id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 04 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.093 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090604.1 Arrest- Rolnummer: 93/2009 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-06-08 Raadplegingen: 329 - laatst gezien 2026-06-30 03:12 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De artikelen 372 en 375 van het Strafwetboek schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen familie en zeden PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende de artikelen 372 en 375 van het Strafwetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Strafrecht - Seksuele misdrijven - Slachtoffers - Minderjarigen tussen veertien en zestien jaar - Toestemming -
- Verkrachting -
- Aanranding van de eerbaarheid. Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 372 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 375 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Rolnummer 4497 Arrest nr. 93/2009 van 4 juni 2009 In zake : de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 372 en 375 van het Strafwetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 25 juni 2008 in zake het openbaar ministerie tegen M.P. en H.M., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 9 juli 2008, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vragen gesteld : «
- Schenden de artikelen 372 en 375 Strafwetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat een meerderjarig mannelijk persoon die voltrokken geslachtsbetrekkingen (een daad van seksuele penetratie) heeft met een meisje, ouder dan 14 en jonger dan 16 jaar, én dat met haar toestemming, niet kan gestraft worden op basis van artikel 375 Sw., terwijl een meerderjarige persoon wel kan gestraft worden op basis van artikel 372 Sw. voor het stellen van bepaalde seksueel getinte aanrakingen (betasten borsten en schaamstreek) op hetzelfde meisje, die ook met haar toestemming gebeuren, welke laatste handelingen objectief als minder verregaand te beschouwen zijn ?
- Schenden de artikelen 372 en 375 Strafwetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat een meerderjarig persoon die een daad van seksuele penetratie stelt op een minderjarige, ouder dan 14 jaar doch jonger dan 16 jaar én met toestemming van deze laatste, niet kan gestraft worden op basis van artikel 375 Strafwetboek, terwijl een meerderjarig persoon die louter seksuele aanrakingen stelt zonder penetratie op een minderjarige, ouder dan 14 jaar doch jonger dan 16 jaar én met de toestemming van deze laatste, wel kan gestraft worden terwijl de seksuele penetratie objectief als een meer verregaande daad te beschouwen is ? ». Memories zijn ingediend door : - M.P. en H.M.; - de Ministerraad. De Ministerraad heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 11 maart 2009 : - zijn verschenen : . Mr. N. Van Looy loco Mr. J. Peeters, advocaten bij de balie te Turnhout, voor M.P. en H.M.; . Mr. A. Vandaele, tevens loco Mr. P. Peeters, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. De Groot en J. Spreutels verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. 3 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil M.P. en H.M. werden op 5 december 2007 door de Correctionele Rechtbank te Turnhout veroordeeld wegens aanranding van de eerbaarheid, zonder geweld of bedreigingen gepleegd op de persoon of met behulp van de persoon van een kind beneden de volle leeftijd van zestien jaar, met de omstandigheid dat M.P. de stiefvader is van het kind en H.M. de moeder. Tegen dat vonnis werd door M.P., H.M. en het openbaar ministerie hoger beroep aangetekend bij het Hof van Beroep te Antwerpen. Na te hebben vastgesteld dat de eerste beklaagde niet betwist dat hij zijn stiefdochter heeft betast en meermaals met haar voltrokken geslachtsbetrekkingen heeft gehad, achtte het Hof van Beroep het aangewezen de hierboven vermelde prejudiciële vragen te stellen aan het Hof. III. In rechte -A- A.1.
- De Ministerraad zet uiteen dat er in de eerste prejudiciële vraag sprake is van een « mannelijke » meerderjarige, terwijl er in de tweede vraag enkel sprake is van een « meerderjarige ». In de eerste vraag is er bovendien sprake van seksueel getinte aanrakingen van een « meisje », terwijl er in de tweede vraag slechts sprake is van een « minderjarige ». Hij meent echter dat die verschillen niet relevant zijn voor het behandelen van de zaak. A.1.
