id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 25 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.063 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090325.6 ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090325.5 Arrest- Rolnummer: 63/2009 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-03-31 Raadplegingen: 207 - laatst gezien 2026-06-29 23:55 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : In zoverre het het recht op een uitkering voor loopbaanonderbreking wegens ouderschapsverlof van zes maanden niet toekent aan werknemers die voltijds zijn tewerkgesteld door de cumulatie van twee halftijdse betrekkingen bij twee werkgevers, schendt artikel 102 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidswetgeving - Ouderschapsverlof en adoptieverlof PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 102 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, gesteld door het Arbeidshof te Luik. Sociaal recht - Arbeidsrecht - Arbeidsovereenkomsten - Loopbaanonderbreking - Ouderschapsverlof - Halftijds ouderschapsverlof gedurende een periode van zes maanden - Begunstigden - Voltijds tewerkgestelde werknemers - Voltijds tewerkgestelde werknemers door de cumulatie van twee halftijdse betrekkingen bij twee werkgevers. Wettelijke bepalingen: Wet - 22-01-1985 - 102 - 30 ELI link Pub nr 1985021271 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4506 Arrest nr. 63/2009 van 25 maart 2009 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 102 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, gesteld door het Arbeidshof te Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 5 augustus 2008 in zake de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening tegen Nathalie Befays, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 11 augustus 2008, heeft het Arbeidshof te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Voert artikel 102 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, in die zin geïnterpreteerd dat het het recht op een uitkering wegens loopbaanonderbreking aan de voltijds tewerkgestelde werknemers enkel toekent indien zij zijn tewerkgesteld bij één enkele werkgever, een discriminatie in die strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet, tussen, enerzijds, de voltijds tewerkgestelde werknemers in dienst van één enkele werkgever en, anderzijds, de werknemers die voltijds zijn tewerkgesteld doordat zij minstens twee deeltijdse betrekkingen cumuleren, werknemers die, in tegenstelling tot de eerstgenoemden, door het feit dat zij verscheidene werkgevers hebben, verstoken zouden zijn van het recht op deeltijds ouderschapsverlof gedurende meer dan drie maanden ? ». De Ministerraad heeft een memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 4 februari 2009 : - is verschenen : Mr. I. Ficher loco Mr. G. Demez, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Nathalie Defays, geïntimeerde voor de verwijzende rechter, heeft twee deeltijdse betrekkingen. Nadat zij een ouderschapsverlof van drie maanden had gekregen in het raam van één van haar betrekkingen, werd haar door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (hierna : RVA) het recht op een ouderschapsverlof van drie maanden voor haar tweede deeltijdse betrekking geweigerd, omdat het recht op ouderschapsverlof enkel toepasselijk is op de voltijds bij één enkele werkgever tewerkgestelde werknemer en niet op een werknemer die op basis van twee halftijdse betrekkingen is tewerkgesteld bij twee verschillende werkgevers en die hen een opeenvolgend en niet gelijktijdig ouderschapsverlof vraagt. Aangezien de geïntimeerde een ouderschapsverlof heeft genoten voor één van haar betrekkingen, kan zij volgens de RVA geen tweede aanvraag indienen voor hetzelfde kind, vermits zij haar rechten heeft uitgeput. Ook al waren de beide aanvragen samengevoegd geweest, dan nog had zij geen onderbrekingsvergoeding kunnen krijgen, aangezien zij haar prestaties had moeten verminderen tot tweemaal één vierde van de arbeidstijd, wat in tegenspraak zou zijn geweest met het voorschrift van artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. 