id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 25 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.060 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090325.9 ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090325.2 Arrest- Rolnummer: 60/2009 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-03-31 Raadplegingen: 283 - laatst gezien 2026-06-30 00:06 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, zoals vervangen bij artikel 107 van de wet van 15 mei 1984, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het de langstlevende echtgenoot die minder dan één jaar met de overleden werknemer was gehuwd, met wie hij eerder een verklaring van wettelijke samenwoning had afgelegd en waarbij de gezamenlijke duur van het huwelijk en de wettelijke samenwoning minstens één jaar bedraagt, een overlevingspensioen, toegekend volgens de bij dat artikel 17 vastgestelde voorwaarden, ontzegt. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer - Overlevingspensioen SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer - Echtgenoot PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik Sociaal recht - Sociale zekerheid - Pensioenen - Overlevingspensioenen - Werknemers - Langstlevende echtgenoot - Voorwaarden - Minimumduur van één jaar huwelijk. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit met nummer - 50 - 24-10-1967 - 17 - 01 ELI link Pub nr 1967102410 Wet - 15-05-1984 - 107 - 30 ELI link Pub nr 1984022160 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4442 Arrest nr. 60/2009 van 25 maart 2009 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 4 maart 2008 in zake Olga Iazeva tegen de Rijksdienst voor Pensioenen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 7 maart 2008, heeft de Arbeidsrechtbank te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen, in zoverre dat artikel het voordeel van het overlevingspensioen alleen toekent aan de langstlevende echtgenoot die meer dan één jaar met de overleden werknemer was gehuwd, zonder datzelfde recht toe te kennen aan de langstlevende echtgenoot die minder dan één jaar met de overleden werknemer was gehuwd, hoewel die twee personen, vóór het huwelijk en meer dan één jaar vóór het overlijden, een verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - Olga Iazeva, wonende te 4400 Flémalle, Thier des Trixhes 38; - de Rijksdienst voor Pensioenen, met zetel te 1060 Brussel, Zuidertoren; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 19 november 2008 : - zijn verschenen : . Mr. D. Gol, advocaat bij de balie te Luik, en Mr. C. Delvaux, advocaat bij de balie te Verviers, voor Olga Iazeva; . Mr. A. Renette en Mr. V. Thiry, advocaten bij de balie te Luik, voor de Rijksdienst voor Pensioenen en de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en E. De Groot verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil O. Iazeva huwde op 24 september 2005 met J. Meijlaers. Aangezien de laatstgenoemde is overleden op 22 juli 2006, heeft de Rijksdienst voor Pensioenen O. Iazeva een overlevingspensioen toegekend van 2 196,36 euro voor een duur van twaalf maanden die verstrijkt op 31 juli
- De Rijksdienst voor Pensioenen motiveert zijn beslissing door het feit dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat het huwelijk één jaar heeft 3 geduurd, voorwaarde die is vermeld in artikel 17, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967, en door het feit dat betrokkene niet voldoet aan de in die bepaling bedoelde voorwaarden om vrijgesteld te worden van de voorwaarde met betrekking tot de duur van het huwelijk. O. Iazeva verzet zich tegen die beslissing door aan te voeren dat zij en haar overleden man op 5 november 2004 een verklaring van wettelijke samenwoning hadden afgelegd overeenkomstig artikel 1475 van het Burgerlijk Wetboek; ze verzoekt de Arbeidsrechtbank het Hof een vraag te stellen over de bestaanbaarheid van de voorwaarde van één jaar huwelijk met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door te doen gelden dat wettelijk samenwonenden en echtgenoten zich in een identieke situatie van economische afhankelijkheid bevinden. De verwijzende rechter herinnert aan de arresten nrs. 89/2001 en 94/2001 waarin een verschil in behandeling tussen gehuwden en ongehuwde maar samenwonende partners inzake arbeidsongevallen en, zoals te dezen, inzake het overlevingspensioen werd gevalideerd. De rechter stelt vast dat het Hof nog niet ertoe werd gebracht de situatie van gehuwden en van personen die een verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd te vergelijken en dat een wet van 11 mei 2007 intussen de arbeidsongevallenwetgeving heeft gewijzigd opdat het voordeel van de rente kan worden toegekend aan de echtgenoot en aan de persoon die wettelijk samenwoonde met het slachtoffer op het ogenblik van het ongeval. Hij stelt bijgevolg de hiervoor weergegeven vraag aan het Hof. III. In rechte -A- A.1.