- Volgens de Ministerraad betreft het onderscheidend element tussen de twee prejudiciële vragen het feit dat er in de eerste vraag sprake is van « hetzelfde meisje », terwijl er in de tweede vraag sprake is van « een minderjarige ». Met de eerste vraag wenst de verwijzende rechter meer bepaald een antwoord te krijgen op de vraag of de meerderjarige die op basis van artikel 372 van het Strafwetboek wordt vervolgd voor een aantasting van de eerbaarheid van een minderjarige tussen veertien en zestien jaar niet wordt gediscrimineerd ten aanzien van de meerderjarige die seksuele betrekkingen heeft gehad met « diezelfde » minderjarige, nu die laatste meerderjarige door de toestemming van de minderjarige niet strafbaar is op grond van artikel 375 van het Strafwetboek. De tweede prejudiciële vraag betreft de vraag of de meerderjarige die op basis van artikel 372 van het Strafwetboek wordt vervolgd voor een aantasting van de eerbaarheid van een minderjarige tussen veertien en zestien jaar niet wordt gediscrimineerd ten aanzien van de meerderjarige die seksuele betrekkingen heeft gehad met « een » minderjarige tussen veertien en zestien jaar, nu die laatste meerderjarige door de toestemming van de minderjarige niet strafbaar is op grond van artikel 375 van het Strafwetboek. Uit de bewoordingen van de tweede vraag volgt dus dat de minderjarige ten aanzien van wie de meerderjarige de betrokken handelingen stelt, in de twee te vergelijken situaties niet noodzakelijk dezelfde is. A.2.
- De Ministerraad wijst erop dat het « basismisdrijf » van aanranding van de eerbaarheid strafbaar is gesteld in artikel 373 van het Strafwetboek, volgens hetwelk het plegen van geweld of bedreigingen een constitutief element van het misdrijf is. Artikel 372 van het Strafwetboek stelt echter ook de aanranding van de eerbaarheid zonder geweld of bedreigingen strafbaar wanneer het slachtoffer de volle leeftijd van zestien jaar niet heeft bereikt. Sinds 1845 is de wetgever van oordeel dat de jeugdige leeftijd van de minderjarige volstaat om de betrokken meerderjarige te straffen voor een aanranding van de eerbaarheid, zelfs wanneer die aanranding gebeurt zonder geweld of bedreigingen. Artikel 372 van het Strafwetboek voert aldus een fictie in, doordat het gedrag van de meerderjarige die op of met behulp van een minderjarige een aanranding van de eerbaarheid pleegt, gelijk wordt gesteld met het gedrag van de gewelddadige of bedreigende aanrander. Zodra de dader effectief geweld of bedreigingen hanteert, moeten de feiten worden gekwalificeerd als aanranding van de eerbaarheid zoals strafbaar gesteld in artikel 373 van het Strafwetboek. 4 De Ministerraad wijst ook erop dat de in het oorspronkelijke Strafwetboek van 1867 opgenomen leeftijdsgrens van veertien jaar, bij de wet van 15 mei 1912 op de kinderbescherming werd opgetrokken tot zestien jaar, en dat de leeftijd van het slachtoffer, volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie, als een constitutief bestanddeel van het misdrijf moet worden beschouwd en dus niet louter als een verzwarende omstandigheid. Artikel 372, eerste lid, van het Strafwetboek voert bijgevolg een onweerlegbaar vermoeden in dat een minderjarige beneden de volle leeftijd van zestien jaar geen geldige toestemming kan geven voor seksuele handelingen. De toestemming van de minderjarige beneden zestien jaar is dus irrelevant voor wat betreft de strafbaarheid van de feiten bedoeld in artikel 372 van het Strafwetboek. A.2.
- De Ministerraad wijst ook erop dat uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie en uit de rechtsleer blijkt dat het misdrijf van aanranding van de eerbaarheid, al dan niet gepleegd met geweld of bedreigingen, slechts bestaat wanneer handelingen van een bepaalde ernst worden gesteld die de seksuele integriteit van een persoon aantasten, zoals die door het collectieve bewustzijn van een bepaalde samenleving op een bepaald tijdstip wordt ervaren. Het volstaat dus niet dat handelingen worden gesteld die door het slachtoffer subjectief als een aantasting van de eerbaarheid worden ervaren, er moet sprake zijn van een aantasting van het « algemeen maatschappelijk aanvaarde begrip van eerbaarheid ». A.
