id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.081 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090514.3 Arrest- Rolnummer: 81/2009 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-18 Raadplegingen: 225 - laatst gezien 2026-06-30 03:07 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 31, § 2, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - LEEFMILIEU - Bodemverontreiniging Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 31, § 2, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering, gesteld door de Raad van State. Milieurecht - Vlaams Gewest - Bescherming van het leefmilieu - Bodemsanering -
- Historisch verontreinigde gronden -
- Vrijstelling - Voorwaarden - Bodemverontreiniging vóór de eigendomsverwerving. Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 22-02-1995 - 31,§2 - 42 ELI link Pub nr 1995035527 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4501 Arrest nr. 81/2009 van 14 mei 2009 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 31, § 2, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering, gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, L. Lavrysen, J.-P. Snappe en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 184.755 van 26 juni 2008 in zake de nv « Société de recherches immobilières » tegen het Vlaamse Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 11 juli 2008, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 31, § 2, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering, doordat de eigenaar van grond die na verwerving en voor de inwerkingtreding van voornoemd decreet is verontreinigd, zich niet kan beroepen op de uitzonderingsgrond van artikel 31, § 2, van het decreet, terwijl de eigenaar die de verontreinigde grond verworven heeft voor de inwerkingtreding van het decreet, wel vermag zich te beroepen op die uitzonderingsgrond, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de nv « Société de recherches immobilières », met zetel te 1150 Brussel, Bovenberg 124; - de Vlaamse Regering. Op de openbare terechtzitting van 21 april 2009 : - zijn verschenen : . Mr. P. Callebaut loco Mr. B. Martens, advocaten bij de balie te Brussel, voor de nv « Société de recherches immobilières »; . Mr. S. Callens loco Mr. B. Staelens, advocaten bij de balie te Brugge, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en R. Henneuse verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De verzoekende partij voor de verwijzende rechter - de nv « Société de recherches immobilières » - is een immobiliënvennootschap die eigenaar is van een aantal percelen grond die zij verhuurt aan verschillende andere vennootschappen die er hun exploitatie hebben gevestigd. Op één van die percelen exploiteert de nv « Biolux », later opgevolgd door de nv « Biochim », een inrichting voor de opslag, recuperatie en distillatie van solventen. Die activiteiten zijn stopgezet ingevolge een hevige brand die zich in 1993 heeft voorgedaan. 3 Bij besluit van 12 mei 2000 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw worden bepaalde gronden van de verzoekende partij aangewezen als historisch verontreinigde gronden waar bodemsanering moet plaatsvinden. Op 7 juni 2000 maant de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna : OVAM) de verzoekende partij aan om met betrekking tot bepaalde percelen een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren. Tegen die aanmaning stelt de verzoekende partij op 7 juli 2000 administratief beroep in bij het Vlaamse Gewest. In haar beroepschrift laat zij in essentie gelden dat zij niet als saneringsplichtige van de betrokken gronden kan worden beschouwd. Op dezelfde dag richt de verzoekende partij een afzonderlijk schrijven aan de OVAM waarin zij vraagt dat haar het statuut van onschuldig eigenaar zou worden verleend, zodat zij overeenkomstig artikel 31, § 2, van het Bodemsaneringsdecreet van elke bodemsaneringsverplichting wordt vrijgesteld. Op 7 september 2000 doet de OVAM uitspraak over dat verzoek en beslist dat de verzoekende partij « op geen enkele wijze aantoont dat de vastgestelde bodemverontreiniging aanwezig was op het ogenblik dat zij de betreffende gronden verwierf », dat « integendeel […] blijkt dat de vastgestelde bodemverontreiniging tot stand gekomen is nadat zij eigenaar geworden is van de betreffende gronden » en dat « de nv SRI zich dan ook niet kan beroepen op de exoneratiegrond van artikel 31, § 2, van het bodemsaneringsdecreet ». Bijgevolg wordt de verzoekende partij verplicht over te gaan tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek. Op 6 oktober 2000 tekent de verzoekende partij beroep aan bij het Vlaamse Gewest tegen die beslissing van de OVAM. Op 22 december 2000 verklaart het Vlaamse Gewest dat beroep ongegrond. Op 20 februari 2001 dient de nv « Société de recherches immobilières » een verzoekschrift in bij de Raad van State om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 22 december 2000 waarbij haar beroep ingesteld tegen de beslissing van de OVAM van 7 september 2000, houdende de verplichting tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek met betrekking tot bepaalde gronden, ongegrond wordt verklaard. In zoverre de Raad van State van oordeel zou zijn dat artikel 31, § 2, van het Bodemsaneringsdecreet geen toepassing kan vinden voor bodemverontreiniging die zou zijn ontstaan nadat de eigenaar de eigendom van een onroerend goed heeft verworven, vraagt de verzoekende partij dat daaromtrent een prejudiciële vraag zou worden gesteld. Vervolgens stelt de verwijzende rechter de voormelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- Standpunt van de verzoekende partij voor de verwijzende rechter A.
