← België

ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.067

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 02 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.067 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090402.4 Arrest- Rolnummer: 67/2009 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-04-06 Raadplegingen: 217 - laatst gezien 2026-06-30 01:14 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 20, § 3, eerste lid, eerste zin, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State, schendt de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet niet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep - arresten Raad van State PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende artikel 20, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gesteld door de Raad van State. Bestuursrecht - Raad van State - Administratief cassatieberoep - Toelaatbaarheid - Rechtspleging. # Rechten en vrijheden - Jurisdictionele waarborgen - 1. Onafhankelijk en onpartijdig rechter - 2. Wapengelijkheid - 3. Openbaarheid van de debatten - 4. Openbaarheid van arresten en vonnissen - 5. Motivering. Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 12-01-1973 - 20,§3 - 02 ELI link Pub nr 1973011250 Gecoordineerde Wetten - 12-01-1973 - 20,§3,L1 - 02 ELI link Pub nr 1973011250 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 191 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Rolnummers 4547, 4548, 4549, 4552, 4553, 4554, 4555 en 4556 Arrest nr. 67/2009 van 2 april 2009 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 20, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

  1. a)Bij beschikking nr. 3484 van 29 oktober 2008 gewezen in de procedure van toelaatbaarheid van de cassatieberoepen, in zake Viktorya Galstyan tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 31 oktober 2008, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vragen gesteld : 1. « Schendt artikel 20, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State artikel 149 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre die bepaling stelt dat de eerste voorzitter, de voorzitter, de kamervoorzitter of de staatsraad die ten minste drie jaar graadanciënniteit heeft en die daartoe is aangewezen door de korpschef die de afdeling bestuursrechtspraak onder zijn verantwoordelijkheid heeft, uitspraak doet over de toelaatbaarheid van het cassatieberoep zonder terechtzitting en zonder dat de partijen worden gehoord, terwijl, in zoverre artikel 149 van de Grondwet bepaalt dat het vonnis in openbare terechtzitting wordt uitgesproken, dat artikel tot doel heeft een openbare controle van de gewezen beslissing mogelijk te maken en daardoor een van de waarborgen van een billijk proces vormt ? »; 2. « Schendt artikel 20, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 149 van de Grondwet en artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre die bepaling stelt dat de eerste voorzitter, de voorzitter, de kamervoorzitter of de staatsraad die ten minste drie jaar graadanciënniteit heeft en die daartoe is aangewezen door de korpschef die de afdeling bestuursrechtspraak onder zijn verantwoordelijkheid heeft, uitspraak doet over de toelaatbaarheid van het cassatieberoep, zonder terechtzitting en zonder dat de partijen worden gehoord, en in zoverre die bepaling daardoor zonder wettige en redelijke grondslag een verschil in behandeling in het leven roept tussen twee categorieën van rechtzoekenden, zijnde, enerzijds, diegenen ten aanzien van wie de door de Raad van State gewezen beslissing op hun beroep tot nietigverklaring of tot schorsing wordt uitgesproken in openbare terechtzitting en, anderzijds, diegenen ten aanzien van wie de door de Raad van State gewezen beslissing op hun cassatieberoep wordt uitgesproken zonder terechtzitting ? ».
  2. b)Bij beschikkingen nrs. 3468 en 3467 van 24 oktober 2008 gewezen in de procedure van toelaatbaarheid van de cassatieberoepen, in zake respectievelijk Natalia Bogdan en Samira Chamoun tegen de Belgische Staat, waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 5 november 2008, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vragen gesteld : 1. « Schendt artikel 20, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 149 ervan en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre die bepaling stelt dat de eerste voorzitter, de voorzitter, de kamervoorzitter of de staatsraad die ten minste drie jaar graadanciënniteit heeft en die daartoe is aangewezen door de korpschef die de afdeling bestuursrechtspraak onder zijn verantwoordelijkheid heeft, uitspraak doet over de toelaatbaarheid van het cassatieberoep zonder terechtzitting en zonder dat de partijen worden gehoord, terwijl, in zoverre artikel 149 van de Grondwet bepaalt dat het vonnis in openbare terechtzitting wordt uitgesproken, dat artikel tot doel heeft een openbare controle van de gewezen beslissing mogelijk te maken en daardoor een van de waarborgen van een billijk proces vormt ? »; 3 2. « Schendt artikel 20, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 149 van de Grondwet en artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre die bepaling stelt dat de eerste voorzitter, de voorzitter, de kamervoorzitter of de staatsraad die ten minste drie jaar graadanciënniteit heeft en die daartoe is aangewezen door de korpschef die de afdeling bestuursrechtspraak onder zijn verantwoordelijkheid heeft, uitspraak doet over de toelaatbaarheid van het cassatieberoep, zonder terechtzitting en zonder dat de partijen worden gehoord, en in zoverre die bepaling daardoor zonder wettige en redelijke grondslag een verschil in behandeling in het leven roept tussen twee categorieën van rechtzoekenden, zijnde, enerzijds, diegenen ten aanzien van wie de door de Raad van State gewezen beslissing op hun beroep tot nietigverklaring of tot schorsing wordt uitgesproken in openbare terechtzitting en, anderzijds, diegenen ten aanzien van wie de door de Raad van State gewezen beslissing op hun cassatieberoep wordt uitgesproken zonder terechtzitting ? ».
