id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.084 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090514.6 Arrest- Rolnummer: 84/2009 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-05-18 Raadplegingen: 230 - laatst gezien 2026-06-30 03:07 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 2ter van de jachtwet van 28 februari 1882, zoals het werd ingevoegd bij artikel 10 van het decreet van het Waalse Gewest van 14 juli 1994, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Jacht en visvangst - Jacht - Waals Gewest PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 2ter van de jachtwet van 28 februari 1882, zoals ingevoegd bij artikel 10 van het decreet van het Waalse Gewest van 14 juli 1994, gesteld door de Raad van State. Jacht - Jacht op grof wild - Verbod - Afgesloten gebied - Uitzonderingen - Afsluitingen geplaatst voor de veiligheid van mensen of voor de bescherming van teelten en het houden van vee. Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Decreet Waalse Gewest - 14-07-1994 - 10 - 5 Link Justel databank 19940714-5 Wet - 28-02-1882 - 2ter - 30 ELI link Pub nr 1882022801 Tekst van de beslissing Rolnummer 4542 Arrest nr. 84/2009 van 14 mei 2009 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 2ter van de jachtwet van 28 februari 1882, zoals ingevoegd bij artikel 10 van het decreet van het Waalse Gewest van 14 juli 1994, gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 187.246 van 21 oktober 2008 in zake de vzw « Syndicat des Propriétaires ruraux en Région wallonne » en anderen tegen het Waalse Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 28 oktober 2008, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 2ter van de jachtwet van 28 februari 1882 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de jacht op grof wild op een afgesloten terrein of op een deel daarvan enkel toelaat wanneer dat terrein of dat deel van dat terrein wordt omringd met afsluitingen geplaatst voor de veiligheid van mensen alsook voor de bescherming van teelten en het houden van vee, met uitzondering van alle andere afsluitingen, zonder aldus een onderscheid te maken naar gelang van het gedeeltelijk of volledig afgesloten karakter van het jachtterrein, naar gelang van de juridische mogelijkheid om de hoogte van de afsluitingen te beperken, naar gelang van de oppervlakte van het jachtterrein of nog naar gelang van de aard of de kenmerken van de afsluitingen die het terrein omringen ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de vzw « Syndicat des Propriétaires ruraux en Région wallonne », waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 1300 Waver, avenue Pasteur 23, de vzw « Organisation de la Ruralité et du Milieu européen », waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 1300 Waver, avenue Pasteur 23, Jean-François de le Court, wonende te 1050 Brussel, Woudlaan 10/1, Denis Solvay, wonende te 1950 Kraainem, Patrijzenlaan 10, en Frédéric Speth, wonende te 1180 Brussel, Langeveldstraat 51; - de Waalse Regering. Op de openbare terechtzitting van 21 april 2009 : - zijn verschenen : . Mr. L. de Meeûs loco Mr. F. Haumont, advocaten bij de balie te Brussel, voor de vzw « Syndicat des Propriétaires ruraux en Région wallonne », en anderen; Mr. E. Orban de Xivry, tevens loco Mr. J.-F. Cartuyvels, advocaten bij de balie te Marche-en-Famenne, voor de Waalse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Twee verenigingen zonder winstoogmerk (hierna : vzw’s) en drie particulieren hebben voor de Raad van State een beroep tot vernietiging ingesteld dat is gericht tegen het besluit van de Waalse Regering van 3 juni 1999 waarbij de hoogte wordt bepaald van de afsluitingen, bedoeld in artikel 2ter, tweede lid, van de jachtwet van 28 februari 1882. In hun enig middel, dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, bekritiseren de verzoekers het voormelde besluit, in zoverre het de maximumhoogte bepaalt van de afsluitingen waarmee een terrein is omringd waarop de jacht op grof wild is toegestaan « ondanks het feit dat de te regelen situaties zeer verschillend zijn naargelang de gevallen ». De verzoekers zijn van mening dat het voormelde besluit alle eigenaars of gebruikers van een jachtgebied op dezelfde wijze behandelt, ongeacht de specifieke kenmerken van dat gebied. Volgens de verzoekers bevestigt het bestreden besluit, door het grondwettelijk voorschrift te schenden, de ongrondwettigheid van artikel 2ter van de jachtwet dat, door het verbod op de jacht op grof wild niet aan te passen naargelang de hoogte van de afsluitingen, personen die zich in verschillende situaties bevinden, op identieke wijze behandelt. Aldus maakt artikel 2ter van de jachtwet geen enkel onderscheid tussen de jachtgebieden, naargelang
