id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 23 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.069 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090423.1 Arrest- Rolnummer: 69/2009 Rechtsgebied: Intellectuele eigendom - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-04-28 Raadplegingen: 284 - laatst gezien 2026-06-30 03:01 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof schorst artikel 83 van de wet van 22 december 2008 « houdende diverse bepalingen (I) ». UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Auteursrecht en Naburige rechten - Auteursrecht PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vordering tot schorsing (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Vordering tot schorsing van de artikelen 83 en 84 (« Het gebruik van partituren in het onderwijs ») van de wet van 22 december 2008 « houdende diverse bepalingen (I) », ingesteld door de cvba « SEMU » en anderen. Intellectuele rechten - Auteursrecht en naburige rechten - Reproductie van werken, ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek -
- Bladmuziek - Integrale reproductie -
- Andere vergelijkbare werken die op grafische of soortgelijke drager zijn vastgelegd - Reproductie van korte fragmenten. Wettelijke bepalingen: Wet - 22-12-2008 - 83 - 33 ELI link Pub nr 2008021119 Wet - 22-12-2008 - 84 - 33 ELI link Pub nr 2008021119 Tekst van de beslissing Rolnummer 4651 Arrest nr. 69/2009 van 23 april 2009 In zake : de vordering tot schorsing van de artikelen 83 en 84 (« Het gebruik van partituren in het onderwijs ») van de wet van 22 december 2008 « houdende diverse bepalingen (I) », ingesteld door de cvba « SEMU » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 4 maart 2009 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 5 maart 2009, is een vordering tot schorsing ingesteld van de artikelen 83 en 84 (« Het gebruik van partituren in het onderwijs ») van de wet van 22 december 2008 « houdende diverse bepalingen (I) » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 december 2008, vierde editie) door de cvba « SEMU », met maatschappelijke zetel te 9130 Kieldrecht, Merodestraat 38, de cvba « D.M.P. », met maatschappelijke zetel te 2060 Antwerpen, Waghemakerestraat 14, de bvba « Uitgaven Andel Editions », met maatschappelijke zetel te 8400 Oostende, Klaprozenstraat 30, de bvba « Euprint », met maatschappelijke zetel te 3001 Leuven-Heverlee, Parkbosstraat 3, en de vof « Golden River Music », met maatschappelijke zetel te 2800 Mechelen, Dobbelhuizen
- Bij hetzelfde verzoekschrift vorderen de verzoekende partijen eveneens de vernietiging van dezelfde bepalingen. Bij beschikking van 17 maart 2009 heeft het Hof de terechtzitting bepaald op 25 maart 2009, na de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 bedoelde overheden te hebben uitgenodigd hun eventuele schriftelijke opmerkingen, in de vorm van een memorie, uiterlijk op 24 maart 2009 ter griffie neer te leggen en een afschrift ervan binnen dezelfde termijn aan de verzoekende partijen over te zenden. De Ministerraad heeft schriftelijke opmerkingen neergelegd. Op de openbare terechtzitting van 25 maart 2009 : - zijn verschenen : . Mr. F. Tulkens, Mr. F. Brison en Mr. J. Mosselmans, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; . Mr. B. Dauwe, Mr. M. Verlinden en Mr. S. Jochems loco Mr. D. D’Hooghe, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; . Mr. C. Carpentier loco Mr. M. Nihoul, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Franse Gemeenschapsregering; - hebben de rechters-verslaggevers E. De Groot en J. Spreutels verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van de bestreden bepalingen A.1.
- De verzoekende partijen zetten uiteen dat werken van letterkunde en kunst, volgens artikel 1 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten (hierna : Auteurswet), door het auteursrecht worden beschermd, dat de auteur zowel morele als vermogensrechten verleent. De vermogensrechten zijn in beginsel exclusieve rechten om met betrekking tot de desbetreffende werken bepaalde handelingen te stellen of een derde daartoe de toestemming te verlenen. Het gaat meer bepaald om het reproductierecht en het recht op mededeling aan het publiek. De artikelen 21 tot 23 van de Auteurswet bevatten een limitatieve lijst van uitzonderingen op de voormelde vermogensrechten. Sommige van die uitzonderingen worden gecompenseerd door een recht op vergoeding voor de auteurs en hun rechthebbenden, geregeld in de artikelen 55 tot en met 64 van de Auteurswet. A.1.
- De verzoekende partijen wijzen erop dat in artikel 22, § 1, 4°bis, van de Auteurswet is voorzien in een uitzondering voor de reproductie van werken ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek. Vóór de wijziging ervan bij het bestreden artikel 83 van de wet van 22 december 2008 « houdende diverse bepalingen (I) », bepaalde dat artikel dat, wanneer het werk op geoorloofde wijze openbaar is gemaakt, de auteur zich niet kan verzetten tegen « de gedeeltelijke of integrale reproductie van artikelen of van werken van beeldende kunst, of van korte fragmenten uit werken die op een grafische of soortgelijke drager zijn vastgelegd, wanneer die reproductie wordt verricht ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek, zulks verantwoord is door de nagestreefde niet-winstgevende doelstelling en geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van het werk ». Die uitzondering hield in dat in beginsel uitsluitend korte fragmenten van werken konden worden gereproduceerd. Alleen artikelen uit tijdschriften en werken van beeldende kunst (zoals foto’s, tekeningen en afdrukken) konden integraal worden gereproduceerd. Wat bladmuziek betreft was het bijgevolg enkel mogelijk om korte fragmenten te reproduceren. A.
- De verzoekende partijen wijzen vervolgens erop dat het voormelde artikel 22, § 1, 4°bis, werd geherformuleerd bij de wet van 22 mei 2005 houdende de omzetting in Belgisch recht van de Europese Richtlijn 2001/29/EG van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, zij het dat die wetswijziging niet in werking is getreden. Uit de parlementaire voorbereiding van die wet blijkt niettemin dat het aanvankelijk de bedoeling was om de desbetreffende uitzondering niet langer toepasselijk te maken op bladmuziek. Het was met andere woorden de bedoeling om ook het reproduceren van korte fragmenten uit bladmuziek onmogelijk te maken. In de parlementaire voorbereiding werd daarbij verwezen naar artikel 5, lid 2, onder a), van de richtlijn 2001/29/EG van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (hierna : richtlijn 2001/29/EG), volgens hetwelk de lidstaten beperkingen of restricties kunnen stellen op het exclusief reproductierecht van de auteur voor « de reproductie op papier of een soortgelijke drager, met behulp van een fotografische techniek of een andere werkwijze die een soortgelijk resultaat oplevert, met uitzondering van bladmuziek, op voorwaarde dat de rechthebbenden een billijke compensatie ontvangen ». Het oorspronkelijke ontwerp werd evenwel geamendeerd om de uitzondering opnieuw van toepassing te verklaren op bladmuziek, gelet op het belang ervan voor bepaalde onderwijsinstellingen en conservatoria. In de verantwoording bij het desbetreffende amendement werd niettemin uitdrukkelijk aangegeven dat een uitzondering die de volledige reproductie van werken, andere dan artikels en werken van beeldende kunst, toestaat, afbreuk kan doen aan de normale exploitatie van die werken. Dit gold dus ook voor bladmuziek. A.
- De verzoekende partijen wijzen erop dat het bestreden artikel 83 van de wet van 22 december 2008 de desbetreffende uitzondering opnieuw wijzigt en dat het bestreden artikel 84 bepaalt dat die wijziging in werking treedt op de dag waarop de wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. De wijziging houdt in dat bladmuziek integraal kan worden gereproduceerd wanneer die reproductie wordt verricht ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek. 4 Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.