  3. c)Bij beschikkingen nrs. 3506, 3509, 3502, 3510 en 3504 van 6 november 2008 gewezen in de procedure van toelaatbaarheid van de cassatieberoepen, in zake respectievelijk Emmanuel Eloko Owanga en Marie Nshimba Malamba, Guysie Kienga Kikolo, Espérance Ubeme Mashakola, Liliane Mangabu Ntumba en Jean Kyubi Nenemali tegen de Belgische Staat, waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 13 november 2008, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vragen gesteld : 1. « Schendt artikel 20, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 149 ervan en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre die bepaling stelt dat de eerste voorzitter, de voorzitter, de kamervoorzitter of de staatsraad die ten minste drie jaar graadanciënniteit heeft en die daartoe is aangewezen door de korpschef die de afdeling bestuursrechtspraak onder zijn verantwoordelijkheid heeft, uitspraak doet over de toelaatbaarheid van het cassatieberoep zonder terechtzitting en zonder dat de partijen worden gehoord, en daardoor zonder wettige grondslag een verschil in behandeling in het leven roept onder de rechtzoekenden naargelang zij een administratief cassatieberoep bij de Raad van State instellen of een vordering bij de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde, terwijl, in zoverre artikel 149 van de Grondwet bepaalt dat het vonnis in openbare terechtzitting wordt uitgesproken, dat artikel tot doel heeft een openbare controle van de gewezen beslissing mogelijk te maken en daardoor een van de waarborgen van een billijk proces vormt ? »; 2. « Schendt artikel 20, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 149 van de Grondwet en artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre die bepaling stelt dat de eerste voorzitter, de voorzitter, de kamervoorzitter of de staatsraad die ten minste drie jaar graadanciënniteit heeft en die daartoe is aangewezen door de korpschef die de afdeling bestuursrechtspraak onder zijn verantwoordelijkheid heeft, uitspraak doet over de toelaatbaarheid van het cassatieberoep, zonder terechtzitting en zonder dat de partijen worden gehoord, en in zoverre die bepaling daardoor zonder wettige en redelijke grondslag een verschil in behandeling in het leven roept tussen twee categorieën van rechtzoekenden, zijnde, enerzijds, diegenen ten aanzien van wie de door de Raad van State gewezen beslissing op hun beroep tot nietigverklaring of tot schorsing wordt uitgesproken in openbare terechtzitting en, anderzijds, diegenen ten aanzien van wie de door de Raad van State gewezen beslissing op hun cassatieberoep wordt uitgesproken zonder terechtzitting ? ». 4 Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4547, 4548, 4549, 4552, 4553, 4554, 4555 en 4556 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - Natalia Bogdan, wonende te 1040 Brussel, Galliërslaan 15, in de zaak nr. 4548; - Samira Chamoun, wonende te 1082 Brussel, Kasterlindenstraat 50, in de zaak nr. 4549; - Emmanuel Eloko Owanga en Marie Nshimba Malamba, wonende te 1342 Ottignies-Louvain-la-Neuve, avenue des Capucines 11, in de zaak nr. 4552; - Guysie Kienga Kikolo, wonende te 6230 Pont-à-Celles, rue des Ecoles 5, in de zaak nr. 4553; - Espérance Ubeme Mashakola, wonende te 1932 Zaventem, Sint-Stefaansstraat 146, in de zaak nr. 4554; - Liliane Mangabu Ntumba, wonende te 1000 Brussel, Eedgenotenstraat 119, in de zaak nr. 4555; - Jean Kyubi Nenemali, wonende te 1020 Brussel, Moorsledestraat 162, in de zaak nr. 4556; - de Ministerraad, in alle zaken. Memories van antwoord zijn ingediend door : - Samira Chamoun, in de zaak nr. 4549, Emmanuel Eloko Owanga en Marie Nshimba Malamba, in de zaak nr. 4552, Guysie Kienga Kikolo, in de zaak nr. 4553, Espérance Ubeme Mashakola, in de zaak nr. 4554, Liliane Mangabu Ntumba, in de zaak nr. 4555, en Jean Kyubi Nenemali, in de zaak nr. 4556; - de Ministerraad in de zaken nrs. 4548, 4549, 4552, 4553, 4554, 4555 et 4556. Op de openbare terechtzitting van 17 maart 2009 : - zijn verschenen : - Mr. R. Fonteyn loco Mr. P. Lardinois, advocaten bij de balie te Brussel, voor Natalia Bogdan; . Mr. R. Fonteyn, tevens loco Mr. R.-M. Sukennik, advocaten bij de balie te Brussel, voor Samira Chamoun, Emmanuel Eloko Owanga en Marie Nshimba Malamba, Guysie Kienga Kikolo, Espérance Ubeme Mashakola, Liliane Mangabu Ntumba, en Jean Kyubi Nenemali; 5 . Mr. M. Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen Viktorya Galstyan, Natalia Bogdan, Samira Chamoun, Emmanuel Eloko Owanga en Marie Nshimba Malamba, Guysie Kienga Kikolo, Espérance Ubeme Mashakola, Liliane Mangabu Ntumba en Jean Kyubi Nenemali stelden bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een administratief cassatieberoep in tegen een arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Bij de uitspraak over de toelaatbaarheid van die beroepen op grond van artikel 20 van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State, beslist de Raad van State – beslissing waarbij hij het beroep toelaatbaar verklaart - om aan het Hof de prejudiciële vragen te stellen die door de verzoekende partijen zijn voorgesteld en die hierboven zijn vermeld. III. In rechte -A- A.1.1. Natalia Bogdan (zaak nr. 4548) is van mening dat artikel 20, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een onverantwoord onderscheid in het leven roept onder rechtzoekenden die een beroep hebben ingesteld voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State : diegenen die een beroep tot nietigverklaring en/of tot schorsing hebben ingesteld kunnen worden gehoord en de beslissing van de Raad van State kan openbaar worden uitgesproken, terwijl de rechtzoekenden die een cassatieberoep voor de Raad van State hebben ingesteld, de mogelijkheid te worden gehoord, wordt ontzegd en de beslissing van de Raad van State wordt niet in openbare terechtzitting gewezen. A.1.2. Hoewel het Hof van Cassatie en de Raad van State van oordeel zijn dat artikel 149 van de Grondwet enkel toepasbaar is op de rechtbanken van