id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 04 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.096 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090604.4 Arrest- Rolnummer: 96/2009 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-06-08 Raadplegingen: 218 - laatst gezien 2026-06-30 03:12 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Het enige artikel van de wet van 20 juli 1970 houdende goedkeuring van het Algemeen Verdrag betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko, ondertekend te Rabat op 24 juni 1968, schendt de artikelen 11 en 11bis van de Grondwet niet in zoverre daarbij goedkeuring is gegeven aan artikel 24, § 2, van dat Algemeen Verdrag. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer - Overlevingspensioen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over artikel 24, § 2, van het Algemeen Verdrag betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko, ondertekend te Rabat op 24 juni 1968 en goedgekeurd bij de wet van 20 juli 1970, gesteld door het Arbeidshof te Antwerpen. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Pensioenen - Overlevingspensioenen - Marokkaanse polygame overleden echtgenoot - Verdeling van het pensioen tussen de verschillende nabestaande huwelijkspartners. Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 24-06-1968 - 24,§2 - 01 Link Justel databank 19680624-01 Wet - 20-07-1970 - 1 - 04 ELI link Pub nr 1970072056 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11bis - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4510 Arrest nr. 96/2009 van 4 juni 2009 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 24, § 2, van het Algemeen Verdrag betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko, ondertekend te Rabat op 24 juni 1968 en goedgekeurd bij de wet van 20 juli 1970, gesteld door het Arbeidshof te Antwerpen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 11 september 2008 in zake de Rijksdienst voor Pensioenen tegen Ahlalia El Haddouchi, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 16 september 2008, heeft het Arbeidshof te Antwerpen de volgende prejudiciële vragen gesteld : 1. « Is artikel 24, § 2, van het Algemeen Verdrag betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko, ondertekend te Rabat op 24 juni 1968 en goedgekeurd bij de wet van 20 juli 1970, in strijd met het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie verankerd in de artikelen 11 en 11bis van de gecoördineerde grondwet
(1994), alsook met artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en met de artikelen 2, § 1, en 26 van het V.N.-Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met art. 147 B.W. en met de Belgische en/of internationale openbare [orde], in zoverre het van toepassing is op een weduwe met de Belgische nationaliteit ? »; 2. « Is artikel 24, § 2, van het Algemeen Verdrag betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko, ondertekend te Rabat op 24 juni 1968 en goedgekeurd bij de wet van 20 juli 1970, in overeenstemming met het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie verankerd in de artikelen 11 en 11bis van de gecoördineerde grondwet
(1994), alsook met artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en met de artikelen 2, § 1, en 26 van het V.N.-Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre het een verschil in behandeling inhoudt tussen de Belgische weduwe getrouwd met een Marokkaanse bigamische of polygame overleden echtgenoot en een Belgische echtgenoot dewelke niet [is] getrouwd met een Marokkaanse bigamische of polygame overleden echtgenoot ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - Ahlalia El Haddouchi, wonende te 3600 Genk, Spoorwegstraat 117; - de Ministerraad en de Rijksdienst voor Pensioenen, met zetel te 1060 Brussel, Zuidertoren. Op de openbare terechtzitting van 28 april 2009 : - zijn verschenen : . Mr. M. Fransen loco Mr. J. Geukens, advocaten bij de balie te Tongeren, voor Ahlalia El Haddouchi; . Mr. M. Sahin, advocaat bij de balie te Hasselt, loco Mr. P. Vanagt en Mr. E. Pools, advocaten bij de balie te Tongeren, voor de Ministerraad en de Rijksdienst voor Pensioenen; - hebben de rechters-verslaggevers