- In hun memories herinneren de Ministerraad en de Rijksdienst voor Pensioenen aan de feiten van de zaak, aan de draagwijdte van de prejudiciële vraag, aan die van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en aan de rechtspraak van het Hof met betrekking tot de voorwaarde van een minimumduur van één jaar huwelijk (arresten nrs. 138/99 en 94/2001) en met betrekking tot het verschil in behandeling tussen echtgenoten en andere personen van een verschillend geslacht die een levensgemeenschap vormen zonder een verklaring van wettelijke samenwoning te hebben afgelegd, zowel inzake overlevingspensioenen (arrest nr. 94/2001) als inzake arbeidsongevallen (arresten nrs. 137/2000 en 89/2001). Die arresten hadden weliswaar geen betrekking op het verschil in behandeling tussen echtgenoten en andere personen van een verschillend geslacht die een verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd, maar stellen, enerzijds, dat het aan de wetgever staat te beslissen of, en in hoeverre, de eerstgenoemden en de laatstgenoemden dienen te worden gelijkgesteld inzake overlevingspensioenen en, anderzijds, dat, zelfs door rekening te houden met de nieuwigheid die de wettelijke samenwoning uitmaakt, het Hof niet in de plaats van de wetgever zou kunnen oordelen in een aangelegenheid die een dergelijke evolutie doormaakt. Het Hof heeft in zijn arresten nrs. 23/2000 en 24/2002 bovendien de aandacht gevestigd op de bepalingen die van toepassing zijn op de wettelijke samenwoning en heeft daaruit besloten dat wettelijk samenwonenden zich niet in een nagenoeg identieke situatie bevonden als die van gehuwden maar dat die bepalingen voor de eerstgenoemden enkel een beperkte vermogensrechtelijke bescherming creëren door gedeeltelijk voort te bouwen op de bepalingen die gelden ten aanzien van de laatstgenoemden. Om dezelfde redenen is het verschil in behandeling dat in deze zaak aan het Hof wordt voorgelegd, niet onredelijk. A.1.
- In hun memories van antwoord vergelijken de voornoemde partijen het huwelijk en de wettelijke samenwoning ten aanzien van de toegangsvoorwaarden (waarbij het huwelijk is voorbehouden aan personen die een tweerelatie onderhouden en in sommige gevallen verboden is), de plicht tot getrouwheid, samenwoning en hulp (waarin enkel voor het huwelijk is voorzien), de staat van de personen (die de wettelijke samenwoning niet wijzigt), de wijze van beëindiging (die enkel bij het huwelijk een gerechtelijke beëindiging is), de persoonlijke gevolgen van de wettelijke samenwoning (voor samenwonenden is voorzien in een « primair » stelsel dat voortbouwt op het stelsel dat van toepassing is op de echtgenoten, maar er kan automatisch een einde aan worden gemaakt en het is veel minder uitgebreid dan het huwelijksvermogensstelsel), de bevoegdheid van de vrederechter (uitgebreider voor gehuwden) en het erfrecht (beperkter voor samenwonenden); ze stellen ook dat beide categorieën van personen elkaar uitsluiten. 4 Ze menen dat de verplichting tot hulp enkel voor gehuwde echtgenoten een wettelijke plicht is, vóór en na het huwelijk. A.1.