de rechterlijke orde, is de verzoekster van mening dat die bepaling in geen enkele uitzondering voorziet op het principe dat elk vonnis in openbare terechtzitting wordt uitgesproken en dat er geen reden is om te oordelen dat de beslissingen van een administratieve rechter minder openbaarheid vergen dan die welke vereist is ten aanzien van de gerechtelijke beslissingen. Bovendien bepaalt artikel 28 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dat elk arrest « wordt uitgesproken in openbare terechtzitting » : die bepaling formuleert een algemeen principe zonder in een uitzondering te voorzien, zodat ze in die zin moet worden begrepen dat ze alle beslissingen die van de Raad van State uitgaan, omvat, met inbegrip van de beschikkingen die worden gewezen op grond van artikel 20, § 3. Ten slotte heeft het Grondwettelijk Hof, en niet het Hof van Cassatie, de opdracht de grondwettigheid van de wetten te toetsen. A.1.3. De verzoekster voor de Raad van State is bovendien van oordeel dat de in het geding zijnde bepaling artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens schendt waarbij, behoudens strikt omschreven uitzonderingen, wordt gegarandeerd dat elk vonnis openbaar moet worden gewezen. 6 Het beginsel van openbaarheid van de debatten vormt een van de waarborgen waaraan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens het meest gehecht is, waarbij het aan het individu bescherming biedt tegen een geheime justitie en hem in staat stelt kennis te nemen van de teneur van de debatten tijdens de terechtzitting. In dat opzicht neemt de uitzondering op de openbaarheid van de debatten en van de uitspraak de voorschriften van artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet in acht : die uitzondering werd niet door de wetgever georganiseerd in het belang van de moraliteit, de openbare orde of de nationale veiligheid in een democratische samenleving; zij heeft niet tot doel de belangen van de minderjarigen of het privéleven van de procespartijen te beschermen; ten slotte vormt zij geen maatregel die door de rechtbank strikt noodzakelijk zou zijn geacht in bijzondere of buitengewone omstandigheden teneinde te vermijden dat de openbaarheid afbreuk doet aan de belangen van het gerecht. Door het algemene karakter ervan neemt die uitzondering dus niet artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens in acht. A.1.4. De in het geding zijnde bepaling roept eveneens een verschil in behandeling in het leven onder rechtzoekenden die een beroep hebben ingesteld voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De verzoekster stelt vast dat de in het geding zijnde bepaling, die voorziet in een filterprocedure, is aangenomen uit zorg om de achterstand in het vreemdelingencontentieux weg te werken, en zulks door de Raad van State, via een verkorte en versnelde procedure, in staat te stellen elke voorziening die wordt ingesteld, te verwerpen of niet ontvankelijk te verklaren op grond van een beknopte motivering : die bepaling vloeit voort uit een bekommernis van doeltreffendheid die een objectieve verantwoording kan vormen. Wat betreft het op elkaar afgestemd zijn van de maatregel en het nagestreefde doel, vraagt de verzoekster zich af hoe het feit dat wordt bepaald dat de beschikkingen betreffende de ontvankelijkheid van de beroepen zullen worden gewezen zonder terechtzitting en zonder de partijen te horen, de gerechtelijke achterstand zou kunnen wegwerken; en in de veronderstelling dat die maatregel kan bijdragen tot het wegwerken van die achterstand, is de inbreuk op artikel 149 van de Grondwet en op artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens onevenredig ten aanzien van het nagestreefde doel. De filterprocedure bevat immers voldoende aspecten waarbij de rechten van de rechtzoekende die een administratief cassatieberoep instelt, reeds worden beperkt, en die ruim volstaan om de procedure van ontvankelijkheid te versnellen (beschikking gewezen door één staatsraad, uiterst korte beslissingstermijn, beknopte motivering van de weigering van ontvankelijkheid, geen recht om beroep in te stellen tegen de beschikking van weigering van ontvankelijkheid). Wanneer men ten slotte de in het geding zijnde belangen tegen elkaar afweegt, blijkt duidelijk dat het recht van de rechtzoekende op uitspraak van zijn vonnis in openbare terechtzitting voorrang heeft op de bekommernis om de gerechtelijke achterstand bij de Raad van State weg te werken : de openbaarheid van de arresten en de vonnissen maakt integraal deel uit van de waarborgen van het eerlijk proces, hoeksteen van elke democratische samenleving, en duldt geen uitzondering met als enig doel de procedure te versnellen. Ten slotte heeft die filter enkel betrekking op het vreemdelingencontentieux en kan hij dus enkel de achterstand in verband met dat contentieux wegwerken, terwijl de achterstand in verband met de hele bestuursrechtspraak van de Raad van State even aanzienlijk is als die eigen aan het vreemdelingencontentieux, zonder dat de wetgever echter de in het geding zijnde bepaling heeft durven uitbreiden tot het volledige contentieux voor de Raad van State. De in het geding zijnde bepaling is dus noch evenredig, noch geldig verantwoord. A.2.1. Samira Chamoun, Emmanuel Eloko Owanga en Marie Nshimba Malamba, Guysie Kienga Kikolo, Espérance Ubeme Mashakola, Liliane Mangabu Ntumba, en Jean Kyubi Nenemali (zaken nrs. 4549 en 4552 tot 4556) interpreteren de vragen in die zin dat zij betrekking hebben op het ontbreken van een terechtzitting, en niet specifiek op de ontstentenis van openbare terechtzitting. A.2.2. Zij zijn van mening dat het verschil in behandeling tussen diegene die de nietigverklaring of de schorsing van een administratieve akte vordert en diegene die de cassatie vordert van een door een administratief rechtscollege gewezen beslissing, gegrond is op de legitieme doelstelling die erin bestaat de achterstand bij de Raad van State en de duur van het onderzoek van beroepen die kennelijk tot