id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 05 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.074 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090505.4 Arrest- Rolnummer: 74/2009 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-05-06 Raadplegingen: 216 - laatst gezien 2026-06-30 03:04 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : In zoverre het de strafrechter niet toestaat aan de burgerrechtelijk aansprakelijke partij een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen ten laste van de in het ongelijk gestelde rechtstreeks dagende burgerlijke partij, schendt artikel 162bis, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Uitgaven en kosten (gerechtelijk recht) - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, gesteld door de Politierechtbank te Brugge. Strafrechtspleging - Verhaalbaarheid van kosten en honoraria van een advocaat - Veroordeling van de in het ongelijk gestelde rechtstreeks dagende burgerlijke partij tot betaling van de rechtsplegingsvergoeding -
- Beklaagde -
- Burgerrechtelijk aansprakelijke partij - Uitsluiting. Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 19-11-1808 - 162bis - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - 19-11-1808 - 162bis,L2 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wet - 21-04-2007 - 9 - 85 ELI link Pub nr 2007009497 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4494 Arrest nr. 74/2009 van 5 mei 2009 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, gesteld door de Politierechtbank te Brugge. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 17 juni 2008 in zake Annelies Creus en de vzw « Het Wit-Gele Kruis van West-Vlaanderen » tegen het openbaar ministerie en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 3 juli 2008, heeft de Politierechtbank te Brugge de volgende prejudiciële vragen gesteld :
- « Schendt art. 162bis Sv, zoals ingevoegd door de wet van 21 april 2007, het gelijkheidsbeginsel, zoals vastgelegd in art. 10 en 11 van de Grondwet, doordat het voorziet dat (in een vonnis uitgesproken door een strafrechtbank) de beklaagde én de burgerrechtelijk aansprakelijke kunnen veroordeeld worden om aan de burgerlijke partij een rechtsplegingsvergoeding te betalen, terwijl de burgerlijke partij die is overgegaan tot rechtstreekse dagvaarding en ongelijk krijgt enkel kan veroordeeld worden om desgevallend aan de beklaagde een rechtsplegingsvergoeding te betalen, maar niét om ze te betalen aan de burgerrechtelijk aansprakelijke partij ? »;
- « Schendt art. 162bis 2° lid Sv, zoals ingevoegd door de wet van 21 april 2007, het gelijkheidsbeginsel, zoals vastgelegd in art. 10 en 11 van de Grondwet, doordat het voorziet dat (in een vonnis uitgesproken door een strafrechtbank) enkel de vrijgesproken rechtstreeks gedaagde aanspraak kan maken op een rechtsplegingsvergoeding lastens de in het ongelijk gestelde rechtstreeks dagende burgerlijke partij, terwijl de rechtstreeks gedaagde burgerrechtelijk aansprakelijke die gelijk krijgt geen aanspraak kan maken op een rechtsplegingsvergoeding, hoewel deze laatste in een vonnis uitgesproken door een burgerlijke rechtbank daarop wél aanspraak kan maken ? ». De Ministerraad heeft een memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 11 maart 2009 : - is verschenen : Mr. J. Mosselmans loco Mr. P. Peeters, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Het geschil voor de verwijzende rechter heeft betrekking op een verkeersongeval. A. Creus werd bij verstek veroordeeld voor een inbreuk op de verkeerswetgeving (onaangepaste snelheid) en voor het onopzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen aan D. Feys. Voor beide tenlasteleggingen samen werd een geldboete opgelegd van 275 euro, te vermeerderen met de bijdrage en de kosten. De werkgever van A. Creus, de vzw « Het Wit-Gele Kruis van West-Vlaanderen », werd - eveneens bij verstek - burgerrechtelijk 3 aansprakelijk gesteld. Beide partijen hebben verzet aangetekend tegen de veroordelingen te hunnen laste. Tegelijk hebben zij D. Feys en diens werkgever rechtstreeks gedagvaard omdat zij menen dat de eerstgenoemde exclusief aansprakelijk is voor het ongeval en de laatstgenoemde burgerrechtelijk aansprakelijk. De verwijzende rechter verklaart het verzet van A. Creus ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Zij wordt vrijgesproken voor de eerste tenlastelegging, maar niet voor de tweede. Het verzet van haar werkgever wordt ontvankelijk doch ongegrond verklaard. De verwijzende rechter spreekt D. Feys vrij en stelt diens werkgever « buiten zake » zonder kosten. Op burgerlijk gebied wijst de verwijzende rechter de vorderingen van A. Creus en haar werkgever af als ongegrond en, alvorens te oordelen over de rechtsplegingsvergoeding, stelt hij aan het Hof de hiervoor aangehaalde prejudiciële vragen. III. In rechte -A- A.
- De Ministerraad is van oordeel dat de prejudiciële vragen ontkennend moeten worden beantwoord. Hij verwijst allereerst naar hetgeen het Hof in het arrest nr. 8/96 van 1 februari 1996 over de burgerrechtelijk aansprakelijke partij heeft uiteengezet. Sedert de inwerkingtreding van artikel 162bis, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering kan de burgerrechtelijk aansprakelijke partij bovendien in solidum met de beklaagde worden veroordeeld tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding aan de burgerlijke partij. A.
