id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 23 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.070 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090423.2 Arrest- Rolnummer: 70/2009 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-04-28 Raadplegingen: 241 - laatst gezien 2026-06-30 03:01 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Uitgaven en kosten (gerechtelijk recht) - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, gesteld door de Politierechtbank te Brugge. Strafrechtspleging - Verhaalbaarheid van kosten en honoraria van een advocaat - Veroordeling in solidum van de beklaagde en diens verzekeraar tot betaling van de rechtsplegingsvergoeding aan de burgerlijke partij. Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet - 21-04-2007 - 9 - 85 ELI link Pub nr 2007009497 Wetboek van Strafvordering - 19-11-1808 - 162bis - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Tekst van de beslissing Rolnummers 4432, 4433 en 4446 Arrest nr. 70/2009 van 23 april 2009 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, gesteld door de Politierechtbank te Brugge. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging a. Bij twee vonnissen van 12 februari 2008 in zake Diane Vanhoecke en Roland Coessens tegen Eugeen Deschuytter en de nv « APRA Ongevallen », en in zake het openbaar ministerie tegen Christof Mortier, in aanwezigheid van de nv « Winterthur-Europe Verzekeringen », vrijwillig tussenkomende partij, en Nani Ratiani en Nikoloz Kipiani, burgerlijke partijen, waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 18 februari 2008, heeft de Politierechtbank te Brugge de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd door de wet van 21 april 2007 [betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat], het gelijkheidsbeginsel, zoals vastgelegd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het voorziet dat (in een vonnis uitgesproken door een strafrechtbank) enkel de beklaagde en de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn veroordeeld worden tot het betalen aan de burgerlijke partij van de rechtsplegingsvergoeding en dus niet de vrijwillig of gedwongen tussenkomende partij (verzekeringsmaatschappij), terwijl deze laatste in een vonnis uitgesproken door een burgerlijke rechtbank wel moet (minstens kan) veroordeeld worden tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding zodra ze aanzien wordt als ‘ in het ongelijk gestelde partij ’ ? ». b. Bij vonnis van 11 maart 2008 in zake Caroline Van Middel tegen Noël Clarie en de nv « AXA Royale Belge », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 26 maart 2008, heeft de Politierechtbank te Brugge dezelfde prejudiciële vraag gesteld. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4432, 4433 en 4446 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », met zetel te 1060 Brussel, Gulden-Vlieslaan 65; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 4 februari 2009 : - zijn verschenen : . Mr. M. Kaiser loco Mr. X. Leurquin, advocaten bij de balie te Brussel, voor de « Ordre des barreaux francophones et germanophone »; . Mr. J. Mosselmans loco Mr. P. Peeters, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. De Groot en J. Spreutels verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. 3 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen De drie zaken nrs. 4432, 4433 en 4446 betreffen de behandeling ten gronde voor de Politierechtbank te Brugge van drie onderscheiden verkeersongevallen. Bij de beoordeling van de rechtsplegingsvergoeding merkt de verwijzende rechter op dat artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering zo kan worden geïnterpreteerd dat de strafrechter enkel de beklaagde en de burgerrechtelijk aansprakelijke partij kan veroordelen tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding aan de benadeelde. De vrijwillig tussenkomende verzekeringsmaatschappij kan in een strafprocedure niet worden veroordeeld, terwijl dat in een procedure voor de burgerlijke rechter wel mogelijk is. Los van vraag of die regeling te rijmen valt met de artikelen 79 en 82 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst vraagt de verwijzende rechter of er geen schending is van het gelijkheidsbeginsel : « Waarom kan de benadeelde die vordert voor een burgerlijke rechtbank wel een rechtsplegingsvergoeding vragen aan de (vrijwillig of gedwongen tussenkomende) verzekeraar van de aansprakelijke als die ‘ in het ongelijk gesteld ’ wordt, terwijl de benadeelde de rechtsplegingvergoeding niet kan vragen van de (vrijwillig of gedwongen tussenkomende) verzekeraar als hij vordert voor een strafrechtbank omdat ze enkel kan gevraagd worden van ‘ de beklaagde ’ en/of ‘ de burgerrechtelijk aansprakelijke ’? ». De verwijzende rechter stelt bovenvermelde, gelijkluidende, prejudiciële vragen. III. In rechte -A- A.1.
- Volgens de Ministerraad wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of de artikelen 10 en 11 van de Grondwet worden geschonden, nu een benadeelde die een vordering instelt voor de burgerlijke rechter wel een rechtsplegingsvergoeding kan verkrijgen van de vrijwillig of gedwongen tussenkomende verzekeraar van een in het ongelijk gestelde verzekerde, terwijl een benadeelde voor een strafrechtbank geen rechtsplegingsvergoeding zou kunnen verkrijgen van de vrijwillig of gedwongen tussenkomende verzekeraar. A.1.