mislukken gedoemd zijn, te verminderen. Zij oordelen niettemin dat dit verschil in behandeling niet redelijk is doordat de in het geding zijnde bepaling geen identieke schiftingsprocedure invoert voor alle andere typen van beroepen die aan de Raad van State worden gericht. Zij wijzen erop dat in de parlementaire voorbereiding van die bepaling niet de reden 7 wordt uiteengezet waarom niet in zulk een procedure is voorzien voor de beroepen tot nietigverklaring en de vorderingen tot schorsing van administratieve akten. Het verschil in behandeling tussen de cassatieberoepen en de beroepen tot vernietiging blijkt nauwelijks relevant ten aanzien van de doelstelling om de achterstand bij de Raad van State te verkleinen. Zij voegen eraan toe dat dit verschil in behandeling niet redelijk is, noch evenredig omdat het doel van een snelle behandeling volgens hen kon worden bereikt door middel van andere procedures, die even snel verlopen en die de rechten van de verdediging minder aantasten. Zij merken op dat in de parlementaire voorbereiding niet wordt toegelicht in welk opzicht de betwiste schiftingsprocedure beter is dan de verkorte procedures die zijn bepaald in artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, en in de artikelen 26 en 27 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Zij zijn van mening dat, in tegenstelling tot de terechtzittingen die in het kader van die procedures worden gehouden en die zich over het algemeen beperken tot een verwijzing naar de geschreven stukken, het ontbreken van een terechtzitting het niet mogelijk maakt een kennelijke beoordelingsfout van een rechter te voorkomen. Zij wijzen eveneens erop dat een dergelijke fout niet kan worden rechtgezet door middel van verzet, derdenverzet of herziening. A.2.3. Die verzoekers voeren ten slotte aan dat het voormelde verschil in behandeling onevenredig is in het licht van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij verwijten de bekritiseerde procedure dat zij noch een debat, noch een openbare controle toestaat betreffende het klaarblijkelijke karakter van de onbevoegdheid van de Raad van State, betreffende het feit dat het beroep geen voorwerp meer heeft of betreffende de grond van de middelen. Zij leiden eruit af dat, gelet op de bondigheid van de motivering van een beschikking betreffende de toelaatbaarheid van een cassatieberoep, de genoemde procedure het recht op een eerlijk proces aantast en voorrang geeft aan de innerlijke overtuiging van de magistraat en aan een « subjectieve procedure met gesloten deuren », zodat zij de weg zou openen naar willekeur. Zij voeren ten slotte aan dat de vergelijking die de Ministerraad maakt met andere Belgische of buitenlandse procedures alleen pertinent zou kunnen zijn indien die procedures eveneens een filter zouden zijn die wordt gebruikt door een « opperste en alleenrechtsprekende rechter » die, zonder terechtzitting, een beslissing neemt die niet vatbaar is voor herziening, in een zaak die niet voorafgaandelijk aan twee andere rechtinstanties werd voorgelegd. Zij beweren dat een dergelijke filterprocedure door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens nooit in overeenstemming werd bevonden met de vereiste van een eerlijk proces. Zij voeren aan dat de verschillende Belgische of buitenlandse wetgevingen die door de Ministerraad zijn vermeld, bepalen dat de beslissing wordt genomen door een collegiale instantie, of dat de verzoekende partij, zo zij niet kan worden gehoord, toch wel minstens een memorie kan indienen; geen enkele - nationale of internationale - vergelijking maakt het dus mogelijk die onevenredige inbreuk op de rechten van de verdediging te verantwoorden. A.3.1. Wat betreft de eerste prejudiciële vraag merkt de Ministerraad op dat het Hof niet bevoegd is om uitspraak te doen over de bestaanbaarheid van een wetsbepaling met artikel 149 van de Grondwet of met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.3.2. Bovendien stelt de Ministerraad vast dat de verzoekende partijen voor de Raad van State in hun memorie geen enkele discriminatie onder de rechtzoekenden aanvoeren naargelang zij een cassatieberoep instellen voor het Hof van Cassatie, een rechtscollege van de rechterlijke orde, of voor de Raad van State. In de veronderstelling dat de eerste ^prejudiciële vraag zo wordt geïnterpreteerd dat zij een dergelijke discriminatie aanvoert, merkt de Ministerraad op dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 169/2008 eraan heeft herinnerd dat de verschillen van organisatie en procedure tussen de hoven en rechtbanken, enerzijds, en de andere rechtscolleges anderzijds, niet strijdig zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Dat geldt noodzakelijkerwijze ook wanneer het verschil, zoals te dezen, betrekking heeft op de procedure die van toepassing is op de beroepen die respectievelijk voor het Hof van cassatie en de Raad van State worden ingesteld. A.4.1. Wat betreft de tweede prejudiciële vraag, is de Ministerraad van mening dat uit de formulering van de prejudiciële vraag niet kan worden afgeleid of de grief die ten grondslag ligt aan de prejudiciële vraag, voortvloeit uit het ontbreken van een terechtzitting of uit het ontbreken van een uitspraak in openbare terechtzitting. Hij voert aan dat de in het geding zijnde bepaling in de beide gevallen de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 149 van de Grondwet en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet schendt. 