T. Merckx-Van Goey en P. Martens verslag uitgebracht; 3 - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Voor het verwijzende rechtscollege is het hoger beroep aanhangig dat de Rijksdienst voor Pensioenen heeft ingesteld tegen een vonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren. Bij dat vonnis werd de Rijksdienst veroordeeld om aan Ahlalia El Haddouchi het volledige wettelijke overlevingspensioen uit te keren vanaf de maand volgend op het overlijden, op 7 januari 2005, van haar echtgenoot, die op dat ogenblik een gezinspensioen als gewezen werknemer genoot. De Rijksdienst voor Pensioenen had de geïntimeerde slechts de helft van dat pensioen toegekend, aangezien wijlen haar Marokkaanse echtgenoot na zijn huwelijk in Marokko in 1957 met geïntimeerde – die toen ook de Marokkaanse nationaliteit had maar die sinds 2004 zowel de Belgische als de Marokkaanse nationaliteit heeft - een tweede huwelijk met een Marokkaanse vrouw had gesloten in Marokko in
- Volgens de Rijksdienst voor Pensioenen moet in dat geval het overlevingspensioen gelijk worden verdeeld tussen de beide weduwen overeenkomstig artikel 24, § 2, van het Algemeen Verdrag betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko, ondertekend te Rabat op 24 juni 1968 en goedgekeurd bij de wet van 20 juli
- De Arbeidsrechtbank te Tongeren was van oordeel dat de tweede echtgenote geen voldoende aanwijsbare band heeft met België en dat zij derhalve geen aanspraak kan maken op Belgische pensioenrechten omdat de erkenning van de gevolgen van een polygaam huwelijk in dit geval te ernstig afwijkt van wat naar Belgische normen aanvaardbaar is. Naar het oordeel van de eerste rechter was artikel 24, § 2, van het bovenvermelde Verdrag betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko niet ter zake dienend. In het verwijzingsarrest volgt het Arbeidshof te Antwerpen daarentegen de stelling van de Rijksdienst voor Pensioenen dat er voor beide polygame huwelijken een betekenisvolle band was met België en dat derhalve rekening moet worden gehouden met de bovenvermelde verdragsbepaling. Het verwijzende rechtscollege is anderzijds van oordeel dat de geïntimeerde terecht doet opmerken dat zij inmiddels ook de Belgische nationaliteit heeft verkregen. Volgens de geïntimeerde is haar situatie in dit opzicht wezenlijk verschillend van die in de zaak waarover het Hof bij zijn arrest nr. 84/2005 van 4 mei 2005 uitspraak deed en met name oordeelde dat de prejudiciële vragen naar de bestaanbaarheid van de bij wet goedgekeurde verdragsbepaling met het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie geen antwoord behoefden omdat de aangevoerde verschillen in behandeling louter uit het Marokkaanse recht voortvloeien. Het Arbeidshof te Antwerpen besluit daarop de door de geïntimeerde gesuggereerde prejudiciële vragen te stellen. III. In rechte -A- A.1.
- Ahlalia El Haddouchi is van mening dat artikel 24, § 2, van het Algemeen Verdrag betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko, ondertekend te Rabat op 24 juni 1968 en goedgekeurd bij de wet van 20 juli 1970, een discriminatie inhoudt in zoverre het wordt toegepast op een weduwe met de Belgische nationaliteit. 4 Wanneer een Marokkaanse werknemer met verschillende echtgenotes tegelijkertijd was gehuwd, kan elk van de weduwes overeenkomstig het Marokkaanse recht dat zijn statuut regelde, aanspraak maken op een deel van het overlevingspensioen. De toepassing van de in het geding zijnde bepaling ten aanzien van een Belgische weduwe houdt een discriminatie in op basis van haar geslacht, aangezien die situatie zich niet kan voordoen bij een Belgische weduwnaar. Er is eveneens een verschil in behandeling tussen een Belgische weduwe van een Marokkaanse werknemer die met verschillende vrouwen tegelijk was gehuwd en een Belgische weduwe van een Marokkaanse werknemer die niet met verschillende vrouwen tegelijk was gehuwd. De Belgische weduwe van een Marokkaanse werknemer die tegelijk was gehuwd met verschillende vrouwen, wordt eveneens anders behandeld dan een Belgische weduwe, onafhankelijk of deze was gehuwd met een Marokkaanse werknemer die met verschillende vrouwen was gehuwd. A.1.