- De verzoekende partijen zetten uiteen dat de cvba « SEMU » een vennootschap is belast met het collectief beheer van auteursrechten voor muziekuitgevers op hun uitgavenfonds, waaronder het grafisch reproductierecht en het recht op vergoeding voor reprografie. De vennootschap is, overeenkomstig artikel 67 van de Auteurswet, door de bevoegde minister gemachtigd om haar werkzaamheden op het Belgisch grondgebied uit te oefenen. De overige verzoekende partijen (de cvba « D.M.P. », de bvba « Uitgaven Andel Editions », de bvba « Euprint » en de vof « Golden River Music ») zijn Belgische uitgevers van bladmuziek gericht op de educatieve sector. Hun omzet is hoofdzakelijk afhankelijk van de commercialisering en de distributie van bladmuziek voor het onderwijs. Zij zijn van oordeel dat de bestreden bepalingen, door toe te staan dat bladmuziek integraal wordt gereproduceerd, het voortbestaan van de gehele sector van de uitgevers van bladmuziek voor het onderwijs in het algemeen, en van de verzoekende partijen in het bijzonder, in het gedrang brengt. Ze verwijzen daarbij naar hun uiteenzetting over het moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Ze menen dan ook dat zij getuigen van het rechtens vereiste belang om een vordering tot schorsing en tot vernietiging in te dienen bij het Hof. Bovendien werden de beslissingen om een vordering in te stellen genomen overeenkomstig de wettelijke en statutaire bepalingen. Ten aanzien van het eerste middel A.
- Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het bestreden artikel 83 van de wet van 22 december 2008 een verschil in behandeling in het leven roept, dat niet objectief en redelijk is verantwoord, tussen auteurs en uitgevers van, enerzijds, bladmuziek, die ter illustratie bij onderwijs integraal mag worden gereproduceerd, en, anderzijds, andere vergelijkbare werken die op grafische of soortgelijke drager zijn vastgelegd (zoals boeken, cursussen en poëzie), waarvan slechts korte fragmenten mogen worden gereproduceerd. A.6.
- Volgens de verzoekende partijen blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de oorspronkelijke Auteurswet dat het verbod op integrale reproductie van boeken werd ingevoerd omdat het toestaan ervan de commercialisering van die werken onmogelijk zou maken en aldus afbreuk zou doen aan de uitgave van het oorspronkelijke werk. Zij zijn van oordeel dat die argumentatie evengoed geldt voor bladmuziek. Net zoals boeken, wordt bladmuziek uitgegeven op papier en betreft het losse op zichzelf staande uitgaven. Het gaat om dunne, maar dure uitgaven die gemakkelijk volledig zijn te kopiëren, en die qua soort sterk vergelijkbaar zijn met dichtbundels. Het feit dat de integrale reproductie ervan is toegestaan, maakt de normale exploitatie ervan onmogelijk. Er bestaat geen enkele redelijke verantwoording waarom bladmuziek volledig mag worden gereproduceerd, terwijl dit voor boeken slechts mogelijk is in zoverre het gaat om korte fragmenten. A.6.
- De verzoekende partijen wijzen erop dat in de parlementaire voorbereiding werd gesteld dat met de wetswijziging onder meer werd beoogd de verschillende behandeling tussen bladmuziek en werken van beeldende kunst weg te werken. Zij zijn echter van oordeel dat bladmuziek en werken van beeldende kunst onvergelijkbaar zijn. De integrale reproductie ter illustratie van onderwijs van een werk van beeldende kunst, bijvoorbeeld een fotokopie van een afbeelding van een schilderij in een boek, doet immers geen afbreuk aan de normale exploitatie van dat werk. Die normale exploitatie bestaat immers in de verkoop van het originele exemplaar ervan, dat geenszins door een fotokopie kan worden vervangen. Hetzelfde geldt voor de integrale reproductie van een artikel ter illustratie van onderwijs. Een artikel wordt immers niet afzonderlijk in het commercieel verkeer gebracht. Het is het tijdschrift, waarin het artikel is opgenomen, dat te koop wordt aangeboden. De normale exploitatie van het tijdschrift wordt niet in het gedrang gebracht door het vrijelijk, voor onderwijsdoeleinden reproduceren van een artikel dat in een tijdschrift is opgenomen. Bovendien is de regel betreffende de werken van beeldende kunst ingegeven door de belangen van de auteurs zelf, meer bepaald door hun moreel recht om het beeldend werk integraal, zonder weglating, aan het publiek kenbaar te maken. De integrale reproductie van bladmuziek doet daarentegen wel afbreuk aan de normale exploitatie ervan, zijnde de verkoop van originele exemplaren door muziekhandels aan schoolinstellingen en leerlingen, alsook de « licentiëring » van de exclusieve reproductierechten tegen redelijke vergoedingen die door de cvba « SEMU » met schoolinstellingen worden onderhandeld. Vermits de mogelijke integrale reproductie van bladmuziek wel degelijk afbreuk doet aan de normale exploitatie van het werk, kunnen de desbetreffende categorieën niet als vergelijkbaar worden beschouwd. 5 A.7.
- De verzoekende partijen zijn bovendien van oordeel dat de bestreden bepalingen onevenredig zijn met het nagestreefde doel, dat erin bestaat, enerzijds, reproducties van bladmuziek toe te staan voor het louter gebruik ter « illustratie » bij onderwijs, en anderzijds, rechtsonzekerheid weg te werken. In dit kader wijzen zij allereerst erop dat te dezen een grondrecht in het geding is, namelijk het eigendomsrecht, zodat de evenredigheidstoets op een doorgedreven wijze dient te worden uitgevoerd. A.7.
- Volgens de verzoekende partijen dienen uitzonderingen op de vermogensrechten van de auteur steeds restrictief te worden geïnterpreteerd. Een werk louter « ter illustratie bij onderwijs » mogen reproduceren, kan niet zonder meer de integrale uitgave van het werk betreffen. Het gereproduceerde werk kan enkel als illustratie in onderwijsmateriaal worden gebruikt en heeft bijgevolg een bijkomstig karakter. De reproductie van bladmuziek mag uiteindelijk niet het eigenlijke onderwijsmateriaal of uitvoeringsmateriaal zelf worden, ook al geschiedt dit in het kader van onderwijs. Bladmuziek zou bijgevolg mogen worden opgenomen in een theoriecursus aan een muziekschool om bijvoorbeeld aan leerlingen duidelijk te maken hoe een componist harmonisch te werk gaat, maar een schoolinstelling mag aan haar leerlingen niet vrijelijk kopies van muziekpartituren uitdelen met het oog op hun opleiding om een muziekinstrument te bespelen. De verzoekende partijen verwijzen daarbij ook naar de richtlijn 2001/29/EG en naar de Berner Conventie van 9 september 1886 voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, waarin sprake is van een gebruik « als toelichting bij het onderwijs ». Vermits de desbetreffende uitzondering enkel geldt in zoverre het gaat om reproducties ter « illustratie » bij onderwijs, kan niet worden ingezien waarom het noodzakelijk is om integrale reproducties van bladmuziek toe te staan, des te meer omdat dit onevenredig zware schade veroorzaakt bij uitgevers van bladmuziek. A.7.
- Dat de bestreden maatregel onevenredig is, blijkt volgens de verzoekende partijen eveneens uit het feit dat de nagestreefde doelstelling om de beweerde rechtsonzekerheid bij de onderwijsinstellingen te verhelpen niet wordt gerealiseerd. Tijdens de parlementaire voorbereiding heeft de bevoegde minister immers uitdrukkelijk toegegeven dat het niet duidelijk is wat dient te worden verstaan onder de woorden « ter illustratie bij onderwijs ». Bovendien heeft de minister verklaard dat de integrale reproductie van suites en arrangementen, net zoals die van verzamelwerken, niet toegestaan is. Ook die verklaring geeft aanleiding tot rechtsonzekerheid. Suites en arrangementen zijn immers geen verzamelwerken, maar individuele muziekwerken die als bladmuziek afzonderlijk worden gecommercialiseerd. Het wekt dan ook verwondering dat bladmuziek integraal zou kunnen worden gereproduceerd wanneer het oorspronkelijke muziekwerken betreft, terwijl dat niet het geval zou zijn indien het arrangementen betreft. Uit dit alles blijkt dat de regeling niet enkel onevenredig is met het beoogde doel, maar ook dat de regeling op zich kennelijk ontoereikend is om het beoogde doel te realiseren. A.
