← België

ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.065

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 02 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.065 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090402.2 Arrest- Rolnummer: 65/2009 Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-04-06 Raadplegingen: 237 - laatst gezien 2026-06-30 01:16 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Doordat het bepaalt dat de belastbare inkomens van gehuwden of wettelijk samenwonenden worden samengeteld, schendt artikel 150, eerste en tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals het werd vervangen bij artikel 37 van de wet van 10 augustus 2001 en vervolgens gewijzigd bij artikel 97 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 150 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals van toepassing vanaf het aanslagjaar 2005, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik. Fiscaal recht - Inkomstenbelastingen - Personenbelasting - Belastbare inkomsten - Werkloosheidsuitkeringen - Samentelling - Gehuwde en niet-gehuwde samenwonenden. Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 10-04-1992 - 150,L1 - 32 ELI link Pub nr 1992041050 Wetboek van Inkomstenbelastingen - 10-04-1992 - 150,L2 - 32 ELI link Pub nr 1992041050 Wet - 10-08-2001 - 37 - 63 ELI link Pub nr 2001003402 Wet - 23-12-2005 - 97 - 30 ELI link Pub nr 2005021175 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4452 Arrest nr. 65/2009 van 2 april 2009 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 150 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals van toepassing vanaf het aanslagjaar 2005, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, A. Alen, J.-P. Snappe en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 1 april 2008 in zake Nadia Abbaoui tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 9 april 2008, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Is artikel 150 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, zoals van toepassing vanaf het aanslagjaar 2005, in zoverre het bepaalt dat de belastingvermindering voor werkloosheidsuitkeringen moet worden berekend ‘ voor beide echtgenoten samen ’ terwijl de andere verminderingen die zijn bepaald in de onderafdeling waarvan het genoemde artikel deel uitmaakt ‘ per belastingplichtige ’ moeten worden berekend, bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, vermits het aldus (en enkel wat de werkloosheidsuitkeringen betreft) een verschil in behandeling invoert tussen gehuwde of wettelijk samenwonende belastingplichtigen en feitelijk samenwonende belastingplichtigen, terwijl die twee categorieën van personen zich, behalve wat hun ‘ burgerlijke staat ’ betreft, in een soortgelijke situatie bevinden ? ». De Ministerraad heeft een memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 17 maart 2009 : - is verschenen : Mr. B. Van Caillie, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en E. De Groot verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Nadia Abbaoui heeft, gedurende het belastbare tijdperk verbonden aan het aanslagjaar 2005, werkloosheidsuitkeringen en andere beroepsinkomsten ontvangen, terwijl haar echtgenoot niet zulke uitkeringen ontving. Doordat zij geen enkele belastingvermindering voor werkloosheidsuitkeringen verkreeg, vraagt zij aan de gewestelijke directeur der directe belastingen van Luik een ontheffing van de aanslag in de personenbelasting, gevestigd op haar naam en op die van haar echtgenoot. Zij voert aan dat de voormelde aanslag moet worden herberekend, door het bedrag van de belastingvermindering bedoeld in de artikelen 146 en volgende van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) te bepalen enkel op basis van haar inkomsten. Zij beweert dat artikel 150 van dat Wetboek een discriminerend verschil in behandeling invoert tussen twee categorieën van personen die werkloosheidsuitkeringen ontvangen : enerzijds, de gehuwden of de personen die een verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd en, anderzijds, de feitelijk samenwonenden. 3 Bij beslissingen van 21 augustus en 7 november 2006 verklaart de gewestelijke directeur der directe belastingen de bezwaarschriften niet-gegrond, na te hebben opgemerkt dat het Hof zich reeds heeft uitgesproken over dat verschil in behandeling bij het arrest nr. 185/2002 van 11 december

  1. Nadat bij haar beroep was ingesteld tegen die twee beslissingen van de directeur der belastingen, wijst de Rechtbank van eerste aanleg te Luik erop dat de wijzigingen die de wet van 10 augustus 2001 « houdende hervorming van de personenbelasting » heeft aangebracht aan artikel 150 van het WIB 1992, zoals het aan het Hof was voorgelegd in de zaken die aanleiding gaven tot het arrest nr. 185/2002, verantwoorden dat het Hof opnieuw over dat verschil in behandeling wordt ondervraagd. Zij merkt op dat het voormelde verschil in behandeling voortaan voortvloeit uit die wetgevende bepaling, zoals zij van toepassing is vanaf het aanslagjaar