(1)er al dan niet natuurlijke afsluitingen bestaan,
(2)de afsluitingen de gebieden volledig, gedeeltelijk of zeer gedeeltelijk omringen,
(3)het al dan niet juridisch mogelijk is de afsluitingen te verwijderen of te verlagen,
(4)naar gelang van de oppervlakte van de beschouwde terreinen en
(5)naargelang de beschermende afsluiting is geplaatst door de eigenaar van het jachtgebied of door een derde buur, jager of niet-jager of landbouwer. Die bepaling houdt overigens geenszins rekening met het type van afsluiting. Ten slotte zijn de verzoekers van mening dat artikel 2ter van de jachtwet, in samenhang gelezen met het bestreden besluit, personen die zich in dezelfde situatie bevinden op verschillende wijze behandelt : de houders van een jachtrecht op een terrein waarvan de afsluiting 1,20 meter hoog is, zullen op grof wild kunnen jagen, terwijl voor diegenen waar de afsluiting 1,25 meter hoog is, de jacht op grof wild verboden zal zijn. De Waalse Regering doet voor de Raad van State gelden dat zij de hoogte van de afsluitingen niet kon laten variëren naar gelang van de kenmerken ervan of van de tijds- of plaatsgebonden omstandigheden op straffe van af te wijken van het wettelijk voorschrift, en dat een eventuele ongrondwettigheid niet in het besluit zit, maar in artikel 2ter van de jachtwet. Overwegende dat het bestreden besluit is aangenomen met toepassing van artikel 2ter, tweede lid, van de jachtwet, heeft de verwijzende rechter beslist aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.1. In hun memorie brengen de verzoekers voor de verwijzende rechter in herinnering dat het principe luidt dat het verboden is om te jagen op een afgesloten terrein, en dat dit principe drie uitzonderingen kent :
(1)indien de afsluiting is geplaatst met het oog op de veiligheid van mensen en ze maximum 5 meter hoog is,
(2)indien de afsluiting is geplaatst met het oog op de bescherming van teelten en ze maximum 1,20 meter hoog is,
(3)indien de afsluiting is geplaatst met het oog op het houden van vee en ze maximum 1,20 meter hoog is. Zoals zij voor de Raad van State hebben uiteengezet, zijn de verzoekers van mening dat het besluit van de Waalse Regering van 3 juni 1999, genomen ter uitvoering van artikel 2ter, tweede lid, van de jachtwet, personen die zich in verschillende situaties bevinden op identieke wijze behandelt. A.2.
- Aldus worden de houders van een jachtrecht op een terrein dat slechts gedeeltelijk is afgesloten, aan dezelfde hoogte van afsluiting onderworpen als een houder van een jachtrecht op een volledig afgesloten terrein, 4 terwijl een afsluiting op 10 pct. van de omtrek van het jachtgebied niet kan worden vergeleken met een afsluiting op de volledige omtrek van een jachtgebied. A.2.
- Bovendien worden sommige gebieden gedeeltelijk afgesloten door natuurlijke hindernissen, zoals hellingen, waterlopen of groene heggen. Het begrip « afgesloten gebied » in de zin van artikel 1, 10°, van de jachtwet beoogt zowel de natuurlijke als de onnatuurlijke hindernissen. De houders van een jachtrecht op een gebied dat is afgezet met een natuurlijke afsluiting waarvan de hoogte meer bedraagt dan 1,20 meter, worden dus op discriminerende en onverantwoorde wijze behandeld, vermits de jagers geen enkele vat hebben op de natuurlijke hindernissen, die bovendien geen gevolg hebben voor de vrije verplaatsing van de dierpopulaties. Ofschoon, zoals de Waalse Regering suggereert, de in artikel 2ter, tweede lid, bedoelde afsluitingen, die de jacht op grof wild mogelijk maken, onnatuurlijke hindernissen zijn, stelt artikel 2ter, eerste lid, van de jachtwet, het principe van een verbod op de jacht op grof wild, op een terrein dat zowel is afgesloten door een onnatuurlijke hindernis als door een natuurlijke hindernis. A.2.
- Er bestaan ook talrijke situaties waarin de houder van een jachtrecht juridisch gezien de hoogte van de bestaande afsluitingen niet zal kunnen verlagen, zodat hij niet meer zal kunnen jagen op het afgesloten terrein. Dat zou het geval kunnen zijn voor een muur waarvan de volledige of gedeeltelijke afbraak een sloopvergunning of verbouwingsvergunning vergt, die zou kunnen worden geweigerd indien de muur zich binnen de omtrek van een beschermd geheel bevindt. Hetzelfde zou gelden wanneer het terrein wordt omringd met een afsluiting die aan één of meer eigenaars-buren toebehoort en die hun afsluiting niet willen weghalen of de hoogte ervan verlagen. Niets maakt het mogelijk te verantwoorden dat een jager die volledige greep heeft op zijn afsluitingen en diegene die daarop geen vat heeft, op dezelfde wijze worden behandeld. A.2.