- De nv « Société de recherches immobilières » is van oordeel dat artikel 31, § 2, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering (hierna : het Bodemsaneringsdecreet) een verschil in behandeling invoert tussen eigenaars of gebruikers van gronden naargelang de historische verontreiniging heeft plaatsgevonden vóór of na de eigendomsverwerving of de ingebruikname van de grond. Enkel diegenen die kunnen aantonen dat de verontreiniging ontstond vóór het ogenblik waarop zij eigenaar of gebruiker van de grond werden, zijn niet aan de saneringsplicht onderworpen. Enkel wanneer de verontreiniging vóór de verwerving of ingebruikname heeft plaatsgevonden, kan de betrokkene aanspraak maken op de bescherming die door het statuut van onschuldig bezitter wordt geboden. A.
- Dat verschil in behandeling berust volgens die partij niet op een objectief criterium. Te dezen is het criterium van onderscheid het gegeven of de vastgestelde historische verontreiniging zich vóór of na de verwerving of de ingebruikname van de betrokken grond heeft voorgedaan. A.3.
- De verzoekende partij voor de verwijzende rechter is tevens van oordeel dat het voormelde criterium van onderscheid niet pertinent is om het doel te bereiken dat door de in het geding zijnde bepaling wordt nagestreefd. Dat doel bestaat erin een zekere bescherming te bieden aan personen wier gronden zijn verontreinigd zonder dat zij daar enige schuld aan hebben. Zonder de bescherming die door het statuut van 4 onschuldig bezitter wordt geboden, zouden de betrokkenen tot sanering worden verplicht, ook al hebben zij zelf geen schuld aan de verontreiniging en konden zij niet op de hoogte zijn van enige verontreiniging op het ogenblik van de eigendomsverwerving of de ingebruikname. In het licht van de voormelde doelstelling is het niet redelijk verantwoord eigenaars of gebruikers van het statuut van onschuldig bezitter uit te sluiten, om de enkele reden dat de verontreiniging zich heeft voorgedaan nadat zij eigenaar of gebruiker van de betreffende grond waren geworden. Met verwijzing naar de parlementaire voorbereiding betoogt de verzoekende partij voor de verwijzende rechter dat de decreetgever het statuut van onschuldig bezitter wilde verlenen aan de eigenaars of de gebruikers van verontreinigde gronden, ongeacht of de verontreiniging plaatsvond vóór of na de eigendomsverwerving of de ingebruikname. Wanneer vaststaat dat een betrokkene de verontreiniging van zijn grond niet zelf heeft veroorzaakt en evenmin op de hoogte kon zijn van de verontreiniging, dient hij niet langer voor de sanering in te staan. Het is volgens de decreetgever immers onaanvaardbaar een verplichting tot sanering op te leggen, wanneer de verontreiniging door anderen is veroorzaakt. Van andere dan de twee voormelde voorwaarden, waarin artikel 31, § 2, voorziet, zoals het tijdstip van de verontreiniging, is in dat artikel geenszins sprake. Bijgevolg is het bekritiseerde verschil in behandeling van personen naar gelang van het tijdstip waarop de verontreiniging zich heeft voorgedaan - vóór of na de verwerving of de ingebruikname van de grond - niet pertinent om het nagestreefde doel, namelijk het verlenen van bescherming tegen onbillijke situaties, te verwezenlijken. A.3.