8 A.4.2. De Ministerraad merkt op dat artikel 20, § 3, derde lid, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State, de Raad van State niet verbiedt de beschikkingen waarbij hij uitspraak doet over de toelaatbaarheid van een administratief cassatieberoep, in openbare terechtzitting uit te spreken. Hij voegt eraan toe dat het ontbreken van een uitspraak in openbare terechtzitting voortvloeit uit artikel 47 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State. Hij herinnert eraan dat het Hof niet bevoegd is om de grondwettigheid van niet-wetskrachtige bepalingen te onderzoeken. Bovendien dient geen uitspraak te worden gedaan over een discriminatie waarbij, enerzijds, een wettelijke bepaling en, anderzijds, een reglementaire bepaling tegenover elkaar zouden staan. De Ministerraad oordeelt voor het overige dat, zelfs wanneer het in de tweede prejudiciële vraag beoogde verschil in behandeling zou voortvloeien uit artikel 20, § 3, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten, het niet alleen legitiem zou zijn, maar ook onbestaande in de feiten. Hij voert aan dat een verschil in behandeling tussen, enerzijds, een beslissing die uitsluitend betrekking heeft op het toelaten van een administratief cassatieberoep en, anderzijds, beslissingen waarbij uitspraak wordt gedaan over een beroep tot nietigverklaring of een vordering tot schorsing, niet onevenredig is. Daarnaast wijst hij erop dat een uitspraak in openbare terechtzitting van de arresten over een administratief cassatieberoep, een beroep tot nietigverklaring of een vordering tot schorsing, zoals die is bepaald bij artikel 28 van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten, niet realiseerbaar is en bijgevolg enkel nog bij wijze van uitzondering plaatsvindt. A.4.3.1. Wat het ontbreken van een terechtzitting betreft, erkent de Ministerraad dat er geen procedure van toelating bestaat na het indienen van een beroep tot nietigverklaring of van een vordering tot schorsing van een administratieve akte. Hij onderstreept meteen al dat het onderzoek van zulk een beroep of van zulk een vordering niet wordt voorafgegaan, zoals het onderzoek van een cassatieberoep, door het optreden van een andere rechtsinstantie. Het cassatieberoep is een buitengewoon rechtsmiddel dat moet worden uitgeoefend in laatste aanleg, zodat de toegang tot een rechter reeds gewaarborgd is geweest, terwijl de procedure tot vernietiging of tot schorsing een primaire procedure is. Sinds de wet van 15 september 2006 is het overigens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die het gemeenrechtelijk administratief rechtscollege vormt inzake vreemdelingenrecht, onder voorbehoud van een administratief cassatieberoep voor de Raad van State. De Ministerraad wijst erop dat de bekritiseerde procedure van toelating werd ingevoerd om achterstand te vermijden bij de behandeling, door de Raad van State, van de administratieve cassatieberoepen die gericht zijn tegen de beslissingen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, en om te waarborgen dat de administratieve cassatieberoepen binnen een redelijke termijn zouden worden behandeld. Hij merkt op dat de wetgever het uitzonderlijke karakter van dat type van beroep wilde onderstrepen en wenste dat de procedure van toelating doeltreffend zou zijn. Hij is van mening dat die overwegingen verantwoorden dat er geen terechtzitting is die de partijen in staat stelt hun standpunt te doen gelden. De Ministerraad voegt eraan toe dat voor het houden van een kort debat een optreden van het auditoraat van de Raad van State vereist zou zijn, wat, enerzijds, de besluitvorming met betrekking tot de toelaatbaarheid van de voorziening in cassatie zou vertragen en, anderzijds, de werklast van het auditoraat zou verhogen, terwijl die werklast reeds de verklaring is van het feit dat het voor de auditeurs onmogelijk is om de beroepen tot nietigverklaring en de vorderingen tot schorsing binnen een korte termijn te onderzoeken. De loutere omstandigheid dat de versnelling van de procedures tot vernietiging of tot schorsing niet voldoende snel wordt bereikt, vormt geen motief dat betwisting van de in het vreemdelingencontentieux nagestreefde doelstelling mogelijk maakt. Volgens de Ministerraad is het bovendien onredelijk, en zelfs onheus, te beschouwen dat een staatsraad die als enige uitspraak doet, niet in staat zou zijn om een kennelijke beoordelingsfout te voorkomen die betrekking heeft op de specifieke kwestie van de ontvankelijkheid van een administratief cassatieberoep. A.4.3.2. De Ministerraad voert vervolgens aan dat het houden van een eerlijk proces niet het optreden van een collegiale rechtsinstantie vereist, noch een extern advies of het voorhanden zijn van een beroep tot herziening, zodat het geoorloofd is om aan een alleenrechtsprekende magistraat de specifieke bevoegdheid toe te vertrouwen om zich uitsluitend over de toelaatbaarheid van een jurisdictioneel beroep uit te spreken. De Ministerraad wijst bovendien erop dat het ontbreken van een debat op tegenspraak, gelet op het specifieke karakter van de ontvankelijkheidsprocedure van een voorziening, niet bekritiseerbaar is. Hij merkt in dat verband op dat de artikelen 71 en 72 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 in een voorafgaande rechtspleging voorzien die het Grondwettelijk Hof in staat stelt bepaalde beroepen tot vernietiging « beknopt te 9 behandelen ». Hij verwijst eveneens naar drie wetsvoorstellen die ertoe strekken een toelatingsprocedure in te voeren voor de voorzieningen in cassatie die worden ingesteld bij het Hof van Cassatie, waarbij hij benadrukt dat geen enkel van die voorstellen in de mogelijkheid voorziet, voor de partijen, om hun argumenten in verband met de toelaatbaarheid van hun voorziening te doen gelden tijdens een terechtzitting of via het indienen van een memorie. De Ministerraad wijst eveneens erop dat de procedure van toelaatbaarheid ook voorkomt in andere lidstaten van de Europese Unie. Hij vermeldt in dat verband de regels die gelden voor de voorziening in cassatie die wordt gericht aan de Franse Conseil d’Etat, en die niet werden veroordeeld ten aanzien van de artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (Europees Hof voor de Rechten van de Mens (beslissing), 9 maart 1999, Immeubles Groupe Kosser t. Frankrijk). Hij beschrijft vervolgens bondig de toelatingsprocedure die van toepassing is op de voorzieningen die worden gericht aan het Franse Cour de cassation, en de vereenvoudigde procedures