- Wat de in artikel 375 van het Strafwetboek gedefinieerde misdaad van verkrachting betreft, wijst de Ministerraad erop dat er sinds de wet van 4 juli 1989 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende het misdrijf verkrachting een onweerlegbaar vermoeden bestaat dat een minderjarige beneden de leeftijd van veertien jaar niet in de mogelijkheid verkeert een geldige toestemming te geven. Volgens rechtspraak van het Hof van Cassatie is die leeftijd een constitutief bestanddeel van het misdrijf. Tussen de leeftijd van veertien en zestien jaar moet, bij gebrek aan een wettelijk vermoeden, worden nagegaan of de minderjarige toestemming heeft gegeven tot de seksuele betrekkingen. Indien een geldige toestemming voorhanden is, kan de betrokken meerderjarige niet worden gestraft op grond van artikel 375 van het Strafwetboek. Omdat de wetgever, met de voormelde wet van 4 juli 1989, de strafbaarstelling afhankelijk heeft gemaakt van de ontstentenis van individuele toestemming, heeft hij duidelijk gemaakt dat de misdaad van verkrachting niet langer wordt beschouwd als een misdrijf tegen de orde der familie en tegen de openbare zedelijkheid, maar als een inbreuk op het seksueel zelfbeschikkingsrecht en als een aantasting van de integriteit van de menselijke persoon, wat ook tijdens de parlementaire voorbereiding uitdrukkelijk werd gesteld. A.4.
- Volgens de Ministerraad volgt uit het voorgaande duidelijk dat verkrachting en aanranding van de eerbaarheid afzonderlijke misdrijven zijn die evenwel op dezelfde feiten betrekking kunnen hebben. De veertien- of vijftienjarige die, in de zin van artikel 375, tweede lid, van het Strafwetboek, toestemt met seksuele penetratie, zal niet worden geacht het slachtoffer te zijn van verkrachting, aangezien een constitutief bestanddeel van het misdrijf ontbreekt. Niettemin moet de rechter nagaan of die feiten geen aanranding van de eerbaarheid zonder geweld of bedreiging uitmaken, ook al wordt de betrokkene uitsluitend vervolgd voor de misdaad van verkrachting. De niet-strafbaarheid van de betrokken meerderjarige voor de misdaad verkrachting wegens de toestemming van de minderjarige tussen veertien en zestien jaar (artikel 375), impliceert niet dat de handelingen van die meerderjarige ten aanzien van dezelfde - of een andere - minderjarige niet strafbaar zijn op grond van artikel 372 van het Strafwetboek (aanranding van de eerbaarheid). De strafbaarheid van het misdrijf aanranding van de eerbaarheid is immers gebaseerd op een algemeen begrip van eerbaarheid zoals het op een bepaald ogenblik in de samenleving wordt aangevoeld. De vaststelling dat de minderjarige toestemde met de handelingen en dat derhalve de individuele seksuele integriteit van die minderjarige niet is geschonden, is hierbij niet determinerend. Volgens de Ministerraad wordt die zienswijze door het Hof van Cassatie bevestigd in een arrest van 8 december
- Bovendien heeft ook de wetgever die zienswijze bevestigd tijdens de parlementaire voorbereiding van de voormelde wet van 4 juli
- A.4.
- De Ministerraad is dan ook van oordeel dat de beide prejudiciële vragen ten onrechte suggereren dat de discriminatie zou voortvloeien uit het feit dat de meerderjarige die voltrokken geslachtsbetrekkingen heeft gehad met een toestemmende minderjarige tussen veertien en zestien jaar, zou worden vrijgesproken, terwijl dezelfde handelingen niet in aanmerking zouden komen voor vervolging voor het misdrijf van aanranding van de eerbaarheid. In rechte bestaat er geen verschil in behandeling tussen de meerderjarigen die niet worden gestraft op basis van artikel 375 van het Strafwetboek en de meerderjarigen die worden gestraft op basis van artikel 372 van het Strafwetboek, zodat de prejudiciële vragen feitelijke grondslag missen. 5 A.