- Ahlalia El Haddouchi doet opmerken dat artikel 147 van het Burgerlijk Wetboek bigamie verbiedt en dat de toepassing van het Marokkaanse recht op een Belgische rechtsonderhorige in strijd is met het Belgische recht. Bigamie kan als een feit dat voortvloeit uit een vreemd rechtsstelsel misschien wel worden aanvaard, maar niet wanneer een van de betrokken partijen de Belgische nationaliteit heeft. Volgens de geïntimeerde voor het verwijzende rechtscollege is de in het geding zijnde bepaling bovendien in strijd met de Belgische en internationale openbare orde in zoverre zij van toepassing is op een weduwe met de Belgische nationaliteit. A.1.
- Ahlalia El Haddouchi is voorts van oordeel dat de in het geding zijnde bepaling een discriminatie inhoudt tussen de Belgische weduwe die was gehuwd met een Marokkaanse bigamische of polygame echtgenoot en een Belgische echtgenoot die niet was gehuwd met een Marokkaanse bigamische of polygame overleden echtgenoot en dat derhalve ook de tweede prejudiciële vraag positief moet worden beantwoord. De situatie waarbij het overlevingspensioen moet worden gehalveerd of verdeeld tussen nog meer echtgenotes, kan immers enkel de Belgische weduwe overkomen die was gehuwd met een Marokkaanse bigamische of polygame echtgenoot. Zulks kan een Belgische weduwnaar nooit overkomen omdat, enerzijds, bigamie in het Belgische recht niet is toegestaan en, anderzijds, volgens het Marokkaanse recht enkel de man meer dan één huwelijk kan aangaan. Die situatie kan een Marokkaanse weduwnaar nooit overkomen, omdat volgens het Marokkaanse recht de man meer dan één huwelijk kan aangaan en de vrouw niet. Het is niet uitgesloten dat een Marokkaanse man die is gehuwd met meer dan één vrouw die pensioenrechten heeft opgebouwd, overlevingspensioenen van al zijn echtgenotes ontvangt. Een Belgische echtgenote die niet was gehuwd met een Marokkaanse bigamische of polygame overleden echtgenoot, zal haar volledige pensioenrechten behouden, en met name de weduwe die was gehuwd met een Marokkaanse echtgenoot die niet was gehuwd met een tweede vrouw. Een Belgische echtgenote die was gehuwd met een bigamische of polygame overleden echtgenoot van een andere nationaliteit dan de Marokkaanse, valt niet onder de toepassing van het Algemeen Verdrag betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko. Die situatie is niet ter zake dienend. Ten slotte wordt de Belgische weduwe van een Marokkaanse bigamische of polygame echtgenoot ook gediscrimineerd ten aanzien van de Belgische weduwe die was gehuwd met een echtgenoot van Belgische nationaliteit en die beiden zijn onderworpen aan de in België geldende nationale en internationale regelgeving. A.2.
- De Ministerraad en de Rijksdienst voor Pensioenen, die samen een memorie hebben ingediend, zijn van oordeel dat de in de prejudiciële vragen aangeklaagde verschillen voortvloeien uit het Marokkaanse recht, waarover het Hof zich niet kan uitspreken. De vragen behoeven derhalve geen antwoord. Zij verwijzen dienaangaande naar het arrest nr. 84/2005 van 4 mei 2005, waarin het Hof een soortgelijke zaak heeft beslecht. Zij doen opmerken dat Ahlalia El Haddouchi de Belgische nationaliteit pas in 2004 heeft verkregen en de Marokkaanse nationaliteit heeft behouden. 5 Het verschil in behandeling vloeit dus voort uit het persoonlijk statuut van de betrokkene, zijnde het Marokkaanse recht, waarover het Hof zich niet kan uitspreken. A.2.
