← België

ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.079

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.079 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090514.1 Arrest- Rolnummer: 79/2009 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-05-18 Raadplegingen: 247 - laatst gezien 2026-07-01 10:00 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 71 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BIJSTAND AAN PERSONEN - OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OCMW) - Beroep beslissingen OCMW Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 71 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Brussel. Sociaal recht - Maatschappelijke dienstverlening - Beslissing waarbij wordt geweigerd een sociale prestatie toe te kennen - Beroep bij de arbeidsrechtbank - Niet-tijdig beroep dat niet als een nieuwe aanvraag tot prestatie geldt. Wettelijke bepalingen: Wet - 08-07-1976 - 71 - 01 ELI link Pub nr 1976070810 Grondwet 1994 - 17-02-2004 - 10 - 30 ELI link Pub nr 2004035331 Grondwet 1994 - 17-02-2004 - 11 - 30 ELI link Pub nr 2004035331 Tekst van de beslissing Rolnummer 4472 Arrest nr. 79/2009 van 14 mei 2009 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 71 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, A. Alen, J.-P. Snappe en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 23 mei 2008 in zake Patrick Lubaki Balumeso tegen het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Sint-Gillis, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 2 juni 2008, heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 71 van de wet van 8 juli 1976 [betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn] de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het niet bepaalt dat het gerechtelijk beroep dat laattijdig wordt ingesteld als een nieuwe aanvraag tot prestaties geldt, terwijl voor de begunstigden van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap in die regel wordt voorzien bij artikel 8 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap en voor de begunstigden van de inkomensgarantie voor ouderen bij artikel 12, § 2, van het koninklijk besluit van 23 mei 2001 tot instelling van een algemeen reglement betreffende de inkomensgarantie voor ouderen, waarbij aldus categorieën van personen die zich in een soortgelijke situatie bevinden op verschillende wijze worden behandeld ? ». Memories zijn ingediend door : - het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Sint-Gillis, waarvan de kantoren zijn gevestigd te 1060 Brussel, Fernand Bernierstraat 40; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 21 april 2009 : - zijn verschenen : . Mr. M. Legein, advocaat bij de balie te Brussel, voor het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Sint-Gillis; . Mr. Y. Musoni loco Mr. N. Uyttendaele, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en E. De Groot verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Patrick Lubaki Balumeso vordert op 24 april 2007 van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW) van Sint-Gillis een financiële maatschappelijke dienstverlening voor een bedrag dat gelijk is aan een 3 leefloonuitkering. Bij beslissing van 27 april 2007, waarvan kennis is gegeven op 7 mei 2007, weigert het bijzonder comité van de sociale dienst van dat centrum de toekenning van die dienstverlening, met toepassing van artikel 57, § 2, eerste lid, 1°, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Patrick Lubaki Balumeso betwist die beslissing en dient op 10 augustus 2007 een beroep in bij de Arbeidsrechtbank te Brussel op grond van artikel 71, eerste lid, van de wet van 8 juli

  1. De Arbeidsrechtbank stelt vast dat, aangezien dat beroep niet is ingesteld binnen de termijn van drie maanden bepaald in artikel 71, derde lid, van dezelfde wet, het onontvankelijk is. Zij vraagt zich echter af of artikel 71 van de wet van 8 juli 1976 het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schendt in zoverre het niet bepaalt dat, wanneer het beroep onontvankelijk wordt verklaard ratione temporis, dat beroep gelijk is aan een nieuwe aanvraag tot maatschappelijke dienstverlening. De Rechtbank is van mening dat, indien die ongrondwettigheid vaststaat, zij zou kunnen oordelen dat een nieuwe aanvraag tot maatschappelijke dienstverlening werd ingediend op 10 augustus 2007 en zij bijgevolg uitspraak zou kunnen doen over het recht van de verzoeker op die dienstverlening sinds die datum. Na te hebben verwezen naar de arresten nrs. 103/98, 25/2003 en 35/2008 van het Hof en na te hebben gepreciseerd dat het aan het Hof staat om te zeggen of « de aangeklaagde leemte haar oorsprong vindt in artikel 71 van de wet van 8 juli 1976 of in het ‘ rechtsstelsel in zijn geheel ’ », beslist de Rechtbank om aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.1.
