id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 04 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.097 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090604.5 Arrest- Rolnummer: 97/2009 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-06-08 Raadplegingen: 217 - laatst gezien 2026-06-30 03:12 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : 1. Artikel 100, eerste lid, 1°, van de bij koninklijk besluit van 17 juli 1991 gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wanneer die bepaling in die zin wordt geïnterpreteerd dat de erin geregelde verjaringstermijn ten aanzien van een vordering tot vrijwaring begint te lopen op de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan de hoofdvordering is ontstaan. 2. Dezelfde bepaling schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet wanneer zij in die zin wordt geïnterpreteerd dat de erin geregelde verjaringstermijn ten aanzien van een vordering tot vrijwaring begint te lopen op de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan het recht om de vordering tot vrijwaring in te stellen is ontstaan. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 1, eerste lid, a), van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën, gesteld door de Politierechtbank te Gent. Openbare financiën - Rijkscomptabiliteit - Schuldvorderingen ten laste van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten - Verjaringstermijn - Aanvangsdatum - 1. Vordering tot schadevergoeding op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid - 2. Vordering tot vrijwaring - Afhankelijk van de hoofdvordering. Wettelijke bepalingen: Wet - 06-02-1970 - 1,L1,
- a)- 31 ELI link Pub nr 1970020617 Wet - 06-02-1970 - 100,L1,1° - 31 ELI link Pub nr 1970020617 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4531 Arrest nr. 97/2009 van 4 juni 2009 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 1, eerste lid, a), van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën, gesteld door de Politierechtbank te Gent. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters E. De Groot, A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 13 oktober 2008 in zake Brigitte Debo en anderen tegen het Vlaamse Gewest en de gemeente Wachtebeke, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 14 oktober 2008, heeft de Politierechtbank te Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 1, lid 1,
- a)van de Wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën, alleen en/of in samenlezing met artikel 100, eerste lid van de Wet Rijkscomptabiliteit (gecoördineerd bij K.B. van 17 juli 1991) zoals in voege vóór 1 januari 2007, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in de mate dat het eraan in de weg staat dat een gemeente (of een particulier) in een aansprakelijkheidsgeding een vordering in vrijwaring stelt tegen de Staat of het (Vlaamse) Gewest, en zulks doordat het artikel inzake extracontractuele vorderingen tegen de Staat (en dus ook het Vlaamse Gewest) een verjaringstermijn voorziet van 5 jaar lopende vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan die vordering ontstond, terwijl inzake extracontractuele vorderingen tegen de Gemeente een (langere) verjaringstermijn vanaf de schadeverwekkende gebeurtenis toepasselijk is (art. 2262bis B.W.), hetgeen impliceert dat een extracontractuele vordering onder bepaalde omstandigheden als verjaard wordt beschouwd tegen de Staat (Vlaamse Gewest), doch niet tegen de Gemeente ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de gemeente Wachtebeke, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen; - de Vlaamse Regering; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 21 april 2009 : - zijn verschenen : . Mr. B. Verhoeven loco Mr. A. Blomme, advocaten bij de balie te Gent, voor de gemeente Wachtebeke; . Mr. S. Callens loco Mr. B. Staelens, advocaten bij de balie te Brugge, voor de Vlaamse Regering; . Mr. S. Jochems, tevens loco Mr. D. D’Hooghe en Mr. B. Kohl, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. De Groot en J. Spreutels verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. 