- Er werd evenmin rekening gehouden met de oppervlakte van het jachtgebied, terwijl het uiteraard niet opportuun is een jachtgebied van 800 hectare en een jachtgebied van 50 hectare op dezelfde wijze te behandelen. A.
- De verzoekers voor de verwijzende rechter zijn van mening dat die overwegingen in verband met de ongrondwettigheid van het voormelde besluit van 3 juni 1999 gelden ten aanzien van de kwestie van de grondwettigheid van artikel 2ter van de jachtwet. Artikel 2ter houdt immers geenszins rekening met het type van afsluiting en behandelt een afsluiting die is samengesteld uit een draad die op 1,20 meter van de bodem is geplaatst en een afsluiting van het ursus-type van dezelfde hoogte, op dezelfde wijze. Op dezelfde wijze verhindert die bepaling de jacht op een terrein dat volledig is afgesloten door een afsluiting van 1,25 meter, terwijl niet kan worden betwist dat die afsluiting de vrije verplaatsing van een groot deel van het grof wild niet zal verhinderen. Doordat de in het geding zijnde bepaling het verbod van de jacht op grof wild niet aanpast naar gelang van de hoogte van de afsluitingen, behandelt ze ten slotte de houder van een jachtrecht op een terrein dat, door een afsluiting van 2,50 meter hoog, hermetisch is afgesloten voor elk type van grof wild op dezelfde wijze als de houder van een jachtrecht op een terrein dat niet hermetisch is afgesloten met een afsluiting van 1,25 meter hoog. A.
- In haar memorie brengt de Waalse Regering in herinnering dat de Waalse decreetgever, met de aanneming van het decreet van 14 juni 1994, waarbij artikel 2ter in de jachtwet is ingevoegd, alles heeft willen verbieden wat afweek van de natuurlijke jachtdaad die erin bestaat om jaarlijks het overschot aan wild te verwijderen. 5 De decreetgever heeft in het bijzonder afwijkingen en gedragingen die moeilijk te verdedigen zijn op ethisch vlak willen uitsluiten, zoals het plaatsen door de jagers van allerlei afsluitingen met als doel het wild op hun jachtgebied te houden. Wat betreft de afsluitingen is de Waalse decreetgever zich bewust geworden van de noodzaak het grof wild dat deel uitmaakt van het Waalse patrimonium te vrijwaren, én van de moeilijkheden voor dat wild om in goede omstandigheden te leven : dat grof wild lijdt immers onder de demografische druk, de uitbreiding van de menselijke habitat en de beperking van zijn noodzakelijke verplaatsingen door de verschillende wegen, waaronder de autowegen of de snelwegen, die steeds meer worden beschermd door hoge afsluitingen teneinde ongevallen te vermijden. Bij ontstentenis van een wetgevend optreden zou het grof wild ertoe gedoemd zijn gevangen te leven binnen allerlei afsluitingen, zoals die van wildparken of nog de afsluitingen die worden opgetrokken door de jagers teneinde hen neer te schieten; het is vanuit die doelstelling om de vrije verplaatsing van het grof wild maximaal te garanderen dat de decreetgever het decreet van 14 juli 1994 heeft aangenomen, dat overigens werd aangenomen met eenparigheid van stemmen van de aanwezige parlementsleden. A.
- Wat de methode betreft, heeft de Waalse decreetgever ervoor gekozen de jacht op grof wild op een afgesloten terrein eenvoudigweg te verbieden en heeft hij de bewoordingen « afgesloten terrein » gedefinieerd. De decreetgever heeft evenwel voorzien in uitzonderingen op dat verbod, die ofwel voortvloeien uit een legitiem gedrag van de jager - met name de door grof wild aangerichte schade, en voornamelijk die van everzwijnen te vermijden of te beperken - ofwel uit het even legitieme gedrag van de landbouwer, of nog uit de bekommernis van een eigenaar of een overheid om de mensen te beschermen. De decreetgever heeft de Regering ertoe gemachtigd de hoogte van de in die drie gevallen toegestane afsluitingen te bepalen, zonder haar evenwel ertoe te machtigen de aard of de kenmerken van die afsluitingen te bepalen. A.6.