  2. Het OCMW van Sint-Gillis is van mening dat artikel 71 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, zoals het wordt geïnterpreteerd door het Hof, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet kennelijk niet schendt. Na te hebben verwezen naar B.4 van het arrest nr. 103/98 en naar B.7.2 van het arrest nr. 166/2005, merkt het OCMW van Sint-Gillis op dat er thans tussen de regeling van de maatschappelijke dienstverlening en die van andere takken van de sociale zekerheid nog steeds fundamentele verschillen bestaan. Het merkt in dat verband op dat het onderzoek dat volgt op de indiening van een aanvraag tot maatschappelijke dienstverlening moet plaatsvinden binnen de maand, dat er geen tarief bestaat voor financiële dienstverlening, dat het bedrag daarvan wordt vastgesteld op grond van een sociaal onderzoek door een maatschappelijk werker wiens benoemingsvoorwaarden waarborgen dat hij een voor die opdracht geschikte opleiding heeft genoten en een bijzondere kwalificatie heeft, en dat de toekenning van maatschappelijke dienstverlening een beslissing is die wordt genomen door verkozen politieke vertegenwoordigers die hun legitimiteit putten uit de stemmen die de kiezers van de gemeente hebben uitgebracht. A.1.
  3. Het OCMW van Sint-Gillis onderstreept vervolgens dat de wetgever de aanvrager van maatschappelijke dienstverlening thans niet toestaat dat hij zich, zonder voorafgaandelijk een aanvraag te hebben ingediend bij het OCMW, tot de arbeidsrechtbank wendt teneinde een beslissing te verkrijgen over de omvang van zijn rechten. Het is van mening dat de gelijkstelling van een beroep gericht aan de arbeidsrechtbank met een nieuwe aanvraag tot maatschappelijke dienstverlening het OCMW buitenspel zou zetten. Het voegt daaraan toe dat een dergelijke gelijkstelling die instelling zou verplichten een sociaal onderzoek op te starten vanaf het ogenblik waarop een niet-tijdig beroep wordt ingesteld bij de arbeidsrechtbank, zonder te wachten tot dat rechtscollege zich heeft uitgesproken over de ontvankelijkheid van dat beroep. Dat zou zeer zware administratieve verplichtingen teweeg brengen die de goede werking van de diensten van het OCMW kunnen verstoren. Het OCMW van Sint-Gillis twijfelt bovendien aan de kwaliteit van het maatschappelijk werk dat zou worden uitgevoerd door de arbeidsrechters, die geen specifieke opleiding hebben genoten en niet over gespecialiseerd personeel beschikken dat bekwaam is om een sociaal onderzoek te doen en oplossingen voor te stellen die zijn aangepast aan de individuele situatie van een aanvrager van maatschappelijke dienstverlening. 4 Het voegt daaraan toe dat een niet-tijdig beroep bij de arbeidsrechtbank beschouwen als een nieuwe aanvraag tot maatschappelijke dienstverlening een nieuw discriminerend verschil in behandeling zal doen ontstaan tussen, enerzijds, de aanvrager van maatschappelijke dienstverlening wiens toestand van behoeftigheid wordt bestudeerd door de sociale diensten van het OCMW en, anderzijds, de aanvrager wiens sociale toestand uitsluitend wordt beoordeeld door de arbeidsrechtbank. A.2.
  4. De Ministerraad preciseert bij wijze van inleiding dat hij het aangevoerde verschil in behandeling onderzoekt in zoverre enkel de onontvankelijke beroepen die worden ingesteld door een aanvrager van een tegemoetkoming aan personen met een handicap of door een aanvrager van een inkomensgarantie voor ouderen, door de arbeidsrechtbank worden onderzocht als nieuwe aanvragen. A.2.
