← België

ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.072

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 05 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.072 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090505.3 Arrest- Rolnummer: 72/2009 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-05-06 Raadplegingen: 223 - laatst gezien 2026-06-30 03:04 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 7 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, en artikel 13 van dezelfde wet van 21 april 2007 schenden niet de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Uitgaven en kosten (gerechtelijk recht) - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 7 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, en over artikel 13 van de voormelde wet van 21 april 2007, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Gerechtelijk recht - Verhaalbaarheid van kosten en honoraria van een advocaat -

  1. Principe van de forfaitaire bedragen -
  2. Onmiddellijke toepassing van de wet op de hangende zaken - Personen die hoger beroep hebben ingesteld. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1022 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Wet - 21-04-2007 - 13 - 85 ELI link Pub nr 2007009497 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 16 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag of internationale overeenkomst - 20-03-1952 - 1 - 30 Link Justel databank 19520320-30 Tekst van de beslissing Rolnummer 4473 Arrest nr. 72/2009 van 5 mei 2009 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 7 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, en over artikel 13 van de voormelde wet van 21 april 2007, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, J.-P. Snappe, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 27 mei 2008 in zake de nv « Jan Verheyen » tegen de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM), waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 3 juni 2008, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 7 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat (Belgisch Staatsblad van 31 mei 2007 (eerste uitg.)), en artikel 13 van voormelde wet van 21 april 2007 de artikelen 10, 11 en/of 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, doordat zij een onderscheiden toestand creëren voor rechtsonderhorigen die al dan niet vóór de inwerkingtreding (of bekendmaking) van de wet van 21 april 2007 hoger beroep hebben ingesteld of instellen resp. tussen rechtsonderhorigen die hoger beroep hebben ingesteld vóór de inwerkingtreding (of bekendmaking) van voormelde wet en wiens hoger beroep nog hangende is op het ogenblik van de inwerkingtreding ervan en rechtsonderhorigen die hoger beroep hebben ingesteld na de inwerkintreding (of bekendmaking) van de wet van 21 april 2007 ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de nv « Jan Verheyen », met zetel te 2381 Weelde, Meir 13; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 17 maart 2009 : - zijn verschenen : . Mr. F. Van der Veken, advocaat bij de balie te Antwerpen, voor de nv « Jan Verheyen »; . Mr. J. Mosselmans loco Mr. P. Peeters, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers T. Merckx-Van Goey en P. Martens verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Voor het verwijzende rechtscollege is het hoger beroep aanhangig in een geding tussen de nv « Jan Verheyen » en de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM). In een tussenarrest van 26 februari 2008 heeft het Hof van Beroep dat hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond verklaard, en de partijen uitgenodigd een standpunt in te nemen over de toepassing van de nieuwe regelgeving inzake de verhaalbaarheid van advocatenkosten op de hangende zaak. De appellante vraagt zich af of de toepassing van het nieuwe artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek op gedingen die reeds hangende waren vóór de inwerkingtreding van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, niet in strijd is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, nu zij op het ogenblik van het instellen van het hoger beroep niet kon inschatten dat zij met een aanzienlijk hogere rechtspleging kon worden geconfronteerd wanneer haar beroep zou worden afgewezen, terwijl andere personen na de inwerkingtreding van de wet daarmee wel rekening konden houden. Het Hof van Beroep is van oordeel dat die vraag pertinent is om het geschil over de gerechtskosten op te lossen en stelt vast dat artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 7 van de voormelde wet van 21 april 2007, reeds het voorwerp uitmaakt van diverse beroepen tot vernietiging bij het Grondwettelijk Hof, ingeschreven onder de nrs. 4313 en volgende, alsook van een prejudiciële vraag, ingeschreven onder nr.
  3. Het verwijzende rechtscollege beslist de hiervoor geciteerde prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- Standpunt van de appellante voor het verwijzende rechtscollege A.1.
  4. De nv « Jan Verheyen » voert vier grieven aan tegen de in het geding zijnde bepalingen. A.1.
  5. Allereerst werd het rechtszekerheidsbeginsel geschonden door de nieuwe wet van toepassing te maken op de hangende gedingen. De nv « Jan Verheyen » heeft dan ook de vraag opgeworpen of de wetgever geen ongelijkheid heeft doen ontstaan door de nieuwe regeling van toepassing te verklaren op de hangende gedingen waarover na 1 januari 2008 uitspraak wordt gedaan. De situatie van de appellante voor het Hof van Beroep is indringend gewijzigd, terwijl personen die later een rechtsgeding of hoger beroep hebben ingesteld, wel rekening hebben kunnen houden met de verhoogde kostprijs van de procedure in geval van afwijzing van hun vordering. A.1.