- Wat betreft de grond van de zaak, is de Waalse Regering van mening dat de vraag ontkennend moet worden beantwoord. In de eerste plaats heeft de kritiek met betrekking tot het volledige of gedeeltelijke afgesloten karakter betrekking op de definitie van « afgesloten gebied » in de zin van artikel 1, 10°, van de jachtwet, geïnterpreteerd in het licht van de doelstelling van de wetgever die erin bestaat de vrije verplaatsing van iedere soort grof wild te bevorderen. Indien het gebied gedeeltelijk is afgesloten, zal moeten worden onderzocht of de vrije verplaatsing van het grof wild wordt belemmerd door de afsluiting, wat een feitelijke kwestie is. A.6.
- Wat betreft de mogelijkheid om de hoogte van de afsluitingen te beperken, onderstreept de Waalse Regering dat, enerzijds, de Waalse decreetgever ervoor heeft gezorgd te vermijden dat de wet gemakkelijk kon worden omzeild - door bijvoorbeeld afspraken tussen een jager en zijn buur - en, anderzijds, dat het aan de houder van het jachtrecht toekomt om in voorkomend geval zijn rechten te laten gelden voor de hoven en rechtbanken. Indien een eigenaar zijn huurder, houder van een jachtrecht, aldus verhindert zijn recht uit te oefenen, zal laatstgenoemde van de bevoegde rechtbank de opzegging van zijn huur van jachtrecht kunnen verkrijgen of de vermindering van de hoogte van de afsluitingen teneinde zijn jachtrecht uit te oefenen. Op dezelfde wijze zullen, wanneer het om een afsluiting gaat die door een derde is opgetrokken, de jurisprudentiële theorie van het misbruik van recht of de theorie van de abnormale burenhinder het de jager mogelijk maken ofwel de afschaffing ofwel de vermindering van de hoogte van de omheining te verkrijgen. A.6.
- Wat betreft de oppervlakte van het jachtgebied, brengt de Waalse Regering in herinnering dat de zorg om een einde te maken aan het onevenwicht tussen dier en zijn omgeving alsmede het behoud van een gediversifieerd genetisch patrimonium de door de decreetgever gezochte verantwoording voor de vrije verplaatsing vormen. Ofschoon in het besluit van de Regering van 30 mei 1996 een oppervlakte van 5000 hectare in aanmerking werd genomen, in die zin dat de jachtraden « grof wild » minstens 5000 hectare bos moeten verenigen om te 6 worden erkend, zal niemand betwisten dat jachtgebieden van meer dan 5000 hectare zeer zeldzaam zijn en dat, rekening houdend met de omvang van die oppervlakte, de decreetgever geen onderscheid diende te maken tussen gebieden van verschillende oppervlakten. A.6.
- Wat betreft de kenmerken van de afsluitingen die de jachtgebieden omringen, preciseert de Waalse Regering dat de afsluitingen uiteraard de werkzaamheden beogen die door de mens worden verwezenlijkt met de bedoeling om af te sluiten, met uitsluiting van natuurlijke hindernissen. Artikel 2ter, tweede lid, gebruikt overigens, wat betreft de uitzonderingen, de bewoordingen afsluitingen « geplaatst ». Het is niet zozeer de samenstelling van de afsluiting, de aard ervan, die telt, dan wel de oorsprong ervan, een optreden van de mens. Voor het overige ziet de Waalse Regering niet de relevantie in van de kritiek die is afgeleid uit het feit dat geen rekening is gehouden met de kenmerken van de afsluitingen ten aanzien van de definitie van een « afgesloten gebied ». De afsluitingen die de vrije verplaatsing van het grof wild verhinderen, verbieden de jacht op het betrokken gebied, terwijl die welke niet die weerslag hebben op de vrije verplaatsing van het grof wild, de jacht niet verbieden : om het voorbeeld van de verzoekers te nemen, een eenvoudige draad verhindert uiteraard niet de vrije verplaatsing van het grof wild, ongeacht of die op 1,20 meter of op 1,50 meter boven de grond wordt aangebracht. A.7.
- In hun memorie van antwoord onderstrepen de verzoekers dat de Waalse Regering de draagwijdte van de prejudiciële vraag wil beperken tot artikel 2ter, tweede lid, van de jachtwet, terwijl de, op initiatief van de Raad van State gestelde prejudiciële vraag, de bepaling in haar geheel beoogt. De verzoekers brengen in herinnering dat de in het geding zijnde bepaling een drievoudige doelstelling heeft :
(1)de instandhouding van het grof wild,
(2)een einde maken aan het onevenwicht tussen dier en zijn omgeving en
(3)het behoud van een gediversifieerd genetisch patrimonium. Er bestaat echter geen enkele objectieve verantwoording tussen die doelstellingen en de aangewende middelen die houders van een jachtrecht op gebieden die op zeer uiteenlopende wijze zijn afgesloten, op een discriminerende wijze behandelen. A.7.