- De Ministerraad is van oordeel dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet zijn geschonden, in hoofdorde omdat het te dezen niet gaat om vergelijkbare categorieën. De bestreden bepaling staat enkel toe een individueel muziekwerk integraal te reproduceren en dus niet verzamelwerken van partituren integraal te reproduceren. De betrokken werken kunnen, volgens de Ministerraad, enkel worden vergeleken met artikelen uit een boek of een tijdschrift en niet met een boek op zich. Volgens de Ministerraad schuiven de verzoekende partijen de vergelijking met een artikel ten onrechte ter zijde op grond van het feit dat een artikel als dusdanig niet in het commercieel verkeer zou worden gebracht. Mede gelet op de digitalisering is het vandaag wel degelijk mogelijk om artikels afzonderlijk te commercialiseren. A.9.
- In ondergeschikte orde is de Ministerraad van oordeel dat er een objectieve en redelijke verantwoording bestaat voor het verschil in behandeling. De wetgever heeft meer bepaald drie doelstellingen nagestreefd, namelijk
(1)het onderwijs van muziek stimuleren,
(2)juridische zekerheid bieden aan onderwijsinstellingen en instellingen van wetenschappelijk onderzoek en
(3)een einde maken aan de verschillende behandeling tussen werken van beeldende kunst en bladmuziek. Met de eerste doelstelling wou de wetgever leraars de mogelijkheid bieden om een integrale reproductie te maken van een partituur ter illustratie bij onderwijs omdat een paar notenbalken over het algemeen niet voldoende zijn om onderwijs te verstrekken met betrekking tot bladmuziek. De wetgever wou daarbij bovendien de kosten van het onderwijs binnen bepaalde perken houden. Met de tweede doelstelling heeft de wetgever, volgens de Ministerraad, willen tegemoetkomen aan de rechtsonzekerheid bij de onderwijsinstellingen op het vlak van het begrip « korte fragmenten », dat noch in de wet, noch in de parlementaire voorbereiding was gedefinieerd. De eerste verzoekende partij, SEMU, heeft dat begrip bovendien steeds zeer restrictief geïnterpreteerd. Ten slotte wou de wetgever een einde maken aan het verschil in behandeling tussen werken van beeldende kunst, zoals foto’s, die integraal mochten worden gereproduceerd, en bladmuziek, die slechts gedeeltelijk mocht worden gereproduceerd. 6 A.9.
- De Ministerraad is ook van oordeel dat de bestreden bepalingen geen afbreuk doen aan de normale exploitatie van bladmuziek, omdat de wetgever enkel het reproduceren van een individueel muziekwerk heeft willen toestaan en dus niet de volledige reproductie van werken samengesteld uit verschillende partituren. De uitzondering geldt bovendien alleen voor de sector van het onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek, en dus niet voor bijvoorbeeld orkesten, koren en harmonieën. De Ministerraad wijst ook erop dat de uitzondering enkel geldt « ter illustratie bij onderwijs », dus enkel voor het gebruik door de leerkrachten in hun onderwijs en niet voor het gebruik door de leerlingen. Bovendien kan de uitzondering niet worden aangewend om commerciële doeleinden na te streven. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt overigens dat een reproductie die uitmondt in een activiteit waarmee in concurrentie wordt getreden met de uitgever ten strengste is verboden. De bestreden bepaling stelt overigens zelf dat geen afbreuk mag worden gedaan aan de normale exploitatie van het werk. Het zal dus aan de hoven en de rechtbanken toekomen om, rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak, na te gaan of er al dan niet is gehandeld in strijd met de normale exploitatie van het werk. Ten slotte wijst de Ministerraad erop dat de uitgevers een reprografievergoeding zullen ontvangen voor de bedoelde reproducties, en dit op basis van de artikelen 59 en volgende van de Auteurswet. Er kan bijgevolg niet worden gesproken van een onredelijke schade. A.
- De Franse Gemeenschapsregering is van oordeel dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet zijn geschonden en verwijst daarbij naar de argumentatie van de Ministerraad. Ten aanzien van het tweede middel A.
- Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 16 van de Grondwet en 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in samenhang gelezen met artikel 5, lid 5, van de richtlijn 2001/29/EG, artikel 9, lid 2, van de Berner Conventie van 9 september 1886 voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, artikel 10, lid 1, van het Verdrag van 20 december 1996 van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom inzake het auteursrecht en, voor zover als nodig, met artikel 22, § 1, 4°bis, in fine, van de Auteurswet. A.12.
- Volgens de verzoekende partijen is het bestreden artikel 83 van de wet van 22 december 2008 strijdig met het eigendomsrecht, waartoe het auteursrecht, althans de vermogensrechtelijke prerogatieven ervan, behoort. Het eigendomsrecht kan volgens hen enkel worden ingeperkt voor zover dit in overeenstemming is met de wet (in ruime zin, inclusief internationale normen), voor zover de beperking voldoende precies is en voor zover is voldaan aan de evenredigheidsvereiste. A.12.
- Artikel 22, § 1, 4°bis, in fine, van de Auteurswet, zoals gewijzigd bij de bestreden bepaling, geeft, volgens de verzoekende partijen, zelf aan dat de uitzondering ten behoeve van de reproductie van werken ter illustratie bij onderwijs enkel kan worden toegepast in zoverre geen afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van het werk. Vermits het toestaan van de integrale reproductie van bladmuziek onvermijdelijk de normale exploitatie verhindert, kan de uitzondering bijgevolg niet geoorloofd zijn. A.12.
- Bij het invoeren van nieuwe uitzonderingen in de Belgische wetgeving dient de zogeheten « driestappentoets », zoals daarin is voorzien in artikel 5, lid 5, van de richtlijn 2001/29/EG, te worden toegepast. Volgens dat artikel 5, lid 5, mogen de uitzonderingen op de vermogensrechten in de nationale wetgeving van de lidstaten slechts in bepaalde bijzondere gevallen worden toegepast mits daarbij geen afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van werken of ander materiaal en de wettige belangen van de rechthebbende niet onredelijk worden geschaad. Die « driestappentoets » is ook opgenomen in de overige in het middel aangehaalde internationale normen, die overigens directe werking hebben. De verzoekende partijen verwijzen in dit kader naar een beslissing van 15 juni 2000 van een panel van de Internationale Handelsorganisatie, volgens welke de « tweede toets », namelijk de vraag of afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van het werk, inhoudt dat moet worden nagegaan of de handelingen die in beginsel aan de toestemming van de auteursrechthebbende zijn onderworpen maar onder de uitzondering zijn vrijgesteld, niet in een economische mededinging treden met de wijzen waarop de rechthebbenden normaal gezien economisch waarde halen uit dat recht en hun daardoor geen aanzienlijke of voelbare commerciële voordelen ontnemen. De « derde toets », namelijk de vraag of de wettige belangen van de rechthebbende niet onredelijk worden geschaad, houdt volgens die beslissing in dat moet worden nagegaan of de uitzondering niet een voor de auteursrechthebbende onredelijke inkomstenderving tot (potentieel) gevolg heeft. 7 A.12.
- De verzoekende partijen zijn van oordeel dat de bestreden bepaling noch de tweede, noch de derde toets kan doorstaan. Er kan immers niet langer worden gesproken van een normale exploitatie van bladmuziek. Bovendien brengt de bestreden bepaling een onredelijke inkomstenderving met zich mee. Zij wijzen bovendien erop dat, zoals zij reeds in het kader van het eerste middel hebben uiteengezet, de beperking onvoldoende precies is en evenmin kan worden geacht te voldoen aan de evenredigheidsvereiste. Bijgevolg menen zij dat hun eigendomsrecht, zoals gewaarborgd in de artikelen 16 van de Grondwet en 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, is geschonden. A.13.