  6. Ten tweede is er een onverantwoord verschil in behandeling tussen personen in wier zaak een eindbeslissing is genomen vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet en personen in wier zaak de eindbeslissing eerst valt na die inwerkingtreding. Zo worden de verliezende partijen overgeleverd aan een verschil in behandeling naar gelang van de rechterlijke organisatie en de gerechtelijke achterstand. Personen die op hetzelfde tijdstip een identiek geschil hebben ingeleid, worden toch verschillend behandeld. A.1.
  7. Ten derde wordt ten aanzien van een welbepaalde categorie van personen zonder enige redelijke verantwoording het beginsel van de niet-retroactiviteit geschonden. De nieuwe wet is van toepassing op de hangende gedingen, ongeacht het feit dat zij werden ingeleid vóór de bekendmaking van die wet. De wetgever heeft geen enkele poging ondernomen om enige uitzonderlijke omstandigheid of enig dwingend motief aan te voeren om de terugwerking van de wet te verantwoorden. 4 De forfaitaire schadevergoeding voor de in het gelijk gestelde partij is van een heel andere aard dan de overige kosten opgesomd in artikel 1018 van het Gerechtelijk Wetboek. Het betreft hier geen wet inzake de rechtspleging die krachtens artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing zou zijn op de hangende rechtsgedingen, maar een forfaitaire tegemoetkoming op grond van een materieelrechtelijke regel die buiten de toepassing van het voormelde artikel 3 valt. De rechtsplegingsvergoeding is een schadevergoeding die het vermogen van de verliezende partij aantast. Door de nieuwe wet op hangende rechtsgedingen toe te passen, worden niet alleen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet geschonden, maar ook artikel 16 ervan, nu de appellante voor het verwijzende rechtscollege willekeurig van haar eigendom wordt beroofd, zonder dat die eigendomsberoving wordt verantwoord door een oogmerk van algemeen nut. A.1.
  8. Ten vierde schendt de wetgever het recht op toegang tot de rechter. Bepaalde - vooral minder financieel krachtige - rechtzoekenden zullen zich enkel nog tot de rechtbank wenden wanneer zij zich de pecuniaire gevolgen van een verlies van hun zaak kunnen veroorloven. Het hoort niet in een rechtsstaat dat men zich noodgedwongen neerlegt bij een eventueel onrecht vanwege de kostprijs van een rechtszaak. Bovendien druist het invoeren van tarieven in het gerechtelijk recht in tegen de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Dergelijke tarieven zijn in strijd met het mededingingsrecht. De wet van 21 april 2007 beperkt dan ook de rechten van de Belgen, in strijd met die fundamentele en grondwettelijke waarborgen, en roept opnieuw een aantal ongelijkheden in het leven. A.1.
  9. De nv « Jan Verheyen » besluit dat de prejudiciële vraag positief moet worden beantwoord. Standpunt van de Ministerraad A.2.
  10. Volgens de Ministerraad heeft de wetgever de rechtsonzekerheid willen verhelpen die was ontstaan door de uiteenlopende toepassing, door de hoven en rechtbanken, van het arrest van het Hof van Cassatie van 2 september 2004 op hangende zaken. Het in het geding zijnde artikel 13 van de wet van 21 april 2007 bevestigt enkel een algemene regel van burgerlijk procesrecht, zoals vervat in artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek, volgens welke een nieuwe regel onmiddellijk in werking treedt. A.2.
  11. De Ministerraad doet opmerken dat volgens de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof de onmiddellijke toepassing van een rechtsregel, na verloop van een door de wet bepaalde termijn van bekendmaking, het gewone gevolg is van deze laatste, zonder dat hierdoor het grondwettelijk gewaarborgde beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie wordt miskend. Die rechtspraak geldt ook hier. Aangezien de wetgever alle procespartijen vanaf de inwerkingtreding van de wet van 21 april 2007 op identieke wijze beoogde te behandelen, ongeacht de datum waarop de zaak werd ingeleid, is er van discriminatie geen sprake. A.2.
  12. De Ministerraad herinnert ook aan de rechtspraak van het Hof volgens welke het bepalen van het tijdstip waarop een rechtsnorm uitwerking heeft, een onderscheid in het leven roept tussen personen die betrokken zijn bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van de oude regeling vielen en personen die betrokken zijn bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van de nieuwe regeling vallen, onderscheid dat geen schending uitmaakt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Elke wetswijziging zou immers onmogelijk worden indien zou worden aangenomen dat de nieuwe regeling die artikelen zou schenden om de enkele reden dat zij de toepassingsmodaliteiten van de vroegere reglementering wijzigt, of om de enkele reden dat zij bepaalde verwachtingen van een partij in een rechtsgeding zou aantasten. A.2.