  5. De Ministerraad is in hoofdorde van mening dat de prejudiciële vraag zonder voorwerp is, omdat de situatie van de aanvrager van maatschappelijke dienstverlening niet vergelijkbaar is met die van de aanvragers van een tegemoetkoming aan personen met een handicap of van een inkomensgarantie voor ouderen. Hij geeft toe dat zowel de maatschappelijke dienstverlening als die tegemoetkoming en inkomensgarantie deel uitmaken van de « residuaire regeling » van de sociale zekerheid, onder meer omdat de toekenning van die prestaties niet de voorafgaande betaling van bijdragen veronderstelt. Hij merkt echter in de eerste plaats op dat, ofschoon volgens artikel 2, 1°, e), van de wet van 11 april 1995 « tot invoering van het ‘ handvest ’ van de sociaal verzekerde », de maatschappelijke dienstverlening, de tegemoetkomingen aan personen met een handicap en de inkomensgarantie voor ouderen, samen met het recht op maatschappelijke integratie en de gewaarborgde gezinsbijslag, het « stelsel van de sociale bijstand » vormen, een niet-tijdig beroep in verband met die laatste twee prestaties door de wetgever niet als een nieuwe aanvraag wordt beschouwd. Hij verwijst in dat verband naar artikel 12ter van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag en naar artikel 47 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie. Hij merkt op dat in de pensioenregeling - die harerzijds tot het op bijdragen gebaseerde systeem van de sociale zekerheid behoort -, artikel 21, § 2, van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers een regel uitdrukt die analoog is met die welke wordt bedoeld in de prejudiciële vraag. De Ministerraad leidt vervolgens de ontstentenis van vergelijkbaarheid van de in de prejudiciële vraag bedoelde categorieën van personen af uit het verschil tussen de aard van de maatschappelijk dienstverlening en die van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap en van de inkomensgarantie voor ouderen. Hij onderstreept in dit verband, met verwijzing naar de artikelen 57, § 1, tweede en derde lid, en 60, § 3, van de wet van 8 juli 1976, dat de maatschappelijke dienstverlening zeer gevarieerde vormen kan aannemen en dat de inhoud ervan minder vaststaat dan die van de twee andere voormelde prestaties, die uitsluitend bestaan in de toekenning van geldsommen waarvan het bedrag wordt vastgesteld op grond van objectieve en zeer strikte criteria die voorafgaandelijk zijn bepaald. De Ministerraad herinnert eraan dat de maatschappelijke dienstverlening inspeelt op een individuele situatie die wordt beschreven in een sociaal verslag, en verwijst naar de vergelijking van de maatschappelijke dienstverlening met het bestaansminimum die het Hof heeft gemaakt in B.8 van het arrest nr. 80/2002 van 8 mei
  6. De Ministerraad is bovendien van oordeel dat het subsidiaire karakter van de maatschappelijke dienstverlening tevens verbiedt dat de situatie van de aanvrager van maatschappelijke dienstverlening wordt vergeleken met die van de aanvrager van een tegemoetkoming aan personen met een handicap en met die van de aanvrager van een inkomensgarantie voor ouderen. Met verwijzing naar artikel 60, § 2, van de wet van 8 juli 1976, merkt hij op dat de maatschappelijke dienstverlening enkel wordt toegekend indien de aanvrager alle mogelijkheden om zich middelen van bestaan te verschaffen heeft uitgeput (familie, tegemoetkomingen aan personen met een handicap, inkomensgarantie voor ouderen of andere Belgische of buitenlandse sociale prestaties, enz.) en dat het OCMW de toekenning van financiële maatschappelijke dienstverlening afhankelijk kan maken van de verplichting voor de begunstigde ervan om binnen een bepaalde termijn zijn rechten op verschillende prestaties van sociale zekerheid te doen gelden. Met verwijzing naar het arrest nr. 66/97 van 6 november 1997, betoogt hij dat de subsidiariteit van de maatschappelijke dienstverlening verantwoordt dat de financiële maatschappelijke dienstverlening niet in beslag kan worden genomen door de onderhoudsgerechtigde, terwijl zulks wel het geval is voor de tegemoetkomingen aan personen met een handicap en de inkomensgarantie voor ouderen. 5 De Ministerraad onderstreept voorts dat, in tegenstelling tot de toekenning van dergelijke tegemoetkomingen of een dergelijke inkomensgarantie, de toekenning van de financiële maatschappelijke dienstverlening, op grond van artikel 60, § 3, van de wet van 8 juli 1976, afhankelijk kan worden gemaakt van de verantwoording, door de aanvrager van de dienstverlening, van zijn beschikbaarheid op de arbeidsmarkt. De Ministerraad merkt ten slotte op dat de regel vervat in artikel 8, § 3, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap niet identiek is met die welke is vervat in artikel 12, § 2, van het koninklijk besluit van 23 mei 2001 tot instelling van een algemeen reglement betreffende de inkomensgarantie voor ouderen, vermits volgens die laatstgenoemde bepaling enkel het beroep dat onontvankelijk is omdat het te laat werd ingediend, kan worden gelijkgesteld met een nieuwe aanvraag. Hij leidt daaruit af dat de regel die van toepassing is op de aanvrager van tegemoetkomingen aan personen met een handicap - die van toepassing is op alle gevallen van onontvankelijkheid van het beroep - gunstiger is dan de regel betreffende de aanvraag van een inkomensgarantie voor ouderen. A.2.