- De Ministerraad wijst erop dat in aansprakelijkheidsgeschillen de verzekeraar in principe de leiding van het geschil op zich neemt (artikel 79 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst), behalve wanneer zijn belangen en die van de verzekerde niet samenvallen. In die gevallen kan de verzekeraar evenwel vrijwillig tussenkomen (artikel 89, § 2, van de wet op de landverzekeringsovereenkomst), zodat hij zijn rechten en actiemogelijkheden kan vrijwaren, met het oog op de eventuele latere instelling van een regresvordering tegen de verzekerde. Artikel 89, § 5, van de wet van 25 juni 1992 bepaalt dat onder dezelfde voorwaarden als zou de vordering voor een burgerlijke rechtbank worden gebracht, in strafzaken de verzekeraar door de benadeelde of door de verzekerde in de zaak kan worden betrokken. A.1.
- Volgens de Ministerraad betekent het gegeven dat een verzekeraar niet de leiding neemt over het geschil, doch vrijwillig of gedwongen tussenkomt, niet dat de verzekeraar vrijgesteld is om overeenkomstig artikel 82 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst de benadeelde verzekerde te vergoeden voor de door de beklaagde veroorzaakte schade, alsook voor de kosten van de burgerlijke rechtsvordering. De verplichting vanwege de verzekeraar om de benadeelde te vergoeden staat los van de vraag of de verzekeraar de leiding neemt over het geschil, dan wel vrijwillig of gedwongen tussenkomt. 4 A.1.
- De Ministerraad meent dat, niettegenstaande noch in de wet op de landverzekeringsovereenkomst, noch in de parlementaire voorbereiding ervan wordt aangegeven wat precies onder « burgerlijke rechtsvordering » dient te worden verstaan, de betekenis zich niet uitsluitend beperkt tot de burgerlijke zaken, maar tevens van toepassing is op de gevallen waarbij de strafrechter in een strafzaak uitspraak doet over burgerlijke belangen (zie artikel 89, § 5, van de wet op de landverzekeringsovereenkomst, dat melding maakt van « dezelfde voorwaarden »). Onder « kosten betreffende burgerlijke rechtsvorderingen » (artikel 82 van de voormelde wet) moet worden verstaan, de hoofdsom en de intresten en de rechtsplegingsvergoeding, nu de rechtsplegingsvergoeding een accessorium vormt van de beslissing over de grond van het geschil en derhalve geen bijkomende veroordeling uitmaakt. A.1.
- Derhalve dient, volgens de Ministerraad, uit artikel 82 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst te worden afgeleid dat de strafrechter, op basis van de dwingende bepalingen van het verzekeringsrecht, de verzekeraar moet veroordelen tot de rechtsplegingsvergoeding, ofschoon in artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering die optie niet uitdrukkelijk wordt weergegeven. A.1.
- De Ministerraad wijst tevens erop dat een strafproces zich normaliter beperkt tot de beklaagde, de burgerrechtelijk aansprakelijke partij en de burgerlijke partij. Derden kunnen in principe geen partij zijn in een strafproces. De mogelijkheid van een verzekeraar om op grond van een gedwongen of vrijwillige tussenkomst in een strafgeding betrokken te worden, vormt een uitzondering op de voormelde algemene strafrechtsregels. Gezien het uitzonderlijke karakter van de tussenkomst in een strafproces, voorzag de wetgever in voormeld artikel 162bis niet uitdrukkelijk in een mogelijkheid tot veroordeling van een tussenkomende partij tot de rechtsplegingvergoeding. In die interpretatie bestaat, volgens de Ministerraad, de door de verwijzende rechter opgeworpen ongelijke behandeling niet en dient de vraag ontkennend te worden beantwoord. A.2.
- De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » (hierna : « OBFG ») heeft een memorie ingediend op grond van artikel 87, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari
- De tussenkomende partij meent dat de verschillende beroepen tot vernietiging die reeds zijn ingesteld tegen de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, en waarbij zij systematisch is tussengekomen, haar belang om tussen te komen aantonen. Gelet op het gezag van gewijsde van een arrest gewezen op prejudiciële vraag, is het antwoord op de prejudiciële vragen in onderliggende zaken van dien aard dat de legitieme doelstelling van de OBFG kan worden aangetast, te weten de behartiging van de rechten en professionele belangen van de advocaten alsook van de rechten van de rechtsonderhorigen. De in het geding zijnde bepaling kan een weerslag hebben op het recht van toegang tot een advocaat, omdat een bepaalde interpretatie ervan tot gevolg heeft dat de vrijwillig en gedwongen tussenkomende partijen uit het toepassingsgebied van de wet van 21 april 2007 worden geweerd. A.2.