- Wat betreft het begrip « afgesloten terrein » stellen de verzoekers vast dat het Waalse Gewest de moeite heeft gedaan om een omzendbrief aan te nemen waarin, in vet en cursief in de tekst van het Belgisch Staatsblad, wordt gepreciseerd dat een afgesloten terrein een volledig afgesloten gebied is, wat precies aantoont dat de tekst van de in het geding zijnde bepaling gedeeltelijk afgesloten gebieden kan beogen. De vaagheid van dat begrip wordt overigens bevestigd in de discussie in verband met de natuurlijke hindernissen, waarbij de Waalse Regering laat verstaan dat de beoordeling van het al dan niet gesloten karakter afhangt van het gevalsgewijze onderzoek van de situatie van elke jager, wat strijdig is met het gelijkheidsbeginsel. Bovendien vormt het feit dat de jager zijn rechten moet laten gelden voor de bevoegde rechter geenszins een verantwoording voor de aangevoerde discriminatie, wanneer het juridisch onmogelijk is de hoogte van de afsluitingen te verlagen. Er bestaat overigens geen beroepsmogelijkheid teneinde het recht te verkrijgen om de muur van een omheining die tot een beschermd geheel behoort, te slopen. Ten slotte verantwoordt niets dat gebieden met verschillende oppervlakten op identieke wijze worden behandeld, terwijl de wijze waarop de vrije verplaatsing van het grof wild wordt beheerd – de door de decreetgever nagestreefde doelstelling – noodzakelijkerwijze verschillend is in de beide gevallen. A.
- In haar memorie van antwoord onderstreept de Waalse Regering dat men een gebied dat gedeeltelijk is afgesloten over 10 pct. van zijn omtrek niet kan vergelijken met een gebied dat volledig is afgesloten en dat, door het bestaan ervan, tot gevolg heeft dat de vrije verplaatsing van het grof wild wordt verhinderd; voor het overige verwijst zij naar de ethische code van de jager. 7 -B- B.1.
- Het Hof wordt door de Raad van State gevraagd naar de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 2ter van de jachtwet van 28 februari 1882 (hierna : jachtwet), zoals ingevoegd bij artikel 10 van het decreet van het Waalse Gewest van 14 juli 1994, dat bepaalt : « In het Waalse Gewest is het verboden te jagen op elk grof wild binnen een afgesloten terrein op straffe van een geldboete van BEF 200 tot 1
- Deze bepaling is niet toepasselijk op terreinen of delen van terreinen omringd met afsluitingen geplaatst voor de veiligheid van mensen, alsook voor de bescherming van teelten en het houden van vee, met uitzondering van alle andere afsluitingen. De Regering bepaalt de hoogte van deze afsluitingen ». B.1.
- Artikel 1, § 1, 10°, van de jachtwet, zoals het werd vervangen bij artikel 1 van het voormelde decreet van 14 juli 1994, definieert « afgesloten gebied » als « ieder jachtgebied of deel van jachtgebied dat voortdurend of tijdelijk afgesloten is door één of meer hindernissen die de vrije verplaatsing van ieder soort grof wild hindert ». B.2.
- Krachtens artikel 35 van het voormelde decreet van 14 juli 1994, is artikel 2ter van de jachtwet slechts van kracht geworden op 1 juli 2000 « wat betreft de bestaande afgesloten terreinen », omdat « een voldoende lange termijn noodzakelijk lijkt teneinde de diverse toepassingsbesluiten uit te vaardigen » (Parl. St., Waalse Gewestraad, 1993-1994, nr. 246/1, p. 5). B.2.
- Artikel 1 van het besluit van de Waalse Regering van 3 juni 1999 « tot bepaling van de hoogte van de afsluitingen bedoeld bij artikel 2ter, tweede lid, van de jachtwet van 28 februari 1882 » bepaalt : « De hoogte van de in artikel 2ter, 2de lid van de jachtwet van 28 februari 1882 bedoelde afsluitingen wordt vastgesteld als volgt :
- voor de veiligheid van mensen : 5 meter maximum;
- voor de bescherming van de teelten en het houden van vee : 1,2 meter maximum ». 8 B.
