← België

ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.080

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.080 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090514.2 Arrest- Rolnummer: 80/2009 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-05-18 Raadplegingen: 238 - laatst gezien 2026-07-01 07:34 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - De prejudiciële vragen in de zaak nr. 4498 behoeven geen antwoord. - Artikel 127bis van de programmawet van 30 december 1988, zoals ingevoegd bij de wet van 29 december 1990, schendt de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Bijdragen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende artikel 127bis van de programmawet van 30 december 1988, zoals ingevoegd bij artikel 165 van de wet van 29 december 1990, gesteld door het Arbeidshof te Antwerpen. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Financiering - Werkgeversbijdragen - Vermindering ingevolge een nettoaangroei van het personeelsbestand - Vereisten - Getuigschrift dat bevestigt dat de werknemer volledig uitkeringsgerechtigde werkloze was. # Rechten en vrijheden - Jurisdictionele waarborgen - Recht op toegang tot de rechter. Wettelijke bepalingen: Wet - 30-12-1988 - 127bis - 31 ELI link Pub nr 1989021219 Wet - 29-12-1990 - 165 - 30 ELI link Pub nr 1991021311 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 13 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummers 4498 en 4512 Arrest nr. 80/2009 van 14 mei 2009 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 127bis van de programmawet van 30 december 1988, zoals ingevoegd bij artikel 165 van de wet van 29 december 1990, gesteld door het Arbeidshof te Antwerpen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, J.-P. Snappe, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arresten van 27 juni 2008 en 11 september 2008 in zake respectievelijk de nv « Feestverlichting » tegen de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) en de nv « Jefrema » tegen de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ), waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 9 juli 2008 en 18 september 2008, heeft het Arbeidshof te Antwerpen de volgende prejudiciële vragen gesteld :

  1. « Schendt artikel 127bis van de Programmawet van 30 december 1988, zoals ingevoegd bij de wet van 29 december 1990, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet voor zover in deze wettelijke bepaling vanwege de werkgever wordt vereist dat hij binnen een bepaalde termijn van het bevoegde gewestelijke bureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening een getuigschrift verkrijgt waaruit blijkt dat de door hem in dienst genomen werknemer voldoet aan de voorwaarden gesteld in de wet om aanspraak te kunnen maken op de daarin voorziene bijdrageverminderingen, vermits door het creëren van deze formele vereiste om van de bijdragevermindering te kunnen genieten een verschil in behandeling tot stand wordt gebracht tussen de werkgevers die voldoen aan alle inhoudelijke of materiële voorwaarden van de wet om aanspraak te maken op deze bijdragevermindering en die het bewuste getuigschrift (het zogenaamde formulier C63) binnen de termijn hebben aangevraagd en de werkgevers, die eveneens voldoen aan alle inhoudelijke of materiële voorwaarden van de wet om aanspraak te maken op deze bijdragevermindering (en dit ook kunnen bewijzen), maar die hetzelfde getuigschrift niet binnen de termijn hebben aangevraagd ? »;
  2. « Schendt artikel 127bis van de Programmawet van 30 december 1988, zoals ingevoegd bij de wet van 29 december 1990, artikel 13 van de Grondwet voor zover in deze wettelijke bepaling het recht op de daarin voorziene bijdrageverminderingen louter afhankelijk wordt gesteld van het bekomen van een getuigschrift van de Directeur van Werkloosheidbureau waarbij bevestigd wordt dat de in dienst genomen werknemer beantwoordt aan de wettelijke voorwaarden, zodat aldus een belangrijk en essentieel aspect omtrent de beoordeling inzake de verplichting tot betaling van sociale zekerheidsbijdragen door de werkgever onttrokken wordt aan de rechter die de wet, meer in het bijzonder artikel 580, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, aan de rechtzoekende toekent ? ». Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4498 en 4512 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - de nv « Feestverlichting », met zetel te 2200 Herentals, Scheppersstraat 58, in de zaak nr. 4498; - de nv « Jefrema », met zetel te 2440 Geel, Winkelom 77, in de zaak nr. 4512; - de Ministerraad, in de zaken nrs. 4498 en
  3. 3 Memories van antwoord zijn ingediend door : - de nv « Feestverlichting », in de zaak nr. 4498; - de nv « Jefrema », in de zaak nr.