  2. Zij stelt bijgevolg de bovenvermelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.
  3. De Ministerraad wijst voorafgaandelijk erop dat het met toepassing is van artikel 151, eerste zin, van het WIB 1992, dat de werkloosheidsuitkeringen van de verzoekende partij voor de verwijzende rechter te dezen niet hebben geleid tot een belastingvermindering. Hij merkt op dat het gezamenlijk belastbaar inkomen van het echtpaar, voor het betrokken aanslagjaar, de door die wetgevende bepaling vastgestelde maximumgrens overschreed. Hij onderstreept dat het Hof alleen wordt ondervraagd over de grondwettigheid van de berekeningswijze van de belastingvermindering waarin artikel 150 van het WIB 1992 voorziet. A.
  4. De Ministerraad is van mening dat de prejudiciële vraag bevestigend dient te worden beantwoord doordat de « mogelijke discriminatie » niet voortvloeit uit de in het geding zijnde bepaling. Hij merkt op dat, volgens de prejudiciële vraag, de gehuwde of wettelijk samenwonende belastingplichtigen - die beiden worden beschouwd als echtgenoten volgens artikel 2, eerste lid, 2°, van het WIB 1992 - door de in het geding zijnde bepaling minder goed zouden worden behandeld dan de feitelijk samenwonenden - die door de fiscale wetgever worden beschouwd als alleenstaande belastingplichtigen. Hij herinnert eraan dat het Hof, dat dit verschil in behandeling reeds heeft onderzocht in het arrest nr. 185/2002 van 11 december 2002, heeft geoordeeld dat de discriminatie voortvloeit uit het ontbreken van een specifieke wetgevende bepaling betreffende de ongehuwd samenwonenden. De Ministerraad is van mening dat de lering van dat arrest - dat uitspraak doet over wetgevende bepalingen die voorafgingen aan de wet van 10 augustus 2001 « houdende hervorming van de personenbelasting » - te dezen nog steeds volledig kan worden overgenomen, ondanks de wijzigingen die bij die wet werden aangebracht aan artikel 150 van het WIB
  5. Hij wijst in dat verband erop dat de wet van 10 augustus 2001 niet de berekeningswijze heeft gewijzigd van de belastingvermindering voor werkloosheidsuitkeringen die door een echtgenoot worden verkregen. A.
  6. De Ministerraad onderstreept niettemin dat de wetgever heeft getracht een einde te maken aan de discriminaties waarop het arrest nr. 185/2002 had gewezen. Met verwijzing naar artikel 150 van het WIB 1992 dat werd ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2001, en naar verschillende antwoorden van de minister van Financiën op mondelinge vragen van parlementsleden, wijst hij erop dat de meeste verschillen in behandeling tussen echtgenoten en alleenstaanden, wat de belastingvermindering voor vervangingsinkomsten betreft, werden weggewerkt. Hij merkt eveneens op dat, behalve wat de werkloosheidsuitkeringen betreft, de belastingvermindering per belastingplichtige wordt berekend, dat de wet van 10 augustus 2001 de belastingdruk aanzienlijk heeft verminderd en dat « uitgebreidere maatregelen » zeker zouden wegen op de begroting. A.