3 De arbeidsrechtbank, die van oordeel was dat de situatie discriminerend is ten aanzien van de werknemers die voltijds zijn tewerkgesteld in het raam van een deeltijdse baan bij twee werkgevers, heeft het beroep tegen de beslissing van de RVA ingewilligd en de RVA heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld. De verwijzende rechter brengt in herinnering dat de richtlijn 96/34/EG van 3 juni 1996 betreffende de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof in het interne recht is omgezet bij de collectieve arbeidsovereenkomst (hierna : cao) nr. 64 van 29 april 1997 (algemeen verbindend verklaard bij het koninklijk besluit van 29 oktober 1997) en bij een koninklijk besluit van 29 oktober 1997 tot invoering van een recht op ouderschapsverlof in het kader van de onderbreking van de beroepsloopbaan. Die beide teksten beogen een voltijds tewerkgestelde persoon die, hetzij een loopbaanonderbreking aanvraagt voor een periode van drie maanden met volledige schorsing van zijn voltijdse arbeidsovereenkomst, hetzij kiest voor een gedeeltelijke schorsing die over zes maanden kan worden gespreid, en zelfs meer indien de arbeid slechts voor een vijfde wordt geschorst. In de interpretatie van de RVA wordt in die teksten, evenals in de artikelen 100 en 102 van de herstelwet van 22 januari 1985 waarnaar die teksten verwijzen, niet het geval beoogd van een persoon die voltijds werkt door ten minste twee deeltijdse betrekkingen te cumuleren. De verwijzende rechter is van oordeel dat, indien er een discriminatie is, zij haar grondslag vindt in de artikelen 100 en 102 van de voormelde herstelwet van 22 januari 1985, die in het recht op de loopbaanonderbrekingsuitkeringen voorziet, en die het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 en de cao nr. 64 alleen maar hebben overgenomen. Volgens de verwijzende rechter kunnen de in artikel 102 gehanteerde bewoordingen « zijn werkgever » op twee wijzen worden geïnterpreteerd : ofwel wordt daarbij geëist dat de werknemer tewerkgesteld is bij één en dezelfde werkgever, ofwel wordt daarmee niet de tewerkstelling beoogd van een werknemer die gelijktijdig in dienst is van meerdere werkgevers en beogen de bewoordingen « zijn werkgever » in werkelijkheid alle werkgevers. Overwegende dat vooraleer de vraag wordt gesteld naar de interpretatie die aan de wet moet worden gegeven, moet worden onderzocht of de tekstuele interpretatie ervan geen discriminatie bevat, heeft de verwijzende rechter dus beslist aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.1. De Ministerraad is in hoofdorde van mening dat de prejudiciële vraag in werkelijkheid betrekking heeft op het koninklijk besluit van 29 oktober 1997, zodat het Hof niet bevoegd is om de vraag te beantwoorden. Artikel 102 van de wet van 22 januari 1985 voorziet immers in het recht op een uitkering indien de werknemer en zijn werkgever overeenkomen om de arbeidsprestaties te verminderen en zulks ten aanzien van de arbeidsduur van een voltijdse betrekking : die bepaling definieert niet expliciet de toepassingssfeer ervan ten aanzien van een werknemer die voltijds tewerkgesteld is bij eenzelfde werkgever. De bewoordingen zelf van die bepaling brengen dus geen enkel onderscheid teweeg tussen voltijds tewerkgestelde werknemers en werknemers die deeltijdse betrekkingen cumuleren, en dat verschil komt enkel tot uiting in de reglementaire uitvoeringsmaatregelen : het door de verwijzende rechter beoogde verschil in behandeling vloeit dus niet voort uit artikel 102 van de herstelwet van 22 januari 1985. A.2.1. Indien het Hof zich bevoegd acht om de prejudiciële vraag te onderzoeken, is de Ministerraad in ondergeschikte orde van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Ministerraad brengt in herinnering dat het ouderschapsverlof kan worden toegekend, hetzij aan de voltijds of deeltijds tewerkgestelde werknemer die gedurende drie maanden de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst volledig schorst, hetzij aan de voltijds tewerkgestelde werknemer die zijn prestaties 4 gedurende zes maanden tot een halftijdse tewerkstelling herleidt of gedurende vijftien maanden met 1/5 vermindert. Bovendien moet het begrip « discriminatie » tussen een deeltijdse werknemer en een voltijdse werknemer worden beoordeeld overeenkomstig artikel 4 van de wet van 5 maart 2002 betreffende het beginsel van non-discriminatie ten gunste van deeltijdwerkers, dat een verschil in behandeling toestaat dat