id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.082 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090514.4 Arrest- Rolnummer: 82/2009 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-05-18 Raadplegingen: 210 - laatst gezien 2026-06-30 03:07 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - POLITIE - Geïntegreerde politiediensten PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende de artikelen 119 en 121 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, en artikel 4 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Geïntegreerde politiedienst - Rechtspositie van het personeel - Geldelijk statuut - Copernicuspremie -
- Administratief en logistiek kader -
- Operationeel kader - Uitsluiting. Wettelijke bepalingen: Wet - 07-12-1998 - 119 - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Wet - 07-12-1998 - 121 - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Wet - 27-12-2000 - 4 - 32 ELI link Pub nr 2000001125 Tekst van de beslissing Rolnummer 4511 Arrest nr. 82/2009 van 14 mei 2009 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 119 en 121 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, en artikel 4 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters E. De Groot, A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 4 september 2008 in zake Jean-Marie Hottat en anderen tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 16 september 2008, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « In de mate de zgn. Copernicuspremie weliswaar niet identificeerbaar is met het vakantiegeld toegekend op, grond van art. 4 en 4bis van het K.B. van 30 januari 1979, maar ingesteld werd met de bedoeling het vakantiegeld toegekend aan personeelsleden van rijksbesturen aan te vullen, in de mate in art. 119 van de wet van 7 december 1998 bepaald wordt dat het statuut van alle politieambtenaren gelijk is, en bij het opstellen van hat koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (RPPol) volgens het verslag aan de Koning uiteengezet werd dat ernaar gestreefd werd ` om waar mogelijk in gemeenschappelijke regelingen te voorzien voor alle personeelsleden van de politiediensten, zij wezen dus lid van het operationeel kader dan wel van het administratief en logistiek kader ´ en in artikel XI.3.4 van RPPol van 30.03.2001 overigens ook voorzien werd dat al personeelsleden van de politiediensten ook van het vakantiegeld genieten volgens de bedragen en voorwaarden zoals toegekend aan de personeelsleden van de federale ministeries, schenden de artikelen 119 en 121 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, en artikel 4 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, inzoverre deze wetsbepalingen een onderscheiden statuut vaststellen voor het personeel van het operationeel kader enerzijds en het personeel van het administratief en logistiek kader anderzijds, waarvan de nadere regels door de Koning worden bepaald, en dit tot gevolg heeft dat de zogeheten Copernicuspremie bij koninklijk besluit van 16 januari 2003 enkel toegekend is aan personeelsleden van het administratief en logistiek kader van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus en niet aan de leden van het operationeel kader van deze geïntegreerde politie ? ». Memories zijn ingediend door : - Jean-Marie Hottat en
(9)anderen, Florence Abraham en (1 343) anderen, Frédéric Abrassart en
(541)anderen, die allen keuze van woonplaats doen te 9000 Gent, Koning Albertlaan 128; - de Ministerraad. Jean-Marie Hottat en anderen hebben ook een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 21 april 2009 : - zijn verschenen : . Mr. A. Paternostre loco Mr. B. Cambier, advocaten bij de balie te Brussel, en Mr. T. De Sutter loco Mr. V. Tollenaere, advocaten bij de balie te Gent, voor Jean- Marie Hottat en anderen; 3 . Mr. H.-K. Carême, tevens loco Mr. P. Luypaers, advocaten bij de balie te Leuven, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. De Groot en J. Spreutels verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Voor de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel voeren de eisende partijen, die allen behoren tot het operationeel kader van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus, onder meer aan dat zij recht hebben op de premie bedoeld in het koninklijk besluit van 10 juli 2002 tot toekenning van een Copernicuspremie aan sommige personeelsleden van de rijksbesturen, en verzoeken zij de Rechtbank de Belgische Staat te veroordelen tot het betalen van die premie voor de jaren 2002 tot en met