3 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 7 juli 2000 kwam Patrick De Walsche bij een ongeval op de weg om het leven. Vermits zijn echtgenote en kinderen van oordeel zijn dat het ongeval te wijten was aan de staat van de weg, hebben zij op 4 juli 2005 het Vlaamse Gewest en de gemeente Wachtebeke gedagvaard voor de Politierechtbank te Gent. Zij vorderen meer bepaald de veroordeling in solidum van het Vlaamse Gewest en de gemeente Wachtebeke, of minstens de ene bij gebreke van de andere, tot het vergoeden van de schade. Het Vlaamse Gewest en de gemeente Wachtebeke betwisten beide hun aansprakelijkheid. In ondergeschikte orde heeft de gemeente Wachtebeke een « tussenvordering tot vrijwaring » ingesteld tegen het Vlaamse Gewest. Nadat het Vlaamse Gewest had aangevoerd dat de tegen dat Gewest gerichte vordering was verjaard op grond van artikel 1 van de wet van 6 februari 1970 « betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën » (thans artikel 100 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991), heeft de verwijzende rechter bij tussenvonnis van 14 mei 2007 een prejudiciële vraag over die bepaling gesteld aan het Hof. Bij het arrest nr. 124/2007 van 4 oktober 2007 heeft het Hof voor recht gezegd dat de desbetreffende bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt, in zoverre zij voorziet in een vijfjarige verjaringstermijn voor vorderingen tot schadevergoeding op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten, te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan de vordering is ontstaan. In de verwijzingsbeslissing stelt de verwijzende rechter vervolgens vast dat de hoofdvordering is verjaard in zoverre ze is gericht tegen het Vlaamse Gewest. In zoverre ze is gericht tegen de gemeente Wachtebeke, acht de verwijzende rechter de hoofdvordering gegrond. Met betrekking tot de door de gemeente Wachtebeke tegen het Vlaamse Gewest ingestelde tussenvordering tot vrijwaring, stelt de verwijzende rechter zich de vraag of de gemeente niet wordt gediscrimineerd, doordat haar vordering tot vrijwaring, ten gevolge van de verjaring ten voordele van het Vlaamse Gewest, zou moeten worden afgewezen. De verwijzende rechter acht het daarom aangewezen om in te gaan op het verzoek van de gemeente Wachtebeke tot het stellen van de voormelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1. De Ministerraad zet uiteen dat artikel 128 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat voorziet in de opheffing van de artikelen 100 en 101 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991, in zoverre ze betrekking hebben op de verjaring van schuldvorderingen tegen de federale Staat, zij het dat artikel 100, eerste lid, van toepassing blijft op de schuldvorderingen die vóór de inwerkingtreding van die wet zijn ontstaan (artikel 131). Tot de inwerkingtreding van de wet van 16 mei 2003 « tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof » blijft die bepaling eveneens van toepassing op de gemeenschappen en de gewesten en dit krachtens artikel 71, § 1, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten. A.2. Volgens de Ministerraad slaat de prejudiciële vraag op het verschil in behandeling dat wordt veroorzaakt door het feit dat de vorderingen tot schadevergoeding op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten, onderworpen zijn aan bijzondere verjaringsregels, terwijl dergelijke vorderingen op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van de gemeenten, onderworpen zijn aan de gemeenrechtelijke verjaringsregels. Dat verschil in behandeling zou tot 4 gevolg kunnen hebben dat een vordering nog niet is verjaard in zoverre ze is gericht tegen een gemeente, terwijl ze wel is verjaard in zoverre ze is gericht tegen de federale Staat, een gemeenschap of een gewest, waardoor die laatste niet meer in tussenkomst tot vrijwaring zou kunnen worden geroepen. A.3. De Ministerraad verwijst naar de rechtspraak van het Hof waaruit blijkt dat de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. In de desbetreffende arresten heeft het Hof onder meer geoordeeld dat de erin geregelde verjaringstermijn in een evenredig verband staat met het nagestreefde doel, dat erin bestaat de rekeningen van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten binnen een redelijke termijn af te sluiten. Het Hof heeft ook geoordeeld dat in het geding zijnde bepaling, in zoverre zij voorschrijft dat de bijzondere verjaringstermijn reeds een aanvang neemt op de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan de schuldvordering is ontstaan, en in zoverre zij niet van toepassing is op schuldvorderingen op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van de gemeenten, niet onbestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.4.1. Met betrekking tot de « vordering tot vrijwaring », waarvan sprake in de prejudiciële vraag, zet de Ministerraad uiteen dat een partij het recht heeft om een derde persoon in het geding te betrekken door middel van een gedwongen tussenkomst, onder andere om een vrijwaring door de derde te doen bevelen. Een vordering ingesteld door een verweerder tegen een andere verweerder, is ook te beschouwen als een tussenvordering. De gedaagde tot gedwongen tussenkomst is een verweerder die dezelfde rechten heeft als een gewone verweerder. Ofschoon tussen de hoofdvordering en de tussenvordering