- Dat in de interpretatie van de verwijzende rechter een voorwaarde wordt toegevoegd, zonder dat daarvoor enige grond in het Bodemsaneringsdecreet zelf te vinden is, blijkt uit het gegeven dat de decreetgever zelf, in artikel 23, § 2, van het nieuwe Bodemsaneringsdecreet van 20 oktober 2006, de vrijstellingen van de saneringsplicht voor historische bodemverontreiniging heeft aangepast. Vervolgens bepaalt artikel 50 van het VLAREBO de specifieke criteria op basis waarvan de OVAM zal beslissen of een eigenaar al dan niet aanspraak op het statuut van onschuldig bezitter kan maken en dit zowel voor nieuwe als voor historische verontreiniging. A.
- De in het geding zijnde maatregel is niet evenredig met het nagestreefde doel. Ook al hebben de betrokkenen de verontreiniging niet zelf veroorzaakt en konden zij niet op de hoogte zijn van de verontreiniging op het ogenblik van de verwerving of de ingebruikname van de grond, zijn zij aan saneringsplicht onderworpen met aanzienlijke kosten en zelfs het risico van een faillissement tot gevolg. Met verwijzing naar een aantal besluiten van 2001 en 2002 van de minister van Leefmilieu, stelt de verzoekende partij voor de verwijzende rechter vast dat iemand wiens grond bij de verwerving ervan niet was verontreinigd, op dat ogenblik onmogelijk op de hoogte kan zijn van een verontreiniging die pas later zal ontstaan. A.
- Als antwoord op het standpunt van de Vlaamse Regering merkt de verzoekende partij voor de verwijzende rechter op dat artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek, waarin de draagwijdte van het recht op eigendom wordt omschreven, te dezen niet dienstig kan worden aangevoerd. Dat artikel houdt op zich geen enkel rechtsgevolg in dat het bekritiseerde verschil in behandeling, neergelegd in het in het geding zijnde artikel 31, § 2, kan verantwoorden. Overigens verwijst de tekst van de in het geding zijnde bepaling op geen enkele wijze naar artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek of naar de rechtsgevolgen van het eigenaarschap op de saneringsplicht. Standpunt van de Vlaamse Regering A.
- Een van de belangrijkste uitgangspunten van het Bodemsaneringsdecreet van 22 februari 1995 is volgens de Vlaamse Regering het verschillende juridische stelsel waarin het voorziet voor, enerzijds, historische bodemverontreiniging - verontreiniging ontstaan vóór de inwerkingtreding van het decreet, namelijk vóór 29 oktober 1995 - en, anderzijds, nieuwe bodemverontreiniging, ontstaan na de inwerkingtreding van het decreet. Voor historische bodemverontreiniging geldt een aanzienlijk soepelere regeling met betrekking tot de verplichting tot sanering, de prefinanciering ervan en de aansprakelijkheid. Te dezen heeft de prejudiciële vraag enkel betrekking op historische bodemverontreiniging, inzonderheid op het al dan niet erkend zijn als onschuldig bezitter op grond van artikel 31, § 2, van het Bodemsaneringsdecreet. 5 A.
- Artikel 31 van het Bodemsaneringsdecreet strekt ertoe, met betrekking tot historische bodemverontreiniging, te bepalen op wie de saneringsplicht rust en wie de kosten van de sanering moet dragen. Artikel 32 bepaalt vervolgens wie als aansprakelijke voor de bodemverontreiniging moet worden aangewezen. Het decreet voorziet dus in een ontkoppeling tussen, enerzijds, de saneringsplichtige en, anderzijds, de aansprakelijke. Overigens bestaat er voor historische bodemverontreiniging - in tegenstelling tot nieuwe bodemverontreiniging - geen zelfstandige saneringsplicht : zolang de OVAM geen aanmaning heeft verzonden, is er geen saneringsplicht. Degene die op grond van artikel 31, § 1, wordt aangemaand om tot bodemsanering van een historisch verontreinigde grond over te gaan, beschikt over een aantal verweermiddelen. Hij kan bewijzen dat hij ressorteert onder de bevrijdingsgronden, vermeld in artikel 31, § 2 (de algemene uitzonderingsregeling) en artikel 31, § 3 (de bijzondere uitzonderingsregeling voor het particuliere, niet-beroepsmatige gebruik van gronden). De paragrafen 2 en 3 zijn de uitzonderingen op het in de eerste paragraaf neergelegde beginsel. Het uitgangspunt van die uitzonderingen is de bescherming van de « onschuldige » (onwetende) exploitant, eigenaar of gebruiker, zonder dat die uitzonderingen tot gevolg mogen hebben dat de overheid zich hierdoor in een juridisch zwakke positie plaatst waardoor de werkelijke vervuiler zich aan de uitvoering en de kosten van de bodemsanering zou kunnen onttrekken. Het in het geding zijnde artikel 31, § 2, voorziet in een gunstregeling voor de « onschuldige » bezitter. De in die bepaling vermelde bevrijdingsvoorwaarden moeten cumulatief voorhanden zijn : de exploitant, eigenaar of gebruiker moet bewijzen niet op de hoogte te zijn geweest van de verontreiniging en de verontreiniging niet zelf te hebben veroorzaakt. A.8.
