id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 04 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.095 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090604.3 Arrest- Rolnummer: 95/2009 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-06-08 Raadplegingen: 239 - laatst gezien 2026-07-01 21:59 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : In zoverre het bepaalt dat de verjaringstermijn, voor de werknemers, niet meer mag bedragen dan één jaar na de beëindiging van de arbeidsrelatie, schendt artikel 30, tweede lid, van de wet van 7 mei 1999 « op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, de toegang tot het arbeidsproces en de promotiekansen, de toegang tot een zelfstandig beroep en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid » de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende artikel 30, tweede lid, van de wet van 7 mei 1999 « op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, de toegang tot het arbeidsproces en de promotiekansen, de toegang tot een zelfstandig beroep en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid », gesteld door de Arbeidsrechtbank te Brussel. Bestrijding van discriminatie - Gelijke behandeling van mannen en vrouwen - Arbeidsbetrekkingen - Misdrijven - Verjaringstermijn. Wettelijke bepalingen: Wet - 07-05-1999 - 30,L2 - 52 ELI link Pub nr 1999012448 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4502 Arrest nr. 95/2009 van 4 juni 2009 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 30, tweede lid, van de wet van 7 mei 1999 « op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, de toegang tot het arbeidsproces en de promotiekansen, de toegang tot een zelfstandig beroep en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid », gesteld door de Arbeidsrechtbank te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 10 juli 2008 in zake Sylvie Hannevart en het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen tegen de vzw « Centre de loisirs. Au bon temps des Pilifs », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 18 juli 2008, heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld : «
- Schendt artikel 30, § 2, van de wet van 7 mei 1999 op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, de toegang tot het arbeidsproces en de promotiekansen, de toegang tot een zelfstandig beroep en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het, ten aanzien van de termijn van de burgerlijke rechtsvorderingen die voortvloeien uit de toepassing van de voormelde wet of van de uitvoeringsbesluiten ervan, een verschil in behandeling invoert tussen de begunstigden van die wet, namelijk de werknemers, enerzijds, en de andere begunstigden van de wet, aangezien die burgerlijke rechtsvorderingen zijn onderworpen aan een termijn van vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder dat die termijn voor de werknemers langer kan zijn dan één jaar na de beëindiging van de arbeidsrelatie ?
- Schendt artikel 30, § 2, van de wet van 7 mei 1999 op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, de toegang tot het arbeidsproces en de promotiekansen, de toegang tot een zelfstandig beroep en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering en met artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek, aangezien het de werknemers die vallen onder de wet van 7 mei 1999 en de andere werknemers of begunstigden van met strafrechtelijke sancties gepaard gaande normen van sociaal recht of van sociale zekerheid, onderwerpt aan verschillende verjaringstermijnen inzake burgerlijke rechtsvorderingen die voortvloeien uit strafbare feiten ? ». Memories zijn ingediend door : - Sylvie Hannevart, wonende te 7060 Horrues, chaussée de Brunehaut 68; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 28 april 2009 : - zijn verschenen : . Mr. Q. Peiffer loco Mr. P. Hubain, advocaten bij de balie te Brussel, voor Sylvie Hannevart; . Mr. L. Demez loco Mr. G. Demez, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en E. De Groot verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; 3 - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 12 januari 2006 deelt Sylvie Hannevart haar werkgever, de vereniging zonder winstoogmerk « Centre de loisirs. Au bon temps de Pilifs », mee dat zij zwanger is. Op 16 januari 2006 wordt zij ontslagen. Op 8 augustus 2007 stellen Sylvie Hannevart en het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, die de schending aanvoeren van artikel 12 van de wet van 7 mei 1999 « op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, de toegang tot het arbeidsproces en de promotiekansen, de toegang tot een zelfstandig beroep en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid », bij de Arbeidsrechtbank te Brussel een burgerlijke rechtsvordering in tegen de werkgever van de eerstgenoemde en eisen zij dat die werkgever ertoe wordt veroordeeld aan hen een schadevergoeding te betalen. De vroegere werkgever van Sylvie Hannevart antwoordt dat een dergelijke rechtsvordering, krachtens artikel 30, tweede lid, van de wet van 7 mei 1999, één jaar na de beëindiging van de arbeidsrelatie in kwestie verjaart. De verzoekers leiden van hun kant uit de gecombineerde lezing van de artikelen 25, 2°, en 30, eerste lid, van die wet en van artikel 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering af dat de te dezen toepasselijke verjaringstermijn vijf jaar bedraagt. De verwijzende rechter, die vaststelt, enerzijds, dat die laatste bepaling « onverzoenbaar » lijkt met artikel 30, tweede lid, van de wet van 7 mei 1999 en, anderzijds, dat de wet van 10 mei 2007 « ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen » de in die bepaling vervatte regel niet heeft overgenomen, stelt de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen. III. In rechte -A- A.1.