  13. De Ministerraad stelt dat de nv « Jan Verheyen » moeilijk kan beweren dat zij niet wist was dat de rechtspraak van het Hof van Cassatie inzake de terugvorderbaarheid van erelonen was gewijzigd. Die rechtspraak dateert al van ruim twee en een half jaar voordat te dezen hoger beroep werd ingesteld. 5 Rekening houdend met de rechtsonzekerheid die is ontstaan na die wijziging in de rechtspraak, kan de appellante voor het verwijzende rechtscollege bezwaarlijk staande houden dat zij erop kon vertrouwen dat het oude stelsel van de rechtsplegingsvergoeding ongewijzigd zou blijven en dat elk wetgevend initiatief op dit vlak zou uitblijven. Volgens de Ministerraad volstaat die argumentatie om de eerste twee grieven van de nv « Jan Verheyen » af te wijzen. A.2.
  14. Ten opzichte van de derde en vierde grief van de nv « Jan Verheyen » voert de Ministerraad aan dat een memorie in het kader van een prejudiciële procedure geen nieuwe middelen mag bevatten en dat de partijen de strekking van de prejudiciële vraag niet mogen wijzigen. Het verwijzende rechtscollege ondervraagt het Hof niet over de mogelijke schending van het verbod van niet-retroactiviteit of van het recht op toegang tot de rechter. Het Hof kan niet ingaan op die grieven. A.2.
  15. Hoe dan ook, artikel 13 van de wet van 21 april 2007 heeft geen terugwerkende kracht. Het bevestigt het principe van de onmiddellijke inwerkingtreding van een rechtsregel. Voorts is de rechtsplegingsvergoeding geen schadevergoeding, maar een rechtsgevolg van de beslissing over de grond van een geschil. De Ministerraad betwist ook dat het systeem van verhaalbaarheid van de erelonen de toegang tot de rechter zou belemmeren. Aan de rechter wordt een ruime discretionaire bevoegdheid toegekend om de bedragen van de rechtsplegingsvergoeding aan te passen, waarbij hij ook rekening kan houden met de financiële draagkracht van de partijen. A.2.
  16. De Ministerraad besluit dat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord. -B- B.1.
  17. De wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat wijzigt sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek en van het Wetboek van strafvordering teneinde een deel van de kosten van de bijstand van de advocaat van de partij die een proces wint, ten laste te leggen van de partij die in het ongelijk wordt gesteld. B.1.
  18. In de versie zoals van toepassing in het bodemgeschil, bepaalt artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 7 van de voormelde wet van 21 april 2007 : « De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. 6 Na het advies te hebben ingewonnen van de Orde van Vlaamse Balies en van de Ordre des barreaux francophones et germanophone, stelt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de basis-, minimum- en maximumbedragen vast van de rechtsplegingsvergoeding, onder meer in functie van de aard van de zaak en van de belangrijkheid van het geschil. Op verzoek van een van de partijen en op een met bijzondere redenen omklede beslissing, kan de rechter ofwel de vergoeding verminderen, ofwel die verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Bij zijn beoordeling houdt de rechter rekening met : - de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de vergoeding te verminderen; - de complexiteit van de zaak; - de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij; - het kennelijk onredelijk karakter van de situatie. Indien de in het ongelijk gestelde partij van de tweedelijns juridische bijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het door de Koning vastgestelde minimum, tenzij in geval van een kennelijk onredelijke situatie. De rechter motiveert in het bijzonder zijn beslissing op dat punt. Wanneer meerdere partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van dezelfde in het ongelijk gestelde partij genieten, bedraagt het bedrag ervan maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen aanspraak kan maken. Ze wordt door de rechter tussen de partijen verdeeld. Geen partij kan boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van een andere partij ». Het Hof dient te dezen geen rekening te houden met de wet van 22 december 2008 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat die in het derde lid van het geciteerde artikel de woorden « Op verzoek van een van de partijen en op een met bijzondere redenen omklede beslissing, kan de rechter » vervangt door de woorden « Op verzoek van een van de partijen, dat in voorkomend geval wordt gedaan na ondervraging door de rechter, kan deze bij een met bijzondere redenen omklede beslissing ». B.1.