een zekere samenhang dient te bestaan, heeft de tussenvordering een eigen voorwerp en een zekere autonomie. De hoofdvordering en de tussenvordering zijn bijvoorbeeld elk aan hun eigen verjaringsregels onderworpen. A.4.2. Daaruit volgt, volgens de Ministerraad, dat bij het nagaan of de vordering al dan niet is verjaard, het in beginsel geen rol speelt of het gaat om een hoofdvordering, dan wel om een tussenvordering. Wanneer het een schuldvordering betreft ten aanzien van de federale Staat, een gemeenschap of een gewest, neemt de verjaring een aanvang de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij is ontstaan, waarbij het aan de verwijzende rechter toekomt te bepalen wanneer de concrete schuldvordering (te dezen van de gemeente) ten aanzien van de federale Staat, een gemeenschap of een gewest (te dezen het Vlaamse Gewest) daadwerkelijk is ontstaan. Wanneer het een andere schuldvordering betreft, geldt in beginsel de gemeenrechtelijke verjaringstermijn, die een aanvang neemt op het ogenblik dat een fout is gepleegd, de schade is veroorzaakt en de identiteit van de aansprakelijke bekend is. A.5. De omstandigheid dat een hoofdvordering tijdig werd ingesteld, maar dat de vordering tot tussenkomst ondertussen reeds is verjaard, is, volgens de Ministerraad, slechts een neveneffect. Daarom onderscheidt de prejudiciële vraag die te dezen moet worden beantwoord zich niet van de eerdere prejudiciële vragen over de in het geding zijnde bepaling. De mogelijkheid dat een tussenvordering reeds is verjaard, is niet eigen aan het bestaan van een bijzondere verjaringsregeling voor de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten, nu ook de gemeenrechtelijke verjaring in bepaalde omstandigheden tot gevolg kan hebben dat een tussenvordering niet meer mogelijk is. A.6. Volgens de Vlaamse Regering wordt het Hof gevraagd of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de gemeenrechtelijke verjaringstermijn een ander startpunt kent dan de verjaringstermijn voor vorderingen gericht tegen de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten. Die vraag verschilt dus niet van de vraag die dezelfde rechter reeds in dezelfde zaak heeft gesteld en die door het Hof werd beantwoord in zijn arrest nr. 124/2007 van 4 oktober 2007. A.7.1. De Vlaamse Regering zet uiteen dat de gemeenrechtelijke verjaringstermijn, vóór de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, dertig jaar bedroeg, en dat het Hof in meerdere arresten uitspraak heeft gedaan over het verschil in behandeling dat voortvloeide uit het feit dat de bijzondere verjaringstermijn voor buitencontractuele schuldvorderingen tegen de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten verschilde van de gemeenrechtelijke verjaringstermijn. In die arresten werd telkens geoordeeld dat de bijzondere verjaringsregeling bestaanbaar was met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, behoudens in het arrest nr. 32/96 van 15 mei 1996, waarin werd geoordeeld dat die regeling onevenredige gevolgen heeft voor personen die in de onmogelijkheid verkeren om binnen de wettelijke termijn in rechte te treden omdat de schade die zij hebben geleden pas na het verstrijken van die termijn tot uiting is gekomen. A.7.2. Vervolgens verwijst de Vlaamse Regering naar de rechtspraak van het Hof over de verschillen tussen de bijzondere verjaringsregeling, enerzijds, en de gemeenrechtelijke verjaringsregeling na de wet van 5 10 juni 1998, anderzijds. Sinds de inwerkingtreding van die wet is de gemeenrechtelijke verjaringstermijn in beginsel vijf jaar. Ook in die arresten werd geoordeeld dat de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, behoudens in de arresten nrs. 153/2006 en 90/2007, waarin werd geoordeeld dat die bepaling onevenredige gevolgen heeft wanneer de schade of de identiteit van de aansprakelijke pas na de verjaringstermijn kan worden vastgesteld. In die laatste arresten werd echter ook geoordeeld dat het aan de verwijzende rechter toekomt te bepalen of de schade is ontstaan na het verstrijken van de in de in het geding zijnde bepaling bedoelde verjaringstermijn en of de schade en de identiteit van de aansprakelijke onmiddellijk konden worden vastgesteld door de persoon die de aansprakelijkheidsvordering heeft ingesteld. In de arresten nrs. 122/2007 en 124/2007 diende het Hof uitspraak te doen over de bestaanbaarheid van de bijzondere verjaringsregeling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat die verjaringstermijn een aanvang neemt op de eerste januari van het begrotingsjaar waarin de vordering ontstaat, terwijl de verjaringstermijn van overige schuldvorderingen een aanvang neemt op de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis kreeg van de schade of op