- Verwijzend naar het advies nr. 1547 van 31 januari 2006 van de Nationale Arbeidsraad (NAR) betreffende een wetsvoorstel dat het recht op lijfrente in de arbeidsongevallenverzekering toekent aan de wettelijk samenwonende partner, beklemtonen de Ministerraad en de Rijksdienst voor Pensioenen dat de NAR vond dat rekening diende te worden gehouden met het feit dat de afgeleide rechten niet konden worden uitgebreid zonder bijkomende garantie inzake de stabiliteit van de band tussen de wettelijk samenwonenden. De wet van 11 mei 2007 « houdende wijziging van diverse bepalingen betreffende arbeidsongevallen, beroepsziekten en het asbestfonds met betrekking tot wettelijk samenwonenden » heeft bijgevolg verschillende wetsbepalingen gewijzigd door de voordelen die erin worden vermeld afhankelijk te maken van het bestaan van een overeenkomst die is opgesteld overeenkomstig artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek en waarin voor de partijen is voorzien in een verplichting tot hulp die, zelfs na een eventuele breuk, financiële gevolgen kan hebben. Er kan dus niet worden beweerd dat de federale wetgever de instelling van het huwelijk ongenuanceerd gelijkstelt met die van de wettelijke samenwoning wat betreft de sociale rechten bedoeld in de wet van 11 mei 2007 die de wetten van 3 juli 1967 en 10 april 1971 (arbeidsongevallen), 3 juni 1970 (beroepsziekten) en 27 december 2006 (asbestfonds) wijzigt. Het staat aan de federale wetgever te beslissen in hoeverre een identieke behandeling kan worden toegekend aan beide categorieën van personen. In dat opzicht kan hij geen rekening houden met de grenzeloze complexiteit van alle bijzondere situaties. Indien een gelijke behandeling wordt toegekend, wordt ze afhankelijk gemaakt van de bij de wet vastgestelde voorwaarden en wordt ze dus niet toegekend aan alle samenwonenden. A.2.
- In haar memorie herinnert O. Iazeva aan de draagwijdte van de wetsbepalingen met betrekking tot het overlevingspensioen en de wettelijke samenwoning, alsook aan de feiten van de zaak. A.2.
- Wat betreft het verschil in behandeling tussen gehuwde echtgenoten en wettelijk samenwonenden, is O. Iazeva van mening dat, rekening houdende met de rechtspraak van de arresten nrs. 89/2001 en 137/2000 (met betrekking tot gehuwde echtgenoten en personen die een levensgemeenschap vormen buiten de wettelijke samenwoning) en rekening houdende met artikel 1475 van het Burgerlijk Wetboek dat wettelijk samenwonenden een geheel van rechten en verplichtingen toekent die verwijzen naar de in de artikelen 203 en volgende van het Burgerlijk Wetboek bedoelde verplichtingen tussen echtgenoten, de in de prejudiciële vraag bedoelde categorieën van personen voldoende vergelijkbaar zijn. A.2.
- O. Iazeva is van mening dat, gesteld dat het in het geding zijnde verschil in behandeling, dat te maken heeft met de vereiste van een minimale huwelijksduur en ertoe strekt bedrog zoals het huwelijk in extremis te voorkomen, op een objectief criterium berust, het op geen enkele redelijke verantwoording steunt en geen enkel wettig doel nastreeft dat zich ten opzichte van dat verschil in behandeling in een verband van evenredigheid zou bevinden. Het huwelijk en de wettelijke samenwoning voorzien immers in soortgelijke wederzijdse verplichtingen (artikelen 213, 215, 217, 221, 222 en 1477, §§ 2 tot 4, van het Burgerlijk Wetboek); door de wet op de wettelijke samenwoning aan te nemen, heeft de wetgever gewild dat het samenlevingscontract voornamelijk betrekking zou hebben op de verplichtingen tot bijstand en hulp en dat gehuwde echtgenoten en wettelijk samenwonenden wat betreft bepaalde sociale rechten zouden worden gelijkgesteld. Sommige rechtsauteurs beklemtonen de gelijkstelling van beide instellingen en die is tot uiting gekomen in de wetten van 10 augustus 2001 (personenbelasting) en van 11 mei 2007 (arbeidsongevallen en beroepsziekten), waarbij in de parlementaire voorbereiding ervan een parallel wordt gemaakt tussen de renten bij arbeidsongevallen en de overlevingspensioenen en waarin de wil van de wetgever wordt aangetoond om wettelijk samenwonenden een overlevingspensioen te laten genieten. Zo niet wordt een discriminatie gecreëerd tussen wettelijk samenwonenden naargelang de samenwonende overlijdt naar aanleiding van een arbeidsongeval (of een beroepsziekte) of gepensioneerd is. A.3.