- Volgens de Vlaamse Regering strekt de prejudiciële vraag ertoe artikel 31, § 2, te toetsen aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in zoverre eigenaars van historisch verontreinigde gronden verschillend worden behandeld naargelang de verontreiniging vóór of na de verwerving van de grond is ontstaan. A.8.
- Met verwijzing naar artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek merkt de Vlaamse Regering vooraf op dat rechtsgevolgen aan het eigendomsrecht kunnen worden verbonden. De decreetgever vermocht in een andere regelgeving te voorzien ten aanzien van feiten die zich vóór dan wel na het verwerven van eigendom hebben voorgedaan. A.8.
- De in het geding zijnde bepaling berust op een objectief en pertinent criterium van onderscheid, namelijk het al dan niet bestaan van verontreiniging op het ogenblik waarop de eigendom van de grond werd verworven. A.8.
- De in het geding zijnde maatregel is evenredig met het nagestreefde doel. Wanneer de verontreiniging na de eigendomsverwerving is ontstaan, kan onmogelijk worden beweerd dat de eigenaar niet op de hoogte was of behoorde te zijn van de verontreiniging. Van een zorgvuldig eigenaar mag worden verwacht dat hij op de hoogte is van de activiteiten die op zijn grond plaatsvinden. Het is redelijk verantwoord dat aan de omstandigheid van het al dan niet eigenaar te zijn op het ogenblik dat bepaalde feiten zich voordoen, juridische gevolgen worden verbonden. Bijgevolg kan bij de aanwijzing van de saneringsplichtige de omstandigheid al dan niet eigenaar te zijn, terecht in aanmerking worden genomen. A.
- In haar memorie van antwoord merkt de Vlaamse Regering nog op dat wanneer een derde de bodemverontreiniging heeft veroorzaakt op het ogenblik dat de eigenaar de eigendom reeds had verworven, de eigenaar over voldoende rechtsmiddelen beschikt om die derde in rechte aan te spreken. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij voor de verwijzende rechter beweert, kan het nieuwe Bodemsaneringsecreet te dezen niet dienstig worden aangevoerd. Immers, artikel 23, § 2, van dat decreet schrijft voor dat, om vrijstelling van de saneringsplicht voor historische bodemverontreiniging te kunnen genieten, die verontreiniging niet door de eigenaar zelf is veroorzaakt en tot stand is gekomen vóór het tijdstip waarop hij eigenaar van de grond werd. 6 -B- B.
- De prejudiciële vraag betreft artikel 31, § 2, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering (hierna : het Bodemsaneringsdecreet) dat bepaalt : « De in § 1 bedoelde persoon is niet verplicht tot bodemsanering over te gaan indien hij het bewijs levert dat hij aan de hieronder bepaalde voorwaarden cumulatief voldoet : 1° dat hij de verontreiniging niet zelf heeft veroorzaakt; 2° dat hij op het ogenblik waarop hij eigenaar of gebruiker werd van de grond niet op de hoogte was of behoorde te zijn van de verontreiniging ». Ten aanzien van de context van de in het geding zijnde bepaling B.2.
- Artikel 31, § 2, is opgenomen in afdeling 2 - « Verplichting tot uitvoering van de bodemsanering » - van hoofdstuk IV - « Historische bodemverontreiniging » - van het Bodemsaneringsdecreet. B.2.