door objectieve redenen en op evenredige wijze wordt verantwoord. De reglementering in verband met de arbeidsovereenkomsten beoogt het concept « zijn werkgever » nooit als zijnde een situatie waarbij de deeltijdse arbeidsprestaties die worden overeengekomen bij verschillende werkgevers worden samengeteld : het concept « voltijdse » betrekking moet dus worden geïnterpreteerd ten aanzien van de prestaties die zijn overeengekomen bij één werkgever en niet door die prestaties bij een aantal werkgevers op te tellen. A.2.2. De voltijds tewerkgestelde werknemer die ervoor kiest de uitvoering van zijn overeenkomst volledig te schorsen bevindt zich in een juridische situatie die verschillend is van die van de voltijds tewerkgestelde werknemer die zijn prestaties vermindert ten belope van een halftijdse betrekking of met 1/5de arbeidstijd, en zijn arbeidstijd aldus wijzigt aan de hand van een bijvoegsel bij zijn arbeidsovereenkomst overeenkomstig artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. De deeltijdse werknemer verricht per definitie verminderde prestaties zodat het ingewikkelder is arbeidsprestaties te verminderen die reeds per definitie verminderd zijn. De vereiste, die in de in het geding zijnde bepaling zou zijn geformuleerd, van een voltijdse betrekking bij één en dezelfde werkgever is dus gebaseerd op een objectief criterium, namelijk de juridische aard van de arbeidsrelatie tussen de werknemer en zijn werkgever. A.2.3. Dat verschil in behandeling is bovendien relevant en redelijk en brengt geen enkel onevenredig gevolg teweeg aangezien de regeling van de arbeidstijd met vermindering ervan aan de hand van een bijvoegsel bij de arbeidsovereenkomst slechts onder zeer strikte voorwaarden kan worden beoogd, rekening houdend met de wijzigingen die die regeling impliceert op het vlak van de werking en de organisatie van de ondernemingen. De noodzaak om rekening te houden met de behoeften inzake werking en organisatie van de ondernemingen werd overigens onderstreept in het kaderakkoord dat geleid heeft tot de richtlijn 96/34/EG van de Raad van 3 juni 1996, alsmede in de cao nr. 64 die in dat verband overigens voorziet in de mogelijkheid om het recht op ouderschapsverlof uit te stellen. Ten slotte wordt dat verschil tevens verantwoord door de wettelijke verplichting om de minimumlimiet van één derde arbeidstijd van de prestaties van een voltijdse betrekking in acht te nemen waarin is voorzien voor de deeltijdse werknemers in artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. -B- B.1. Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 102 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen (hierna : de herstelwet). 5 Ten aanzien van de context van de in het geding zijnde bepaling B.2.1. De artikelen 99 tot 107 van de herstelwet organiseren een systeem van onderbreking van de beroepsloopbaan teneinde « de flexibiliteit in de arbeidsorganisatie te verbeteren » (Parl. St., Senaat, 1984-1985, nr. 757/1, p. 2). Die bepalingen willen aldus « bijdragen tot een herverdeling van de beschikbare arbeid » (ibid., p. 36). B.2.2. Wat de bepalingen in verband met de loopbaanonderbreking betreft, lichtte de minister in zijn uiteenzetting toe : « De bepalingen van deze afdeling hebben een dubbele bedoeling. Enerzijds wordt uitgegaan van de idee dat men aan de individuele werknemer de mogelijkheid moet geven, tijdens zijn loopbaan, soepeler in te spelen op persoonlijke aspiraties en noodwendigheden. Deze kunnen van familiale aard zijn, zoals bv de opvang van kinderen na de geboorte of bij adoptie, het bijstaan van familie of vrienden bij ziekte of overlijden of van persoonlijke aard, zoals bv. bijscholing, reizen, e.a. Actueel ontbreekt immers deze vorm van persoonlijke flexibiliteit. Ofwel is men aangewezen op het nemen van ‘ verlof zonder wedde ’ wat het wegvallen impliceert van alle sociale zekerheid ofwel dient men een dienstbetrekking op te geven. Vandaar dat een wettelijk stramien opgebouwd wordt waarbinnen werkgevers en werknemers afspraken kunnen maken betreffende de onderbreking of de herschikking van de beroepsloopbaan. […] Aangezien anderzijds deze maatregelen kaderen in een politiek van herverdeling van de beschikbare arbeid, wordt het toekennen van het vervangingsinkomen afhankelijk gesteld van de vervanging door een uitkeringsgerechtigde werkloze. Zodoende kunnen op basis van individuele of collectieve afspraken tussen werkgevers en werknemers formules als, ouderschapsverlof, vormingsverlof, ‘ jobsharing ’ of uitloopbanen realiteit worden in de particuliere sector en verder ontwikkeld worden in de publieke sector » (Parl. St., Kamer, 1984-1985, nr. 1075/21, p. 172). B.3.1. Artikel 102 van de herstelwet maakt het mogelijk een uitkering voor loopbaanonderbreking toe te kennen aan de werknemer die zijn arbeidsprestaties vermindert. In de oorspronkelijke versie ervan bepaalde dat artikel : 6 « § 1. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, voorzien in de toekenning van een vergoeding aan de werknemer die voltijds is tewerkgesteld, ingeval deze met de werkgever overeenkomt halftijds te worden tewerkgesteld, of ingeval deze de toepassing vraagt van een collectieve arbeidsovereenkomst die dergelijke regeling mogelijk maakt, en dit voor zover deze werknemer vervangen wordt door een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze. § 2. De werknemer moet zijn aanvraag schriftelijk indienen drie maanden vóór de aanvang van deze nieuwe halftijdse arbeidsregeling. § 3. De bij § 1 bedoelde overeenkomst wordt schriftelijk vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten ». B.3.2. De parlementaire voorbereiding vermeldde omtrent die bepaling : « Artikel 91 van deze afdeling [waaruit artikel 102 van de herstelwet is ontstaan] bepaalt dat een voltijds tewerkgestelde werknemer, die met akkoord van zijn werkgever zijn arbeidsprestaties halftijds wenst verder te zetten, onder bepaalde voorwaarden aanspraak kan maken op een uitkering. Dit voordeel wordt eveneens toegekend aan de werknemer die de toepassing vraagt van een collectieve arbeidsoverkomst die een gelijkaardige regeling voorziet » (Parl. St., Senaat, 1984-1985, nr. 757/1, pp. 37-38). B.3.3. In de huidige versie ervan bepaalt artikel 102 van de herstelwet, zoals het werd gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 424 van 1 augustus 1986 en bij de wetten van 21 december 1994, van 22 december 1995 en van 20 december 2001 : « § 1. Een uitkering wordt toegekend aan de werknemer die met zijn werkgever overeenkomt om zijn arbeidsprestaties te verminderen met 1/5, 1/4, 1/3 of 1/2 van het normaal aantal arbeidsuren van een voltijdse betrekking, ofwel de toepassing vraagt van een collectieve arbeidsovereenkomst die in een dergelijke regeling voorziet, ofwel een beroep doet op de bepalingen van artikel 102bis. De Koning bepaalt bij in Ministerraad overlegd besluit het bedrag van de uitkering, alsmede de nadere voorwaarden en regelen tot toekenning van deze uitkering. § 2. De bij § 1 bedoelde overeenkomst wordt schriftelijk vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 ». B.4.1. De mogelijkheid om de arbeidsprestaties te verminderen en een uitkering voor loopbaanonderbreking te genieten overeenkomstig artikel 102 van de herstelwet wordt met 7 name toegekend aan de werknemers, mannen en vrouwen, die voor hun kind wensen te zorgen in het raam van een ouderschapsverlof. B.4.2. Teneinde beroeps- en gezinsleven met elkaar te kunnen verenigen, bepaalt de richtlijn 96/34/EG van de Raad van 3 juni 1996 « betreffende de door de UNICE, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof » : « Clausule 2 : ouderschapsverlof 1. Krachtens deze overeenkomst wordt onder voorbehoud van clausule 2.2 aan werknemers, zowel mannen als vrouwen, bij geboorte of adoptie van een kind een individueel recht op ouderschapsverlof toegekend om hen in staat te stellen gedurende ten minste drie maanden tot een door de Lid-Staten en/of de sociale partners vast te stellen leeftijd van maximaal acht jaar voor hun kind te zorgen. 2. Om gelijke kansen en de gelijke behandeling van mannen en vrouwen te bevorderen, zijn de partijen bij deze overeenkomst van mening dat het in clausule 2.1 bedoelde recht op ouderschapsverlof in beginsel niet overdraagbaar is. 3. De voorwaarden en wijze van toepassing van het ouderschapsverlof worden in de Lid-Staten vastgesteld bij de wet en/of bij collectieve overeenkomsten, met inachtneming van de minimumvoorschriften van deze overeenkomst. De Lid-Staten en/of de sociale partners kunnen onder meer:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.