  7. De Ministerraad oordeelt in ondergeschikte orde dat, wanneer de aan het Hof voorgestelde categorieën van personen vergelijkbaar worden geacht, het aangeklaagde verschil in behandeling niet discriminerend is, zodat artikel 71 van de wet van 8 juli 1976 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt. Hij leidt in de eerste plaats uit de artikelen 3 tot 10 van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap en uit de artikelen 2 tot 9 en 15, § 1, van het koninklijk besluit van 23 mei 2001 - bepalingen die de wijze van indiening en onderzoek van de aanvragen tot tegemoetkomingen aan personen met een handicap en tot inkomensgarantie voor ouderen regelen - af dat die aanvragen onderworpen zijn aan bepaalde vormvoorschriften en dat de indieners ervan met de administratie moeten samenwerken. Hij betoogt dat de indiening van een aanvraag tot maatschappelijke dienstverlening daarentegen vrij is van vormvoorschriften en dat de aanvrager in een persoonlijk contact staat met een maatschappelijk werker, de gebruikelijke gesprekspartner die perfect op de hoogte is van zijn situatie. Hij verwijst in dat verband naar de artikelen 58, §§ 1 en 2, en 60, § 1, tweede en derde lid, van de wet van 8 juli 1976 alsmede naar rechtspraak die de regels in verband met de aanvraag tot maatschappelijke dienstverlening en de verplichting van de aanvrager van maatschappelijke dienstverlening om informatie te verstrekken aan het OCMW soepel interpreteert. De Ministerraad voert aan dat de ontstentenis van bijzondere vormvereisten voor de indiening van een nieuwe aanvraag tot maatschappelijke dienstverlening bij een maatschappelijk werker het bekritiseerde verschil in behandeling verantwoordt. Hij is van mening dat het daarentegen wettig is de aanvrager van een tegemoetkoming voor personen met een handicap of de aanvrager van een inkomensgarantie voor ouderen vrij te stellen van de indiening van een nieuwe aanvraag, wanneer zijn jurisdictioneel beroep onontvankelijk wordt verklaard, rekening houdend met de vormvereisten die de indiening en het onderzoek van een aanvraag die strekt tot het verkrijgen van dergelijke prestaties kenmerken. In dat verband verwijst hij naar B.4 en B.5 van het arrest nr. 66/
  8. De Ministerraad zet vervolgens uiteen dat, indien het niet-tijdige beroep bij de arbeidsrechtbank wordt gelijkgesteld met een nieuwe aanvraag tot maatschappelijke dienstverlening, de procedure van toekenning van die dienstverlening - waarvan de huidige soepelheid ten goede komt aan een bijzonder kwetsbare bevolkingsgroep - aanzienlijk zou worden bemoeilijkt en verzwaard, ten koste van het recht van de aanvrager op een snel onderzoek van zijn aanvraag. Hij merkt op dat, in tegenstelling tot de tegemoetkomingen aan personen met een handicap en de inkomensgarantie voor ouderen, de maatschappelijke dienstverlening niet wordt toegekend door een gecentraliseerde federale administratie. Hij leidt daaruit af dat de gelijkstelling van een niet-tijdig jurisdictioneel beroep met een nieuwe aanvraag praktische problemen zou opleveren. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn tegen wiens beslissing het beroep werd ingesteld zou opnieuw worden aangezocht, terwijl de aanvrager van maatschappelijke dienstverlening ondertussen reeds een nieuwe aanvraag zou kunnen hebben ingediend, naar een andere gemeente verhuisd zou kunnen zijn of zijn sociale situatie geëvolueerd zou kunnen zijn. Het centrum zou de bevoegde maatschappelijk werker moeten inlichten, die de aanvrager bij zich zou moeten laten komen om zijn dossier bij te werken en verslag uit te brengen aan de raad voor maatschappelijk welzijn, na een eventueel onderzoek. De Ministerraad leidt ten slotte uit artikel 23, eerste lid, van de wet van 11 april 1995 en uit B.7.4 van het arrest nr. 35/2008 af dat, de aanneming in één van de in het handvest van de sociaal verzekerde beoogde socialezekerheidsstelsels, van een regel die gunstiger is voor de sociaal verzekerde en die wordt verantwoord door een reden die eigen is aan dat stelsel, niet tot gevolg heeft dat die gunstigere regel ook in de andere socialezekerheidsstelsels moet worden ingevoerd. 6 -B- B.1.