- Met « historische » bodemverontreiniging wordt de bodemverontreiniging bedoeld die vóór de inwerkingtreding van het Bodemsaneringsdecreet op 29 oktober 1995 tot stand is gekomen (artikel 2, 5°). In tegenstelling tot « nieuwe » bodemverontreiniging, waarmee de bodemverontreiniging wordt bedoeld die na de inwerkingtreding van het Bodemsaneringsdecreet tot stand is gekomen (artikel 2, 4°), geldt voor « historische » bodemverontreiniging geen zelfstandige verplichting tot sanering : de Vlaamse Regering wijst op voorstel van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna : OVAM) de historisch verontreinigde gronden aan waar bodemsanering moet plaatsvinden (artikel 30, § 2). B.2.
- In de parlementaire voorbereiding wordt het onderscheid tussen nieuwe en historische bodemverontreiniging benadrukt : « De verplichting tot sanering, de prefinanciering ervan en de aansprakelijkheidsregel verschillen al naargelang het om nieuwe of historische verontreiniging gaat. 7 Voor nieuwe bodemverontreiniging bestaat een verplichting tot bodemsanering zodra de bodemsaneringsnormen overschreden zijn. […] Voor historische bodemverontreiniging bestaat geen automatische verplichting tot sanering. Men gaat enkel over tot sanering indien er een ernstige bedreiging bestaat. Gelet op de beperkte middelen zal de overheid hier prioriteiten bepalen voor een selectieve sanering. […] In geval van historische bodemverontreiniging die een ernstige bedreiging vormt, kan OVAM de eigenaar of gebruiker aanmanen om tot sanering over te gaan. De betrokkene is niet verplicht op eigen kosten te saneren indien hij aantoont dat hij zelf de verontreiniging niet heeft veroorzaakt en dat hij bij overname van de grond niet op de hoogte was noch hoorde te zijn van de verontreiniging […]. De rechtspositie van de eigenaar of gebruiker is dus gunstiger bij historische verontreiniging dan bij nieuwe » (Parl. St., Vlaamse Raad, 1993- 1994, 587/1, pp. 2-3). B.2.
- De saneringsplichtige die overeenkomstig artikel 10, § 1, wordt aangewezen, wordt door de OVAM aangemaand om de bodemsanering uit te voeren (artikel 31, § 1). Artikel 10, § 1, bepaalt dat de verplichting om tot bodemsanering over te gaan, op de volgende personen rust : « a) indien op de grond waar de verontreiniging tot stand kwam een inrichting gevestigd is of een activiteit uitgeoefend wordt die vergunnings- of meldingsplichtig is krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, op de exploitant zoals bedoeld in dat decreet; b) in de andere gevallen, op de eigenaar van de grond waar de verontreiniging tot stand kwam, zolang deze niet heeft aangetoond dat een andere persoon voor eigen rekening de feitelijke controle over deze grond heeft. Levert de eigenaar dit bewijs, dan rust de verplichting op deze andere persoon ». Daaruit blijkt dat de aanwijzing als saneringsplichtige niet mag worden gelijkgesteld met de aanwijzing van de aansprakelijke van de bodemverontreiniging. Op grond van artikel 10, § 1, is diegene saneringsplichtig die, op het ogenblik dat de bodemsanering moet worden doorgevoerd, de feitelijke controle over de grond heeft, hetzij als exploitant, hetzij als eigenaar, hetzij als persoon die voor eigen rekening de controle over die grond heeft. 8 Ten gronde B.
- De verwijzende rechter vraagt het Hof naar de bestaanbaarheid van artikel 31, § 2, van het Bodemsaneringsdecreet, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het een verschil in behandeling invoert, wat de mogelijkheid betreft om zich op de uitzonderingsgrond te beroepen, tussen eigenaars van historisch verontreinigde gronden naargelang de bodemverontreiniging vóór of na de eigendomsverwerving is ontstaan. B.
- Op grond van artikel 31, § 2, kan de door de OVAM aangewezen saneringsplichtige van elke verplichting tot sanering van historisch verontreinigde gronden worden vrijgesteld, wanneer hij het bewijs levert dat hij voldoet aan de twee cumulatieve voorwaarden waarin die bepaling voorziet. De tweede voorwaarde heeft uitsluitend betrekking op het geval waarbij de als saneringsplichtige aangewezen eigenaar een grond heeft verworven die op het ogenblik van de eigendomsverwerving reeds historisch was verontreinigd. De eigenaar wiens grond na de eigendomsverwerving door historische bodemverontreiniging wordt getroffen, kan zich bijgevolg niet op de uitzonderingsgrond waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet, beroepen om niet op de aanmaning tot het opstellen van een beschrijvend bodemonderzoek en, in voorkomend geval, tot uitvoering van de bodemsaneringswerken te moeten ingaan. B.5.