- De verzoekers voor de verwijzende rechter vorderen de vernietiging van het voormelde besluit van 3 juni 1999 in zoverre het de maximumhoogte vaststelt voor de afsluitingen, ongeacht het feit dat de te regelen concrete situaties zeer verschillend zijn naar gelang van de gevallen. In het raam van die rechtspleging vraagt de verwijzende rechter het Hof naar de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 2ter van de jachtwet, in zoverre die bepaling de jacht op een afgesloten terrein of een deel daarvan enkel toestaat wanneer die afsluitingen worden geplaatst voor de veiligheid van mensen of voor de bescherming van teelten of het houden van vee, met uitzondering van alle andere afsluitingen, « zonder aldus een onderscheid te maken naar gelang van het gedeeltelijk of volledig afgesloten karakter van het jachtterrein, naar gelang van de juridische mogelijkheid om de hoogte van de afsluitingen te beperken, naar gelang van de oppervlakte van het jachtterrein, of nog, naar gelang van de aard of de kenmerken van de afsluitingen die het terrein omringen ». B.4.
- Artikel 2ter van de jachtwet is ingevoegd bij artikel 10 van het Waalse decreet van 14 juli 1994 « tot wijziging van de jachtwet van 28 februari 1882 ». Dat decreet streeft de volgende doelstellingen na : « - een beter evenwicht tussen mens en natuur, tussen fauna en flora; - een grotere ethiek vanwege de jager ten opzichte van het ecosysteem; - een groter respect vanwege de mens ten opzichte van het dier » (Parl. St., Waalse Gewestraad, 1993-1994, nr. 246/1, p. 2). B.4.
- Wat de in het geding zijnde bepaling betreft werd in de parlementaire voorbereiding van het decreet van 14 juli 1994 uiteengezet : « Een nieuw artikel 2ter verbiedt de jacht op alle grof wild op elk afgesloten terrein, voornamelijk met de bedoeling de fauna van het grof wild in stand te houden. Die wilde fauna wordt reeds voldoende gehinderd door beschermende en beveiligende afsluitingen, met name langs de autowegen. Aan wild moet de mogelijkheid worden gelaten te migreren en zich te verplaatsen volgens zijn instinct en zijn vrije verplaatsing moet worden vergemakkelijkt. Bovendien moet een einde worden gemaakt aan een onevenwicht tussen het dier en zijn omgeving, dat ernstige gevolgen kan hebben zowel wat betreft de bodem als het voortbestaan van het woud. Ten slotte is de vrije verplaatsing van de dierpopulaties een noodzaak teneinde 9 een gediversifieerd genetisch patrimonium te handhaven, dat de enige waarborg vormt voor het voortbestaan van de soorten. Er wordt geen afbreuk gedaan aan het burgerlijk recht om te omheinen, een rechtstreeks attribuut van het eigendomsrecht, dat overigens niet absoluut is (zie artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek), vermits het verboden is op een afgesloten terrein te jagen, maar niet om dat terrein af te sluiten. Het staat wel degelijk enkel aan de decreetgevende overheid om te oordelen dat de vrije verplaatsing van het wild voor de totaliteit van het Waalse Gewest moet worden gegarandeerd, overal en zonder enige oplossing van continuïteit, om biologische redenen (Parl. St., Waalse Gewestraad, 1993-1994, nr. 46/1, pp. 3-4). Die maatregel past in de doelstelling om « het natuurlijk milieu te beschermen en te verbeteren en er een toename van de biodiversiteit te bewerkstelligen teneinde een beter evenwicht te bereiken tussen de mens en de natuur, tussen de wilde fauna en haar omgeving (Parl. St., Waalse Gewestraad, 1993-1994, nr. 246/21, p. 3). B.4.
- Wat die bepaling betreft heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State volgende opmerkingen geformuleerd : «
- De aandacht van de Gewestregering wordt gevestigd op het feit dat de definitie van het afgesloten gebied in artikel 1bis, § 2, 10°, van dusdanige aard is dat artikel 2ter zou kunnen worden toegepast in omstandigheden die wel eens niet diegene zouden kunnen zijn die werden bedoeld door de auteurs van de tekst.
- Bovendien kan men zich afvragen of, gelet op de met de onderzochte bepaling nagestreefde doelstelling, de maatregel van verbod geen te absoluut karakter heeft en niet zou moeten worden vastgesteld naar gelang van de oppervlakte van het afgesloten jachtgebied. Er bestaan immers afgesloten jachtgebieden die zich over een zeer grote oppervlakte uitstrekken en waar de jacht de door de auteurs van het ontwerp nagestreefde doelstelling niet lijkt te schaden » (Parl. St., Waalse Gewestraad, 1993-1994, nr. 246/1, p. 16). B.