- In ondergeschikte orde zijn de Ministerraad en de Rijksdienst voor Pensioenen van mening dat de prejudiciële vragen ontkennend moeten worden beantwoord. Ook in het Belgische stelsel onder Belgische onderdanen wordt slechts één overlevingspensioen uitgekeerd, dat in voorkomend geval eveneens moet worden verdeeld tussen meer dan één persoon. Indien er twee rechthebbenden zijn, bijvoorbeeld een uit de echt gescheiden echtgenote en een weduwe, wordt in de openbare sector het overlevingspensioen verdeeld in verhouding tot de duur van het huwelijk met de uit de echt gescheiden echtgenote, waarbij de weduwe het resterende bedrag verkrijgt. Volgens de Ministerraad en de Rijksdienst voor Pensioenen is artikel 147 van het Burgerlijk Wetboek, waarnaar in de prejudiciële vragen wordt verwezen, niet ter zake dienend wanneer de beide huwelijken rechtsgeldig in Marokko zijn afgesloten en in België zijn erkend op grond van het persoonlijk statuut van alle betrokkenen van Marokkaanse nationaliteit. De in het geding zijnde bepaling houdt geen discriminatie in, nu die bepaling tot gevolg heeft dat het Belgische stelsel dat inzake overlevingspensioenen van toepassing is op de Belgen, eveneens kan worden toegepast om de rechthebbenden van werknemers die de Marokkaanse nationaliteit hebben. Het bedrag van het uitgekeerde pensioen is hetzelfde. De in het geding zijnde bepaling is een toepassing van de regel, overgenomen in artikel 21 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht, volgens welke in België de gevolgen van in het buitenland aangegane huwelijken kunnen worden erkend overeenkomstig het persoonlijk statuut van de echtgenote en onder het voorbehoud dat die gevolgen de Belgische internationale openbare orde niet verstoren. Of dat in de onderhavige zaak het geval is, zal de verwijzende rechter moeten bepalen. De Ministerraad en de Rijksdienst voor Pensioenen besluiten dat de prejudiciële vragen ontkennend moeten worden beantwoord, aangezien het feit dat rekening wordt gehouden met het persoonlijk statuut van de Marokkaanse werknemer bij de toepassing van artikel 24, § 2, van het Algemeen Verdrag betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko een objectieve maatstaf uitmaakt, die een eventueel verschil in behandeling kan verantwoorden. Zulks is des te meer het geval daar door die uitkering het stelsel van het overlevingspensioen dat van toepassing is op Belgen, kan worden toegepast op rechthebbenden van werknemers die de Marokkaanse nationaliteit hebben. A.3.
- Ahlalia El Haddouchi neemt in haar memorie van antwoord grotendeels de argumentatie van haar eerste memorie over. Zij antwoordt inzonderheid dat de Ministerraad en de Rijksdienst voor Pensioenen voorbijgaan aan het bijzondere gegeven dat is vermeld in de thans aan het Hof gestelde vragen, namelijk dat er te dezen een Belgische onderdaan is betrokken. Het wezenlijke verschil met de zaak die door het Hof werd beslecht bij het arrest nr. 84/2005 is dat er in de huidige zaak niet enkel rekening moet worden gehouden met het Marokkaanse recht maar ook met het Belgische. Bovendien worden juridische gevolgen gegeven aan de bigamie, terwijl de pensioengerechtigde op het ogenblik van de beslissing van de Rijksdienst de Belgische nationaliteit had. Een Belgische weduwnaar kan zich nooit in de aangeklaagde situatie bevinden, aangezien de Marokkaanse wet vrouwen verbiedt om meer dan één echtgenoot te hebben. A.3.