- Ten gronde situeert de OBFG allereerst de tussenkomst in het gerechtelijk recht en het strafvorderingsrecht. Vervolgens werpt de tussenkomende partij op dat artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is op diverse situaties, geviseerd door het Wetboek van strafvordering, te weten de artikelen 128, 162bis, 194, 211 en 369bis. Een oppervlakkige lezing van artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering kan doen geloven dat een tussenkomende partij die een veroordeling zoekt of een gedwongen tussenkomende partij die tussenkomt ten behoeve van de veroordeelde, niet kan worden veroordeeld tot een rechtsplegingsvergoeding. Evenwel dienen, overeenkomstig de parlementaire voorbereiding van de wet van 21 april 2007, de rechtsonderhorigen op dezelfde manier te worden behandeld en dient te worden aangenomen dat de tussenkomende partij hetzelfde doel nastreeft als het slachtoffer, te weten een vergoeding van de schade, zodat een gelijke procedurele behandeling noodzakelijk is. 5 A.2.
- Derhalve meent de OBFG dat er geen onderscheid in behandeling bestaat wanneer artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering zo wordt geïnterpreteerd dat ook een tussenkomende partij kan worden veroordeeld tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding. -B- B.1.
- De prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat. Artikel 9 van de voormelde wet wijzigt, samen met de artikelen 8, 10, 11 en 12, verschillende bepalingen van het Wetboek van strafvordering, teneinde het beginsel van de verhaalbaarheid gedeeltelijk uit te breiden tot de door de strafgerechten berechte zaken. B.1.
- Artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering bepaalt : « Ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, veroordeelt hen tot het betalen aan de burgerlijke partij van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De burgerlijke partij die rechtstreeks heeft gedagvaard en die in het ongelijk wordt gesteld, zal veroordeeld worden tot het aan de beklaagde betalen van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De vergoeding wordt bepaald door het vonnis ». B.
- Uit de vonnissen waarbij het Hof wordt ondervraagd, blijkt dat de verwijzende rechter, in elke zaak, de beklaagde en diens verzekeraar, vrijwillig tussenkomende partij, in solidum heeft veroordeeld tot het vergoeden van de burgerlijke partijen. B.
- Het Hof beperkt zijn onderzoek tot de hypothese waarin een strafgerecht, dat de beklaagde en diens verzekeraar in solidum heeft veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding, hen niet eveneens in solidum zou kunnen veroordelen tot betaling van de rechtsplegingsvergoeding van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. 6 B.
- Artikel 82, derde lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst bepaalt : « De verzekeraar betaalt, zelfs boven de dekkingsgrenzen, de kosten betreffende burgerlijke rechtsvorderingen, alsook de honoraria en de kosten van de advocaten en de deskundigen, maar alleen in zover die kosten door hem of met zijn toestemming zijn gemaakt of, in geval van belangenconflict dat niet te wijten is aan de verzekerde, voor zover die kosten niet onredelijk zijn gemaakt ». B.
- Artikel 89, § 5, van dezelfde wet bepaalt : « Wanneer het geding tegen de verzekerde is ingesteld voor het strafgerecht, kan de verzekeraar door de benadeelde of door de verzekerde in de zaak worden betrokken en kan hij vrijwillig tussenkomen, onder dezelfde voorwaarden als zou de vordering voor het burgerlijk gerecht gebracht zijn, maar het strafgerecht kan geen uitspraak doen over de rechten die de verzekeraar kan doen gelden tegenover de verzekerde of de verzekeringnemer ». B.
- Krachtens artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek neemt de politierechtbank kennis van alle vorderingen tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval. B.
- Aangezien de Politierechtbank oordeelt dat zij, indien zij zitting zou houden in burgerlijke zaken, de beklaagde en diens verzekeraar in solidum zou kunnen veroordelen tot een schadevergoeding en tot de rechtsplegingsvergoeding van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, kan zij, wanneer zij uitspraak doet over de burgerlijke rechtsvordering terwijl zij zitting houdt in strafzaken, dezelfde veroordelingen uitspreken met toepassing van artikel 89, § 5, van de wet van 25 juni 1992, ook al voorziet artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering niet expliciet in die hypothese. B.
- Uit hetgeen voorafgaat volgt dat het in de prejudiciële vragen vermelde verschil in behandeling niet bestaat. B.
- De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 23 april
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.070 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div