- Wat betreft de voorwaarde inzake de duur van het huwelijk, is O. Iazeva van mening dat de langstlevende echtgenoten die meer dan één jaar zijn gehuwd en de langstlevende echtgenoten die minder dan één jaar zijn gehuwd maar vooraf zijn gebonden door een wettelijke samenwoningsovereenkomst, zich in vergelijkbare situaties bevinden om dezelfde redenen als diegene die werden aangegeven met betrekking tot het verschil in behandeling tussen gehuwde echtgenoten en wettelijk samenwonenden. 5 A.3.
- O. Iazeva voert aan dat dat verschil in behandeling, gesteld dat het op een objectief criterium berust, niet relevant is wat betreft het doel van het koninklijk besluit van 24 oktober 1967 (namelijk bedrog voorkomen door te eisen dat er sterke en ernstige banden bestaan tussen de echtgenoten) en op geen enkele redelijke verantwoording steunt. Ze voert aan dat de wettelijke samenwoning een rechtsinstituut is dat concurreert met het instituut van het huwelijk dat eveneens de relaties regelt tussen twee personen die ervoor hebben gekozen samen te leven en aan wie wederzijdse verplichtingen worden opgelegd. Ze verwijst naar arrest nr. 137/2000 waarin de staat van onderlinge economische afhankelijkheid van beiden vergelijkbaar wordt geacht en betoogt dat de aan het huwelijk voorafgaande samenwoningsovereenkomst duidelijk wijst op de sterke en ernstige band tussen beide echtgenoten en elke veronderstelling van bedrog wegneemt. Zij bevinden zich bijgevolg in een identieke situatie ten aanzien van een overlevingspensioen en niets verantwoordt dat het zou worden ontzegd aan echtgenoten die zich in de situatie bevinden van de verzoekster voor de verwijzende rechter. A.
- In haar memorie van antwoord is O. Iazeva van mening dat de arresten nrs. 138/99, 94/2001, 89/2001, 137/2000 en 24/2002 allemaal verschillen in behandeling betreffen die niet dezelfde zijn als het verschil waarover het Hof thans wordt ondervraagd. Ze herinnert aan arrest nr. 23/2000 en is van mening dat het huwelijksvermogensstelsel en het stelsel van de wettelijke samenwoning, hoewel ze verschillend zijn, categorieën van personen betreffen die niettemin vergelijkbaar zijn; zij zijn soortgelijk wat betreft hun wederzijdse verplichtingen en hun economische of vermogensrechtelijke situatie. Zij zijn identiek rekening houdende met de uitdrukkelijke of stilzwijgende verwijzing van artikel 1475 van het Burgerlijk Wetboek naar artikel 203 van datzelfde Wetboek. De door de Ministerraad aangevoerde arresten nrs. 137/2000, 89/2001 en 94/2001 kunnen niet als relevant worden beschouwd, aangezien de Ministerraad geen rekening houdt met de recente evolutie in de wetgeving. -B- B.
- Artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967, zoals vervangen door artikel 107 van de wet van 15 mei 1984, bepaalt : « Het overlevingspensioen wordt slechts toegekend indien, op de datum van het overlijden, de langstlevende echtgenoot ten minste één jaar met de overleden werknemer gehuwd was. Het huwelijk dient nochtans niet een jaar te duren indien één van de volgende voorwaarden vervuld is : – er is een kind geboren uit het huwelijk; – op het ogenblik van het overlijden is er een kind ten laste waarvoor één van de echtgenoten kinderbijslag ontving; – het overlijden is het gevolg van een na de datum van het huwelijk voorgekomen ongeval of werd veroorzaakt door een beroepsziekte opgedaan tijdens of naar aanleiding van de uitoefening van het beroep, van een door de Belgische Regering toevertrouwde opdracht of van in het kader van de Belgische technische bijstand verrichte prestaties, voor zover de aanvang of de verergering van deze ziekte na de datum van het huwelijk plaatsvond. […] ». De vraag heeft enkel betrekking op de eerste zin van het eerste lid van de in het geding zijnde bepaling. 6 B.