- De Ministerraad is overigens van oordeel dat voor het verschil in behandeling waarop de prejudiciële vragen lijken te alluderen, een redelijke verantwoording bestaat. Terwijl een verkrachting dient te worden beschouwd als een inbreuk op het seksuele zelfbeschikkingsrecht van personen en op de persoonlijke integriteit, dient een aanranding van de eerbaarheid te worden beschouwd als een aantasting van het op een bepaald ogenblik maatschappelijk gangbare gevoel van eerbaarheid. Terwijl er in het eerste geval geen sprake kan zijn van een misdrijf als de toestemming geldig wordt gegeven, is een dergelijke toestemming niet rechtstreeks relevant in het tweede geval. Dat de misdrijven bedoeld in de artikelen 372 en 375 van het Strafwetboek een verschillende grondslag hebben, werd overigens duidelijk bevestigd tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 28 november 2000 betreffende de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen. Tijdens die voorbereiding werd voorgesteld om het misdrijf aanranding van de eerbaarheid zo te herformuleren dat, zoals dit het geval is bij verkrachting, de nadruk wordt gelegd op de aantasting van de seksuele integriteit. Daardoor zouden enkel daden gepleegd op personen die daarmee niet hebben ingestemd, strafbaar worden. Bovendien werd voorgesteld om de leeftijdsgrens, zoals bij verkrachting, vast te stellen op veertien jaar. Ten aanzien van minderjarigen tussen veertien en zestien jaar zou een apart stelsel gelden, in die zin dat zij enkel een geldige toestemming tot het stellen van seksueel geladen handelingen kunnen geven aan leeftijdsgenoten. Uiteindelijk heeft de wetgever echter beslist om de oude kwalificatie van het misdrijf aanranding van de eerbaarheid te behouden. Ook de leeftijdsgrens van zestien jaar werd behouden. De voorstellen werden dus uitdrukkelijk verworpen. A.
- M.P. en H.M., beklaagden in de zaak voor de verwijzende rechter, zijn van oordeel dat de prejudiciële vragen bevestigend moeten worden beantwoord. Ze vinden het uiterst merkwaardig dat een aanranding van de eerbaarheid zonder geweld of bedreiging gepleegd op de persoon van een minderjarige beneden de leeftijd van zestien jaar wordt bestraft, terwijl een seksuele penetratie bij een kind van veertien jaar dat daartoe de toestemming heeft gegeven, niet kan worden bestraft. Objectief en maatschappelijk gezien, dient een penetratie, in vergelijking met louter seksueel getinte aanrakingen, als een meer verregaande daad te worden beschouwd. Een penetratie is immers ingrijpender, zowel op lichamelijk als op psychisch vlak. Ze vinden het niet logisch dat M.P. niet vervolgd zou kunnen worden wanneer hij de minderjarige enkel zou hebben gepenetreerd, vermits die laatste daartoe de toestemming had gegeven, terwijl hij nu wel kan worden vervolgd voor de betastingen, ook al had de minderjarige daartoe ook de toestemming gegeven. A.
- M.P. en H.M. zijn bovendien van oordeel dat de maatschappelijke evolutie de leeftijdsgrens van zestien jaar voor gewilde seksuele handelingen heeft achterhaald. In de huidige maatschappelijke context kan immers moeilijk worden beweerd dat jongeren pas ten vroegste vanaf zestien jaar in staat zijn om tot gewilde seksuele handelingen over te gaan. -B- B.