  7. De Ministerraad oordeelt voor het overige dat het aangeklaagde verschil in behandeling - dat betrekking heeft op de berekeningswijze van de belastingvermindering voor werkloosheidsuitkeringen - redelijk 4 verantwoord is door de wil te vermijden dat de voordelige fiscale behandeling van die vermindering de terugkeer naar de arbeidsmarkt bemoeilijkt. De Ministerraad wijst bovendien erop dat de regel van artikel 154, eerste lid, 3°, van het WIB 1992 - ingevoegd bij artikel 40 van de wet van 10 augustus 2001 - het door de prejudiciële vraag beoogde verschil in behandeling tussen echtgenoten en alleenstaanden verzacht door te bepalen dat geen belasting is verschuldigd wanneer het belastbaar inkomen uitsluitend bestaat uit werkloosheidsuitkeringen en het bedrag van die uitkeringen niet hoger is dan het maximumbedrag van de wettelijke uitkering. De Ministerraad herinnert eveneens eraan dat de in het geding zijnde belastingvermindering in zekere mate rekening wil houden met de grotere draagkracht van de personen die samen de vaste kosten van levensonderhoud dragen. Hij merkt op dat de wederzijdse plichten en de vermogensrechtelijke toestand van echtgenoten en van feitelijk samenwonenden verschillen. Met verwijzing naar B.5 en B.6 van het arrest nr. 185/2002 oordeelt hij dat dit verschil, wanneer het verband houdt met het doel van de maatregel, een verschillende behandeling kan verantwoorden van echtgenoten of wettelijk samenwonenden. Hij merkt eveneens op dat gehuwde paren overigens fiscale voordelen genieten (huwelijksquotiënt, overdracht van de belastingvrije schijf, toekenning van een deel van het inkomen aan de meewerkende echtgenoot, enz.) die feitelijk samenwonenden niet kunnen verkrijgen, en dat rekening moet worden gehouden, zoals aangegeven in B.3.2 van het arrest nr. 80/93 van 9 november 1993, met de omstandigheid dat de fiscale wetgever, om redenen van doeltreffendheid en kosten, geen rekening kan houden met de grote verscheidenheid aan individuele situaties. A.
  8. De Ministerraad besluit dat, indien het Hof, op grond van de redenen die werden uiteengezet in B.7 van het arrest nr. 185/2002, zou oordelen dat het verschil in behandeling tussen echtgenoten en feitelijk samenwonenden niet kan worden verantwoord, de discriminatie niet volgt uit artikel 150 van het WIB 1992, maar uit het ontbreken van een specifieke bepaling betreffende de feitelijk samenwonenden. -B- B.1.
  9. De artikelen 146 tot 154 vormen onderafdeling III (« Vermindering voor pensioenen en vervangingsinkomsten ») van afdeling I (« Gewoon stelsel van aanslag ») van hoofdstuk III (« Berekening van de belasting ») van titel II (« Personenbelasting ») van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992). B.1.
  10. Bij artikel 147, 7° en 8°, van dat Wetboek, zoals vervangen bij artikel 35 van de wet van 10 augustus 2001 houdende hervorming van de personenbelasting, wordt een vermindering ingevoerd voor de belasting op de werkloosheidsuitkeringen die zijn omschreven bij artikel 146, 3°, van hetzelfde Wetboek. Zoals het van toepassing is op het aanslagjaar 2005, bepaalt artikel 151, eerste zin, van het WIB 1992 - vervangen bij artikel 38 van de wet van 10 augustus 2001 : « Wanneer het belastbare inkomen 22 660 EUR of meer bedraagt, wordt de vermindering voor werkloosheidsuitkeringen, andere dan die welke zijn toegekend aan werklozen die op 5 1 januari van het aanslagjaar 58 jaar of ouder zijn en een anciënniteitstoeslag bevatten, niet toegepast ». B.1.
  11. Zoals het van toepassing is op het aanslagjaar 2005, bepaalt artikel 150 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij artikel 37 van de wet van 10 augustus 2001, en vervolgens gewijzigd bij artikel 97 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact : « Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, worden, met uitzondering van de vermindering voor werkloosheidsuitkeringen, de in deze onderafdeling bepaalde verminderingen en grenzen per belastingplichtige berekend. De vermindering voor werkloosheidsuitkeringen wordt voor beide echtgenoten samen berekend. Daarbij worden respectievelijk werkloosheidsuitkeringen, de netto-inkomens en de belastbare inkomens van beide echtgenoten samengeteld om de vermindering en de grenzen te berekenen. De overeenkomstig het tweede lid berekende vermindering voor werkloosheidsuitkeringen wordt daarna omgedeeld per belastingplichtige in verhouding tot het aandeel van zijn werkloosheidsuitkeringen in het totaal van de werkloosheidsuitkeringen van beide echtgenoten ». De term « echtgenoten » die in die bepaling wordt gebruikt, heeft betrekking zowel op gehuwden als op wettelijk samenwonenden (artikel 2, § 1, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 10 augustus 2001). B.