- Het feit dat het aan de Regering toekomt om de hoogte vast te stellen van de in artikel 2ter, tweede lid, bedoelde afsluitingen, vloeit voort uit een amendement dat werd verantwoord als volgt : « De hoogten van de in dat artikel bedoelde afsluitingen moet worden vastgesteld. Men zou zich niet kunnen indenken dat de afsluiting die bestemd is om de everzwijnen te hinderen ook dient als hindernis voor de verplaatsingen van de hertachtigen. In dat geval bijvoorbeeld zou de hoogte niet meer mogen bedragen dan 1,25 meter » (Parl. St., Waalse Gewestraad, 1993-1994, nr. 246/6, p. 2). 10 De Minister heeft zijn goedkeuring gehecht aan dat amendement (Parl. St., Waalse Gewestraad, 1993-1994, nr. 246/21, pp. 7 en 12). B.6.
- In het raam van het geschil voor de verwijzende rechter bekritiseren de verzoekers de hoogten van de afsluitingen die zijn vastgesteld bij het voormelde besluit van de Regering van 3 juni
- Ofschoon, zoals de Raad van State heeft geoordeeld in zijn arrest nr. 183.587 van 29 mei 2008 in verband met de hangende zaak, de Regering niet over een gebonden bevoegdheid maar over een discretionaire bevoegdheid beschikt in verband met de vaststelling van de hoogte van die afsluitingen, is haar bevoegdheid echter beperkt tot de vaststelling van de hoogten van de afsluitingen die zijn geplaatst, hetzij voor de veiligheid van personen, hetzij voor de bescherming van teelten, hetzij voor het houden van vee (artikel 2ter, tweede lid), deze motieven die het mogelijk maken af te wijken van het principiële verbod van de jacht op grof wild binnen een afgesloten terrein (artikel 2ter, eerste lid). De ontstentenis van de in de prejudiciële vraag vermelde elementen van onderscheid, in de veronderstelling dat ze werden aangetoond, vloeit dus wel degelijk voort uit artikel 2ter van de jachtwet, in zoverre het slechts in bepaalde gevallen de jacht op grof wild op een afgesloten terrein toestaat, « met uitzondering van alle andere afsluitingen ». B.6.
- Het Hof onderzoekt dus niet de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de door de Regering vastgestelde hoogten van de afsluitingen, bedoeld in artikel 2ter, tweede lid, van de jachtwet, en die de verwijzende rechter bijgevolg zal moeten controleren. B.7.
- Artikel 2ter, eerste lid, stelt het beginsel van verbod van jacht op grof wild binnen een afgesloten terrein, gedefinieerd in artikel 1, § 1, 10°, van de jachtwet. Het grof wild kan echter worden afgeschoten wanneer er aanzienlijke schade voor de vegetatie of de veeteelt bestaat of dreigt, en die wordt veroorzaakt door het grof wild binnen een afgesloten terrein : de voorwaarden van die bestrijding van grof wild zijn bepaald in het besluit van de Waalse Regering van 3 juni 1999 « tot wijziging van het besluit van de Waalse 11 Regering van 13 juli 1995 waarbij de bestrijding van sommige soorten wild wordt toegelaten en de voorwaarden worden bepaald tot bestrijding van grof wild binnen de afgesloten gebieden bedoeld bij artikel 2ter, eerste lid van de jachtwet van 28 februari 1882 ». B.7.
- Het begrip « afgesloten gebied », gedefinieerd in artikel 1, § 1, 10°, van de jachtwet, en bedoeld in het in het geding zijnde artikel 2ter, moet worden geïnterpreteerd, rekening houdend met de door de in het geding zijnde bepaling nagestreefde doelstelling, die in herinnering is gebracht in B.4, en die erin bestaat de vrije verplaatsing van het grof wild niet te hinderen in het hele Waalse Gewest en aldus het evenwicht tussen het dier en zijn natuurlijke omgeving te verbeteren. Aan die doelstelling werd overigens herinnerd in een omzendbrief van 12 oktober 2000 (Belgisch Staatsblad, 7 november 2000, pp. 36 916 en volgende) waarin het begrip « afgesloten gebied » werd gepreciseerd, bedoeld in artikel 1, § 1, 10°, van de jachtwet. In die tekst wordt gepreciseerd dat het afgesloten gebied « een volledig omheind gebied is » en dat « het begrip ‘ vrije verplaatsing ’ in een biologische context dient te worden verstaan » : « De wetgever wil de verschillende diersoorten de mogelijkheid geven om zich te verplaatsen tussen de bijvoedings-, rust- en voortplantingsplaatsen ». B.7.