- De vraag noopt tot een vergelijking, met betrekking tot de toekenning van overlevingspensioenen, van de situatie van de echtgenoten die sedert meer dan één jaar vóór het overlijden van één van hen zijn gehuwd, met die van de echtgenoten die sedert minder dan één jaar zijn gehuwd en, voordien, een verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd en voor wie de gecumuleerde duur, voorafgaand aan het overlijden van één van hen, van de wettelijke samenwoning en van het huwelijk meer dan één jaar bedraagt. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot dat geval. B.
- Door een voorwaarde op te leggen van een minimumduur van één jaar huwelijk voor het toekennen van een overlevingspensioen aan de langstlevende echtgenoot van een werknemer van wie de beroepsactiviteit het recht op een dergelijk pensioen opende, heeft de wetgever bepaalde misbruiken willen ontmoedigen, zoals het huwelijk in extremis, waarvan de enige bedoeling is het de langstlevende echtgenoot mogelijk te maken het overlevingspensioen te genieten. De wetgever heeft, daarenboven, uitzonderingen op die regel aanvaard die uitgaan van de idee dat in bepaalde situaties de omstandigheden aantonen dat, hoewel het overlijden minder dan één jaar na het huwelijk heeft plaatsgehad, dat huwelijk niet enkel is voltrokken om het overlevingspensioen te verkrijgen. B.
- Het verschil in behandeling steunt op het objectieve gegeven dat de in B.2 beschreven juridische toestand van echtgenoten verschilt naar gelang, onder overigens gelijke omstandigheden, de enen gehuwd waren op een tijdstip waarop de anderen wettelijk samenwonenden waren. Die situatie verschilt zowel wat de verplichtingen jegens elkaar betreft als wat de vermogensrechtelijke toestand van de betrokkenen betreft. B.
- Echtgenoten zijn elkaar hulp en bijstand verschuldigd (artikel 213 van het Burgerlijk Wetboek), zij genieten de bescherming van de gezinswoonst en de huisraad (artikel 215 van het Burgerlijk Wetboek); de echtgenoten moeten hun inkomsten bij voorrang besteden aan hun bijdrage in de lasten van het huwelijk (artikel 217 van het Burgerlijk Wetboek), waarin zij moeten bijdragen naar vermogen (artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek). Schulden die door een der echtgenoten worden aangegaan ten behoeve van de huishouding en de opvoeding van de kinderen verbinden de andere echtgenoot hoofdelijk, behoudens wanneer zij, gelet op de bestaansmiddelen van het gezin, buitensporig zijn (artikel 222 van het Burgerlijk Wetboek). 7 B.
- Onder wettelijke samenwoning wordt verstaan de toestand van samenleven van twee personen die een schriftelijke verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd (artikel 1475 van het Burgerlijk Wetboek). De verklaring wordt overhandigd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeenschappelijke woonplaats, die nagaat of beide partijen niet verbonden zijn door een huwelijk of door een andere wettelijke samenwoning en bekwaam zijn om contracten aan te gaan overeenkomstig de artikelen 1123 en 1124 van het Burgerlijk Wetboek. De verklaring wordt vermeld in het bevolkingsregister. De wettelijke samenwoning houdt op wanneer een van de partijen in het huwelijk treedt of overlijdt. Zij kan tevens door de samenwonenden worden beëindigd, in onderlinge overeenstemming of eenzijdig, door middel van een schriftelijke verklaring bij de ambtenaar van de burgerlijke stand, die daarvan melding maakt in het bevolkingsregister (artikel 1476 van het Burgerlijk Wetboek). B.