- Sinds de wijziging ervan bij artikel 6 van de wet van 28 november 2000 betreffende de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen, bepaalt artikel 372 van het Strafwetboek : « Elke aanranding van de eerbaarheid, zonder geweld of bedreiging gepleegd op de persoon of met behulp van de persoon van een kind van het mannelijke of vrouwelijke geslacht beneden de volle leeftijd van zestien jaar, wordt gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar. De aanranding van de eerbaarheid, zonder geweld of bedreiging door een bloedverwant in de opgaande lijn of adoptant gepleegd op de persoon of met behulp van de persoon van een minderjarige, zelfs indien deze de volle leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, maar niet ontvoogd is door het huwelijk, wordt gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar. Dezelfde straf wordt toegepast indien de schuldige hetzij de broer of de zus van het 6 minderjarige slachtoffer is of ieder ander persoon die een soortgelijke positie heeft in het gezin, hetzij onverschillig welke persoon die gewoonlijk of occasioneel met het slachtoffer samenwoont en die over dat slachtoffer gezag heeft ». Sinds de wijziging ervan bij artikel 8 van de voormelde wet van 28 november 2000, bepaalt artikel 375 van dat Wetboek : « Verkrachting is elke daad van seksuele penetratie van welke aard en met welk middel ook, gepleegd op een persoon die daar niet in toestemt. Toestemming is er met name niet wanneer de daad is opgedrongen door middel van geweld, dwang of list of mogelijk is gemaakt door een onvolwaardigheid of een lichamelijk of een geestelijk gebrek van het slachtoffer. Met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar wordt gestraft ieder die de misdaad van verkrachting pleegt. Wordt de misdaad gepleegd op de persoon van een minderjarige boven de volle leeftijd van zestien jaar, dan wordt de schuldige gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar. Wordt de misdaad gepleegd op de persoon van een kind boven de volle leeftijd van veertien jaar en beneden die van zestien jaar, dan wordt de schuldige gestraft met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar. Als verkrachting met behulp van geweld wordt beschouwd elke daad van seksuele penetratie, van welke aard en met welk middel ook, die gepleegd wordt op de persoon van een kind dat de volle leeftijd van veertien jaar niet heeft bereikt. In dat geval is de straf opsluiting van vijftien tot twintig jaar. De straf is opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar, indien het kind geen volle tien jaar oud is ». B.
- Ofschoon de twee prejudiciële vragen lichtjes anders zijn geformuleerd, wordt ermee in essentie beoogd te vernemen of de artikelen 372 en 375 van het Strafwetboek bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat een meerderjarige die een daad van seksuele penetratie pleegt op een minderjarige die ouder is dan veertien, maar jonger dan zestien jaar, niet kan worden gestraft op grond van artikel 375 van het Strafwetboek wanneer de minderjarige heeft toegestemd met de daad, terwijl een meerderjarige voor het stellen van seksuele aanrakingen, zonder penetratie, op een minderjarige die ouder is dan veertien, maar jonger dan zestien jaar, wel kan worden gestraft op grond van artikel 372 van het Strafwetboek, zelfs wanneer de minderjarige daartoe toestemming heeft gegeven, daarbij rekening houdend met het feit dat penetratie een meer verregaande daad is dan seksuele aanrakingen. 7 De beide prejudiciële vragen kunnen tezamen worden beantwoord. B.3.
- Volgens het eerste lid van artikel 372 van het Strafwetboek wordt elke aanranding van de eerbaarheid, zonder geweld of bedreiging gepleegd op de persoon of met behulp van de persoon van een kind beneden de volle leeftijd van zestien jaar gestraft met opsluiting van vijf tot tien jaar. Volgens het tweede lid, dat van toepassing is wanneer het minderjarige slachtoffer « de volle leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, maar niet ontvoogd is door het huwelijk », wordt de aanranding van de eerbaarheid, zonder geweld of bedreiging gepleegd door een dader die in een bepaalde relatie staat tot het slachtoffer, gestraft met opsluiting van tien tot vijftien jaar. B.3.
- Uit de woorden « zonder geweld of bedreiging » volgt dat het misdrijf aanranding van de eerbaarheid kan bestaan zelfs wanneer het slachtoffer de dader toestemming heeft gegeven tot het stellen van de desbetreffende handelingen. B.4.
- Volgens het eerste lid van artikel 375 van het Strafwetboek is verkrachting elke daad van seksuele penetratie van welke aard en met welk middel ook, gepleegd op een persoon die daar niet in toestemt. Volgens het tweede lid is toestemming er met name niet wanneer de daad is opgedrongen door middel van geweld, dwang of list of mogelijk is gemaakt door een onvolwaardigheid of een lichamelijk of een geestelijk gebrek van het slachtoffer. De volgende leden bepalen de toepasselijke straf, die zwaarder is naar gelang van de leeftijd van het slachtoffer, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen meerderjarigen, minderjarigen boven de volle leeftijd van zestien jaar, minderjarigen boven de volle leeftijd van veertien jaar en beneden die van zestien jaar, en minderjarigen beneden de volle leeftijd van tien jaar. Het zesde lid van artikel 375 van het Strafwetboek bepaalt bovendien dat als verkrachting met behulp van geweld moet worden beschouwd elke daad van seksuele penetratie, van welke aard en met welk middel ook, die gepleegd wordt op de persoon van een kind dat de volle leeftijd van veertien jaar niet heeft bereikt. 8 B.4.