- De Ministerraad is van mening dat de twee prejudiciële vragen ontkennend dienen te worden beantwoord. Hij is van mening dat artikel 30, tweede lid, van de wet van 7 mei 1999 « op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, de toegang tot het arbeidsproces en de promotiekansen, de toegang tot een zelfstandig beroep en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid », indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het alleen de burgerlijke rechtsvorderingen beoogt die niet uit een strafbaar feit voortvloeien, niet de in de prejudiciële vragen bedoelde verschillen in behandeling teweegbrengt. A.1.
- De Ministerraad onderstreept in de eerste plaats dat, wanneer een wet op verschillende manieren kan worden geïnterpreteerd, de « techniek van de verzoenende interpretatie » vereist dat de met de Grondwet bestaanbare interpretatie wordt gekozen. A.1.
- De Ministerraad voert aan dat artikel 30, tweede lid, van de wet van 7 mei 1999 op de in A.1.1 aangegeven wijze moet worden geïnterpreteerd teneinde een onbestaanbaarheid te voorkomen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, eventueel in samenhang gelezen met artikel 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering en artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek. Hij preciseert dat alleen de in artikel 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering geformuleerde algemene norm van toepassing is op de burgerlijke rechtsvordering die op een strafbaar feit steunt. Hij 4 voegt eraan toe dat die burgerlijke rechtsvordering niet kan verjaren vóór de strafvordering betreffende dat strafbaar feit, vermits de wet van 7 mei 1999 een bijzondere wet is in de zin van dat artikel
- De Ministerraad merkt vervolgens op dat het Hof, met het arrest nr. 13/97 van 18 maart 1997, reeds heeft geoordeeld dat het verschil in behandeling tussen de burgerlijke rechtsvordering die steunt op de arbeidsovereenkomst « wat de niet strafrechtelijk bestrafte contractuele aspecten ervan betreft » en de burgerlijke rechtsvordering die voortvloeit uit bepaalde strafbaar gestelde tekortkomingen van de werkgever, niet discriminerend is. De Ministerraad is ten slotte van mening dat de eerste prejudiciële vraag berust op een verkeerde interpretatie van de in het geding zijnde bepaling. A.2.
- Sylvie Hannevart gaat ervan uit dat de twee prejudiciële vragen bevestigend dienen te worden beantwoord. A.2.
- In de eerste plaats merkt zij op dat de twee vragen betrekking hebben op het verschil in behandeling « tussen, enerzijds, de werknemers wier arbeidsovereenkomst is beëindigd en, anderzijds, iedere andere begunstigde van de wet (bijvoorbeeld een afgewezen kandidaat voor een betrekking), met inbegrip van de werknemers wier arbeidsovereenkomst niet is beëindigd, of zelfs voormalige werknemers wier overeenkomst eveneens is beëindigd (werklozen, gepensioneerden of bruggepensioneerden, enz.) ». Zij preciseert dat de in het geding zijnde bepaling voorziet in termijnen voor de bescherming van de rechten van de begunstigden van de wet van 7 mei 1999 die verschillen naargelang die begunstigden, op het ogenblik van het strafbaar feit, « nog werknemer zijn of dat nog niet zijn ». A.2.
- Sylvie Hannevart merkt op dat de burgerlijke rechtsvordering die voortvloeit uit een inbreuk op die wet - of op de uitvoeringsbesluiten ervan - en die wordt ingesteld door het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, verjaart binnen een termijn van vijf jaar na het strafbaar feit. A.2.4.