de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt zich effectief heeft voorgedaan. Het Hof antwoordde dat de keuze van het specifieke criterium wordt verantwoord door de eigenheid van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten, als schuldenaars van schuldvorderingen. A.8. De Vlaamse Regering besluit dat de overwegingen van de arresten nrs. 122/2007 en 124/2007 in de hangende zaak kunnen worden herhaald. Het antwoord op een prejudiciële vraag staat, volgens de Vlaamse Regering, overigens los van het kader waarin die vraag wordt gesteld. Het feit dat het in de zaak voor de verwijzende rechter gaat om een vordering tot vrijwaring, doet bijgevolg niet ter zake. A.9. Volgens de gemeente Wachtebeke wordt het Hof gevraagd of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat zij voorziet in een bijzondere verjaringsregeling voor vorderingen tot schadevergoeding op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van het Vlaamse Gewest, die met zich meebrengt dat een vordering kan zijn verjaard zelfs wanneer de schade of de identiteit van de aansprakelijke pas na het verstrijken van de verjaringtermijn kan worden vastgesteld. Zij is van oordeel dat het gelijkheidsbeginsel zich ertegen verzet dat de bijzondere verjaringstermijn met zich meebrengt dat een vordering reeds is verjaard vooraleer ze kan worden ingesteld. A.10. De gemeente Wachtebeke erkent dat de bijzondere verjaringstermijn in beginsel wordt verantwoord door het doel de rekeningen van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten binnen een redelijke termijn te kunnen afsluiten. Niettemin moet volgens de gemeente Wachtebeke steeds worden nagegaan of de uitzonderingsregeling geen onevenredige gevolgen heeft voor personen die in de onmogelijkheid verkeren om binnen de wettelijke termijn in rechte te treden omdat de schade die zij hebben geleden pas na het verstrijken van die termijn tot uiting is gekomen. Zij verwijst daarbij naar artikel 2257 van het Burgerlijk Wetboek, volgens hetwelk de verjaring niet loopt ten aanzien van een vordering tot vrijwaring, zolang de uitwinning niet heeft plaatsgehad. Uit die bepaling zou volgen dat de verjaringstermijn van de vordering tot vrijwaring van de gemeente Wachtebeke tegen het Vlaamse Gewest niet eerder is beginnen te lopen dan op de datum van de dagvaarding waarbij de hoofdvordering tegen de gemeente Wachtebeke is ingesteld door de nabestaanden van het slachtoffer. Zij verwijst eveneens naar het adagium « Contra non valentem agere non currit praescriptio », dat de regel uitdrukt dat de verjaring niet loopt tegen hem die niet kan vorderen. Vóór de dagvaarding op 6 juli 2005 van de gemeente Wachtebeke en het Vlaamse Gewest, uitgaande van de nabestaanden van het slachtoffer, was iedere vordering van de gemeente Wachtebeke tegen het Vlaamse Gewest louter hypothetisch en zuiver toekomstig, en derhalve manifest ontoelaatbaar. De artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek, die vereisen dat een verzoeker moet doen blijken van een rechtstreeks, persoonlijk en actueel belang, verhinderden de gemeente om vorderingen in te stellen tegen het Vlaamse Gewest. A.11. In zoverre de in het geding zijnde bepaling zou afwijken van de in artikel 2257 van het Burgerlijk Wetboek en de in het aangehaalde adagium vervatte regels, en aldus geïnterpreteerd zou moeten worden dat een buitencontractuele vordering als verjaard moet worden beschouwd zelfs wanneer de schuldeiser in de onmogelijkheid is om zijn vordering in te dienen, is die bepaling, volgens de gemeente Wachtebeke, niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zij verwijst daarbij naar de arresten nrs. 32/96, 42/2002 en 170/2004 van het Hof. 6 A.12. De Ministerraad antwoordt dat het de taak is van de verwijzende rechter om vast te stellen wanneer een vordering ontstaat. Indien de gemeente Wachtebeke van het Hof verlangt dat uitspraak wordt gedaan over het verschil in behandeling dat erin bestaat dat de gemeenrechtelijke verjaringsregeling, in tegenstelling tot de bijzondere verjaringsregeling, voorziet in een uitdrukkelijke schorsingsregel voor vorderingen in vrijwaring, komt haar verzoek neer op een niet toegelaten uitbreiding van de prejudiciële vraag. A.13. De Vlaamse Regering antwoordt dat, zelfs indien de door de gemeente Wachtebeke ingestelde vordering tot vrijwaring ontvankelijk zou zijn, het Vlaamse Gewest onder geen enkele omstandigheid gehouden kan zijn tot vrijwaring van de gemeente Wachtebeke. De verplichting van de gemeenten om te zorgen voor de veiligheid van de wegen op hun grondgebied is immers niet ondergeschikt aan de verplichtingen die de eigenaar of de bewaarder van de weg - te dezen het Vlaamse Gewest - heeft. Er is dus geen enkele reden