  19. Het eveneens in het geding zijnde artikel 13 van de voormelde wet van 21 april 2007 bepaalt dat de artikelen 2 tot 12 ervan « van toepassing [zijn] op de zaken die hangende zijn op het moment dat ze in werking treden ». 7 Op grond van artikel 14 ervan treedt die wet in werking op de door de Koning vastgestelde datum. Het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bepaalt die datum op 1 januari
  20. B.1.
  21. Het verwijzende rechtscollege vraagt het Hof of de artikelen 7 en 13 van de voormelde wet van 21 april 2007 in strijd zijn met de artikelen 10 en 11 en 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.2.
  22. De wet van 21 april 2007 is in hoofdzaak het resultaat van een amendement van de Regering op een van de wetsvoorstellen betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van advocaten ingediend in de Senaat. Uit de verantwoording van dat amendement blijkt dat het « essentieel […] de oplossing [betreft] die voorgesteld werd door de Orden van advocaten, die het voorwerp was van een gunstig advies van de Hoge Raad voor de Justitie ». De wetgever heeft de verhaalbaarheid verankerd « in het procesrecht, in onderhavig geval via de rechtsplegingsvergoedingen, namelijk de forfaitaire bedragen die vastgelegd zijn door de Koning, onder meer in functie van de aard of de belangrijkheid van het geschil » (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-1686/4, p. 4). B.2.
  23. In de parlementaire voorbereiding wordt aangegeven dat de wetgever het noodzakelijk heeft geacht in die aangelegenheid op te treden naar aanleiding van het arrest van het Hof van Cassatie van 2 september 2004, waardoor de kwestie van de verhaalbaarheid « acuut » werd door te erkennen dat de erelonen van de advocaten deel kunnen uitmaken van de vergoedbare schade in het kader van de contractuele aansprakelijkheid (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-1686/5, p. 30; Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2891/002, p. 3). De wetgever heeft vastgesteld dat sinds dat arrest grote rechtsonzekerheid heerste en dat daaraan « zo snel mogelijk » een einde diende te worden gemaakt (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-1686/5, p. 14) : « De rechtspraak is heel uiteenlopend en gaat van de soms eenvoudige verwerping van het beginsel tot de toekenning van hoge bedragen zonder speciale motivering. Bovendien heeft dat arrest vaak tot gevolg dat het tot een proces binnen het proces komt, zowel over het beginsel van de verhaalbaarheid zelf in een of ander geval, als over het bedrag dat hiervoor kan worden toegekend. Op die manier heeft men gezien dat een partij forfaitaire bedragen 8 toegewezen kreeg, terwijl in andere gevallen de gedetailleerde kostenstaten en erelonen van de raadslieden in de debatten werden gebracht, wat fundamentele principiële vragen doet rijzen over het beroepsgeheim » (ibid., p. 13). In het advies dat hij over de daaromtrent neergelegde wetsvoorstellen heeft uitgebracht, is ook de Hoge Raad voor de Justitie van oordeel dat « de verhaalbaarheid dringend wettelijk moet geregeld worden » (advies goedgekeurd door de algemene vergadering op 25 januari 2006, Parl. St., Senaat, 2005-2006, nr. 3-51/4, p. 4). B.2.
  24. Sommige rechtscolleges hebben, nadat zij met de rechtspraak van het Hof van Cassatie werden geconfronteerd, prejudiciële vragen gesteld aan het Grondwettelijk Hof, dat in zijn arrest nr. 57/2006 van 19 april 2006 voor recht heeft gezegd dat « de ontstentenis van wettelijke bepalingen die toelaten het honorarium en de kosten van een advocaat ten laste te leggen van de eisende partij of van de burgerlijke partij, die in het ongelijk worden gesteld bij een burgerlijke aansprakelijkheidsvordering, […] de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens [schendt] », waarbij het heeft gepreciseerd dat « om een einde te maken aan die discriminatie, […] het aan de wetgever [staat] te oordelen op welke wijze en in welke mate de verhaalbaarheid van het honorarium en van de kosten van een advocaat dient te worden georganiseerd ». B.
  25. De partijen voor het Hof kunnen de draagwijdte van de gestelde prejudiciële vraag niet wijzigen of laten wijzigen. Het Hof gaat derhalve niet in op de grieven zoals aangevoerd door de appellante voor het verwijzende rechtscollege, maar op de bewoordingen van de prejudiciële vraag. B.4.