- Op de wettelijke samenwoning zijn de volgende bepalingen toepasselijk : de wettelijke bescherming van de gezinswoning (artikelen 215, 220, § 1, en 224, § 1, 1, van het Burgerlijk Wetboek) wordt van overeenkomstige toepassing verklaard op de wettelijke samenwoning; de wettelijk samenwonenden dragen bij in de lasten van het samenleven naar evenredigheid van hun mogelijkheden en iedere niet-buitensporige schuld die door een der wettelijk samenwonenden wordt aangegaan ten behoeve van het samenleven en van de kinderen die door hen worden opgevoed, verbindt de andere partner hoofdelijk (artikel 1477 van het Burgerlijk Wetboek). Voor het overige is voorzien in een regeling van de goederen van de samenwonenden en in de mogelijkheid om de wettelijke samenwoning door middel van een overeenkomst te regelen, voor zover die geen beding bevat dat strijdig is met artikel 1477 van het Burgerlijk Wetboek, met de openbare orde of de goede zeden, noch met de regels betreffende het ouderlijk gezag en de voogdij, noch met de regels die de wettelijke orde van de erfopvolging bepalen. Die overeenkomst wordt in authentieke vorm verleden voor de notaris en wordt in het bevolkingsregister vermeld (artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek). 8 B.
- Wanneer de verstandhouding tussen de wettelijk samenwonenden ernstig is verstoord, kan elk van beide partners de vrederechter vragen om dringende en voorlopige maatregelen te bevelen betreffende het betrekken van de gemeenschappelijke verblijfplaats, betreffende de persoon en de goederen van de samenwonenden en van de kinderen alsmede betreffende de wettelijke en contractuele verplichtingen van beide samenwonenden. Ook na de beëindiging van de wettelijke samenwoning en voor zover de vordering binnen drie maanden na de beëindiging is ingesteld, kan de vrederechter de dringende en voorlopige maatregelen gelasten die ingevolge de beëindiging gerechtvaardigd zijn (artikel 1479 van het Burgerlijk Wetboek). B.
- Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek die gelden ten aanzien van wettelijk samenwonenden een beperkte vermogensrechtelijke bescherming creëren die gedeeltelijk is geïnspireerd door bepalingen die gelden ten aanzien van echtgenoten. Een dergelijke bescherming betekent niet dat de wetgever ertoe is gehouden om de wettelijk samenwonenden zoals de echtgenoten te behandelen wat de overlevingspensioenen betreft. B.
- De verwijzende rechter merkt echter op dat de wettelijk samenwonenden ten gevolge van de wijziging van artikel 12 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 door de wet van 11 mei 2007 « houdende wijziging van diverse bepalingen betreffende arbeidsongevallen, beroepsziekten en het asbestfonds met betrekking tot wettelijk samenwonenden » (artikel 10) voortaan de voordelen genieten die bij die bepaling aan de echtgenoten zijn toegekend. B.
- Die wet maakt het voordeel dat ze toekent afhankelijk van het opstellen, door beide partners en overeenkomstig artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek, van een overeenkomst waarin voor de partijen is voorzien in een verplichting tot hulp die, zelfs na een eventuele breuk, financiële gevolgen kan hebben (artikel 5, tweede lid, van de wet van 10 april 1971, ingevoegd bij artikel 9 van de voormelde wet van 11 mei 2007). Daaruit volgt dat het in die wet bedoelde voordeel niet aan alle wettelijk samenwonenden wordt toegekend; die beperking werd als volgt becommentarieerd in de parlementaire voorbereiding : « [De minister van Werk] onderschrijft het principe dat de wettelijk samenwonenden in de arbeidsongevallenverzekering dezelfde rechten moeten hebben als gehuwden, indien de 9 juridische toestand van wettelijk samenwonenden en gehuwden gelijk is. Hoewel hun toestand vergelijkbaar is, is hij echter niet gelijk. Het toekennen van een lijfrente aan de achterblijvende echtgenoot na een dodelijk arbeidsongeval vindt zijn oorsprong in artikel 213 van het Burgerlijk Wetboek dat de echtgenoten tot wederzijdse hulp en bijstand verplicht. Deze hulp en bijstand overstijgt de duurtijd van het huwelijk. Uit artikel 213 leidt men immers af dat onderhoudsgeld kan worden toegekend bij echtscheiding of scheiding van tafel en bed. Ook voor de wettelijk samenwonenden gelden een aantal wederzijdse verplichtingen, maar