- Ahlalia El Haddouchi antwoordt voorts dat de situatie die de Ministerraad en de Rijksdienst voor Pensioenen aanhalen in verband met de verdeling van het overlevingspensioen in de openbare sector tussen de gewezen echtgenote van een ambtenaar en diens weduwe, niet vergelijkbaar is. Die situatie kan zich immers zowel voordoen voor een Belgische weduwe als voor een Belgische weduwnaar. In de huidige zaak is de situatie fundamenteel verschillend. Er kan in geen enkel geval een verdeling zijn om dezelfde reden als die welke het voorwerp is van de prejudiciële vraag, namelijk dat de overleden 6 echtgenoot met meer dan één partner was gehuwd. De discriminatie van een Belgische weduwe in de huidige situatie die voortvloeit uit de bigamie of polygamie, is specifiek voor de huidige zaak. A.4.
- De Ministerraad en de Rijksdienst voor Pensioenen repliceren dat Ahlalia El Haddouchi voorbijgaat aan het gegeven dat de beide huwelijken van de overledene rechtsgeldig zijn en in België kunnen worden erkend. Zij gaat ook voorbij aan het gegeven dat zij, zelfs op het ogenblik van de beslissing van de Rijksdienst voor Pensioenen, nog steeds de Marokkaanse nationaliteit had, naast de Belgische. De echtgenotes van de overledene verbleven om beurten in Marokko en in België, zodat niet kan worden gesteld dat het tweede polygame huwelijk onvoldoende binding zou hebben gehad met België. Het argument dat het tweede huwelijk ongeldig zou zijn omdat Ahlalia El Haddouchi ook de Belgische nationaliteit heeft verkregen, is onjuist. A.4.
- De Ministerraad en de Rijksdienst voor Pensioenen doen nog opmerken dat het totaalbedrag van het overlevingspensioen in ieder geval hetzelfde blijft, ofwel voor één weduwe, ofwel voor meerdere weduwes, naargelang de Belgische wet of het Verdrag van toepassing is. De Ministerraad en de Rijksdienst voor Pensioenen betwisten ten slotte dat een Marokkaanse weduwnaar die was gehuwd met verschillende echtgenotes die elk pensioenrechten hebben opgebouwd, overlevingspensioenen zou ontvangen van al zijn echtgenotes : hij kan alleen het voordeligste overlevingspensioen verkrijgen. -B– B.1.
- Het Arbeidshof te Antwerpen stelt twee prejudiciële vragen over de bestaanbaarheid met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie van artikel 24, § 2, van het Algemeen Verdrag betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko, ondertekend te Rabat op 24 juni 1968 en goedgekeurd bij de wet van 20 juli
- B.1.
- Het enige artikel van de wet van 20 juli 1970 houdende goedkeuring van het Algemeen Verdrag betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko, ondertekend te Rabat op 24 juni 1968, bepaalt dat het voormelde Verdrag « volkomen uitwerking [zal] hebben ». B.1.
- Het voormelde Algemeen Verdrag heeft tot doel het genot van de in Marokko en België geldende wetgevingen inzake sociale zekerheid te waarborgen ten aanzien van de personen op wie die wetgevingen van toepassing zijn. Uit dat Verdrag vloeit voort dat, in België, de Belgische wetgeving betreffende het overlevingspensioen van werknemers wordt toegepast op de werknemers van Marokkaanse nationaliteit die waren aangesloten bij het Belgische stelsel van de overlijdensverzekering. 7 Artikel 24, § 2, van dat Verdrag bepaalt : « Het weduwenpensioen wordt eventueel, gelijkelijk en definitief, verdeeld onder de gerechtigden, in de voorwaarden die zijn bepaald in het persoonlijk statuut van de verzekerde ». Indien de werknemer Marokkaan was en met verschillende vrouwen tegelijk was gehuwd, overeenkomstig het Marokkaanse recht dat zijn persoonlijk statuut regelde, kan elk van zijn weduwen derhalve aanspraak maken op een deel van het weduwenpensioen, thans overlevingspensioen genoemd. B.2.