- Uit artikel 375 van het Strafwetboek volgt dat het misdrijf verkrachting niet kan bestaan wanneer de betrokken persoon veertien jaar of ouder is en vrijwillig en bewust toestemt met de seksuele penetratie. B.5.
- Het misdrijf verkrachting, zoals het op dit ogenblik wordt omschreven in het Strafwetboek, vindt zijn oorsprong in de wet van 4 juli 1989 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende het misdrijf verkrachting. B.5.
- Volgens de parlementaire voorbereiding van die wet waren de « maatschappelijke opvattingen over verkrachting en de houding tegenover het slachtoffer » gewijzigd, in die zin dat het misdrijf voortaan diende te worden beschouwd « als een aantasting van de integriteit van de menselijke persoon en niet langer alleen als een vergrijp tegen de familiale orde en de openbare zedelijkheid » (Parl. St., Kamer, 1988-1989, nr. 702/4, p. 2). Daarom diende « de ontstentenis van toestemming van het slachtoffer als wezenlijk element van het strafbaar feit » te worden beschouwd (Parl. St., Kamer, 1981-1982, nr. 166/8, p. 4). B.5.
- Met betrekking tot de handeling van seksuele penetratie gepleegd op een minderjarige beneden de leeftijd van zestien jaar, vermeldt de parlementaire voorbereiding : « Sexuele betrekkingen met een persoon beneden 16 jaar als verkrachting omschrijven en bijgevolg zeer zwaar bestraffen onder voorwendsel dat daarin nooit wordt toegestemd, zou te ver gaan. Weliswaar bestraft de wet de aanranding van de eerbaarheid ook ‘ zonder geweld of bedreiging gepleegd ’ op een slachtoffer beneden 16 jaar (art. 372). Wie daaruit besluit dat toestemming op die leeftijd niet bestaat, leeft vandaag nog meer dan vroeger buiten de realiteit. Die irreële conclusie wordt overigens niet opgedrongen door de tekst van de wet. Uit de wet kan alleen worden afgeleid dat toestemming op die leeftijd irrelevant is, wat niet hetzelfde betekent als onbestaande. […] Het kan gebeuren dat het werkelijk ontbreken van toestemming te maken heeft met naïviteit die min of meer verband houdt met de leeftijd, maar tussen 14 en 16 jaar moet dat gebrek aan toestemming in elk geval afzonderlijk worden aangetoond. Als het niet bewezen is en ook indien vaststaat dat er toestemming was, zullen, telkens als vervolging wenselijk wordt geacht, de bepalingen betreffende de aanranding van de eerbaarheid worden toegepast, maar niet die betreffende de verkrachting. […] 9 Er dient rekening te worden gehouden met de evolutie bij de jongeren van 14 tot 16 jaar en een daad waar toestemming niet afwezig was, mag niet automatisch als verkrachting worden bestempeld. Het vermoeden verdedigen dat toestemming van een minderjarige van 14 tot 16 jaar irrelevant is, is een fictie. Hier mogen trouwens verkrachting en aanranding van de eerbaarheid niet met elkaar worden verward » (Parl. St., Kamer, 1981-1982, nr. 166/8, pp. 6-7). B.
- De wetgever vermocht redelijkerwijze te bepalen dat de bijzonder strenge straffen ter bestraffing van verkrachting, een misdaad die in de regel een seksuele penetratie waarin niet wordt toegestemd, vereist, niet toepasselijk zijn in de gevallen waarin de minderjarige tussen veertien en zestien jaar toestemming heeft gegeven tot de seksuele penetratie. De wetgever heeft daarentegen niet gewild dat een dergelijk gedrag niet strafbaar zou zijn. Een daad van seksuele penetratie, gepleegd op een minderjarige persoon van veertien tot zestien jaar, kan immers, naar gelang van de omstandigheden, een aanranding van de eerbaarheid vormen, zelfs indien het slachtoffer op een vrije en vrijwillige wijze daarin heeft toegestemd. B.
- De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 372 en 375 van het Strafwetboek schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 4 juni
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.093 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.112 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.