die gelden bij de Nederlandse Hoge Raad en bij de Nederlandse Raad van State, alsook bij het Verwaltungsgerichtshof van Oostenrijk. Hij stelt bovendien dat er ook soortgelijke procedures bestaan in twaalf andere lidstaten van de Europese Unie. Hij verwijst ten slotte naar de artikelen 27.1, 28 en 35.3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. -B- B.1.1. De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is, krachtens artikel 14, § 2, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State - zoals het werd ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 25 mei 1999 « tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, van de wet van 5 april 1955 inzake de wedden van de ambtsdragers bij de Raad van State, alsook van het Gerechtelijk Wetboek » -, bevoegd om « uitspraak [te doen] […] over de cassatieberoepen ingesteld tegen de door de administratieve rechtscolleges in laatste aanleg gewezen beslissingen in betwiste zaken ». Artikel 20 van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten, zoals het opnieuw werd ingevoegd bij artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, geeft in de eerste paragraaf aan dat dit type van beroep « pas [wordt] behandeld voor zover het toelaatbaar is verklaard », waarna paragraaf 4 eraan herinnert dat de procedure in cassatie alleen wordt aangevat indien het cassatieberoep toelaatbaar is. Artikel 20, § 2, van dezelfde gecoördineerde wetten preciseert de criteria van toelaatbaarheid van zulk een beroep : « Elk cassatieberoep wordt, zodra het op de rol is geplaatst, en op inzage van het verzoekschrift en het rechtsplegingsdossier, onmiddellijk onderworpen aan een procedure van toelating. 10 Cassatieberoepen waarvoor de Raad van State niet bevoegd is of zonder rechtsmacht, of die zonder voorwerp of kennelijk onontvankelijk zijn, worden niet toelaatbaar verklaard. Worden slechts toelaatbaar verklaard, de cassatieberoepen waarvan de middelen een schending van de wet of een substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste aanvoeren, voor zover het erin aangevoerde middel niet kennelijk ongegrond is en dat die schending daadwerkelijk van die aard is dat ze tot cassatie van de bestreden beslissing kan leiden en de strekking van de beslissing kan hebben beïnvloed. Worden eveneens toelaatbaar verklaard, de cassatieberoepen waarvoor de Raad van State niet onbevoegd of zonder rechtsmacht is om het beroep in cassatie te berechten of die niet zonder voorwerp of kennelijk onontvankelijk zijn en waarvan het onderzoek door de afdeling noodzakelijk blijkt om te zorgen voor de eenheid van de rechtspraak ». B.1.2. Artikel 20, § 3, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten, zoals het werd gewijzigd bij artikel 99 van het koninklijk besluit van 25 april 2007 « tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State », bepaalt de wezenlijke bestanddelen van de procedure van toelaatbaarheid van het administratief cassatieberoep. Het bepaalt : « De eerste voorzitter, de voorzitter, de kamervoorzitter of de staatsraad die ten minste drie jaar graadanciënniteit heeft en die daartoe is aangewezen door de korpschef die de afdeling bestuursrechtspraak onder zijn verantwoordelijkheid heeft, doet bij beschikking binnen de acht dagen vanaf de ontvangst van het dossier van het rechtscollege, uitspraak over de toelaatbaarheid van het cassatieberoep zonder terechtzitting en zonder dat de partijen worden gehoord. De hoofdgriffier vraagt onmiddellijk na ontvangst van het verzoekschrift het dossier van het rechtscollege op bij het administratief rechtscollege wiens beslissing met een cassatieberoep wordt bestreden. Dit rechtscollege bezorgt het dossier binnen de twee werkdagen na het verzoek tot mededeling aan de Raad van State. De beschikking waarbij de toelating wordt geweigerd, motiveert bondig de weigering. De beschikking wordt onmiddellijk ter kennis gebracht aan de partijen in cassatie volgens de modaliteiten bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Dit koninklijk besluit kan eveneens de gevallen bepalen waarin kan worden volstaan met een kennisgeving aan de in het geding zijnde administratieve overheden bedoeld in artikel 14, § 2, van het dispositief en het voorwerp, alsook de vorm waarin en de voorwaarden waaronder deze kennisgeving geschiedt en de wijze waarop deze beschikkingen voor deze partij integraal toegankelijk zijn. Tegen de krachtens deze bepaling uitgesproken beschikkingen kan geen verzet noch derdenverzet worden aangetekend noch zijn ze vatbaar voor herziening ». 11 Bovendien wordt de Koning gemachtigd om, « bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de procedure [te bepalen] met betrekking tot het […] onderzoek van de toelaatbaarheid in cassatie » (artikel 20, § 5, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten). B.2. Uit de formulering van de eerste prejudiciële vraag in de zaak nr. 4547 blijkt dat het Hof wordt verzocht de bestaanbaarheid te onderzoeken van artikel 20, § 3, eerste lid, eerste zin, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten, met artikel 149 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. In de eerste prejudiciële vraag in de zaken nrs. 4548, 4549 en 4552 tot 4556 wordt het Hof verzocht de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te onderzoeken, in samenhang gelezen met artikel 149 van de Grondwet en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. In de eerste prejudiciële vraag in de zaken nrs. 4552 tot 4556 wordt gepreciseerd dat het Hof wordt ondervraagd over de in het geding zijnde bepaling, in zoverre die « een verschil in behandeling in het leven roept onder de rechtzoekenden naargelang zij een administratief cassatieberoep bij de Raad van State instellen of een vordering bij de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde ». B.3.1. In de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof ondervraagd over de bestaanbaarheid van datzelfde artikel 20, § 3, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten, met « de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 149 van de Grondwet en artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens », en wordt dat artikel 20, § 3, eveneens verweten toe te laten dat de beslissing over de toelaatbaarheid van het cassatieberoep wordt uitgesproken « zonder terechtzitting en zonder dat de partijen worden gehoord ». De vragen zijn onlosmakelijk verbonden, zodat zij als volgt moeten worden geherformuleerd, in één enkele vraag : « Schendt artikel 20, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 149 ervan en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre die bepaling, door 12 te stellen dat de eerste voorzitter, de voorzitter, de kamervoorzitter of de staatsraad die ten minste drie jaar graadanciënniteit heeft en die daartoe is aangewezen door de korpschef die de afdeling bestuursrechtspraak onder zijn verantwoordelijkheid heeft, uitspraak doet over de toelaatbaarheid van het cassatieberoep zonder terechtzitting en zonder dat de partijen worden gehoord, een dubbel verschil in behandeling creëert : enerzijds, tussen de rechtzoekenden op wie die bepaling van toepassing is en de rechtzoekenden die, krachtens artikel 149 van de Grondwet, het voordeel genieten van een vonnis uitgesproken in openbare terechtzitting; anderzijds, tussen de rechtzoekenden die een beroep tot nietigverklaring of een vordering tot schorsing hebben ingesteld bij de Raad van State, waarover die zich in het openbaar uitspreekt na een terechtzitting, en de rechtzoekenden die een cassatieberoep hebben ingesteld bij diezelfde Raad van State, die zich zonder terechtzitting uitspreekt over de toelaatbaarheid van dat beroep ? ». B.3.2. Artikel 149 van de Grondwet bepaalt : « Elk vonnis is met redenen omkleed. Het wordt in openbare terechtzitting uitgesproken ». Ook al drukt de eerste zin van artikel 149 van de Grondwet een algemene regel uit die geldt voor elk rechtscollege, is de tweede zin alleen van toepassing op de vonnisgerechten die tot de rechterlijke macht behoren, hetgeen evenwel de bevoegde wetgever niet verbiedt de erin vervatte regel uitdrukkelijk op andere rechtscolleges van toepassing te maken. Voor het overige heeft de Grondwetgever zelf een onderscheid in het leven geroepen tussen de « hoven en rechtbanken » - waarvan het grondwettelijke statuut wordt geregeld in de bepalingen van hoofdstuk VI (« De rechterlijke macht ») van titel III (« De machten ») van de Grondwet – en de andere rechtscolleges zoals de Raad van State, waarvan de grondwettelijke basis artikel 160 van de Grondwet is. De prejudiciële vraag moet dus enkel worden onderzocht in zoverre zij de schending aanvoert van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.3.3. De in het geding zijnde bepaling werd aangenomen naar aanleiding van de hervorming van het contentieux betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, die werd doorgevoerd bij de voormelde wet van 15 september 2006. De administratieve cassatieprocedure heeft grotendeels betrekking op de beroepen die worden ingesteld tegen de beslissingen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, die een administratief rechtscollege is dat « als enige bevoegd [is] om kennis te nemen van de beroepen die worden ingesteld tegen individuele beslissingen 13 genomen met toepassing van de wetten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (artikel 39/1, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingevoegd bij de voormelde wet van 15 december 2006). Die betwistingen hebben geen betrekking op burgerlijke rechten en verplichtingen, noch op de gegrondheid van een strafvervolging, zodat de bepalingen van artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet erop van toepassing zijn (EHRM, 5 oktober 2000, Maaouia t. Frankrijk, § 40; EHRM, 14 februari 2008, Hussain t. Roemenië, § 98). B.3.4. De wetgever heeft niettemin de administratieve cassatieprocedure algemeen gewijzigd, waardoor zij ook van toepassing kan zijn op betwistingen die binnen het toepassingsgebied van artikel 6.1 van het voormelde Verdrag vallen. B.4. Behoudens bijzondere procedureregels, kan de persoon die bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring of een vordering tot schorsing heeft ingesteld, tijdens een terechtzitting zijn opmerkingen doen gelden (artikel 27, § 1, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten). Het arrest van de Raad van State wordt in openbare terechtzitting uitgesproken (artikel 28, eerste lid, van dezelfde wetten). B.5.1. De in het geding zijnde bepaling, die van die regels afwijkt, past in een geheel van wetgevende maatregelen die tot doel hebben een aanzienlijke en aanhoudende gerechtelijke achterstand te beheersen en weg te werken, achterstand die de goede werking van de Raad van State in gevaar brengt en die meer bepaald kan worden verklaard door het toenemende aantal onrechtmatige, dilatoire of « ondermaatse » beroepen die bij dat administratieve rechtscollege worden ingesteld (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2479/001, pp. 4-12 en 14-15). B.5.2. De toelatingsprocedure in cassatie heeft tot doel « te voorkomen dat het hoogste administratieve rechtscollege door de verzoekers louter wordt beschouwd als een beroepsinstantie en dat de Raad van State voorzieningen in cassatie moet onderzoeken en ten gronde berechten waarvan na een kort voorafgaand onderzoek blijkt dat die, gelet op de middelen die erin worden aangevoerd, geen enkele kans maken om te worden ingewilligd ». Dankzij die procedure « wordt ruimte vrijgemaakt voor zaken die een grondig onderzoek 14 vergen, hetgeen bijdraagt tot een billijke en doeltreffende rechtsbedeling » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2479/001, p. 34). Die « verkorte en versnelde » toelatingsprocedure bestaat in « het zeven van de bij de Raad van State ingestelde voorzieningen in cassatie » (ibid., p. 36). De snelheid ervan wordt beschouwd als een van de waarborgen voor de efficiëntie