id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 05 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.077 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090505.7 Arrest- Rolnummer: 77/2009 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-05-06 Raadplegingen: 223 - laatst gezien 2026-06-30 03:04 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 2 van de wet van 16 april 1998 met betrekking tot de geschillen betreffende de betalingen aan het Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Territoriale bevoegdheid PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 2 van de wet van 16 april 1998 met betrekking tot de geschillen betreffende de betalingen aan het Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk. Gerechtelijk recht - Burgerlijke rechtspleging - Territoriale bevoegdheid - Exclusieve bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel - Geschillen betreffende de betalingen aan het Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten. Wettelijke bepalingen: Wet - 16-04-1998 - 2 - 43 ELI link Pub nr 1998016102 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4629 Arrest nr. 77/2009 van 5 mei 2009 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 2 van de wet van 16 april 1998 met betrekking tot de geschillen betreffende de betalingen aan het Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen en J.-P. Snappe, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 20 januari 2009 in zake Stefaan Vandeputte tegen de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, en de nv « EEG SLACHTHUIZEN LAR », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 28 januari 2009, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 2 van de wet van 16 april 1998 met betrekking tot de geschillen betreffende de betalingen aan het Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten de artikelen 10 en/of 11 van de Grondwet ? ». Op 18 februari 2009 hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Snappe, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen een arrest van onmiddellijk antwoord te wijzen. Memories met verantwoording zijn ingediend door : - Stefaan Vandeputte, wonende te 9770 Kruishoutem, Olsensesteenweg 62; - de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, met kantoren te 1210 Brussel, Kunstlaan
- De bepalingen van voormelde bijzondere wet met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De Belgische Staat en de nv « EEG SLACHTHUIZEN LAR » worden gedagvaard voor de Rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk tot terugbetaling van bijdragen die de eisende partij in de periode van 1988 tot 1998 als vleesgroothandelaar heeft betaald aan het Fonds voor de gezondheid en de productie van de dieren. Volgens de Belgische Staat behoort de zaak niet tot de territoriale bevoegdheid van de Rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, gelet op de wet van 16 april 1998 met betrekking tot de geschillen betreffende de betalingen aan het Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten, waarin wordt bepaald dat de rechtbank van de plaats waar de administratie van het Fonds is gevestigd, uitsluitend bevoegd is, in casu de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. De verwijzende rechter is van oordeel dat de vordering in beginsel zou dienen te worden verwezen naar de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, maar tegelijkertijd vraagt de verwijzende rechter zich af of het toekennen van een uitsluitende territoriale bevoegdheid aan de rechtbanken van de plaats waar de administratie van het Begrotingsfonds is gevestigd, al dan niet strookt met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Dienvolgens stelt de verwijzende rechter de bovenvermelde prejudiciële vraag. 3 III. In rechte -A- A.
- De Ministerraad is van oordeel dat de bevoegdheid ratione loci niet van openbare orde is. Aangezien de wetgever kan ingrijpen in de bevoegdheidsregeling ratione materiae, zonder de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te schenden, kan hij a fortiori een aangewezen rechtbank ratione loci bevoegd maken. De betalingen betreffen een materie waarvan de bepalingen zijn opgenomen in de wet houdende de oprichting van het Begrotingsfonds. De diensten van dat Fonds zijn, in tegenstelling tot andere diensten, niet gedecentraliseerd. De Kamercommissie heeft geoordeeld dat om de eenheid van de rechtspraak te verzekeren, de rechtbank van de plaats waar de administratie van het Fonds gevestigd is, bevoegd dient te zijn. Hierdoor komt de rechtszekerheid van de rechtsonderhorige zeker niet in het gedrang. De bevoegdheidsregeling, zoals daarin is voorzien bij de wet van 16 april 1998, is van toepassing op alle zaken die betrekking hebben op de betalingen aan het Begrotingsfonds, zonder enig onderscheid naar gelang van de rechtsonderhorigen, die aldus allen de toepassing van de wet ondergaan. Van een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet is dan ook geen sprake. A.
- De eisende partij voor de verwijzende rechter meent dat de prejudiciële vraag een bevestigend antwoord vereist. Er kan, volgens haar, geen rekening worden gehouden met het arrest nr. 198/2004, omdat ten eerste de feitelijke context verschillend is, ten tweede het niet blijkt dat de wetgever de eenheid van rechtspraak nastreefde, ten derde in een soortgelijke zaak de Belgische Staat niet de verwijzing naar de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel vraagt, ten vierde de bestreden wetsbepalingen zonder enige vorm van debat door het Parlement zijn goedgekeurd en ten laatste de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel haar pleitdata vaststelt in het jaar 2014, terwijl de Rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk die pleitdata vaststelt in het jaar
- -B- B.
- Artikel 2 van de wet van 16 april 1998 met betrekking tot de geschillen betreffende de betalingen aan het Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten, bepaalt : « De geschillen betreffende de betalingen aan het Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten vallen uitsluitend onder de bevoegdheid van de rechtbanken van de plaats waar de administratie van het Fonds is gevestigd ». B.
- De verwijzende rechter stelt het Hof een vraag over de bestaanbaarheid van die bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat zij voorziet in de exclusieve territoriale bevoegdheid van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, waardoor aan de gemeenrechtelijke bevoegdheidsregeling van artikel 624 van het Gerechtelijk Wetboek afbreuk wordt gedaan ten voordele van een welbepaalde rechtbank « die daarenboven de rechtbank is van de plaats waar de administratie gevestigd is van het Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten (d.w.z. een orgaan van de Belgische Staat die procespartij is) ». 4 B.
- Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 16 april 1998 blijkt dat de in het geding zijnde bepaling ertoe strekt de eenheid van rechtspraak te verzekeren (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 1182/1, p. 2). Ook al geldt voor de organisatie en de werking van het gerechtelijk apparaat het beginsel van decentralisatie, toch is het de wetgever niet verboden van die algemene regel af te wijken voor zover die afwijking kan worden verantwoord. Te dezen houdt die verantwoording verband met het feit dat de administratie van het Begrotingsfonds, dat tot doel heeft tegemoet te komen in de prefinanciering of financiering van de uitgaven van de overheid in het kader van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987, de wet van 15 juli 1985 betreffende het gebruik bij dieren van stoffen van hormonale, anti-hormonale, beta-adrenergische of produktie-stimulerende werking, de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijprodukten en de wet van 20 juni 1956 betreffende de verbetering van de rassen van voor de landbouw nuttige huisdieren en daarvoor wordt gestijfd door onder meer verplichte bijdragen, opgelegd door de Koning, ten laste van de natuurlijke en rechtspersonen die dieren of dierlijke producten voortbrengen, verwerken, vervoeren, bewerken, verkopen of verhandelen, in Brussel is gevestigd en dat die dienst niet is gedecentraliseerd. Het is dan ook pertinent het hele contentieux met betrekking tot de betalingen aan het Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten te centraliseren bij de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, wat van dien aard is dat de eenheid van rechtspraak erdoor wordt bevorderd. Er wordt overigens geen afbreuk gedaan aan het evenredigheidsbeginsel omdat de rechtsonderhorigen niet op fundamentele wijze worden geraakt bij de uitoefening van een jurisdictionele waarborg. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat het verschil in behandeling dat door de in het geding zijnde bepaling wordt ingevoerd tussen de rechtzoekenden die gevestigd zijn in het gerechtelijk arrondissement Brussel en de andere rechtzoekenden, in redelijkheid verantwoord is. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 5 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 2 van de wet van 16 april 1998 met betrekking tot de geschillen betreffende de betalingen aan het Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 5 mei
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.077 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div