- Het begrip « afgesloten jachtgebied », geïnterpreteerd in het licht van de doelstelling van de decreetgever en in het licht van de voormelde omzendbrief, omvat dus noch de gedeeltelijk afgesloten jachtterreinen, noch de jachtgebieden met een dergelijke oppervlakte dat de vrije verplaatsing van het grof wild – die inhoudt dat het zich moet kunnen verplaatsen tussen de bijvoedings-, rust- en voortplantingsplaatsen – niet kan worden gehinderd door de afsluitingen, noch de jachtterreinen die volledig zijn omheind met afsluitingen waarvan de aard of de kenmerken van dusdanige aard zijn dat zij de vrije verplaatsing van het grof wild niet kunnen hinderen. B.7.
- In zoverre de prejudiciële vraag betrekking heeft op het feit dat de in het geding zijnde bepaling geen onderscheid zou maken naar gelang van het gedeeltelijk of volledig afgesloten karakter van het jachtterrein, naar gelang van de oppervlakte van het terrein of naar 12 gelang van de aard of de kenmerken van de jachtafsluitingen, berust zij dus op een verkeerde interpretatie van de in het geding zijnde bepaling. In die mate dient de vraag niet te worden beantwoord. B.
- Voorts dient nog te worden onderzocht of de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre zij geen onderscheid zou maken naar gelang van de juridische mogelijkheid om de hoogte van de afsluitingen te beperken. B.9.
- Krachtens artikel 2ter, tweede lid, van de jachtwet, wordt afgeweken van het beginsel van verbod op de jacht op grof wild binnen een afgesloten jachtterrein - gedefinieerd in artikel 1, § 1, 10°, van de jachtwet - wanneer de afsluitingen zijn geplaatst om drie redenen :
(1)de veiligheid van mensen,
(2)de bescherming van teelten of
(3)het houden van vee. In die drie gevallen kan het bestaan van afsluitingen die niet werden geplaatst met de bedoeling om de vrije verplaatsing van grof wil te belemmeren, dus niet de jacht op grof wild op het aldus afgesloten terrein verhinderen. B.9.
- Zowel de – eerder onderzochte – definitie van afgesloten terrein als de gevallen waarin de jacht wordt toegestaan binnen een afgesloten terrein, tonen aan dat, in de logica van de met het decreet van 14 juli 1994 nagestreefde doelstelling, de decreetgever rekening heeft gehouden met de bedoeling waarmee de afsluitingen zijn geplaatst, ongeacht alle andere kenmerken van de afsluitingen, zoals de al dan niet bestaande juridische mogelijkheid om de hoogte van de afsluitingen te beperken. B.9.
- In de veronderstelling dat de in het geding zijnde bepaling, wat het verbod van jacht binnen een afgesloten terrein betreft, de gebieden waarop het mogelijk is de hoogte van de afsluitingen te beperken en de andere, op dezelfde wijze behandelt, zou die identieke behandeling van verschillende situaties enkel betrekking kunnen hebben op jachtterreinen die volledig zijn omheind met afsluitingen die niet geplaatst zouden zijn geweest met het oog op de veiligheid van mensen, de bescherming van teelten of het houden van vee. 13 In de veronderstelling dat dergelijke afsluitingen bestaan, zonder te zijn geplaatst om de vrije verplaatsing van het grof wild te belemmeren, vermocht de decreetgever te oordelen dat de juridische onmogelijkheid om de hoogte van die afsluitingen te beperken, geen wettig motief vormde dat de toelating om op die afgesloten terreinen op grof wild te jagen, verantwoordt. Indien de decreetgever rekening had gehouden met de al dan niet bestaande juridische mogelijkheid om de hoogte van de afsluitingen te beperken, zou hij daarentegen een verschil in behandeling hebben ingevoerd tussen de jachtgebieden naar gelang van het juridisch statuut van de afsluitingen waarmee ze zijn omringd, en dat verschil in behandeling zou niet verantwoord zijn geweest ten aanzien van de doelstelling om de vrije verplaatsing van het grof wild te beschermen en een einde te maken aan bepaalde praktijken die erin bestaan de jacht te vergemakkelijken door het nagejaagde wild te « omsingelen ». B.
- In zoverre de prejudiciële vraag betrekking heeft op het feit dat de in het geding zijnde bepaling geen onderscheid zou maken naar gelang van de juridische mogelijkheid om de hoogte van de afsluitingen te beperken, dient ze ontkennend te worden beantwoord. 14 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 2ter van de jachtwet van 28 februari 1882, zoals het werd ingevoegd bij artikel 10 van het decreet van het Waalse Gewest van 14 juli 1994, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 14 mei
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.084 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div