om het Vlaamse Gewest te veroordelen tot vrijwaring van de gemeente Wachtebeke. -B- B.1. Artikel 1 van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën vormt thans artikel 100 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991, dat bepaalt : « Verjaard en voorgoed ten voordele van de Staat vervallen zijn, onverminderd de vervallenverklaringen ten gevolge van andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen : 1° de schuldvorderingen, waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet geschied is binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan; 2° de schuldvorderingen, die, hoewel ze zijn overgelegd binnen de onder 1° bedoelde termijn, door de ministers niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar gedurende hetwelk ze werden overgelegd; 3° alle andere schuldvorderingen, die niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van tien jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar van hun ontstaan. Voor de schuldvorderingen die voortkomen uit vonnissen blijft evenwel de tienjarige verjaring gelden; zij dienen te worden uitbetaald door de zorg van de Deposito- en Consignatiekas ». Tot de inwerkingtreding van de wet van 16 mei 2003 « tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof » blijft die bepaling eveneens van toepassing, krachtens artikel 71, § 1, van de bijzondere financieringswet van 16 januari 1989, op de gemeenschappen en de 7 gewesten. Op grond van artikel 11 van de programmawet (II) van 27 december 2006 (Belgisch Staatsblad van 28 december 2006, derde uitgave), waarbij artikel 17 van de voormelde wet van 16 mei 2003 wordt gewijzigd, kan de inwerkingtreding van die wet van 16 mei 2003 door de Koning worden uitgesteld tot uiterlijk 1 januari 2010. Bij koninklijk besluit van 7 juni 2007 (Belgisch Staatsblad van 9 juli 2007) werd die inwerkingtreding, voor wat de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest betreft, uitgesteld tot 1 januari 2010. B.2. Vóór de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring bedroeg de gemeenrechtelijke verjaringstermijn dertig jaar. Het nieuwe artikel 2262bis, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd door voormelde wet, bepaalt dat de persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar, met uitzondering van de rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid, die verjaren door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon, waarbij die vorderingen in ieder geval verjaren door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan. Wanneer de rechtsvordering vóór de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998 is ontstaan, bepaalt artikel 10 van die wet bij wijze van overgangsmaatregel dat de nieuwe verjaringstermijnen waarin zij voorziet pas lopen vanaf haar inwerkingtreding. B.3. De feiten van het voor de verwijzende rechter hangende geschil en de motivering van de verwijzingsbeslissing doen ervan blijken dat het Hof wordt gevraagd of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij met zich meebrengt dat een gemeente zou worden verhinderd om in een aansprakelijkheidsgeding een vordering tot vrijwaring in te stellen tegen het Vlaamse Gewest, doordat voor schuldvorderingen op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van het Vlaamse Gewest is voorzien in een vijfjarige verjaringstermijn, te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan, terwijl voor vorderingen op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van een gemeente is voorzien in een verjaringstermijn die loopt vanaf de schadeverwekkende gebeurtenis (artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek), zodat een buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering, ingesteld door een derde tegen het Vlaamse Gewest en tegen een gemeente, in bepaalde omstandigheden als verjaard zou moeten worden beschouwd in zoverre ze is gericht tegen het 8 Vlaamse Gewest, maar niet in zoverre ze is gericht tegen de gemeente, die door de verjaring van de vordering tegen het Vlaamse Gewest zou worden verhinderd een vordering tot vrijwaring in te stellen tegen dat Gewest. B.4. Zoals het Hof in de arresten nrs. 32/96, 75/97, 5/99, 85/2001, 42/2002, 64/2002, 37/2003, 1/2004, 86/2004, 127/2004, 165/2004, 170/2004, 153/2006, 90/2007, 122/2007, 124/2007, 17/2008 en 97/2008 heeft geoordeeld, heeft de wetgever, door de vorderingen gericht tegen de Staat aan de vijfjarige verjaring te onderwerpen, een maatregel genomen die in verband staat met het nagestreefde doel dat erin bestaat de rekeningen van de Staat binnen een redelijke termijn af te sluiten. Er werd immers geoordeeld dat een dergelijke maatregel noodzakelijk was omdat de Staat op een bepaald ogenblik zijn rekeningen moet kunnen afsluiten : het is een verjaring van openbare orde, die noodzakelijk is in het licht van een goede comptabiliteit (Pasin., 1846, p. 287). Tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 6 februari 1970 werd herbevestigd dat « de Staat, die jaarlijks meer dan 150 miljard uitgeeft en met het bestuursapparaat werkt dat log, ingewikkeld, en dan nog overstelpt is met documenten en archiefstukken, […] wel een debiteur van gans bijzondere aard » is en dat « het wegens orderedenen geboden [is] zo spoedig mogelijk een einde te maken aan eisen die hun oorsprong vinden in achterstallige zaken » (Parl. St., Kamer, 1964-1965, nr. 971/1, p. 2; Parl. St., Senaat, 1966-1967, nr. 126, p. 4). Analoge argumenten verantwoorden tevens de bijzondere verjaringstermijn voor schuldvorderingen tegen het Vlaamse Gewest. De omstandigheid dat de verjaringstermijn van de schuldvorderingen tegen de Staat en het Vlaamse Gewest reeds een aanvang neemt op de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan - en bijgevolg daadwerkelijk bijna steeds voordat de vordering is ontstaan - vloeit voort uit het specifieke criterium dat wordt gehanteerd om de verjaringstermijn te berekenen. De keuze van dat criterium wordt verantwoord door de eigenheid van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten als schuldenaars van die vorderingen. Doordat die berekeningswijze een concrete verjaringstermijn oplevert van ten minste vier jaar na het ontstaan van de schuldvordering, dat wil zeggen vanaf het ogenblik dat alle constitutieve elementen aanwezig zijn, namelijk een fout, een schade en het oorzakelijke verband tussen beide, heeft de maatregel, rekening houdend met de doelstelling ervan, in beginsel geen onevenredige gevolgen. 9 B.5. In het arrest nr. 32/96 van 15 mei 1996 heeft het Hof echter geoordeeld dat de in artikel 100, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit bepaalde verjaringstermijn onevenredige gevolgen heeft voor personen die in de onmogelijkheid verkeren om binnen de wettelijke termijn in rechte te treden omdat de schade die zij hebben geleden pas na het verstrijken van die termijn tot uiting is gekomen. Om dezelfde redenen heeft het Hof in de arresten nrs. 153/2006 en 90/2007 vastgesteld dat de in het geding zijnde bepaling eveneens discriminerend is in zoverre zij voorziet in een vijfjarige verjaringstermijn voor vorderingen tot schadevergoeding op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van de overheid, wanneer de schade of de identiteit van de aansprakelijke pas na die termijn kunnen worden vastgesteld. B.6.1. De huidige prejudiciële vraag doet ervan blijken dat de verwijzende rechter de in het geding zijnde bepaling interpreteert in die zin dat de erin geregelde verjaringstermijn ten aanzien van een vordering tot vrijwaring begint te lopen op de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan de hoofdvordering is ontstaan. B.6.2. Die interpretatie leidt ertoe dat een tegen het Vlaamse Gewest gerichte vordering tot vrijwaring reeds kan zijn verjaard vooraleer ze kan worden ingesteld. B.7. In die interpretatie heeft de in het geding zijnde bepaling onevenredige gevolgen voor personen die in het kader van een aansprakelijkheidsgeding in de onmogelijkheid verkeren een vordering tot vrijwaring in te stellen en dient de prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord. B.8. De in het geding zijnde bepaling kan echter ook worden geïnterpreteerd in die zin dat de erin geregelde verjaringstermijn ten aanzien van een vordering tot vrijwaring begint te lopen op de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan het recht om de vordering tot vrijwaring in te stellen is ontstaan. B.9. In die interpretatie heeft de in het geding zijnde bepaling geen onevenredige gevolgen en dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : 1. Artikel 100, eerste lid, 1°, van de bij koninklijk besluit van 17 juli 1991 gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wanneer die bepaling in die zin wordt geïnterpreteerd dat de erin geregelde verjaringstermijn ten aanzien van een vordering tot vrijwaring begint te lopen op de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan de hoofdvordering is ontstaan. 2. Dezelfde bepaling schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet wanneer zij in die zin wordt geïnterpreteerd dat de erin geregelde verjaringstermijn ten aanzien van een vordering tot vrijwaring begint te lopen op de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan het recht om de vordering tot vrijwaring in te stellen is ontstaan. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 4 juni 2009. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.097 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div