- De in het geding zijnde maatregel berust op een objectief criterium van onderscheid, namelijk het bestaan van bodemverontreiniging vóór of na de eigendomsverwerving van de betrokken grond. B.5.
- De parlementaire voorbereiding vermeldt : « Het ontwerp voorziet ook inzake historische verontreiniging een gunstregeling voor de ‘onschuldige’ exploitant. De uitzondering op de saneringsplicht is hier breder dan bij ‘ nieuwe ’ bodemverontreiniging het geval is. Volgens artikel 31, § 2 zal de persoon, aangewezen overeenkomstig artikel 10, niet verplicht zijn de historisch verontreinigde gronden te saneren, indien hij aan OVAM kan aantonen dat hij de verontreiniging niet heeft veroorzaakt en hij op het ogenblik waarop hij eigenaar of gebruiker werd van de grond niet op de hoogte was of behoorde te zijn van de verontreiniging. 9 Een aantal factoren zullen een rol spelen inzake de mogelijke kennis van de verontreiniging. Ook het ogenblik waarop men de eigendom, feitelijke controle of exploitatie verwierf zal belangrijk zijn. In de laatste jaren wordt de bedrijfswereld geacht op de hoogte te zijn van de mogelijkheid van verontreiniging. Onwetendheid kan bij recente verwerving alleen aanvaard worden indien de verwerver voor de verkrijging een passend onderzoek heeft verricht naar de vorige eigenaars en het vroeger gebruik van de grond. Andere aanwijzingen kunnen zijn de verhouding tussen de verkoopprijs en de waarde van de grond indien onvervuild, de waarschijnlijkheid en het opspoorbaar karakter van de vervuiling … » (Parl. St., Vlaamse Raad, 1993-1994, 587/1, p. 34) B.5.
- De decreetgever vermocht ervan uit te gaan dat de eigenaar moet worden geacht op de hoogte te zijn van bodemverontreiniging die na de eigendomsverwerving ontstaat. Zulks geldt des te meer wanneer, zoals te dezen, de gronden na de eigendomsverwerving worden gebruikt voor de exploitatie van een inrichting waar solventen worden opgeslagen, gerecupereerd en gedistilleerd en de eigenaar, gelet op zijn beroepsactiviteit - een immobiliënvennootschap -, niet onwetend kan zijn van de mogelijke risico’s die zulk een exploitatie met zich kan meebrengen. B.5.
- Bovendien bestaat er, zoals in B.2 in herinnering gebracht, voor historische bodemverontreiniging geen zelfstandige saneringsverplichting. De parlementaire voorbereiding van artikel 31, § 1, vermeldt : « De te saneren gronden worden geïdentificeerd door de Vlaamse regering. Men kan dan ook stellen dat er geen zelfstandige verplichting bestaat om tot sanering over te gaan. Pas nadat de saneringsplichtige door OVAM aangemaand wordt om tot sanering over te gaan zal de verplichting ontstaan » (Parl. St., Vlaamse Raad, 1993-1994, 587/1, p. 33). B.5.
- Ten slotte beschikt de saneringsplichtige eigenaar wiens grond na de eigendomsverwerving door een derde werd verontreinigd over een aantal middelen om die aansprakelijke derde in rechte aan te spreken. Op grond van artikel 32, § 1, kan de saneringsplichtige die niet zelf de verontreiniging heeft veroorzaakt, de gemaakte kosten verhalen overeenkomstig de aansprakelijkheidsregels die van toepassing waren vóór de datum van inwerkingtreding van het decreet, met andere woorden de foutaansprakelijkheid of de andere wettelijke objectieve aansprakelijkheidsregels. 10 Luidens artikel 35 is artikel 11 van het decreet van overeenkomstige toepassing bij bodemsanering uitgevoerd op gronden met historische bodemverontreiniging. De verwijzing dient aldus te worden begrepen dat de saneringsplichtige een voorschot kan vorderen van de persoon die aansprakelijk is voor de bodemverontreiniging of kan eisen dat hij een financiële zekerheid stelt. B.5.
- Uit wat voorafgaat, volgt dat de in het geding zijnde bepaling niet zonder redelijke verantwoording is. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 31, § 2, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 14 mei
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.081 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div