- Hoewel artikel 162bis, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering niet uitdrukkelijk melding maakt van de burgerrechtelijk aansprakelijke partij, is de Ministerraad van mening dat, gelet op een grondwetsconforme interpretatie van die bepaling, zowel de beklaagde als de burgerrechtelijk aansprakelijke partij recht hebben op een rechtsplegingsvergoeding indien de eis van de rechtstreeks dagende burgerlijke partij wordt afgewezen. Volgens de Ministerraad zou dat impliciet voortvloeien uit de tekst van artikel 162bis, tweede lid, in fine, van het Wetboek van strafvordering waarin uitdrukkelijk wordt verwezen naar artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. Zoals de verwijzende rechter zelf aangeeft, maakt de burgerrechtelijk aansprakelijke partij op grond van die bepaling in burgerlijke zaken aanspraak op een rechtsplegingsvergoeding. Met de invoering van de wet op de verhaalbaarheid van de erelonen wenste de wetgever bovendien, op het vlak van het herstel van schade van de rechtsonderhorige, de burgerlijke en strafrechtelijke jurisdictie zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen. A.
- De verwijzende rechter dient ervan uit te gaan, zo beklemtoont de Ministerraad, dat de wetgever niet de bedoeling heeft gehad om de Grondwet te schenden, zodat een met de Grondwet overeenstemmende interpretatie van artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering moet worden verkozen boven een met de Grondwet strijdige interpretatie en de verwijzende rechter de burgerlijke partij wel degelijk mag veroordelen tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan de « in het gelijk gestelde » burgerrechtelijk aansprakelijke partij. -B- B.
- Artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, bepaalt : 4 « Ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, veroordeelt hen tot het betalen aan de burgerlijke partij van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De burgerlijke partij die rechtstreeks heeft gedagvaard en die in het ongelijk wordt gesteld, zal veroordeeld worden tot het aan de beklaagde betalen van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De vergoeding wordt bepaald door het vonnis ». B.
- De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of die bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat de beklaagde en de burgerrechtelijk aansprakelijke partij kunnen worden veroordeeld om aan de burgerlijke partij een rechtsplegingsvergoeding te betalen, terwijl de rechtstreeks dagende burgerlijke partij enkel kan worden veroordeeld om een rechtsplegingsvergoeding te betalen aan de beklaagde en niet aan de burgerrechtelijk aansprakelijke partij (eerste prejudiciële vraag) en doordat enkel de vrijgesproken rechtstreeks gedaagde aanspraak kan maken op een rechtsplegingsvergoeding ten laste van de in het ongelijk gestelde rechtstreeks dagende burgerlijke partij en dus niet de burgerrechtelijk aansprakelijke partij, terwijl de laatstgenoemde in een vonnis uitgesproken door een burgerlijke rechtbank daarop wel aanspraak kan maken (tweede prejudiciële vraag). B.
- De burgerrechtelijk aansprakelijke partij kan worden aangesproken tot vergoeding van de schade die is veroorzaakt door misdrijven gepleegd door personen over wie zij het toezicht uitoefent en voor wie zij, krachtens artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek of een specifieke wet, moet instaan. De burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor andermans daad vormt een bijkomende waarborg voor het slachtoffer dat de door hem geleden schade en de kosten die zijn verbonden aan de uitoefening van de burgerlijke vordering zullen worden vergoed. De bijzondere plaats die een burgerrechtelijk aansprakelijke partij in een strafproces inneemt, biedt echter geen redelijke verantwoording voor het uitsluiten van die partij van de rechtsplegingsvergoeding ten laste van de in het ongelijk gestelde rechtstreeks dagende burgerlijke partij, terwijl de persoon voor wiens daad die partij burgerrechtelijk aansprakelijk is, met andere woorden de beklaagde, wel in aanmerking komt voor die rechtsplegingsvergoeding. 5 B.
- De in het geding zijnde bepaling is onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij de strafrechter niet toestaat aan de burgerrechtelijk aansprakelijke partij een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen ten laste van de in het ongelijk gestelde rechtstreeks dagende burgerlijke partij. B.
- Aangezien de vastgestelde leemte zich bevindt in de aan het Hof voorgelegde tekst, komt het de verwijzende rechter toe een einde te maken aan de door het Hof vastgestelde ongrondwettigheid, nu die vaststelling is uitgedrukt in voldoende precieze en volledige bewoordingen om toe te laten dat de in het geding zijnde bepaling wordt toegepast met inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 6 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : In zoverre het de strafrechter niet toestaat aan de burgerrechtelijk aansprakelijke partij een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen ten laste van de in het ongelijk gestelde rechtstreeks dagende burgerlijke partij, schendt artikel 162bis, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 5 mei
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.074 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div