- De Rechtbank wijst op artikel 4bis van het koninklijk besluit van 30 januari 1979 betreffende de toekenning van een vakantiegeld aan het personeel van ’s lands algemeen bestuur, dat bepaalt dat elke overheid, volgens door haar te bepalen modaliteiten, ten vroegste in 2002 en ten laatste vanaf 2009, een vakantiegeld zal toekennen waarvan het bedrag ligt tussen 65 pct. en 92 pct. van een twaalfde van de jaarwedde, zoals omschreven in dat artikel. Volgens de Rechtbank beoogt dat artikel een « herwaardering » van het vakantiegeld dat wordt toegekend aan de in de overheidssector tewerkgestelde personen, zij het dat de desbetreffende overheden die herwaardering niet onmiddellijk dienden door te voeren. In afwachting daarvan werd aan bepaalde personeelsleden de zogeheten Copernicuspremie toegekend, onder meer bij het voormelde koninklijk besluit van 10 juli 2002, dat evenwel, volgens de Rechtbank, niet van toepassing is op het personeel van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus. De Rechtbank stelt vast dat de bedoelde premie niet kan worden beschouwd als vakantiegeld, zodat de eisende partijen zich niet kunnen beroepen op artikel XI.III.4 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten - volgens hetwelk de personeelsleden van de politiediensten het vakantiegeld genieten volgens de bedragen en voorwaarden vastgesteld voor de toekenning ervan aan de personeelsleden van de federale ministeries - om de uitbetaling van die premie te verkrijgen. Niettemin moet de premie, volgens de Rechtbank, worden beschouwd als een « aanvulling op het vakantiegeld », die wordt toegekend om het « enkel vakantiegeld » dat toekomt aan de personen die werkzaam zijn in de overheidssector op te trekken tot het niveau van het « dubbel vakantiegeld », zoals van toepassing in de privésector. De Rechtbank stelt eveneens vast dat de bedoelde premie wel werd toegekend aan bepaalde personeelsleden van het administratief en logistiek kader van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus, meer bepaald bij het koninklijk besluit van 16 januari 2003 tot toekenning van een Copernicuspremie aan bepaalde personeelsleden van het administratief en logistiek kader van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus. Vermits het, zoals blijkt uit het verslag aan de Koning bij het voormelde koninklijk besluit van 30 maart 2001, de bedoeling is geweest om voor alle personeelsleden van de politie, ongeacht of zij behoren tot het operationeel dan wel het administratief en logistiek kader, te voorzien, waar mogelijk, in gemeenschappelijke regelingen en vermits artikel 119 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus bepaalt dat het statuut van alle politieambtenaren gelijk is, acht de Rechtbank het aangewezen de voormelde prejudiciële vraag te stellen aan het Hof. 4 III. In rechte -A- A.
- Volgens de eisende en de tussenkomende partijen in de zaak voor de verwijzende rechter heeft de zogeheten Copernicuspremie tot doel het « enkel vakantiegeld » dat toekomt aan de personen die zijn tewerkgesteld in de overheidssector op te trekken tot het niveau van het « dubbel vakantiegeld », zoals van toepassing in de privésector. A.2.
- Zij wijzen erop dat de politiediensten, volgens artikel 116 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, bestaan uit twee kaders : een operationeel kader en een administratief en logistiek kader. Dit belet, volgens hen, echter niet dat de wetgever de bedoeling heeft gehad om voor alle personeelsleden van de geïntegreerde politie één enkel statuut te creëren, wat onder meer blijkt uit de in het geding zijnde bepalingen. In die artikelen wordt immers verwezen naar « het statuut » (enkelvoud), daarmee duidelijk de intentie van de wetgever weergevend om een geharmoniseerd statuut te creëren voor het geheel van het personeel van de politiediensten. Zij wijzen bovendien erop dat artikel 119 van de wet van 7 december 1998 uitdrukkelijk stelt dat het statuut voor alle politieambtenaren gelijk is. Ook uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 7 december 1998 zou de wil van de wetgever blijken om één enkel statuut te creëren. Het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten vermeldt overigens uitdrukkelijk dat het de bedoeling is geweest om, waar mogelijk, te voorzien in gemeenschappelijke regelingen voor alle personeelsleden van de politiediensten. Ten slotte wijzen zij erop dat de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten de erin gedefinieerde essentiële elementen van het statuut toepasselijk maakt op elk personeelslid, ongeacht het kader waartoe het behoort. A.2.
- Uit dit alles blijkt, volgens de eisende en de tussenkomende partijen voor de verwijzende rechter, dat de wetgever met de in de prejudiciële vraag vermelde wetten van 7 december 1998 en 27 december 2000 de basis heeft gelegd voor één enkel personeelsstatuut voor het geheel van het personeel van de politiediensten, welke ook hun functie is. A.3.