  4. Op de openbare terechtzitting van 21 april 2009 : - zijn verschenen : . Mr. J. Dauwe loco Mr. L. Raeymaekers, advocaten bij de balie te Turnhout, voor de nv « Feestverlichting »; . Mr. R. Timmermans, advocaat bij de balie te Turnhout, voor de nv « Jefrema »; . Mr. D. De Meulemeester, advocaat bij de balie te Gent, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers T. Merckx-Van Goey en P. Martens verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen De nv « Feestverlichting » (zaak nr. 4498) en de nv « Jefrema » (zaak nr. 4512) namen in 1999 respectievelijk 2002 een langdurig werkloze in dienst, en kwamen zodoende in aanmerking voor een vermindering van de RSZ-bijdrage krachtens hoofdstuk VII van de programmawet van 30 december
  5. In dat kader vroeg de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (hierna : de RSZ) die nv’s in 2003 respectievelijk 2004 om, ingevolge de in het geding zijnde bepaling, het getuigschrift C63 betreffende die werknemers op te sturen. In de zaak nr. 4498 kon het werkloosheidsbureau te Turnhout bevestigen dat de betrokken werknemer aan alle wettelijke voorwaarden voldeed, maar kon het geen attest C63 meer uitreiken, aangezien de termijn van dertig dagen waarbinnen dat formulier diende te worden aangevraagd, was verstreken. In de zaak nr. 4512 stuurde het sociaal secretariaat dat attest op, maar werd het door de RSZ geweigerd omdat het was aangevraagd na afloop van de termijn van negen maanden waarbinnen het kon worden aangevraagd. In beide zaken vorderde de RSZ vervolgens de achterstallige socialezekerheidsbijdragen van de betrokken nv’s. Op 29 juni 2006 respectievelijk 28 juni 2007 wees de Arbeidsrechtbank te Turnhout die vorderingen toe. Het Arbeidshof te Antwerpen stelde, alvorens recht te doen, de bovenvermelde prejudiciële vragen. 4 III. In rechte -A- Wat de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen betreft A.1.
  6. In de zaak nr. 4498 voert de Ministerraad aan dat het antwoord van het Hof niet pertinent is voor de beslechting van het bodemgeschil, aangezien dat geschil betrekking heeft op het « plus-twee-plan », dat werd geregeld door andere bepalingen dan de in het geding zijnde bepaling, die het « plus-één-plan » betreft. A.1.
  7. De nv « Feestverlichting » antwoordt dat de in het geding zijnde bepaling wel degelijk van toepassing is op de bijdragevermindering voor de tweede en de derde werknemer. A.2.
  8. In de zaak nr. 4512 voert de Ministerraad aan dat het antwoord van het Hof niet nodig is voor de beslechting van het bodemgeschil, aangezien dat geschil betrekking heeft op artikel 127 van de programmawet van 30 december 1988, en niet op artikel 127bis van dezelfde programmawet. A.2.
  9. De nv « Jefrema » antwoordt dat de door haar toegepaste bijdragevermindering steunde op artikel 117, § 1, 1°, en op artikel 119, a), van de programmawet van 30 december
  10. Bijgevolg zou de verplichting om een formulier C63 aan te vragen, zoals daarin is voorzien door de in het geding zijnde bepaling, van toepassing zijn. Wat de bevoegdheid van het Hof betreft A.3.
  11. In beide zaken voert de Ministerraad aan dat het Hof onbevoegd is om de prejudiciële vraag te beantwoorden, aangezien het aangevoerde onderscheid niet in de in het geding zijnde bepaling ligt. De termijnen van dertig dagen respectievelijk negen maanden zouden immers uitsluitend zijn bepaald in de artikelen 1 respectievelijk 2 van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991 tot uitvoering van artikel 127bis van de programmawet van 30 december
  12. A.3.
  13. De nv « Feestverlichting » en de nv « Jefrema » antwoorden dat het wel degelijk het wettelijke kader zelf is dat de verplichting oplegt het getuigschrift C63 aan te vragen. De in het geding zijnde bepaling zou de Koning opdragen de termijnen te bepalen waarbinnen dat getuigschrift dient te worden aangevraagd. Wat de eerste prejudiciële vraag betreft A.
  14. De nv « Feestverlichting » en de nv « Jefrema » zien de in het geding zijnde bepaling als een bijkomende formaliteit om aanspraak te kunnen maken op de in hoofdstuk VII van de programmawet van 30 december 1988 voorgeschreven bijdrageverminderingen. Die formele vereiste zou een verschil in behandeling tot stand brengen tussen, enerzijds, de werkgevers die voldoen aan alle materiële voorwaarden om aanspraak te maken op de bijdragevermindering en die het bewuste getuigschrift C63 binnen de termijn hebben aangevraagd, en, anderzijds, de werkgevers die aan dezelfde materiële voorwaarden voldoen maar het getuigschrift C63 niet binnen de termijn hebben aangevraagd. Die vereiste zou immers geen enkele meerwaarde bieden, hetgeen overigens zou blijken uit de afschaffing ervan in de nieuwe regeling waarin de programmawet (I) van 24 december 2002 voorziet. A.