deze zijn veel minder verregaand. Tussen wettelijk samenwonenden bestaat de wederzijdse plicht tot hulp en bijstand niet, zodat bij gebeurlijke beëindiging van de wettelijke samenwoning, wat onder meer kan via een eenzijdige verklaring van beëindiging door één van de partners, er ook geen grond bestaat voor de toekenning van een onderhoudsgeld. Artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek verleent nochtans de wettelijk samenwonende partners de mogelijkheid hun wettelijke samenwoning naar goeddunken te regelen door middel van een overeenkomst die in authentieke vorm wordt verleden door de notaris en wordt vermeld in het bevolkingsregister. Aldus kunnen zij overeenkomen hetzij tot een eenzijdige, hetzij tot een wederzijdse onderhoudsverplichting. In principe vervalt die onderhoudsverplichting bij de beëindiging van de wettelijke samenwoning. Artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek sluit echter niet uit dat de partners in hun overeenkomst bedingen dat ze elkaar (of een van hen) onderhoudsplichtig blijven na de beëindiging van de wettelijke samenwoning. Indien zulke overeenkomst afgesloten is, kan men stellen dat de situatie van wettelijk samenwonenden vrijwel gelijk is met die van echtgenoten, althans wat de wederzijdse hulp en bijstand betreft, aldus de minister. De wetgever heeft trouwens uitdrukkelijk de band tussen het recht op de levenslange rente en het bestaan van een onderhoudsverplichting willen maken door in het laatste lid van artikel 12 van de AOW te bepalen dat, in geval van scheiding van de echtgenoten, voordat het ongeval zich heeft voorgedaan, er slechts een recht op rente is, indien de overlevende ex-echtgenoot onderhoudsgeld genoot. De basis van onze sociale zekerheid is onderlinge solidariteit. Het zou dan ook vreemd zijn dat de sociale zekerheid zou moeten voorzien in solidariteit met de achterblijvende partner van een wettelijk samenwonend koppel indien deze personen niet eens onderling, voor elkaar, willen voorzien in sociale ondersteuning » (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-916/5, pp. 7 en 8; in dezelfde zin, p. 4 en Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2984/003, p. 5). B.
- Het Hof stelt vast dat in de wetgeving inzake arbeidsongevallen en beroepsziekten niet enkel aan de echtgenoot van de getroffene, maar ook aan de persoon die met de getroffene wettelijk samenwoonde een uitkering toekomt, wanneer de partners overeenkomstig artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek een overeenkomst hebben opgesteld waarin voor de partijen is voorzien in een verplichting tot hulp die, zelfs na een eventuele 10 breuk, financiële gevolgen kan hebben. Het komt de wetgever toe te oordelen of diezelfde situatie eveneens in aanmerking moet worden genomen bij het bepalen van de voorwaarden waaronder personen recht hebben op een overlevingspensioen. B.
- In het geval echter waarin, zoals te dezen, het huwelijk door een wettelijke samenwoning is voorafgegaan en waarin de gezamenlijke duur van de wettelijke samenwoning en het huwelijk minstens één jaar bedraagt, bevinden de echtgenoten zich in een situatie die het mogelijk maakt het in B.3 vermelde risico van misbruik als onbestaande te beschouwen. Door aan de echtgenoten die zich in een dergelijke situatie bevinden, het voordeel te ontzeggen waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet, doet die bepaling op discriminerende wijze afbreuk aan de rechten van de betrokkenen. B.
- De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord, in de mate zoals aangegeven in B.
- 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, zoals vervangen bij artikel 107 van de wet van 15 mei 1984, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het de langstlevende echtgenoot die minder dan één jaar met de overleden werknemer was gehuwd, met wie hij eerder een verklaring van wettelijke samenwoning had afgelegd en waarbij de gezamenlijke duur van het huwelijk en de wettelijke samenwoning minstens één jaar bedraagt, een overlevingspensioen, toegekend volgens de bij dat artikel 17 vastgestelde voorwaarden, ontzegt. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 25 maart
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.060 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div