- De Ministerraad meent dat het tweede middel niet gegrond is. Hij wijst erop dat het eigendomsrecht geen absoluut recht is en dat het kan worden beperkt voor zover dit in overeenstemming is met de wet en voor zover daarmee een doel van algemeen belang wordt nagestreefd. A.13.
- De Ministerraad is van oordeel dat te dezen aan de voorwaarden van de zogeheten « driestappentoets » is voldaan. Aan de eerste voorwaarde is voldaan omdat de uitzondering enkel geldt ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek. Aan de tweede voorwaarde is voldaan omdat de bestreden bepaling zelf uitdrukkelijk stelt dat geen afbreuk mag worden gedaan aan de normale exploitatie van een werk. Daarop kan toezicht worden gehouden door de hoven en de rechtbanken. Indien een partituur bijvoorbeeld door het veelvuldig kopiëren in onderwijsinstellingen, ter illustratie bij onderwijs, niet meer zou worden verkocht, dan kan de reproductie toch worden verboden krachtens de bestreden bepaling. De tweede voorwaarde houdt onder meer in dat moet worden nagegaan of de uitzondering de auteur significante en duidelijke commerciële winsten ontneemt. Volgens de Ministerraad is dat te dezen niet het geval vermits de rechthebbenden de vergoeding bedoeld in de artikelen 59 en volgende van de Auteurswet ontvangen. Ook aan de derde voorwaarde is volgens de Ministerraad voldaan omdat de reproducties worden gecompenseerd via die vergoeding. A.13.
- De Ministerraad wijst nog erop dat de Raad van State in zijn advies bij het ontwerp geen opmerkingen heeft gemaakt, waaruit kan worden afgeleid dat de Raad van oordeel was dat voldaan was aan de voorwaarden van de « driestappentoets ». A.
- De Franse Gemeenschapsregering is van oordeel dat het middel niet ernstig is en verwijst daarbij naar de argumentatie van de Ministerraad. Ten aanzien van het derde middel A.
- Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet en 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in samenhang gelezen met artikel 5, lid 2, onder a), en lid 3, onder a), van de richtlijn 2001/29/EG. A.16.
- De verzoekende partijen zetten uiteen dat de richtlijn 2001/29/EG voorziet in een exhaustieve lijst van uitzonderingen waarin de lidstaten kunnen voorzien. Volgens artikel 5, lid 2, onder a), van die richtlijn kunnen lidstaten beperkingen of restricties stellen op het exclusief reproductierecht van de auteur voor « de reproductie op papier of een soortgelijke drager, met behulp van een fotografische techniek of een andere werkwijze die een soortgelijk resultaat oplevert, met uitzondering van bladmuziek, op voorwaarde dat de rechthebbenden een billijke compensatie ontvangen ». Aldus wordt voor bladmuziek voorzien in een absolute uitsluiting van de toepassing van de uitzondering voor de gedeeltelijke of de volledige reproductie op papier of soortgelijke drager. De ratio legis van die uitsluiting is de precaire financiële situatie waarin uitgevers van muziekpartituren zich bevinden. In de desbetreffende bepaling wordt geen onderscheid gemaakt naar gelang van de doeleinden waarvoor de reproductie kan worden gemaakt (privé, commercieel, enz.). Ook de reproductie voor onderwijsdoeleinden is dus aan die bepaling onderworpen. A.16.
- De verzoekende partijen wijzen erop dat in de parlementaire voorbereiding werd aangegeven dat de bestreden bepalingen zijn gebaseerd op artikel 5, lid 3, onder a), van de richtlijn 2001/29/EG, en dus niet op artikel 5, lid 2, onder a), ervan. Artikel 5, lid 3, onder a), laat lidstaten toe beperkingen of restricties te stellen op het exclusief reproductierecht en recht op mededeling aan het publiek van de auteur voor « het gebruik uitsluitend als toelichting bij het onderwijs of ten behoeve van het wetenschappelijk onderzoek […] voorzover het gebruik door het beoogde, niet-commerciële doel wordt gerechtvaardigd ». Volgens de verzoekende partijen kan dat artikel 5, lid 3, onder a), echter niet van toepassing zijn op bladmuziek indien het gaat om een 8 reproductie op papier, aangezien zulks in strijd is met artikel 5, lid 2, onder a), van de richtlijn, dat geldt voor alle reproducties van bladmuziek, ook als ze als toelichting bij onderwijs zouden dienen. A.16.
- In ondergeschikte orde en in de hypothese dat zou worden geoordeeld dat artikel 5, lid 3, onder a), van de richtlijn 2001/29/EG toch op bladmuziek van toepassing zou zijn, voeren de verzoekende partijen aan dat dit artikel enkel kan worden geïnterpreteerd in die zin dat voor onderwijsdoeleinden een beperkt gebruiksrecht wordt toegestaan, louter als toelichting. Zulks kan geenszins worden gelijkgesteld met een recht om bladmuziek ook integraal te reproduceren, zelfs indien de toepassing ervan enkel geschiedt in het kader van onderwijs of wetenschappelijk onderzoek. Als die integrale reproductie bovendien uiteindelijk het eigenlijke onderwijsmateriaal zou uitmaken, kan er des te minder worden gesproken van « gebruik als toelichting bij het onderwijs ». Een dergelijk gebruik zou immers afbreuk doen aan de normale exploitatie van bladmuziek en zou bijgevolg niet bestaanbaar zijn met artikel 5, lid 5, van de richtlijn 2001/29/EG. A.16.
- De verzoekende partijen oordelen dat door de onjuiste interpretatie van de richtlijn 2001/29/EG op een onevenredige wijze afbreuk wordt gedaan aan het eigendomsrecht, zoals gewaarborgd in de artikelen 16 van de Grondwet en 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.
- In zoverre het Hof van oordeel zou zijn dat artikel 5, lid 3, onder a), van de richtlijn 2001/29/EG toepassing kan vinden op bladmuziek, suggereren de verzoekende partijen om de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen :
- Is het, gelet op artikel 5, lid 2, onder a), van de richtlijn 2001/29/EG, dat de toepassing van de uitzondering voor het maken van reproducties op papier uitsluit voor bladmuziek, mogelijk dat de lidstaten voorzien in een uitzondering voor het maken van reproducties van bladmuziek ter illustratie bij onderwijs, zich daarvoor beroepend op artikel 5, lid 3, onder a), van de richtlijn 2001/29/EG ?
- Indien positief op de eerste vraag wordt geantwoord, moet artikel 5, lid 3, onder a), van de richtlijn 2001/29/EG in die zin worden geïnterpreteerd dat het voor de lidstaten mogelijk is te voorzien in een uitzondering voor het maken van reproducties van bladmuziek ter illustratie bij onderwijs, ook als die reproducties geen bijkomstig karakter hebben, maar daarentegen dienen te worden gekwalificeerd als het eigenlijke onderwijsmateriaal (en/of uitvoeringsmateriaal, ook al is dat in het kader van het onderwijs) ?
- Indien positief op de tweede vraag wordt geantwoord, moet artikel 5, lid 3, onder a), van de richtlijn 2001/29/EG in die zin worden geïnterpreteerd dat het voor de lidstaten mogelijk is te voorzien in een uitzondering voor het maken van integrale reproducties van bladmuziek, niettegenstaande artikel 5, lid 5, van de richtlijn 2001/29/EG ? A.18.
- Volgens de Ministerraad is de bestreden bepaling wel degelijk gebaseerd op artikel 5, lid 3, onder a), van de richtlijn 2001/29/EG, waarin wordt voorzien in een uitzondering op het auteursrecht, die geldt voor het onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek. Dat artikel sluit bladmuziek niet uit zijn toepassingsgebied uit. De Ministerraad zet uiteen dat de richtlijn in artikel 5, behoudens voor wat betreft de in lid 1 van dat artikel vervatte verplichte uitzondering, de lidstaten de mogelijkheid biedt - maar hen niet verplicht - te voorzien in uitzonderingen op de exclusieve rechten van de auteurs. De lidstaten kunnen kiezen uit een exhaustieve lijst van twintig facultatieve uitzonderingen. De enige facultatieve uitzondering waar de uitsluiting van bladmuziek wordt opgelegd, is artikel 5, lid 2, onder a). Die uitzondering is een algemene uitzondering voor reprografie die dient te worden onderscheiden van de uitzondering waarin is voorzien in artikel 5, lid 3, onder a), dat betrekking heeft op de illustraties bij het onderwijs. A.18.