  15. Volgens de nv « Feestverlichting » en de nv « Jefrema » is het niet redelijk te verantwoorden dat werkgevers die op een andere manier kunnen bewijzen dat de aangeworven werknemer recht geeft op de bedoelde bijdragevermindering, die bijdragevermindering mislopen omdat ze het wettelijk vereiste getuigschrift niet binnen de termijn hebben aangevraagd. A.6.
  16. De Ministerraad voert aan dat een werkgever die een wettelijke verplichting overtreedt, niet kan worden vergeleken met een werkgever die die verplichtingen nakomt. 5 A.6.
  17. Daarnaast zou de in het geding zijnde bepaling een wettig doel nastreven, namelijk het vlot afhandelen van de administratie betreffende een recht dat aan zestien categorieën en tal van subcategorieën toekomt. Die snelle afhandeling zou noodzakelijk zijn, aangezien de bijdragevermindering reeds vanaf de aanvang van de tewerkstelling wordt toegepast. A.6.
  18. De combinatie van een materiële voorwaarde, namelijk het verkrijgen van een getuigschrift, en een vervaltermijn van dertig dagen zou een pertinent middel zijn om dat doel te bereiken. Bovendien zou het vaak enkel de gewestelijk directeur van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening zijn die over de noodzakelijke gegevens beschikt om na te gaan of de betrokken werknemer aan de voorwaarden voldoet. A.6.
  19. Bovendien zouden de gevolgen van de in het geding zijnde bepaling evenredig zijn met het nagestreefde doel, aangezien een controle a posteriori de rechtszekerheid in het gedrang zou brengen. Wat de tweede prejudiciële vraag betreft A.
  20. Volgens de nv « Feestverlichting » en de nv « Jefrema » schendt de in het geding zijnde bepaling artikel 13 van de Grondwet, doordat ze de werkgever die het getuigschrift C63 niet tijdig aanvraagt, aftrekt van de rechter die artikel 580, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek hem toekent. Zij zetten uiteen dat de arbeidsrechtbanken krachtens die bepaling kennis nemen van alle geschillen betreffende de verplichtingen van de werkgevers in het kader van de sociale zekerheid. Indien de RSZ jaren na de indiensttreding van de bedoelde werknemer de toegepaste vermindering terugvordert, zou de arbeidsrechtbank volgens hen niet meer kunnen beoordelen of aan de materiële voorwaarden van hoofdstuk VII van de programmawet van 30 december 1988 is voldaan, indien de werkgever de louter formele vereiste waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet, niet tijdig heeft nageleefd. A.8.
  21. De Ministerraad werpt op dat het recht op de bijdragevermindering bedoeld in hoofdstuk VII van de programmawet niet louter afhankelijk is van het verkrijgen van het getuigschrift bedoeld in de in het geding zijnde bepaling, aangezien dit slechts één van de voorwaarden is die dienen te zijn vervuld. A.8.
  22. Bovendien zou de gewestelijk directeur van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening slechts de bevestiging van een rechtstoestand attesteren, zonder dat hij ter zake over een discretionaire bevoegdheid beschikt. Indien de gewestelijk directeur van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening zich zou vergissen, zou de sociaal verzekerde hiertegen overigens kunnen opkomen bij de arbeidsrechtbank, die bevoegd is krachtens artikel 580 van het Gerechtelijk Wetboek. -B– B.1.
  23. De artikelen 114 tot 131 van de programmawet van 30 december 1988 (hierna : de programmawet) bepaalden de voorwaarden waaronder private werkgevers recht hadden op een tijdelijke vermindering van de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid. Het gaat krachtens artikel 115, § 2, van de programmawet om de bijdragen bedoeld in artikel 38, § 3, 1° tot 7° en 9°, en artikel 38, § 3bis, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers. 6 Die vermindering geldt voor de werkgeversbijdrage voor de « nieuw in dienst genomen werknemer ». De artikelen 118 tot 121 van de programmawet preciseren dat hieronder voornamelijk bepaalde categorieën van langdurig werklozen dienen te worden begrepen. De werkgever geniet in dat geval die vermindering indien hij voldoet aan één van de in artikel 117, § 1, van de programmawet bedoelde voorwaarden en indien, krachtens artikel 115, § 1, van de programmawet, de nieuw in dienst genomen werknemer vanaf 1 januari 1989 met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangenomen en indien die werknemer een nettoaangroei van het personeelsbestand uitmaakt. B.1.