- De zaak ten gronde betreft de toewijzing van een overlevingspensioen ten gevolge van het overlijden, in 2005, van een man van Marokkaanse nationaliteit die in België als werknemer pensioenrechten heeft opgebouwd. Die man trad in 1957 in Marokko in het huwelijk met de geïntimeerde voor het verwijzende rechtscollege, die toen enkel de Marokkaanse nationaliteit had maar die in 2004 ook de Belgische nationaliteit heeft verkregen. Dezelfde man huwde in 1975 in Marokko nogmaals met een vrouw van Marokkaanse nationaliteit. B.2.
- De geïntimeerde voor het verwijzende rechtscollege betwist de beslissing van de Rijksdienst voor Pensioenen om het overlevingspensioen te verdelen tussen de beide weduwen, met toepassing van artikel 24, § 2, van het voormelde Algemeen Verdrag betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko. B.
- Artikel 11 van de Grondwet waarborgt dat het genot van de rechten en vrijheden zonder discriminatie wordt verzekerd. Artikel 11bis van de Grondwet preciseert in het bijzonder dat die waarborg geldt voor vrouwen en mannen. B.4.
- Met de eerste prejudiciële vraag, zoals gesuggereerd door de geïntimeerde voor het verwijzende rechtscollege, wordt gevraagd of het discriminerend is om het overlevingspensioen ten gevolge van het overlijden van een persoon van Marokkaanse nationaliteit die in België heeft gewerkt, op grond van het voormelde artikel 24, § 2, te verdelen over twee gerechtigden, « in zoverre het van toepassing is op een weduwe met de Belgische nationaliteit ». 8 B.4.
- De tweede prejudiciële vraag betreft inzonderheid het verschil in behandeling tussen « de Belgische weduwe getrouwd met een Marokkaanse bigamische of polygame overleden echtgenoot en een Belgische echtgenoot dewelke niet [is] getrouwd met een Marokkaanse bigamische of polygame overleden echtgenoot ». De Belgische weduwe van een Marokkaanse bigamische of polygame man die in België pensioenrechten heeft opgebouwd, zou in voorkomend geval het overlevingspensioen moeten delen met een of zelfs meer andere weduwen van dezelfde echtgenoot, terwijl een Belgische echtgenoot die gehuwd was met een andere dan een polygame Marokkaan normaliter het eventuele overlevingspensioen niet moet delen. In het verwijzingsarrest preciseert het Arbeidshof te Antwerpen : « het gaat […] niet over de vraag of er een schending is door een verschillende behandeling van geïntimeerde ten aanzien van andere Marokkaanse vrouwen maar wel ten aanzien van andere Belgische vrouwen ». B.4.
- De twee prejudiciële vragen, die uitgaan van diverse invalshoeken maar die eenzelfde verschil in behandeling betreffen, kunnen samen worden behandeld. B.
- Wanneer de toetsing van het Hof betrekking heeft op een wet waarbij instemming is verleend aan een internationaal verdrag - zoals te dezen - dient het Hof ermee rekening te houden dat het niet gaat om een eenzijdige soevereiniteitsakte, maar om een verdragsnorm waartoe België zich ten aanzien van een andere Staat volkenrechtelijk heeft verbonden. B.
- Uit de parlementaire voorbereiding van de wet houdende goedkeuring van het voormelde Algemeen Verdrag blijkt dat het inzonderheid de bedoeling was om hinderpalen tegen de tewerkstelling van werknemers van Marokkaanse nationaliteit in België weg te nemen en om regels te bepalen voor het toekennen van socialezekerheidsprestaties aan Marokkaanse werknemers wier tewerkstelling aanleiding is geweest tot het innen van socialezekerheidsbijdragen in België (Parl. St., Kamer, 1968-1969, nr. 480-1, p. 1, en Parl. St., Senaat, 1969-1970, nr. 364, p. 1). 9 Met de in het geding zijnde bepaling heeft de wetgever, enerzijds, rekening gehouden met de hypothese waarbij op basis van de Marokkaanse nationaliteit van de verzekerde - en meer bepaald vanwege de mogelijkheid van polygamie in het Marokkaanse recht - meerdere weduwen simultaan recht kunnen hebben op een overlevingspensioen en, anderzijds, vermeden dat die hypothese aanleiding zou geven tot een integrale uitkering van dat pensioen aan meer dan één persoon. B.7.