  9. Artikel 71 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn - zoals het werd gewijzigd bij artikel 9, 1° en 3°, van de wet van 12 januari 1993 houdende een urgentieprogramma voor een meer solidaire samenleving, bij artikel 3 van de wet van 7 januari 2002 tot wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn met het oog op een wijziging van de Franse benaming van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, bij artikel 487 van de programmawet van 22 december 2003 en bij artikel 191 van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen - bepaalde : « Eenieder kan bij de arbeidsrechtbank in beroep gaan tegen een beslissing inzake individuele dienstverlening te zijnen opzichte genomen door de raad van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of door één van de organen aan wie de raad bevoegdheden heeft overgedragen. Hetzelfde geldt wanneer één der organen van het centrum één maand, te rekenen van de ontvangst van het verzoek, heeft laten verstrijken zonder een beslissing te nemen. Deze termijn van één maand loopt, in het geval bedoeld in artikel 58, § 3, eerste lid, vanaf de dag van de overzending. Het beroep moet, op straffe van verval, worden ingesteld binnen de drie maanden na hetzij de kennisgeving van de beslissing, hetzij de datum van het ontvangstbewijs, hetzij de datum van het verstrijken van de in het vorige lid vermelde termijn. Het beroep werkt niet schorsend. Wanneer het beroep aanhangig is gemaakt door een dakloze persoon, wijst de arbeidsrechtbank, zo nodig, het bevoegde openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn aan, na dit centrum in de zaak te hebben geroepen en onder voorbehoud van de uiteindelijke tenlasteneming van de verstrekte dienstverlening door een ander centrum of door de Staat overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn ». B.1.
  10. Artikel 8 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, zoals het werd vervangen bij artikel 122 van de programmawet (I) van 24 december 2002, bepaalt : « §
  11. De tegemoetkomingen bedoeld in artikel 1 worden toegekend op aanvraag. 7 De Koning bepaalt hoe, door wie, vanaf wanneer en op welke wijze de aanvraag wordt ingediend, alsook de ingangsdatum van de beslissing. Elke aanvraag tot een inkomensvervangende tegemoetkoming geldt als aanvraag tot een integratietegemoetkoming en omgekeerd. De aanvraag tot een integratietegemoetkoming of tot een inkomensvervangende tegemoetkoming ingediend door een persoon die op het ogenblik van de indiening van de aanvraag de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, wordt beschouwd als een aanvraag tot een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden. De Koning kan bepalen in welke gevallen de aanvraag ingediend met het oog op het verkrijgen van een sociale uitkering die onder een stelsel van sociale zekerheid of sociale bijstand valt, geldt als aanvraag tot het verkrijgen van een tegemoetkoming bedoeld in artikel
  12. §
  13. De Koning bepaalt in welke gevallen een nieuwe aanvraag kan worden ingediend. De Koning bepaalt hoe, door wie en op welke wijze de nieuwe aanvraag wordt ingediend, alsook de ingangsdatum van de beslissing. §
  14. Het beroep bij de bevoegde rechtbank tegen een beslissing tot toekenning, herziening of weigering van een tegemoetkoming bedoeld in artikel 1 geldt als nieuwe aanvraag in de zin van § 2 zo het onontvankelijk wordt verklaard. §
  15. De Koning bepaalt in welke gevallen een nieuwe beslissing kan worden genomen. Hij bepaalt eveneens de ingangsdatum van de nieuwe beslissing. §