- De Ministerraad wijst erop dat de Belgische wetgever artikel 5, lid 2, onder a), van de richtlijn heeft geïntegreerd in het artikel 22, § 1, 4°, van de Auteurswet, via de wet van 22 mei
- Die wetswijziging zal op een door de Koning te bepalen datum in werking treden. De bestreden bepaling streeft echter een ander doel na, namelijk de reprografie ter illustratie bij onderwijs en voor wetenschappelijk onderzoek mogelijk maken, en steunt aldus op artikel 5, lid 3, onder a), van de richtlijn. De Ministerraad wijst erop dat de Europese Commissie reeds heeft geoordeeld dat er geen hiërarchie bestaat tussen de verschillende facultatieve uitzonderingen van artikel 5 van de richtlijn. Hij wijst eveneens erop dat artikel 5, lid 3, onder a), van de richtlijn niet oplegt dat een reproductie maar mogelijk is wanneer het gaat om korte fragmenten. 9 A.18.
- Volgens de Ministerraad moet artikel 5, lid 3, onder a), van de richtlijn worden geïnterpreteerd overeenkomstig het huidige artikel 10, lid 2, van de Berner Conventie. Uit de voorgeschiedenis van dat artikel blijkt dat bladmuziek niet wordt uitgesloten in de uitzondering bestemd voor het onderwijs en voor wetenschappelijk onderzoek, de integrale reproductie van een werk in het kader van die uitzondering mogelijk is en dat het gebruik ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek ruimer is dan het louter citeren. A.18.
- De Ministerraad wijst nog erop dat de Raad van State in zijn advies bij het ontwerp geen opmerkingen heeft gemaakt, waaruit kan worden afgeleid dat de Raad van oordeel was dat de bestreden bepaling in overeenstemming is met richtlijn 2001/29/EG. A.
- Met betrekking tot de door de verzoekende partijen gesuggereerde prejudiciële vragen is de Ministerraad van oordeel dat het stellen ervan niet verenigbaar is met de snelheid waarmee een vordering tot schorsing moet worden behandeld. A.
- De Franse Gemeenschapsregering is van oordeel dat het middel niet ernstig is en verwijst daarbij naar de argumentatie van de Ministerraad. Ten aanzien van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel A.
- De verzoekende partijen zijn van oordeel dat, om de aard en de draagwijdte van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel te kunnen uiteenzetten, allereerst de eigenheid van de Belgische sector van uitgevers van bladmuziek moet worden verduidelijkt, evenals het SEMU-licentiesysteem. Zij wijzen erop dat de Belgische sector van uitgevers van bladmuziek bestaat uit honderden kleine bedrijven. Vóór de invoering van het SEMU-licentiesysteem was de praktijk van de illegale kopies van bladmuziek in het onderwijs wijdverspreid. In 2003 startte de cvba « SEMU » onderhandelingen met het « Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap », met de bedoeling om voor onderwijsdoeleinden tot een overeengekomen oplossing te komen en het legaal kopiëren van bladmuziek in de onderwijssector mogelijk te maken. In 2004 werd een akkoord bereikt voor het deeltijds kunstonderwijs, dat leidde tot de ontwikkeling van een conventioneel licentiesysteem. In de loop van 2008 werd een soortgelijk systeem ontwikkeld voor dagonderwijs (kleuter-, basis- en secundair onderwijs). Dit gebeurde in samenspraak en met goedkeuring van het kabinet van de bevoegde minister, zoals voorgeschreven bij artikel 75 van de Auteurswet. Het gehanteerde licentiesysteem beoogde een evenwicht tot stand te brengen tussen, enerzijds, de pedagogische behoeften van de onderwijsinstellingen en anderzijds, de belangen van de auteurs en de uitgeverijen. Aan de behoeften van het onderwijs wordt tegemoetgekomen door een groot repertoire aan te bieden waaruit mag worden gereproduceerd tegen een redelijk maar goedkoop tarief. Aan de belangen van de auteurs en de uitgeverijen wordt tegemoetgekomen doordat het maken van kopies enkel is toegestaan aan de hand van een origineel aangekocht exemplaar, doordat in geval van openbare uitvoering steeds originele exemplaren moeten worden gehanteerd, en doordat handboeken, schoolboeken en methodes met bladmuziek niet mogen worden gereproduceerd. De jaarlijkse vergoeding in de richting muziek in het deeltijds kunstonderwijs bedraagt 7 euro (inclusief btw) per leerling die het volledige inschrijvingsgeld betaalt, en 4 euro (inclusief btw) per leerling die een verminderd inschrijvingsgeld betaalt. Voor de afdeling muziek in het hogeschoolonderwijs bedraagt het bedrag 15 euro (inclusief btw) per leerling per jaar. Die bedragen worden met 0,20 euro verlaagd indien de onderwijsinstelling in kwestie een « Reprobel-vergoeding » betaalt. In het dagonderwijs varieert de jaarlijkse vergoeding tussen 0,77, 1,77 en 2,77 euro per leerling per jaar. Voormelde bedragen moeten in het dagonderwijs enkel worden betaald door leerlingen die muziekonderricht volgen. Volgens de verzoekende partijen werkten die licenties tot voor kort tot ieders tevredenheid. Noch de minister, noch de controledienst heeft in de afgelopen jaren enige kritiek of opmerking geformuleerd. A.22.
- De verzoekende partijen zijn van oordeel dat de bestreden bepalingen het gehele SEMU- licentiesysteem doorkruisen. Sinds de aankondiging van de maatregel, roepen de onderwijskoepels van het katholiek en van het gemeenschapsonderwijs hun scholen op om niet langer voor de SEMU-licentie te betalen, of om niet langer licentieovereenkomsten met SEMU te sluiten. Tientallen scholen gaven SEMU inmiddels te kennen dat zij niet langer bereid zijn om voor de licentie te betalen. Bij gebrek aan een overgangsregeling in de wet, verbraken de meeste scholen bovendien hun lopende licentieovereenkomst met SEMU. Sommige scholen vorderen daarenboven een terugbetaling. 10 Het hoeft volgens de verzoekende partijen geen betoog dat dit nefast is voor talrijke auteurs en uitgeverijen van bladmuziek bestemd voor het onderwijs, waaronder de verzoekende partijen, des te meer daar de jaarlijks geïnde SEMU-rechten gaandeweg een groot aandeel van de primaire exploitatie-inkomsten van de muziekuitgeverijen vervingen. De verzoekende partijen verwijzen daarbij naar een verslag van een bedrijfsrevisor, waaruit blijkt dat hun inkomsten uit SEMU-licenties tussen de 40 à 90 pct. van hun totale omzet uitmaken. De wetswijziging is bovendien nefast voor de gehele sector die te maken heeft met de verkoop van bladmuziek, waaronder de muziekhandels, de auteurs van grafische illustraties, componisten, drukkerijen, lay- outfirma’s, en dergelijke. Door het wegvallen van de via het SEMU-licentiesysteem gegenereerde rechten komen tientallen zelfstandigen en kmo’s, die zich hoofdzakelijk of uitsluitend op de verkoop van bladmuziek in het onderwijs toespitsen, in zware financiële moeilijkheden. Bij gebrek aan enige overgangsbepaling, doet het nadeel zich onmiddellijk voor, en zal het zich verder manifesteren in de loop van de eerstvolgende maanden. A.22.