- De in het geding zijnde bepalingen verhinderen, volgens die partijen, echter niet dat de verschillende categorieën van personeelsleden aan verschillende regels zouden worden onderworpen, op voorwaarde dat die verschillende regels voortvloeien uit verschillen vervat in de vroegere statuten of uit de aard van de uitgeoefende functies. Afwijkingen van de gemeenschappelijke statutaire bepalingen moeten dus uitzonderlijk en evenredig zijn. De leden van het operationeel kader vervullen een andere taak dan de leden van het administratief en logistiek kader. Door de aard van die taak is het gerechtvaardigd dat de eersten bepaalde voordelen genieten, zoals een hogere loonschaal en een eigen regeling op het vlak van de anciënniteit, die de laatsten niet genieten. Bovendien is het gerechtvaardigd dat de leden van het operationeel kader premies en vergoedingen genieten die specifiek zijn gelinkt aan hun ambt of aan de uitoefening ervan. Voor het overige moeten alle personeelsleden van de politiediensten echter gelijk worden behandeld op het vlak van hun geldelijk statuut. A.3.
- Volgens de eisende en de tussenkomende partijen in de zaak voor de verwijzende rechter werd ten onrechte beslist om de Copernicuspremie enkel toe te kennen aan de leden van het administratief en logistiek kader en dus niet aan de leden van het operationeel kader van de politiediensten. Vermits die premie ook wordt toegekend aan de magistraten en aan de ambtenaren van de overheidsdiensten, vormen de personeelsleden van het operationeel kader van de politiediensten overigens de enige categorie aan wie die premie niet wordt toegekend. Zij zijn van oordeel dat dit verschil in behandeling niet op een objectief criterium berust en niet redelijk is verantwoord. Zij menen dat het niet toekennen van de Copernicuspremie noch kan worden verantwoord door het feit dat de personeelsleden van het operationeel kader van de politiediensten een hogere wedde ontvangen dan de personeelsleden van het administratief en logistiek kader, noch door het feit dat de leden van het operationeel 5 kader allerlei toelagen en vergoedingen voor bepaalde prestaties genieten. Die premie is immers bedoeld om het vakantiegeld van de in de overheidssector tewerkgestelde personen af te stemmen op dat van de werknemers in de privésector, en dus niet om de lonen van de leden van het administratief en logistiek personeel te herwaarderen. Er moet bovendien rekening mee worden gehouden dat de lonen van het personeel van het administratief en logistiek kader substantieel werden verhoogd bij koninklijk besluit van 23 maart 2007 « tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten ». De op het verschil in de loonschalen gebaseerde argumentatie kan nog minder worden aanvaard wanneer rekening wordt gehouden met de situatie van andere categorieën van ambtenaren in de overheidssector. De verschillende categorieën van ambtenaren genieten allen de Copernicuspremie, terwijl de loonschalen die op hen van toepassing zijn vaak in belangrijke mate gunstiger zijn dan die welke van toepassing zijn op het operationeel kader van de politiediensten. A.
- In hun memorie van antwoord besluiten de eisende en de tussenkomende partijen in de zaak voor de verwijzende rechter dat de in het geding zijnde bepalingen de Grondwet niet schenden, in zoverre zij worden geïnterpreteerd in die zin dat zij niet toelaten dat een discriminatoir verschil in behandeling wordt ingesteld tussen de leden van het operationeel kader en de leden van het administratief en logistiek kader van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus, wat betreft de toekenning van de Copernicuspremie. Elke andere interpretatie leidt tot een strijdigheid met de Grondwet. A.5.
- De Ministerraad is van oordeel dat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord. Hij meent dat het koninklijk besluit van 16 januari 2003 terecht een verschil in behandeling invoert tussen het personeel van de politiediensten, naargelang zij behoren tot het administratief en logistiek kader, dan wel tot het operationeel kader. De loonschalen van de leden van het administratief en logistiek kader zijn, in tegenstelling tot die van het operationeel kader, immers vergelijkbaar met de loonschalen van de federale ambtenaren. De verschillen op het vlak van de baremische bezoldiging tussen het administratief en logistiek kader, enerzijds, en, het operationeel kader, anderzijds, zijn weliswaar gemilderd in 2007, maar zijn er nog steeds. Bovendien moet niet alleen rekening worden gehouden met de in de loonschalen vervatte bedragen. Er moet ook bijvoorbeeld rekening worden gehouden met het feit dat de leden van het operationeel kader het maximum van hun loonschaal reeds na 25 jaar bereiken, terwijl dit voor de leden van het administratief en logistiek kader pas na 29 jaar het geval is. De leden van het operationeel kader genieten bovendien jaarlijks een weddeverhoging, terwijl dit voor de leden van het administratief en logistiek kader slechts om de twee jaar is. A.5.