  16. De Koning bepaalt in welke gevallen een beslissing kan worden ingetrokken ». Zoals het werd gewijzigd bij artikel 164 van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, bij artikel 265 van de wet van 22 februari 1998 houdende sociale bepalingen en bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 5 juli 1998 « houdende uitvoering van sommige bepalingen van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het ‘ handvest ’ van de sociaal verzekerde wat de tegemoetkomingen aan gehandicapten betreft », bepaalt artikel 19 van de wet van 27 februari 1987 : « De geschillen over de rechten, ontstaan uit deze wet, behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten. Beroep tegen een beslissing van de Minister of diens gemachtigde moet ingesteld worden binnen drie maanden na de kennisgeving ervan. Tegen een beslissing inzake al of niet verzaken aan een terugvordering is geen beroep mogelijk. 8 De vordering ingeleid voor arbeidsgerechten werkt niet schorsend. In de zaken waarin een medisch expert wordt toegewezen, worden de voorschotten, de erelonen en de kosten van deze expert, die vervat zijn in de nota die wordt opgesteld overeenkomstig de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, aangeduid met toepassing van het door de Koning vastgestelde tarief ». B.1.
  17. Artikel 12 van het koninklijk besluit van 23 mei 2001 tot instelling van een algemeen reglement betreffende de inkomensgarantie voor ouderen, aangenomen ter uitvoering van artikel 5, § 1, vierde lid, van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen, bepaalt : « §
  18. De gerechtigde op een inkomensgarantie die op grond van een definitieve beslissing of van een rechterlijke beslissing die kracht van gewijsde heeft is toegekend, kan een nieuwe aanvraag indienen in de vormen bepaald in de afdelingen 2 en 3 van dit hoofdstuk. Een nieuwe aanvraag kan slechts gegrond worden verklaard op basis van nieuwe bewijselementen die vroeger niet aan de administratieve overheid of aan het bevoegde rechtscollege werden voorgelegd of op grond van een wijziging van een wettelijke of reglementaire bepaling. De personen aan wie het recht op inkomensgarantie werd geweigerd, beschikken, onder dezelfde voorwaarden, over die mogelijkheid. De nieuwe beslissing gaat in de eerste dag van de maand volgend op die waarin de nieuwe aanvraag werd ingediend. §
  19. Het verzoekschrift bij de arbeidsrechtbank of het hoger beroep bij het arbeidshof inzake een beslissing over een inkomensgarantie geldt als nieuwe aanvraag om inkomensgarantie indien het wegens laattijdigheid onontvankelijk wordt verklaard ». Artikel 2 van de wet van 22 maart 2001 betreffende de betwistingen over de inkomensgarantie voor de ouderen bepaalt : « De betwistingen over de definitieve beslissingen moeten, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen drie maanden na de kennisgeving ervan aan de bevoegde arbeidsrechtbank voorgelegd worden. De vordering ingeleid voor de arbeidsrechtbank werkt niet schorsend ». B.
  20. Het Hof wordt verzocht uitspraak te doen over de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet van het voormelde artikel 71 van de wet van 8 juli 1976, in zoverre het niet bepaalt dat, wanneer het erbij ingevoerde beroep onontvankelijk wordt 9 verklaard omdat het te laat werd ingesteld, dat beroep als een nieuwe aanvraag tot maatschappelijke dienstverlening geldt. Uit de feiten van de zaak en uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat die bepaling zodoende een verschil in behandeling zou invoeren tussen twee categorieën van personen die voor de arbeidsrechtbank te laat beroep hebben ingesteld tegen een beslissing waarbij werd geweigerd hun een sociale prestatie toe te kennen, zonder tegelijkertijd of na dat gerechtelijke beroep een nieuwe aanvraag tot toekenning van die prestatie te hebben ingediend : enerzijds, de personen die een beroep hebben ingesteld op grond van de in het geding zijnde bepaling en, anderzijds, de personen die een beroep hebben ingesteld tegen een weigering van tegemoetkomingen aan personen met een handicap of tegen een weigering van inkomensgarantie voor ouderen. Enkel het door die tweede categorie van personen ingestelde gerechtelijke beroep geldt als een nieuwe aanvraag tot tegemoetkoming, wanneer dat beroep onontvankelijk wordt verklaard. B.