- Op basis van die doelstelling is het niet onverantwoord dat, enerzijds, de langstlevende huwelijkspartner die als enige tot het overlevingspensioen is geroepen, aanspraak kan maken op het integrale pensioenbedrag, en dat, anderzijds, twee of meer langstlevenden die gezamenlijk tot een overlevingspensioen zijn geroepen, slechts aanspraak kunnen maken op een deel daarvan. B.7.
- Het gegeven, te dezen, dat een van de weduwen inmiddels ook de Belgische nationaliteit heeft verworven, ontneemt de maatregel niet zijn verantwoording. Ook naar intern recht zijn er situaties waarin rekening wordt gehouden met meerdere rechthebbenden op een overlevingspensioen. Zo kunnen in de pensioenregeling voor de openbare sector een uit de echt gescheiden nabestaande samen met de langstlevende huwelijkspartner elk voor een deel op het overlevingspensioen aanspraak maken, in verhouding tot de respectieve periodes van hun huwelijk met de rechtgevende. In het stelsel van de werknemers hebben uit de echt gescheiden personen geen recht op een overlevingspensioen. Wanneer zij recht hebben op een rustpensioen, wordt dat laatste berekend naar rata van de duur van het huwelijk. Zo ook vloeit uit artikel 201 van het Burgerlijk Wetboek voort dat een in België nietig verklaard huwelijk toch gevolgen heeft ten aanzien van de te goeder trouw zijnde echtgenoot of echtgenoten, zodat ook in die context van het putatief huwelijk in voorkomend geval rekening moet worden gehouden met meerdere aanspraken op een overlevingspensioen. B.
- Krachtens de in het geding zijnde bepaling, waarbij België zich ten aanzien van een andere Staat volkenrechtelijk heeft verbonden, wordt op het stuk van het overlevingspensioen rekening gehouden met gevolgen van de mogelijkheid van polygamie naar Marokkaans recht en wordt vooropgesteld dat in dat geval de verschillende nabestaande huwelijkspartners op een 10 gelijk gedeelte van dat pensioen aanspraak kunnen maken, veeleer dan dat iemand daarvan wordt uitgesloten. Bovendien ermee rekening houdend dat het wettelijke pensioenstelsel niet erin voorziet dat het integraal kan worden uitgekeerd aan meerdere begunstigden, is het niet onevenredig dat, ook wanneer het erop aankomt rekening te houden met de gevolgen van een polygame situatie ten aanzien van het overlevingspensioen, niet voor elk van de nabestaande huwelijkspartners een integraal overlevingspensioen wordt uitgekeerd. B.9.
- Uit wat voorafgaat, volgt dat de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 11 en 11bis van de Grondwet. B.9.
- De toetsing aan de voormelde grondwetsbepalingen, in samenhang gelezen met de artikelen 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en 2, lid 1, en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten waartoe de prejudiciële vragen voorts uitnodigen, leidt niet tot een andere conclusie. B.9.
- Voor het overige vermag het Hof, dat bevoegd is om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de bestaanbaarheid van wetskrachtige normen met de in artikel 142 van de Grondwet en in artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 bedoelde referentienormen, niet in te gaan op de eerste prejudiciële vraag in zoverre die uitnodigt tot een rechtstreekse toetsing aan de Belgische internationale openbare orde. Hetzelfde geldt voor de toetsing aan artikel 147 van het Burgerlijk Wetboek. B.
- De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Het enige artikel van de wet van 20 juli 1970 houdende goedkeuring van het Algemeen Verdrag betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko, ondertekend te Rabat op 24 juni 1968, schendt de artikelen 11 en 11bis van de Grondwet niet in zoverre daarbij goedkeuring is gegeven aan artikel 24, § 2, van dat Algemeen Verdrag. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 4 juni
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.096 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div