- De Ministerraad leidt daaruit af dat de personeelsleden van het operationeel kader, minstens voor de periode van 2002 tot en met 2006, niet vergelijkbaar zijn met de personeelsleden van het administratief en logistiek kader. Bovendien zijn zij niet vergelijkbaar met andere ambtenaren. De politieambtenaren hebben een statuut dat uniek is voor hun categorie van ambtenaren. Soms zijn de voor hen geldende bepalingen identiek aan die welke voor andere categorieën gelden, soms zijn ze voordeliger en soms minder voordelig. Het verschil in behandeling met andere categorieën is derhalve inherent aan het feit dat zij een uniek statuut genieten en is geenszins als een schending van het gelijkheidsbeginsel te beschouwen. A.
- De Ministerraad betwist de wijze waarop de eisende en de tussenkomende partijen in de zaak voor de verwijzende rechter artikel 119 van de wet van 7 december 1998 interpreteren. Dat artikel verzet zich niet tegen een verschil in behandeling tussen de personeelsleden van het administratief en logistiek kader, enerzijds, en de personeelsleden van het operationeel kader, anderzijds. Het bepaalt immers enkel dat het statuut voor alle politieambtenaren gelijk is, ongeacht of zij tot de federale of tot de lokale politie behoren. Hetzelfde geldt, per categorie, voor de agenten van politie en het personeel van het administratief en logistiek kader. De woorden « per categorie » wijzen erop dat een verschil in behandeling tussen de categorieën niet noodzakelijk verboden is. De eisende en de tussenkomende partijen lijken uit het voormelde artikel te willen afleiden dat de leden van het operationeel kader en die van het administratief en logistiek kader hetzelfde statuut moeten genieten, wat nochtans noch uit de tekst van de wet, noch uit de parlementaire voorbereiding, kan worden afgeleid. A.
- De Ministerraad wijst ten slotte erop dat de herwaardering van het vakantiegeld van de personeelsleden van de politiediensten het voorwerp uitmaakt van sectorale onderhandelingen, waarbij uiterlijk tegen 2009 diende te worden bepaald welk percentage (tussen 65 pct. en 92 pct.) van het maandloon in aanmerking komt voor het bepalen van het vakantiegeld. Hij verwijst daarbij naar de reeds op dat vlak gesloten akkoorden en protocollen. 6 -B- B.1.
- Artikel 119 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus bepaalt : « Het statuut is voor alle politieambtenaren gelijk, ongeacht of zij tot de federale politie of tot de lokale politie behoren. Hetzelfde geldt, per categorie, voor de hulpagenten van politie en het personeel van het administratief en logistiek kader ». B.1.
- Artikel 121 van dezelfde wet bepaalt : « De nadere regels van het statuut van de personeelsleden van het operationeel en het administratief en logistiek kader worden door de Koning bepaald ». B.1.
- Artikel 4 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten bepaalt : « §
- Onverminderd artikel 28 van de wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten en onverminderd artikel 71, eerste lid, van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, houdt voor de toepassing van hoofdstuk I van titel VIII van de wet en voor de toepassing van artikel 13, de beslissing om onderworpen te blijven aan de wetten en reglementen die van toepassing zijn op, naargelang van het geval, de personeelsleden bedoeld in de artikelen 242, tweede lid, en 243, derde lid van de wet, of op de personeelsleden bedoeld in artikel 12, tweede lid, alsmede de personeelsleden bedoeld in artikel 235, derde lid, van de wet, de toepassing op deze personeelsleden in van de wetten en reglementen die elk wat hen betreft, de volgende aangelegenheden omvatten : 1° het geldelijk statuut met uitzondering van de door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit bepaalde toelagen, vergoedingen, premies, andere aanvullende retributies en voordelen in natura; 2° de geldelijke gevolgen van de door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit bepaalde bevorderingen naar anciënniteit die bestaan op de datum van de inwerkingtreding van het statuut bedoeld in artikel 121 van de wet; 3° de pensioenregeling; 4° in voorkomend geval, de medische bescherming. 7 In afwijking van de artikelen 236, zesde lid, 242, vijfde lid en 243, zesde lid, van de wet, zijn de wijzigingen die aan de in het eerste lid bedoelde aangelegenheden worden aangebracht na het aflopen van de statutaire keuzetermijn bedoeld in artikel 12, derde lid en de artikelen 242, derde lid en 243, vierde lid, van de wet, slechts op de in het eerste lid bedoelde personen van toepassing voor zover de Koning daarin uitdrukkelijk voorziet. De in het eerste lid bedoelde personeelsleden worden voor het overige onderworpen aan de wetten en reglementen die het statuut of de rechtspositieregeling vastleggen van de leden van het operationeel of van het administratief en logistiek kader. §
- In afwijking van § 1, eerste lid, en van artikel 242, derde lid, laatste zin, van de wet behouden de militairen die deel uitmaken van het administratief en logistiek kader en die gebruik maken van de keuzemogelijkheid bedoeld in de in § 1, eerste lid, bepaalde artikelen van de wet, definitief hun hoedanigheid van militair, het daaraan gebonden statuut alsmede de mogelijkheid om de Krijgsmachten te reïntegreren. In afwijking van het eerste lid bepaalt de Koning evenwel in welke mate de functioneringsevaluatie en het stelsel der toelagen en vergoedingen zoals vastgelegd in het statuut van het personeel van de politiediensten, op die militairen van toepassing zijn ». B.
