie studenten, die waren geslaagd voor hun eerste studiejaar van de graad van bachelor in de geneeskunde, de toegang tot het tweede jaar werd geweigerd, legde de Raad van State, op 2 oktober 2008, aan het Hof de kwestie voor van de grondwettigheid van het systeem van beperking van de toegangsattesten voor het tweede jaar van bachelor in de geneeskunde. 6 B.
- Nadat de prejudiciële vragen waren gesteld, heeft de Franse Gemeenschap, op 24 oktober 2008, een decreet aangenomen « betreffende de toestand van de studenten in de geneeskunde en de tandheelkunde », dat bepaalt : « Artikel
- In artikel 49, § 2, van het decreet van 31 maart 2004 betreffende de organisatie van het hoger onderwijs ter bevordering van de integratie in de Europese ruimte van het hoger onderwijs en betreffende de herfinanciering van de universiteiten, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2005, worden twee leden, luidend als volgt, ingevoegd tussen het eerste en het tweede lid : ‘ In afwijking van het eerste lid, kunnen de studenten ingeschreven voor het eerste deel van de studies van de eerste cyclus geneeskunde en tandheelkunde tijdens de academiejaren 2005-2006, 2006-2007, 2007-2008 en 2008-2009, toegang krijgen tot het tweede deel van de studies van de eerste cyclus in de geneeskunde of tandheelkunde op voorwaarde dat zij de zestig kredietpunten in verband met het programma van het eerste jaar bekomen hebben. Voor de toepassing van het vorige lid, worden de studenten die in 2008-2009 ingeschreven zijn niet onderworpen aan de bepalingen bedoeld bij de artikelen 78, vierde lid, 79, tweede lid en 79quater tot 79octies ’. Art.
- Dit decreet heeft uitwerking met ingang van 15 september 2008 ». B.
- De Franse Gemeenschapsregering vraagt in haar memorie om de zaak terug te zenden naar de Raad van State en niet te antwoorden op de prejudiciële vragen. Op dezelfde wijze vragen de FUNDP en de betrokken examencommissie zich in hoofdorde af of het nog van belang is om te antwoorden op de prejudiciële vragen « in zoverre het decreet van [24] oktober 2008 het mechanisme van het decreet van 1 juli 2005 impliciet lijkt te hebben opgeheven voor de studenten die beroep hebben ingesteld bij de Raad van State ». B.
- Artikel 1 van het voormelde decreet betreft onder meer het academiejaar 2007-2008, dat betrekking heeft op de drie verzoekers voor de verwijzende rechter. Die ontlenen bijgevolg het recht om te worden toegelaten tot het tweede jaar van bachelor in de geneeskunde rechtstreeks aan het decreet; bovendien, zoals de Franse Gemeenschapsregering opmerkt, heeft die maatregel voor de verzoekers een definitief karakter : zij hebben het recht om te worden ingeschreven in het tweede jaar van bachelor in de geneeskunde, en hebben bijgevolg definitief de beperkingen van toegang tot de studie geneeskunde overwonnen – onder voorbehoud, uiteraard, dat zij voor die studie slagen. 7 B.
- Dat recht van toegang tot het tweede jaar van bachelor in de geneeskunde dat aan de verzoekers voor de Raad van State werd verleend, lijkt van die aard dat het hun belang ter discussie stelt om de voor hem bestreden beslissingen te betwisten – in de veronderstelling dat zij niet moeten worden beschouwd als ingetrokken – alsook het bestaan van een risico van een ernstig nadeel als voorwaarde voor een schorsing. B.
- De zaken dienen bijgevolg te worden teruggezonden naar de verwijzende rechter. 8 Om die redenen, het Hof zendt de zaken terug naar de verwijzende rechter. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 19 maart
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.057 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div