- Sylvie Hannevart verwijst naar de artikelen 21, 26 en 27 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, zoals die luidden vóór de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998 « tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring », naar artikel 26 van die voorafgaande titel, zoals vervangen bij artikel 2 van de wet van 10 juni 1998, alsook naar artikel 2262bis, § 1, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 5 van dezelfde wet. Zij herinnert aan de inhoud van twee arresten van het Hof van Cassatie betreffende de draagwijdte en de interpretatie van artikel 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, uitgesproken op 22 januari 2007 en 14 januari 2008, en vraagt zich vervolgens af of de in het geding zijnde bepaling een bijzondere wet in de zin van die bepaling vormt. De eiseres voor de verwijzende rechter verwijst in dat verband naar bepaalde uittreksels van de parlementaire voorbereiding van de wet van 10 juni
- Vervolgens voert zij aan dat de wetgever, wanneer hij de wet van 7 mei 1999 heeft aangenomen, waarschijnlijk geen rekening heeft gehouden met de wijzigingen die de wet van 10 juni 1998 heeft aangebracht. Zij merkt hierbij op dat de in het geding zijnde bepaling slechts het afschrift is van artikel 146, tweede lid, van de wet van 4 augustus 1978 « tot economische heroriëntering », bepaling die zelf geïnspireerd is op artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 « betreffende de arbeidsovereenkomsten ». Zij voegt eraan toe dat, in die context, de in het geding zijnde bepaling niet tot doel kan hebben gehad af te wijken van artikel 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, zoals vervangen bij artikel 2 van de wet van 10 juni
- A.2.4.
- Sylvie Hannevart is van mening dat, indien de in het geding zijnde bepaling een « bijzondere bepaling » in de zin van artikel 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering vormt, zij een discriminatie teweegbrengt. Zij verwijst in dat verband naar het arrest nr. 13/97 van het Hof (B.7 en B.14), alsook naar het arrest nr. 190/2002 (B.4 en B.5). Zij onderstreept dat de rechtsvordering die is ingesteld voor de verwijzende rechter geenszins een vordering tot betaling van het verschuldigde bedrag ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst is, maar een vordering is tot vergoeding van de schade veroorzaakt door een tekortkoming die voldoende ernstig is om in een strafbaar feit te worden omgezet, namelijk het niet naleven van artikel 12 van de wet van 7 mei
- Zij leidt hieruit af dat de verjaringstermijn van één jaar, waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet, niet kan worden verantwoord zoals de termijn van één jaar bepaald in artikel 15, eerste lid, van de wet van 3 juli
- Daarnaast herinnert zij eraan dat die beperking tot één jaar alleen betrekking heeft op de werknemers wier arbeidsovereenkomst eindigt en die het 5 slachtoffer zijn van een discriminatie. Ten slotte merkt zij op dat de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen geen regel bevat die vergelijkbaar is met die welke in de in het geding zijnde bepaling is opgenomen. Sylvie Hannevart besluit dat een discriminatie bestaat tussen de « werknemers sensu stricto » die worden beoogd in de wet van 7 mei 1999 en de andere begunstigden van die wet, en meer in het algemeen tussen de door diezelfde wet beoogde werknemers en « alle andere werknemers die vallen onder met strafrechtelijke sancties gepaard gaande bepalingen van sociaal recht of van sociale zekerheid ». -B- B.
- De wet van 7 mei 1999 « op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, de toegang tot het arbeidsproces en de promotiekansen, de toegang tot een zelfstandig beroep en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid » is opgeheven bij artikel 40 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen. Artikel 30 van de wet van 7 mei 1999 bepaalde, vóór die opheffing : « De strafvordering wegens overtreding van de bepalingen van deze wet en van de ter uitvoering hiervan genomen besluiten verjaart door verloop van vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan. In afwijking van artikel 21, tweede lid van de voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering blijft de verjaringstermijn vijf jaar, ingeval een wanbedrijf wordt omgezet in een overtreding. De burgerlijke rechtsvorderingen die bij toepassing van deze wet of van zijn uitvoeringsbesluiten worden ingesteld, verjaren door verloop van vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan; die termijn mag voor de werknemers echter niet langer zijn dan één jaar na de beëindiging van de arbeidsrelatie ». Die bepaling maakte deel uit van hoofdstuk VI (« Strafbepalingen ») van de wet van 7 mei
- Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.
- Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 30, tweede lid, van de wet van 7 mei 1999, in zoverre die bepaling een verschil in behandeling invoert tussen twee categorieën van slachtoffers van een van de strafbare feiten 6 waarin artikel 25 van die wet voorziet : enerzijds, de personen die het slachtoffer zijn van een van die strafbare feiten als werknemer en, anderzijds, diegenen die het slachtoffer zijn van een van die strafbare feiten in een andere hoedanigheid dan die van werknemer. Die laatstgenoemden beschikken over vijf jaar te rekenen vanaf het strafbaar feit om een burgerlijke rechtsvordering in te stellen die uit dat strafbaar feit is ontstaan, terwijl de slachtoffers van de eerstgenoemde categorie slechts over een dergelijke termijn beschikken indien de arbeidsrelatie tijdens welke het strafbaar feit is gepleegd, niet eindigt vóór het verstrijken van een periode van vier jaar na dat strafbaar feit. B.
- De betrokken werknemers waren, luidens artikel 3, 1°, van de wet van 7 mei 1999, « de personen die krachtens een arbeidsovereenkomst arbeid verrichten en personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon, met inbegrip van de leerjongens en leermeisjes ». B.
- Artikel 25 van de wet van 7 mei 1999, gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 26 juni 2000 « betreffende de invoering van de euro in de wetgeving die betrekking heeft op aangelegenheden als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet », bepaalde : « Onverminderd het bepaalde in de artikelen 269 tot 272 van het Strafwetboek worden gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot een maand en met een geldboete van 26 tot 500 euro of met één van die straffen alleen : 1° de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers alsook alle bij artikel 7 bedoelde personen die de bepalingen van artikel 8 niet nakomen; 2° de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers die de bepalingen van artikel 12 niet nakomen; 3° al wie de bepalingen van artikel 17 niet nakomt; 4° de personen die binnen de door de rechter krachtens artikel 21 vastgestelde en aan hem opgelegde termijn geen einde maakt aan de discriminerend geachte toestand; 5° al wie een inbreuk pleegt op de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten van deze wet; 6° al wie het krachtens deze wet georganiseerde toezicht belemmert ». 7 B.
- De parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling bevat geen enkel element op grond waarvan het door de wetgever nagestreefde doel kan worden bepaald. Zoals in B.1 is vermeld, is de in het geding zijnde bepaling opgeheven bij de wet van 10 mei
- Wanneer de wetgever oordeelt de sanctie die aan sommige tekortkomingen wordt gekoppeld, te moeten verzwaren door ze als misdrijven te kwalificeren, dan is het niet in overeenstemming met die doelstelling de vordering tot herstel van het nadeel dat door die tekortkomingen wordt teweeggebracht, te onderwerpen aan de verjaring van de burgerlijke rechtsvorderingen steunend op tekortkomingen die niet strafrechtelijk worden bestraft. Het in B.2 omschreven verschil in behandeling is niet redelijk verantwoord. B.
- De eerste prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag B.
- Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van het verschil in behandeling dat artikel 30, tweede lid, van de wet van 7 mei 1999 zou invoeren tussen, enerzijds, de bij die wet beoogde werknemers en, anderzijds, de « andere werknemers of begunstigden van met strafrechtelijke sancties gepaard gaande normen van sociaal recht of van sociale zekerheid », in zoverre de verjaringstermijn van de burgerlijke rechtsvordering die ontstaat uit een strafbaar feit, ingesteld door de eerstgenoemden, zou verschillen van de verjaringstermijn van een dergelijke rechtsvordering ingesteld door de laatstgenoemden. B.
- Gelet op het antwoord op de eerste prejudiciële vraag dient de tweede prejudiciële vraag niet te worden beantwoord. 8 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : In zoverre het bepaalt dat de verjaringstermijn, voor de werknemers, niet meer mag bedragen dan één jaar na de beëindiging van de arbeidsrelatie, schendt artikel 30, tweede lid, van de wet van 7 mei 1999 « op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, de toegang tot het arbeidsproces en de promotiekansen, de toegang tot een zelfstandig beroep en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid » de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 4 juni
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.095 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div