  26. De vraag nodigt uit tot een tweeledige vergelijking op het stuk van de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat : - ten eerste, tussen, enerzijds, de categorie van personen die geen hoger beroep hebben ingesteld in een rechtsgeding, en, anderzijds, de categorie van personen die wel hoger beroep hebben ingesteld vóór de inwerkingtreding van de wet van 21 april 2007; 9 - ten tweede, tussen, enerzijds, de categorie van personen van wie het vóór de inwerkingtreding van de wet van 21 april 2007 ingestelde hoger beroep in een rechtsgeding nog hangende was bij de inwerkingtreding van de nieuwe wet, en, anderzijds, de categorie van personen die hoger beroep hebben ingesteld na de inwerkingtreding van die wet. B.4.
  27. Het verschil in behandeling beoogt in de eerste vergelijking enerzijds de categorie van personen die geen hoger beroep hebben ingesteld in een rechtsgeding, en, anderzijds, de categorie van personen die wel hoger beroep hebben ingesteld, en berust op een objectief criterium dat pertinent is ten aanzien van de doelstelling van de wetgever : - enerzijds, geldt volgens een fundamenteel beginsel van onze rechtsorde dat de rechterlijke beslissingen niet kunnen worden gewijzigd dan ingevolge de aanwending van rechtsmiddelen, wat verantwoordt dat de wetgever niet is teruggekomen op de situatie van de eerstvermelde categorie van personen; - anderzijds, zoals het Hof oordeelde in B.20.5 van zijn arrest nr. 182/2008 van 18 december 2008, vermocht de wetgever in redelijkheid te oordelen dat het aangewezen was om door de onmiddellijke toepassing van de bestreden wet, ten aanzien van alle rechtzoekenden – en derhalve ook ten aanzien van de categorie van personen wier hoger beroep nog hangende was op het tijdstip van inwerkingtreding van de nieuwe wet - een einde te maken aan de ontwikkeling van een uiteenlopende rechtspraak die derhalve ongelijkheden inhield ten aanzien van het beginsel van de verhaalbaarheid en de bedragen die konden worden toegewezen. Ten slotte – zoals ook reeds door het Hof werd geoordeeld in B.20.6 van het voormelde arrest - heeft de onmiddellijke toepassing van de in het geding zijnde wetgeving geen onevenredige gevolgen voor de partijen die op het ogenblik van de inwerkingtreding ervan bij gerechtelijke procedures zijn betrokken, ermee rekening houdend dat de wetgever de verhaalbaarheid heeft omlijnd en dat de rechter op verzoek van de partijen de rechtsplegingsvergoeding kan verminderen, met name wanneer hij van oordeel is dat de situatie « kennelijk onredelijk » is. 10 B.4.
  28. De tweede vergelijking waartoe de prejudiciële vraag uitnodigt, tussen, enerzijds, de categorie van personen van wie het hoger beroep in een rechtsgeding hangende was vóór de inwerkingtreding van de wet van 21 april 2007, en, anderzijds, de categorie van personen die hoger beroep hebben ingesteld na de inwerkingtreding van die wet, betreft niet een verschil in behandeling maar een identieke behandeling. De twee voormelde categorieën van personen bevinden zich niet in dermate verschillende situaties dat de wetgever ze niet op identieke wijze mocht behandelen. Het was integendeel - zoals het Hof oordeelde in B.20.5 van het voormelde arrest - in redelijkheid verantwoord om ten aanzien van alle rechtzoekenden – met inbegrip van de beide categorieën van personen bedoeld in het tweede vergelijkingspunt van de prejudiciële vraag - een einde te maken aan de ontwikkeling van een uiteenlopende rechtspraak die ongelijkheden inhield ten aanzien van het beginsel van de verhaalbaarheid en de bedragen die konden worden toegewezen. B.5.1 Uit de formulering van de prejudiciële vraag blijkt dat het Hof bovendien is uitgenodigd om de in het geding zijnde bepalingen te toetsen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, « en/of » artikel 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.5.
  29. Zonder dat dient te worden nagegaan of de veroordeling tot een rechtsplegingsvergoeding een regeling zou betreffen van « eigendom » in de zin van artikel 16 van de Grondwet of van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, volstaat het vast te stellen - zoals in B.9.5 van het voormelde arrest - dat de wetgever, door ervoor te kiezen de verhaalbaarheid te regelen met de techniek van de forfaitaire bedragen teneinde de wetgeving in overeenstemming te brengen met de vereisten van het eerlijk proces en van het gelijkheidsbeginsel, geen maatregel heeft genomen die zonder verantwoording is. B.
  30. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 7 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, en artikel 13 van dezelfde wet van 21 april 2007 schenden niet de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 5 mei
  31. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.072 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.