- De verzoekende partijen erkennen dat een financieel nadeel in beginsel niet als moeilijk te herstellen kan worden beschouwd. Niettemin heeft het Hof reeds meerdere keren aanvaard dat dit niet opgaat indien met concrete feiten kan worden aangetoond dat de rentabiliteit van een onderneming ernstig in het gedrang wordt gebracht, dan wel een eventueel faillissement dreigt bij de onderneming in kwestie. Volgens de verzoekende partijen komt de rentabiliteit van de gehele sector van de uitgevers van bladmuziek voor het onderwijs in het gedrang. Uit officieel geattesteerde omzetcijfers van de cvba « D.M.P. » en de vof « Golden River Music » blijkt dat hun omzet nagenoeg volledig afkomstig is van de verkoop van uitgaven gericht op de educatieve sector. In het desbetreffende door een bedrijfsrevisor opgemaakte verslag wordt uitdrukkelijk aangegeven dat de levensvatbaarheid van die vennootschappen omzeggens nihil is, indien de omzet samen met de gegenereerde auteursrechten, via de SEMU-licenties, zou verdwijnen. Ook de bvba « Uitgaven Andel Editions » en de bvba « Euprint », van wie de uitgaven niet uitsluitend zijn bestemd voor het onderwijs, zouden zware financiële moeilijkheden ondervinden door het verdwijnen van het SEMU-licentiesysteem. In het verslag van de bedrijfsrevisor wordt gesteld dat hun overlevingsmogelijkheid volledig afhangt van het feit of zij kostenbesparingen kunnen doorvoeren, of andere mogelijkheden vinden om alternatieve inkomsten te genereren, wat evenwel, volgens de bedrijfsrevisor, praktisch niet te verwezenlijken is. Ook uit de geattesteerde omzetcijfers van de cvba « SEMU » blijkt het aanzienlijke inkomstenverlies voor de uitgeverssector. 54,41 pct. van haar omzet is gebaseerd op licenties uit de onderwijssector. Hierbij komt nog dat de bestreden regeling eveneens het nieuwe systeem doorkruist van de daglicenties, hetgeen, volgens het verslag van de bedrijfsrevisor, voor de rechthebbenden een bijkomend jaarlijks inkomstenverlies inhoudt van 730.000 euro. Uit de geattesteerde omzetcijfers blijkt bovendien dat de « Reprobel-vergoeding » afkomstig uit het onderwijs slechts 2,44 pct. van de totale omzet bedraagt. De in de memorie van toelichting van de bestreden wet vermelde « vergoedingsregeling » overeenkomstig de artikelen 59 en volgende van de Auteurswet - dit is de « Reprobel-vergoeding » - is in de praktijk dan ook inhoudsloos, en kan geenszins het gederfde inkomstenverlies voor de sector compenseren. De verzoekende partijen verwijzen eveneens naar veertien verklaringen op eer, als bijlage gevoegd bij het verzoekschrift, vanwege andere uitgeverijen, componisten en muziekhandelaars, waaruit blijkt dat hun bestaanszekerheid ernstig in het gedrang komt. A.22.
- De verzoekende partijen zijn van oordeel dat een eventueel later vernietigingsarrest de ondertussen gerealiseerde schade bij de uitgeverijen en de auteurs niet ongedaan kan maken, niet alleen omdat de bestreden bepalingen het voortbestaan zelf van de uitgeverijen ernstig in het gedrang brengt, maar eveneens omdat het door het tijdsverloop ook onmogelijk wordt om achterstallige vergoedingen te verhalen op personen die ondertussen ten onrechte bladmuziek zullen hebben gereproduceerd, laat staan dat het voor de sector na verloop van tijd nog mogelijk zou zijn om de identiteit van die personen te achterhalen. Voor de sector is het financiële nadeel dus onomkeerbaar. A.23.
- De Ministerraad is van oordeel dat de verzoekende partijen niet aantonen dat de bestreden bepalingen dermate zware financiële implicaties hebben dat zij zouden leiden tot een doorslaggevend winstverlies met faillissement tot oorzakelijk gevolg. Uit een eerste analyse van de financiële situatie van de eerste vier verzoekende partijen blijkt volgens de Ministerraad dat zij reeds vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepaling ernstige financiële moeilijkheden ondervonden die van dien aard zijn dat hun voortbestaan in het gedrang wordt gebracht. Men kan dus, volgens de Ministerraad, twijfelen aan het oorzakelijk verband tussen de bestreden maatregel en het beweerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Eventuele tijdelijke winstverliezen kunnen later worden gecompenseerd. De Ministerraad wijst bovendien erop dat de bestreden maatregel enkel de reproductie van een individueel werk toestaat en dus niet de reproductie van bundels van bladmuziek. Bovendien 11 geldt de uitzondering enkel voor het onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek, dus niet voor bijvoorbeeld koren, harmonieën en dergelijke, noch voor reproducties in de privésfeer. A.23.
- De Ministerraad voert aan dat de cvba « SEMU » niet alle muziekuitgevers vertegenwoordigt en dat scholen slechts in beperkte mate materiaal gebruiken waarvoor de vennootschap rechten kan innen. De licentie in kwestie betreft niet eens de helft van de uitgevers die in Vlaanderen bladmuziek verdelen. Volgens de Ministerraad zijn de cijfers die door de verzoekende partijen met betrekking tot de cvba « SEMU » worden aangevoerd bovendien niet geloofwaardig. Hij wijst erop dat er nog steeds inkomsten zullen zijn uit licenties, vermits niet alle reproducties onder het toepassingsgebied van de bestreden bepaling vallen. Bovendien ontvangen de uitgevers een reprografievergoeding voor de reproducties die wel onder de bestreden bepaling vallen. De verzoekende partijen tonen niet aan dat de desbetreffende bedrijfsrevisoren en bedrijfsleiders daarmee rekening hebben gehouden. A.
- De Ministerraad meent ook dat het nadeel voortvloeiende uit het feit dat scholen en leerlingen door de bestreden maatregel massaal zouden afzien van de aankoop van partituren, een hypothetisch nadeel is. Ten slotte meent hij ook dat de verzoekende partijen hun eigen standpunt, inhoudende dat een vlugge beslissing van het Hof nodig is, nuanceren door in het kader van het derde middel te suggereren om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. A.
- In ondergeschikte orde wijst de Ministerraad erop dat de schorsingsbevoegdheid van het Hof een facultatief karakter heeft en dat het Hof daarbij kan overgaan tot een belangenafweging. Een schorsing zou te dezen een negatieve impact hebben op de financiële situatie van de scholen. Door de wetswijziging kunnen scholen zich ertoe beperken een licentie af te sluiten met één partner, namelijk Reprobel, voor het fotokopiëren van bladmuziek ter illustratie bij onderwijs. Dit brengt een aanzienlijke administratieve vereenvoudiging met zich mee. Bij een schorsing zullen de scholen opnieuw voor elke componist of uitgeverij moeten nagaan of de cvba « SEMU » gerechtigd is hen te vertegenwoordigen, en indien dat niet het geval is, een afzonderlijke licentie moeten afsluiten met de individuele componist of uitgeverij. De Ministerraad wijst in dit kader nog erop dat de vergoedingen gevraagd door de cvba « SEMU » heel hoog waren. A.
- De Franse Gemeenschapsregering is van oordeel dat er te dezen geen sprake is van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel en verwijst daarbij naar de argumentatie van de Ministerraad. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1.
- De verzoekende partijen vorderen de schorsing van de artikelen 83 en 84 van de wet van 22 december 2008 « houdende diverse bepalingen (I) ». Artikel 83 van die wet vervangt het 4°bis van artikel 22, § 1, van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten (hierna : Auteurswet), ingevoegd bij de wet van 31 augustus 1998; die bepaling luidt voortaan : « Wanneer het werk op geoorloofde wijze openbaar is gemaakt, kan de auteur zich niet verzetten tegen : […] 12 4°bis. de gedeeltelijke of integrale reproductie van artikelen, van bladmuziek, van werken van beeldende kunst, of van korte fragmenten uit werken die op een grafische of soortgelijke drager zijn vastgelegd, wanneer die reproductie wordt verricht ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek, voorzover zulks verantwoord is door de nagestreefde niet-winstgevende doelstelling en geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van het werk ». Artikel 84 van de wet van 22 december 2008 bepaalt : « Artikel 83 treedt in werking op de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt ». B.1.