  12. Uit de feiten van de aan de verwijzende rechter voorgelegde zaak, uit de motieven van de verwijzingsbeslissing en uit de voormelde bepalingen blijkt dat het Hof wordt verzocht uitspraak te doen over de bestaanbaarheid van het voormelde artikel 150, eerste en tweede lid, van het WIB 1992, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat die bepaling een verschil in behandeling zou invoeren tussen twee categorieën van personen die op 1 januari 2005 jonger zijn dan 58 jaar, die naast andere beroepsinkomsten werkloosheidsuitkeringen ontvangen en die samenwonen met een persoon die zulke uitkeringen niet ontvangt : enerzijds, de gehuwde of wettelijk samenwonende persoon ten aanzien van wie een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd en, anderzijds, de persoon die niet gehuwd is, noch wettelijk samenwonend. De in het geding zijnde bepaling heeft tot gevolg dat het belastbare inkomen bedoeld in artikel 151, eerste zin, van het WIB 1992, in het geval van de eerstgenoemde persoon, wordt bepaald door diens belastbare inkomen samen te tellen met het bedrag van het belastbare 6 inkomen van de persoon met wie hij samenwoont, zodat het door die bepaling vastgestelde maximumbedrag - waarboven de voormelde belastingvermindering niet wordt toegekend - vlugger zal zijn bereikt dan voor de tweede categorie van personen. B.3.
  13. De in het geding zijnde bepaling werd aangenomen in het kader van een fiscale hervorming die onder andere tot doel had « een belastingsysteem [te ontwikkelen] dat neutraal is ten aanzien van de samenlevingsvorm » en « de maatregelen die ongunstig zijn voor de gehuwden te schrappen », doordat elk « verschil in belastingdruk tussen gehuwde koppels en samenwonenden » als ongerechtvaardigd werd beschouwd (Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC 50-1270/001, pp. 6-7). B.3.
  14. Het in B.2 vermelde verschil in behandeling werd verantwoord door « het streven […] om een actieve welvaartstaat tot stand te brengen » (Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC 50-1270/006, p. 98), waarvan de ontwikkeling « maatregelen [vereist] om de voordelige fiscale behandeling van vervangingsinkomsten te moduleren », die « […] al te vaak [belet] dat mensen de nodige stappen zetten om actief deel te nemen of te blijven deelnemen aan de arbeidsmarkt » (Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC 50-1270/001, p. 27). Het verschil in behandeling wordt voorgesteld als « een afweging tussen enerzijds het principe van de actieve welvaartstaat en anderzijds dat van het opheffen van discriminaties » (Parl. St., Senaat, 2000-2001, nr. 832/3, p. 43). Die verantwoording werd in herinnering gebracht tijdens het onderzoek van artikel 97 van de wet van 23 december 2005 dat tot doel had een soortgelijk verschil in behandeling weg te werken met betrekking tot andere vervangingsinkomsten (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2128/012, p. 10), verschil in behandeling dat toen « niet opportuun werd geacht » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2128/001, p. 54). B.
  15. De juridische toestand van een samenwonende die is gehuwd of die een verklaring van wettelijke samenwoning heeft afgelegd, verschilt van die van een samenwonende die noch gehuwd, noch wettelijk samenwonend is, zowel wat zijn plichten tegenover de persoon met wie hij samenwoont als wat zijn vermogensrechtelijke toestand betreft. Die verschillen kunnen, wanneer zij verband houden met het doel van de maatregel, een verschil in behandeling tussen die twee categorieën van samenwonenden verantwoorden. 7 B.
  16. Het in B.3.2 beschreven doel kan echter niet het in B.2 vermelde verschil in behandeling redelijk verantwoorden. De wijze van samenleving kan het streven naar re-integratie op de arbeidsmarkt immers niet beïnvloeden. B.
  17. De in het geding zijnde bepaling is niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 8 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Doordat het bepaalt dat de belastbare inkomens van gehuwden of wettelijk samenwonenden worden samengeteld, schendt artikel 150, eerste en tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals het werd vervangen bij artikel 37 van de wet van 10 augustus 2001 en vervolgens gewijzigd bij artikel 97 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 2 april
  18. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.065 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.