ervan (ibid., p. 40). Hetzelfde geldt voor het ontbreken van een terechtzitting en van een debat op tegenspraak (ibid., p. 41). Voor de toelatingsprocedure werd uitgegaan van de toelatingsprocedures die bestaan in verschillende lidstaten van de Europese Unie en in de procedurereglementen van de Europese rechtscolleges (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2479/001, pp. 35 en 41). B.5.3. Rekening houdend met het feit dat de nagestreefde doelstelling kan bijdragen tot een goede rechtsbedeling en met het feit dat een toelating alleen kan worden geweigerd wanneer na een voorafgaand onderzoek blijkt dat het beroep geen enkele kans maakt om te worden ingewilligd, kon de wetgever voorzien in specifieke procedureregels die verschillen van die van de vordering tot schorsing of van het beroep tot nietigverklaring. Evenwel dient te worden onderzocht of de bijzondere procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de betrokken personen met zich meebrengen. B.5.4. In tegenstelling tot de persoon die bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een vordering tot schorsing of een beroep tot nietigverklaring instelt om een individuele beslissing aan te vechten, heeft diegene die bij hetzelfde rechtscollege cassatieberoep instelt, reeds de gelegenheid gehad om zijn grieven voor te leggen aan een onafhankelijke en onpartijdige jurisdictionele instantie. Bovendien wordt de beschikking over de toelaatbaarheid van het cassatieberoep gewezen zonder dat de tegenpartij haar eventuele opmerkingen kon doen gelden over dat aspect van het beroep. Doordat het auditoraat van de Raad van State niet deelneemt aan het onderzoek naar de toelaatbaarheid van dat type van beroep (artikel 76, § 1, vijfde lid, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten, ingevoegd bij artikel 33 van de wet van 15 september 2006), wordt de beschikking over de toelaatbaarheid dus enkel gewezen op grond van het verzoekschrift tot cassatie en van het dossier van het administratief rechtscollege waarvan de 15 beslissing wordt bestreden. Er wordt derhalve geen afbreuk gedaan aan het beginsel van de wapengelijkheid. B.6.1. Artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt dat eenieder recht heeft op een « openbare behandeling van zijn zaak » en dat « het vonnis […] in het openbaar [moet] worden gewezen ». Niettemin, in het bijzonder wanneer het gaat om een procedure in cassatie en wanneer die enkel betrekking heeft op rechtsvragen, kan het gerechtvaardigd zijn, enerzijds, dat er geen terechtzitting is, en, anderzijds, dat de beslissing op een andere wijze openbaar wordt gemaakt dan door een lezing in openbare terechtzitting (EHRM, 8 december 1983, Pretto en anderen t. Italië; 8 december 1983, Axen t. Duitsland; 22 februari 1984, Sutter t. Zwitserland; 17 januari 2008, Ryakib Birynkov t. Rusland). B.6.2. Het cassatieberoep komt na een jurisdictionele procedure die op tegenspraak is. Het heeft enkel betrekking op rechtsvragen. De in het geding zijnde procedure betreft uitsluitend de toelaatbaarheid van het beroep, die alleen kan worden geweigerd onder de voorwaarden opgesomd in het voormelde artikel 20, § 2, van de wet. Wanneer het beroep toelaatbaar wordt verklaard, wordt het in beginsel in openbare terechtzitting behandeld, na uitwisseling van memories. B.6.3. Ook al wordt de beslissing van niet-toelaatbaarheid niet in openbare terechtzitting voorgelezen, bepalen zowel artikel 20, § 3, derde lid, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten als artikel 11, tweede lid, van het koninklijk besluit van 30 november 2006 « tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State » dat de beschikking van niet-toelaatbaarheid « onverwijld » wordt meegedeeld aan de partijen, die eveneens ervan kennis kunnen nemen op de griffie van de Raad van State. Luidens artikel 28, derde lid, van de voormelde gecoördineerde wetten, zijn « de arresten en de beschikkingen bedoeld in artikel 20, § 3, van de Raad van State […] toegankelijk voor het publiek ». B.6.4. Ten slotte, door te bepalen dat « de beschikking waarbij de toelating wordt geweigerd, […] de weigering [bondig motiveert] », staat artikel 20, § 3, tweede lid, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten de Raad van State niet toe de algemene regel van artikel 28 van die wetten te schenden, volgens welke elk vonnis met redenen omkleed is. Het betekent enkel dat de redenen van niet-toelaatbaarheid, precies vanwege het klaarblijkelijke karakter ervan, geen uitgebreide toelichting vereisen. 16 B.7. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de wetgever de personen die een cassatieberoep instellen bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, anders kon behandelen dan, enerzijds, de rechtzoekenden die een beroep instellen bij een rechtscollege waarop artikel 149, tweede zin, van de Grondwet, van toepassing is, en, anderzijds, de personen die een vordering tot schorsing of een beroep tot nietigverklaring instellen bij dezelfde afdeling van de Raad van State. Zoals is aangegeven in B.3.3 en B.3.4, is artikel 20, § 3, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten bovendien zonder onderscheid van toepassing op Belgen en op vreemdelingen, zodat die bepaling niet onbestaanbaar is met artikel 191 van de Grondwet. B.8. Door te bepalen dat de beschikking over de toelaatbaarheid niet wordt voorafgegaan door een terechtzitting en door niet te bepalen dat zij wordt gewezen tijdens een openbare terechtzitting, heeft de wetgever een maatregel genomen die niet onbestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 17 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 20, § 3, eerste lid, eerste zin, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State, schendt de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet niet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 2 april 2009. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.067 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.