- Met het bestreden artikel 83 van de wet van 22 december 2008 beoogde de wetgever « de integrale reproductie van bladmuziek van een individueel muziekwerk toe te staan, verricht ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1608/001, p. 60). Vóór die wijziging konden in dat kader slechts « korte fragmenten » van bladmuziek worden gereproduceerd. B.1.
- Vermits de wet van 22 december 2008 werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 december 2008, is de desbetreffende wetswijziging, overeenkomstig artikel 84 van die wet, op die dag in werking getreden. B.
- Uit het verzoekschrift blijkt dat enkel middelen worden aangevoerd tegen artikel 83 van de wet van 22 december
- Het Hof beperkt dan ook zijn onderzoek tot die bepaling. Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen B.
- Aangezien de vordering tot schorsing ondergeschikt is aan het beroep tot vernietiging, moet de ontvankelijkheid van het beroep, en in het bijzonder het bestaan van het vereiste belang, worden behandeld bij het onderzoek van de vordering tot schorsing. B.4.
- De eerste verzoekende partij, de cvba « SEMU », is een vennootschap die, volgens haar statuten, tot doel heeft « het innen en verdelen, administreren en beheren, in de 13 ruimste zin van het woord, van alle auteursrechten en naburige rechten van de uitgevers en producenten van auditieve en multimediaproducten op hun uitgave- en productiefonds(en) van dergelijke producten, waaronder, maar niet uitsluitend, de exclusieve rechten en vergoedingsrechten voor de reproductie op papier of voor eigen gebruik, het gebruik voor onderwijs en/of wetenschappelijke doeleinden en de uitlening van deze producten ». De vennootschap werd, overeenkomstig artikel 67 van de Auteurswet, bij ministerieel besluit van 14 februari 2000 (Belgisch Staatsblad, 10 maart 2000, p. 7241) gemachtigd om haar werkzaamheden op het Belgisch grondgebied te verrichten. B.4.
- De overige verzoekende partijen (de cvba « D.M.P. », de bvba « Uitgaven Andel Editions », de bvba « Euprint » en de vof « Golden River Music ») zijn uitgeverijen die onder meer bladmuziek uitgeven bestemd voor het onderwijs. B.5.
- Ter staving van hun belang voeren de verzoekende partijen aan dat het bestreden artikel 83 van de wet van 22 december 2008, door te bepalen dat bladmuziek integraal mag worden gereproduceerd ter illustratie bij onderwijs, de uitgeverijen van bladmuziek bestemd voor het onderwijs in financiële moeilijkheden brengt en het door de cvba « SEMU » opgezette licentiesysteem doorkruist. B.5.
- De verzoekende partijen kunnen rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door de bestreden bepaling en doen bijgevolg blijken van het rechtens vereiste belang. Ten aanzien van de voorwaarden van de schorsing B.
- Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 dient aan twee grondvoorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : - de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn; - de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. 14 Ten aanzien van het ernstig karakter van de middelen B.
- Het ernstig middel mag niet worden verward met het gegrond middel. Om als ernstig te worden beschouwd in de zin van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, volstaat het niet dat het middel kennelijk niet ongegrond is in de zin van artikel 72 van die wet, maar moet het ook gegrond lijken na een eerste onderzoek van de gegevens waarover het Hof beschikt in dit stadium van de procedure. B.
- Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het bestreden artikel 83 van de wet van 22 december 2008 een verschil in behandeling in het leven roept tussen de uitgevers van, enerzijds, bladmuziek, die ter illustratie bij onderwijs integraal mag worden gereproduceerd, en, anderzijds, andere vergelijkbare werken die op grafische of soortgelijke drager zijn vastgelegd, zoals boeken, waarvan slechts korte fragmenten mogen worden gereproduceerd. B.
- In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, zijn de desbetreffende categorieën, ten aanzien van de in de bestreden bepaling vervatte regeling betreffende de reproductie van werken die op een grafische of soortgelijke drager zijn vastgesteld, voldoende vergelijkbaar. In beide gevallen gaat het om werken die op zichzelf staan, afzonderlijk worden gecommercialiseerd, en waarvan de opbrengst in beginsel afhankelijk is van het aantal verkochte exemplaren. B.10.
- Vóór de wijziging ervan bij het bestreden artikel 83 van de wet van 22 december 2008, werd in artikel 22, § 1, 4°bis, van de Auteurswet een onderscheid gemaakt tussen, enerzijds, de reproductie van « artikelen » en van « werken van beeldende kunst » en, anderzijds, de reproductie van andere « werken die op een grafische of soortgelijke drager zijn vastgelegd ». De werken van de eerste categorie konden, zonder dat de auteur ervan zich ertegen kon verzetten, integraal worden gereproduceerd « ter illustratie bij onderwijs ». Voor de werken van de tweede categorie, waartoe bladmuziek behoorde, was dit slechts mogelijk in zoverre het ging om « korte fragmenten ». B.10.
- Het desbetreffende onderscheid gaat terug op de oorspronkelijke versie van de Auteurswet van 30 juni
- 15 B.10.
- Uit de parlementaire voorbereiding van die wet kan worden afgeleid dat de wetgever een principieel verbod heeft willen invoeren op het integraal reproduceren van werken, omdat zulk een reproduceren « een rechtstreekse weerslag [heeft] op het aantal verkochte beschermde werken, dat zakt in verhouding tot het aantal gemaakte reprodukties » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1991-1992, nr. 145-1, p. 12). In dat kader werd erop gewezen dat « de problemen die ter zake rijzen […] buitengewoon scherp [worden] aangevoeld door de makers, de kunstenaars en de uitgevers of producenten », die de « gevolgen van de belachelijk lage kostprijs van de reproduktiemiddelen en van het aantal reprodukties » ondervinden (ibid., pp. 11-12). Daarom is de wetgever ervan uitgegaan dat « enkel de reproduktie van korte fragmenten is toegestaan » (ibid., p. 12). B.10.
- Het oorspronkelijke voorstel werd echter in de loop van de parlementaire voorbereiding geamendeerd om de integrale reproductie van artikelen en van werken van beeldende kunst toe te staan (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 473/33, pp. 193-195). Wat de werken van beeldende kunst betreft, was de uitzondering ingegeven door het feit dat reproducties van de desbetreffende werken in beginsel maar zinvol zijn wanneer ze het werk integraal weergeven (ibid., p. 24). Wat de artikelen betreft, heeft de wetgever onder meer het aanmaken, ter illustratie bij onderwijs, van « een persoverzicht dat uit de volledige reproduktie van artikelen uit kranten of tijdschriften bestaat » mogelijk willen maken (ibid.). B.
- Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat het principiële verbod om werken integraal te reproduceren is ingegeven door de zorg te voorkomen dat afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van die werken, wat overigens één van de criteria vormt waaraan volgens internationale normen moet worden getoetst bij het invoeren van uitzonderingen op het auteursrecht (onder meer artikel 5, lid 5, van de richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij en artikel 9, lid 2, van de Berner Conventie van 9 september 1886 voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst). Vermits de normale exploitatie van « artikelen » en van « werken van beeldende kunst » van een andere aard is dan die van andere werken die op grafische of soortgelijke drager zijn vastgelegd, zoals boeken, kon de wetgever redelijkerwijze oordelen dat de integrale reproductie van die werken, ter illustratie bij onderwijs, de normale exploitatie ervan in beginsel niet in de weg staat. 16 B.