  21. Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de verwijzende rechter artikel 8, § 3, van de wet van 27 februari 1987 en artikel 12, § 2, van het koninklijk besluit van 23 mei 2001 zo interpreteert dat de datum van de « nieuwe aanvraag » de datum is van indiening van het beroep dat door de arbeidsrechtbank als zijnde te laat ingediend wordt verklaard, en niet de datum van de uitspraak van het vonnis van die rechtbank waarbij dat beroep onontvankelijk wordt verklaard. De prejudiciële vraag zal worden onderzocht rekening houdend met die interpretatie. B.4.
  22. Artikel 19 van de wet van 11 april 1995 « tot invoering van het ‘ handvest ’ van de sociaal verzekerde », gewijzigd bij artikel 22 van de wet van 25 juni 1997 « tot wijziging van de wet van 11 april 1995 tot invoering van een handvest van de sociaal verzekerde », bepaalt : « Na een administratieve beslissing of een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing over een verzoek tot toekenning van een sociale prestatie, kan in de voor het oorspronkelijke verzoek bepaalde vormen een nieuw verzoek worden ingediend. Een nieuw verzoek kan slechts gegrond worden verklaard op voorlegging van nieuw bewijsmateriaal dat 10 niet eerder aan de administratieve overheid of aan het bevoegde rechtscollege is voorgelegd, of ten gevolge van een wijziging in een wettelijke of reglementaire bepaling. Onverminderd specifieke wettelijke of reglementaire bepalingen, gaat de nieuwe beslissing in op de eerste dag van de maand, volgend op die tijdens welke het nieuwe verzoek is ingediend. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit en na advies van de Nationale Arbeidsraad, bepalen dat dit artikel niet van toepassing is op de regelingen van sociale zekerheid die een specifieke herzieningsprocedure kennen ». B.4.
  23. De regel volgens welke een beslissing van toekenning van een sociale prestatie genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, gevolg heeft vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die van de indiening van die nieuwe aanvraag wordt, wat de inkomensgarantie voor ouderen betreft, bevestigd door artikel 12, § 1, vierde lid, van het koninklijk besluit van 23 mei 2001 weergegeven in B.1.3 en, wat de tegemoetkomingen aan personen met een handicap betreft, door artikel 17 van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 « betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap » dat, sinds de wijziging ervan bij artikel 5 van het koninklijk besluit van 13 september 2004 « tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap », bepaalt : « §
  24. Een nieuwe aanvraag mag worden ingediend wanneer zich volgens de aanvrager wijzigingen voordoen die de toekenning of verhoging van de tegemoetkomingen rechtvaardigen. De nieuwe aanvragen kunnen strekken tot herziening ofwel van de beoordeling van het verdienvermogen of van de graad van zelfredzaamheid van de persoon met een handicap, wegens een wijziging van zijn lichamelijke of psychische toestand, ofwel van het voldoen aan de andere toekenningsvoorwaarden. Vanaf de 65ste verjaardag kan een nieuwe aanvraag voor de inkomensvervangende tegemoetkoming of de integratietegemoetkoming slechts worden ingediend wanneer deze tegemoetkoming betaalbaar was op de 65ste verjaardag van de persoon met een handicap en voor zover ze na die datum betaalbaar bleef. […] §
  25. De beslissing die ten gevolge van de nieuwe aanvraag genomen wordt, heeft uitwerking op de eerste van de maand die volgt op die tijdens welke de nieuwe aanvraag werd ingediend. 11 Zo de nieuwe aanvraag evenwel wordt ingediend binnen drie maanden volgend op de datum waarop zich een feit heeft voorgedaan dat de toekenning of de verhoging van de uitkering rechtvaardigt of de datum waarop de aanvrager hiervan kennis gekregen heeft, kan de nieuwe beslissing uitwerking hebben op de eerste van de maand die op eerstgenoemde datum volgt en ten vroegste op dezelfde datum als de te wijzigen beslissing ». B.4.