  24. De verwijzende rechter stelt het Hof een vraag over artikel 127bis van de programmawet, dat bepaalde : « Om de voordelen van dit hoofdstuk te genieten, moet de werkgever voor de werknemers bedoeld in de artikelen 118, § 1, 1°, 2°, 3° en 6° en 119, a), c), e) en f), bij het bevoegd gewestelijk bureau van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, een getuigschrift verkrijgen waaruit blijkt dat deze werknemer voldoet aan de voorwaarden vereist voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk. De Koning bepaalt de voorwaarden, de nadere regelen en de termijnen binnen welke de werkgevers dit getuigschrift moeten aanvragen ». B.1.
  25. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991 tot uitvoering van artikel 127bis van de programmawet van 30 december 1988 bepaalt de termijn waarbinnen het in artikel 127bis van die programmawet bedoelde getuigschrift dient te worden aangevraagd op dertig dagen, te rekenen vanaf de dag die volgt op het begin van de tewerkstelling. In afwijking daarvan voorziet artikel 2 van hetzelfde koninklijk besluit in een termijn van negen maanden, die een aanvang neemt de eerste dag van de maand volgend op die van de indienstneming van de werknemer, wanneer de werkgever aantoont dat vóór die indienstneming een uitbetalingsinstelling van werkloosheidsuitkeringen een getuigschrift heeft afgegeven dat bevestigt dat die werknemer op dat ogenblik volledig uitkeringsgerechtigde werkloze was en dat hij dat getuigschrift overgezonden heeft aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid met toepassing van artikel 127 van voormelde programmawet. 7 Wat de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen betreft B.
  26. In beginsel komt het de verwijzende rechter toe de normen vast te stellen die toepasselijk zijn op het hem voorgelegde geschil. Wanneer aan het Hof evenwel bepalingen worden voorgelegd die kennelijk niet op het bodemgeschil kunnen worden toegepast, staat het niet aan het Hof de grondwettigheid van zulke bepalingen te onderzoeken. De zaak nr. 4498 B.3.
  27. De Ministerraad betwist de pertinentie van de prejudiciële vragen gesteld in de zaak nr. 4498 omdat de in het geding zijnde bepaling niet van toepassing zou zijn op het bodemgeschil. Het bodemgeschil zou immers betrekking hebben op het « plus-twee-plan », terwijl de in het geding zijnde bepaling enkel van toepassing is op het « plus-één-plan ». B.3.
  28. De in het geding zijnde bepaling maakte deel uit van hoofdstuk VII van de programmawet met betrekking tot het « plus-één-plan », dat slechts in verminderingen van de werkgeversbijdrage voorzag voor de eerste in dienst genomen langdurig werkloze. Het bodemgeschil in de zaak nr. 4498 betreft daarentegen de bijdragevermindering voor een tweede in dienst genomen langdurig werkloze in het kader van het « plus-twee-plan ». De in het kader van dat plan te vervullen formaliteiten werden bepaald door artikel 11 van het koninklijk besluit van 14 maart 1997 « houdende de specifieke tewerkstellingsbevorderende maatregelen voor de kleine en middelgrote ondernemingen met toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen » en door artikel 5 van het koninklijk besluit van 24 april 1997 « tot uitvoering van het koninklijk besluit van 14 maart 1997 houdende specifieke tewerkstellingsbevorderende maatregelen voor de kleine en middelgrote ondernemingen met toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen ». 8 B.3.
  29. Hieruit volgt dat de in het geding zijnde bepaling kennelijk niet van toepassing is op het bodemgeschil in de zaak nr.
  30. B.3.
  31. In zoverre ze zijn gesteld in de zaak nr. 4498, behoeven de prejudiciële vragen geen antwoord. De zaak nr. 4512 B.4.
  32. De Ministerraad betwist de pertinentie van de prejudiciële vragen gesteld in de zaak nr. 4512 omdat de in het geding zijnde bepaling niet van toepassing zou zijn op het bodemgeschil. Dat geschil zou immers geen betrekking hebben op artikel 127bis van de programmawet maar op artikel 127 van die programmawet. B.4.
  33. Uit het verwijzende arrest blijkt dat de nv « Jefrema » wordt verweten het getuigschrift bedoeld in de in het geding zijnde bepaling niet binnen de termijn bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991 tot uitvoering van artikel 127bis van de programmawet te hebben aangevraagd. Bijgevolg blijkt niet dat de in het geding zijnde bepaling kennelijk niet kan worden toegepast op het bodemgeschil. B.4.