- Met het bestreden artikel 83 van de wet van 22 december 2008 wordt de regeling gewijzigd in die zin dat de integrale reproductie van bladmuziek, ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek, wordt toegestaan. Daardoor ontstaat een verschil in behandeling tussen de auteurs en de uitgevers van, enerzijds, bladmuziek, en, anderzijds, andere vergelijkbare werken die op grafische of soortgelijke drager zijn vastgelegd, zoals boeken : in tegenstelling tot de laatsten, kunnen de eersten zich niet verzetten tegen de integrale reproductie van hun werken ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek. B.
- Dat verschil in behandeling is gebaseerd op een objectief criterium, namelijk de aard van het werk dat ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek wordt gereproduceerd. B.14.
- Tijdens de parlementaire voorbereiding werd de bestreden maatregel verantwoord als volgt : « Het huidige artikel 22, § 1, 4°bis, van de wet van 30 juni 1994 staat de reproductie toe van korte fragmenten van bladmuziek, ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek. Evenwel werd het begrip ‘ korte fragmenten ’ niet gedefinieerd in de wet, noch in de voorbereidende werken ervan. Het komt derhalve aan de hoven en rechtbanken toe om desgevallend, geval per geval, te bepalen of een uittreksel uit een bladmuziek al dan niet een ‘ kort fragment ’ uitmaakt van een individueel muziekwerk. Hieruit volgt een grote rechtsonzekerheid voor de onderwijsinstellingen en instellingen van wetenschappelijk onderzoek. Bovendien voorziet het actuele artikel 22, § 1, 4°bis van de wet van 30 juni 1994 een verschillende behandeling tussen de reproductie van werken van beeldende kunst, zoals bijvoorbeeld foto’s, en de reproductie van bladmuziek. Momenteel kunnen werken van beeldende kunst immers volledig of gedeeltelijk gereproduceerd worden, terwijl van bladmuziek slechts korte fragmenten mogen gereproduceerd worden » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1608/001, p. 61). Hoewel de parlementaire voorbereiding de maatregel lijkt voor te behouden voor bladmuziek van « individuele » muziekstukken, en dus niet voor « bundels die samengesteld zijn uit verschillende bladmuziek van individuele muziekwerken » (ibid., pp. 60-61), noch voor « suites », « arrangementen » en « verzamelbundels » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1608/009, p. 9), beoogt de bestreden bepaling, zonder onderscheid, de reproductie « van bladmuziek ». 17 B.14.
- Daaruit blijkt dat de wetgever met het bestreden artikel 83 van de wet van 22 december 2008, enerzijds, de rechtsonzekerheid heeft willen verhelpen die voor de onderwijsinstellingen en de instellingen van wetenschappelijk onderzoek zou voortvloeien uit het begrip « korte fragmenten », en, anderzijds, een einde heeft willen maken aan het verschil in behandeling dat bestond tussen bladmuziek en werken van beeldende kunst. B.
- Wanneer de wetgever beoogt de onduidelijkheid te verhelpen die voor de onderwijsinstellingen en de instellingen van wetenschappelijk onderzoek zou voortvloeien uit het begrip « korte fragmenten », vermag hij geen verschil in behandeling in het leven te roepen dat niet redelijk kan worden verantwoord. De doelstelling te verhelpen aan rechtsonzekerheid lijkt op zich te dezen geen verantwoording te kunnen vormen voor het bekritiseerde verschil in behandeling tussen, enerzijds, bladmuziek, die integraal kan worden gereproduceerd, en anderzijds, andere vergelijkbare werken die op grafische of soortgelijke drager zijn vastgelegd, zoals boeken, waarvan nog steeds slechts « korte fragmenten » kunnen worden gereproduceerd. B.16.
- Het is juist dat artikel 22, § 1, 4°bis, van de Auteurswet, vóór de wijziging ervan bij de bestreden bepaling, bladmuziek en werken van beeldende kunst aan een verschillende regeling onderwierp : terwijl van bladmuziek slechts korte fragmenten konden worden gereproduceerd, waren integrale reproducties van werken van beeldende kunst toegestaan. Zoals reeds vermeld in B.11, kon dat verschil in behandeling, rekening houdend met de door de wetgever bij het aannemen van de oorspronkelijke Auteurswet nagestreefde doelstellingen, in redelijkheid verantwoord worden geacht, vermits de normale exploitatie van werken van beeldende kunst van een andere aard is dan die van andere werken die op grafische of soortgelijke drager zijn vastgelegd. Bovendien kon de wetgever redelijkerwijze oordelen dat de reproductie van een werk van beeldende kunst, ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek, slechts zinvol is wanneer het gaat om een integrale reproductie ervan. B.16.
- Terwijl de integrale reproductie van werken van beeldende kunst, ter illustratie bij onderwijs en voor wetenschappelijk onderzoek, de normale exploitatie van die werken in beginsel niet in het gedrang brengt, lijkt dat wel het geval te kunnen zijn voor de integrale reproductie van bladmuziek, die doorgaans wordt uitgegeven op bladen of in de vorm van een 18 brochure of een boek en op een heel eenvoudige en goedkope wijze kan worden gereproduceerd. Terwijl de reproductie van een werk van beeldende kunst, ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek, slechts zinvol is wanneer het gaat om een integrale reproductie, lijkt dat niet het geval te zijn voor bladmuziek, waarvan korte fragmenten ter illustratie kunnen worden aangewend. B.16.
- De doelstelling een einde te maken aan het verschil in behandeling naargelang het gaat om bladmuziek of werken van beeldende kunst, lijkt, rekening houdend met de meer algemene doelstellingen die de wetgever bij het aannemen van de oorspronkelijke Auteurswet heeft nagestreefd, het te dezen bekritiseerde verschil in behandeling niet te kunnen verantwoorden. B.
- Het eerste middel is ernstig. Ten aanzien van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel B.18.
- Ter staving van hun vordering tot schorsing voeren de verzoekende partijen aan dat de toepassing van de bestreden bepaling hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, omdat die bepaling het door de cvba « SEMU » opgezette licentiesysteem doorkruist, wat onvermijdelijk ingrijpende gevolgen zou hebben voor het voortbestaan van diverse uitgeverijen van bladmuziek bestemd voor het onderwijs, waaronder de tweede tot en met de vierde verzoekende partij. B.18.
- De verzoekende partijen voeren concrete gegevens aan waaruit blijkt dat meerdere onderwijsinstellingen, sinds de aankondiging van de bestreden maatregel en de duiding ervan door de respectieve onderwijskoepels, hun overeenkomst met de cvba « SEMU » hebben opgezegd of hebben laten weten dat zij zich verzetten tegen een verlenging ervan. Aan de hand van een door een bedrijfsrevisor opgesteld verslag, voeren zij eveneens concrete gegevens aan waaruit blijkt dat de inkomsten van de tweede tot en met de vierde verzoekende partij uit SEMU-licenties een substantieel deel uitmaakt van hun totale omzet en dat hun levensvatbaarheid ernstig in het gedrang komt wanneer de desbetreffende inkomsten, 19 samen met de inkomsten uit de verkoop van bladmuziek bestemd voor het onderwijs, zouden wegvallen of substantieel zouden verminderen. B.
- Het verlies van de desbetreffende inkomsten dreigt te dezen de voorzetting van de activiteiten van de tweede tot en met de vierde verzoekende partij ernstig te hypothekeren en hun een ernstig nadeel te berokkenen dat niet volledig zou kunnen worden hersteld door een latere vernietiging, aangezien het voortbestaan zelf van die vennootschappen door dat inkomstenverlies wordt bedreigd. Bovendien zou het moeilijk zijn achteraf na te gaan in welke mate onderwijsinstellingen bladmuziek integraal hebben gereproduceerd. B.
- Het risico op een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, vereist door artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, is te dezen afdoende aangetoond. B.
- Artikel 83 van de wet van 22 december 2008 dient te worden geschorst. 20 Om die redenen, het Hof schorst artikel 83 van de wet van 22 december 2008 « houdende diverse bepalingen (I) ». Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 23 april
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.069 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div