  26. In die context stellen artikel 8, § 3, van de wet van 27 februari 1987 en artikel 12, § 2, van het koninklijk besluit van 23 mei 2001, door de niet-tijdige indiening van een beroep bij de arbeidsrechtbank gelijk te stellen met een nieuwe aanvraag tot toekenning van een sociale prestatie, de aanvrager van een tegemoetkoming aan personen met een handicap of de aanvrager van een inkomensgarantie voor ouderen in staat te hopen dat de bevoegde socialezekerheidsinstelling een nieuwe beslissing zal nemen waarbij hun de gevraagde sociale prestatie wordt toegekend vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die van de indiening van het gerechtelijke beroep dat nadien onontvankelijk wordt verklaard. B.
  27. De regel vervat in artikel 8, § 3, van de wet van 27 februari 1987 wordt beschouwd als een van de « essentiële bepalingen die de basis moeten vormen voor » de procedurele bepalingen van de uitvoeringsbesluiten (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-2124/001 en 2125/001, p. 88). Die regel wordt ook voorgesteld als een « belangrijke wijziging » (ibid., p. 95). B.
  28. Wanneer de arbeidsrechtbank heeft verklaard dat het beroep dat is ingesteld door de in B.2 bedoelde aanvrager van maatschappelijke dienstverlening, onontvankelijk is omdat het te laat is ingediend, heeft die niet automatisch het recht, zoals de aanvrager van een tegemoetkoming aan personen met een handicap of de aanvrager van een inkomensgarantie voor ouderen, die zich in dezelfde situatie bevinden, op een nieuwe beslissing van de bevoegde instelling. Indien die aanvrager van maatschappelijke dienstverlening een nieuwe beslissing van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wenst te verkrijgen waarbij hem de gevraagde maatschappelijke dienstverlening wordt toegekend, moet hij bij die instelling een nieuwe aanvraag indienen in de voor het eerste verzoek bepaalde vormen (artikel 19, eerste lid, eerste zin, van de wet van 11 april 1995). 12 Bovendien waarborgen noch de wet van 8 juli 1976, noch de uitvoeringsbesluiten ervan uitdrukkelijk aan die aanvrager van maatschappelijke dienstverlening dat de eventuele nieuwe positieve beslissing van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de gevraagde dienstverlening zal toekennen voor de periode tussen de eerste dag van de maand volgend op die waarop het beroep tegen de eerste beslissing te laat werd ingediend bij de arbeidsrechtbank en de dag van die nieuwe beslissing. B.
  29. Het voormelde verschil in behandeling is evenwel redelijk verantwoord. De vormvoorwaarden voor de indiening van een nieuwe aanvraag van maatschappelijke dienstverlening bij het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn zijn vrij eenvoudig. De aanvraag mag schriftelijk of mondeling worden ingediend. In het eerste geval moet ze enkel worden « ondertekend door de belanghebbende of de persoon die hij schriftelijk heeft aangewezen ». In het tweede geval « ondertekent de belanghebbende of de schriftelijk aangewezen persoon […] het register » van de aanvragen van maatschappelijke dienstverlening (artikel 58, § 1, van de wet van 8 juli 1976, ingevoegd bij artikel 486 van de programmawet van 22 december 2003). Bovendien blijkt uit artikel 1, eerste lid, van de wet van 8 juli 1976 - volgens hetwelk « de maatschappelijke dienstverlening […] tot doel [heeft] eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid » - dat het recht op maatschappelijke dienstverlening ontstaat zodra een persoon zich in een situatie bevindt die hem niet in staat stelt een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid, zodat niets het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn belet om, op grond van zijn nieuwe beslissing, die dienstverlening toe te kennen aan de persoon die daarop recht heeft, voor de periode die ingaat op de dag waarop het beroep, dat is gericht tegen de eerste beslissing, te laat wordt ingediend bij de arbeidsrechtbank. B.
  30. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 13 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 71 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 14 mei
  31. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.079 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.