  34. In zoverre zij betrekking heeft op de zaak nr. 4512, wordt de exceptie verworpen. Wat de bevoegdheid van het Hof betreft B.5.
  35. Volgens de Ministerraad zou de verwijzende rechter in wezen een vraag stellen over het koninklijk besluit van 5 augustus 1991 tot uitvoering van artikel 127bis van de programmawet van 30 december
  36. Het Hof zou bijgevolg niet bevoegd zijn zulk een vraag te beantwoorden, aangezien zij geen betrekking heeft op een wettelijke norm, zodat de prejudiciële vraag niet ontvankelijk zou zijn. 9 B.5.
  37. Om in aanmerking te komen voor de in hoofdstuk VII van de programmawet bedoelde bijdrageverminderingen, dienden de werkgevers onder meer te voldoen aan de vereisten gesteld in de in het geding zijnde bepaling. B.5.
  38. In tegenstelling tot wat de Ministerraad beweert, is de prejudiciële vraag ontvankelijk en valt zij onder de bevoegdheid van het Hof : hoewel het juist is dat het voormelde koninklijk besluit van 5 augustus 1991 de precieze termijnen heeft bepaald, zijn het de in het geding zijnde wetsbepalingen zelf die, door uitdrukkelijk te verwijzen naar die termijnen, het gewraakte verschil in behandeling invoeren. B.5.
  39. De exceptie wordt verworpen. Wat de eerste prejudiciële vraag betreft B.
  40. Met de eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de in het geding zijnde bepaling de werkgevers die niet tijdig het daarin beoogde getuigschrift hebben aangevraagd, discrimineert ten opzichte van de werkgevers die dat getuigschrift wel tijdig hebben aangevraagd. B.
  41. De in het geding zijnde bepaling heeft als gevolg dat werkgevers die voldoen aan alle voorwaarden opgesomd in de artikelen 115 tot 121 van de programmawet, maar niet binnen de door de Koning bepaalde termijn het getuigschrift bedoeld in de in het geding zijnde bepaling hebben aangevraagd, geen recht hebben op de in artikel 115, § 2, van de programmawet bedoelde vermindering. B.
  42. De in het geding zijnde bepaling beoogt een vlotte afhandeling van de dossiers, wat noodzakelijk is aangezien de bijdragevermindering krachtens artikel 117, § 1, van de programmawet vanaf de aanvang van de tewerkstelling wordt toegepast. B.
  43. De in het geding zijnde bepaling is pertinent om dat doel te bereiken, aangezien de gewestelijk directeur van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening de enige is die ten aanzien van de langdurig werklozen bedoeld in artikel 118, § 1, 1° tot 3°, en artikel 119, a), c), e), en 10 f), van de programmawet over de juiste en volledige gegevens beschikt om te attesteren dat zij aan die voorwaarden voldoen. B.
  44. Uit wat voorafgaat, blijkt dat het verschil in behandeling redelijk is verantwoord. B.
  45. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Wat de tweede prejudiciële vraag betreft B.
  46. Met de tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de in het geding zijnde bepaling een schending van artikel 13 van de Grondwet inhoudt, in zoverre werkgevers die niet voldoen aan de formaliteit bedoeld in de in het geding zijnde bepaling, het feit dat zij niettemin voldoen aan de overige voorwaarden opgesomd in de artikelen 114 tot 131 van de programmawet niet door de bevoegde rechter kunnen laten beoordelen. B.
  47. Artikel 13 van de Grondwet waarborgt aan alle personen die zich in dezelfde toestand bevinden het recht om volgens dezelfde regels te worden berecht. Aan dat recht wordt door de in het geding zijnde bepaling geen afbreuk gedaan. Zij verhindert de arbeidsrechtbanken, die op grond van artikel 580, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek kennis nemen van « geschillen betreffende de verplichtingen van de werkgevers en van de personen die met hen hoofdelijk aansprakelijk zijn gesteld voor de betaling van de bijdragen, opgelegd door de wetgeving inzake sociale zekerheid », immers niet om kennis te nemen van geschillen waarin een werkgever is betrokken die het vereiste getuigschrift niet tijdig heeft aangevraagd. De arbeidsrechtbanken kunnen bijgevolg voor elke werkgever die de bijdragevermindering voorgeschreven in hoofdstuk VII van de programmawet toepast, nagaan of die voldoet aan de in dat hoofdstuk bepaalde materiële en formele vereisten. B.
  48. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - De prejudiciële vragen in de zaak nr. 4498 behoeven geen antwoord. - Artikel 127bis van de programmawet van 30 december 1988, zoals ingevoegd bij de wet van 29 december 1990, schendt de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 14 mei
  49. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.080 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.