- De verwijzende rechter vraagt in essentie of de in het geding zijnde bepalingen bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat zij voorzien in een onderscheiden statuut voor het personeel van, enerzijds, het operationeel kader en, anderzijds, het administratief en logistiek kader van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus, waarvan de nadere regels door de Koning worden bepaald, met als gevolg dat de zogeheten Copernicuspremie enkel werd toegekend aan de personeelsleden van het administratief en logistiek kader en niet aan die van het operationeel kader. B.3.
- Ofschoon de Copernicuspremie, zoals de verwijzende rechter vaststelt, niet kan worden gelijkgesteld met het vakantiegeld, werd die premie ingevoerd om het vakantiegeld van bepaalde in de overheidssector tewerkgestelde personeelsleden aan te vullen tot op het niveau van het vakantiegeld van de werknemers uit de privésector. Het koninklijk besluit van 10 juli 2002 tot toekenning van een Copernicuspremie aan sommige personeelsleden van de rijksbesturen, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 mei 2003, heeft die premie toegekend aan de in artikel 1 ervan omschreven statutaire en contractuele personeelsleden van de federale en parastatale overheidsdiensten, waartoe de personeelsleden van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus, evenwel niet behoren. 8 B.3.
- Bij koninklijk besluit van 16 januari 2003 tot toekenning van een Copernicuspremie aan bepaalde personeelsleden van het administratief en logistiek kader van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus werd de Copernicuspremie ook toegekend aan de in artikel 1 ervan omschreven personeelsleden van het administratief en logistiek kader van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus, waardoor een verschil in behandeling ontstond tussen de personeelsleden van de geïntegreerde politie, naargelang zij behoren tot het administratief en logistiek kader, dan wel tot het operationeel kader : terwijl de eersten de Copernicuspremie in beginsel ontvangen, ontvangen de laatsten die premie niet. B.4.
- Dat verschil in behandeling vloeit niet voort uit de in het geding zijnde bepalingen, maar uit het optreden van de Koning. B.4.
- Uit de omstandigheid dat de in het geding zijnde bepalingen voorzien in een onderscheiden statuut voor het personeel van, enerzijds, het operationeel kader en, anderzijds, het administratief en logistiek kader van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus, - wat, rekening houdend met de verschillende aard van de opdrachten van de desbetreffende personeelscategorieën, op zich niet zonder redelijke verantwoording is -, kan niet worden afgeleid dat de wetgever de Koning ervan zou hebben vrijgesteld om, bij het bepalen van de nadere regels van het statuut van de beide kaders, het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie in acht te nemen. Wanneer de wetgever een machtiging verleent, dient immers te worden aangenomen - behoudens aanwijzingen in de tegenovergestelde zin - dat hij de gemachtigde enkel de bevoegdheid verleent om die machtiging aan te wenden in overeenstemming met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.
- Het staat aan de ter zake bevoegde rechter om het desbetreffende koninklijk besluit te controleren op de bestaanbaarheid ervan met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.
- Aangezien het erin beoogde verschil in behandeling niet voortvloeit uit de in het geding zijnde bepalingen, behoeft de prejudiciële vraag geen antwoord. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 14 mei
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.082 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div