← België

ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.100

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 18 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.100 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090618.2 Arrest- Rolnummer: 100/2009 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-06-22 Raadplegingen: 256 - laatst gezien 2026-06-30 16:54 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : In de door de verwijzende rechter aangenomen interpretatie schendt artikel 42, § 2, van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Uitkering tot levensonderhoud (rechtspleging) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: prejudiciële vraag over de artikelen 229, § 1, en 301, § 2, van het Burgerlijk Wetboek, artikel 1254, § 5, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals die artikelen respectievelijk zijn vervangen bij de artikelen 2, 7 en 22 van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding, en artikel 42, § 2, van dezelfde wet, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Namen. Burgerlijk recht - Echtscheiding - Uitkeringen tot levensonderhoud - Overgangsrecht. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 229,§1 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 301,§2 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1254,§5 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Wet - 27-04-2000 - 2 - 00 Link Justel databank 20000427-00 Wet - 27-04-2000 - 7 - 00 Link Justel databank 20000427-00 Wet - 27-04-2000 - 22 - 00 Link Justel databank 20000427-00 Wet - 27-04-2000 - 42,§2 - 00 Link Justel databank 20000427-00 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4484 Arrest nr. 100/2009 van 18 juni 2009 In zake : de prejudiciële vraag over de artikelen 229, § 1, en 301, § 2, van het Burgerlijk Wetboek, artikel 1254, § 5, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals die artikelen respectievelijk zijn vervangen bij de artikelen 2, 7 en 22 van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding, en artikel 42, § 2, van dezelfde wet, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Namen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 25 juni 2008 in zake C.C. tegen M.H., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 30 juni 2008, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Namen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 229, § 1, en 301, § 2, van het Burgerlijk Wetboek, 1254, § 5, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ze voortvloeien uit de artikelen 2, 7 en 22 van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding, alsmede artikel 42, § 2, van dezelfde wet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij, zelfs in geval van fout van de partij die de echtscheiding heeft verkregen, de partij die een tegenvordering heeft ingesteld na 1 september 2007 verhinderen zich te verzetten tegen de gevolgen inzake uitkering tot levensonderhoud van een hoofdvordering tot echtscheiding die werd ingesteld vóór die datum en die nadien gegrond werd verklaard op grond van de oude artikelen 229 en 231 van het Burgerlijk Wetboek, terwijl de hoofdeiser zijnerzijds de toepassing van het oude artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek geniet door de werking van een vonnis dat werd uitgesproken na de inwerkingtreding van de wet die de toepassingsvoorwaarden ervan wijzigt ? ». Memories zijn ingediend door : - C.C.; - M.H.; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 11 maart 2009 : - zijn verschenen : . Mr. V. Genin, advocaat bij de balie te Namen, voor C.C.; . Mr. N. Gendrin loco Mr. S. Humblet, advocaten bij de balie te Namen, voor M.H.; . Mr. A.-C. Rasson loco Mr. J. Bourtembourg, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil C.C. heeft bij dagvaarding van 7 juni 2007 de uitspraak van de echtscheiding ten nadele en ten laste van haar echtgenoot, M.H., gevorderd, op grond van de vroegere artikelen 229 en 231 van het Burgerlijk Wetboek. De verwijzende rechter heeft die hoofdvordering gegrond verklaard. Op 31 december 2007 heeft M.H. een tegenvordering ingesteld op grond van het nieuwe artikel 229, § 1, van het Burgerlijk Wetboek. Het verwijzende rechtscollege heeft die tegenvordering gegrond verklaard, na te hebben geoordeeld dat de ontvankelijkheid van die vordering moest worden beoordeeld op het ogenblik van de indiening daarvan en dat, aangezien ze was ingesteld na 1 september 2007, die vordering dus ontvankelijk was op grond van de nieuwe bepalingen betreffende de echtscheiding. In een betwisting betreffende de wet die van toepassing is op de uitkering tot levensonderhoud staan de partijen tegenover elkaar en is M.H. van mening dat de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding van toepassing was op die procedure. De Rechtbank van eerste aanleg te Namen heeft geoordeeld dat de door C.C. gevorderde uitkering tot levensonderhoud moest worden beoordeeld ten aanzien van het vroegere artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek, en zulks op grond van de overgangsbepaling vervat in artikel 42, § 2, tweede lid, van de wet van 27 april

  1. De rechter heeft geoordeeld dat het ging om een procedure die werd ingeleid vóór de inwerkingtreding van de voormelde wet en waarvoor geen eindvonnis was uitgesproken. De Rechtbank, die in aanmerking neemt, enerzijds, dat de tegenvordering losstond van de bewijsvoering van enige schuld van C.C., zodat het gegronde karakter ervan niet kon leiden tot het tenietdoen van het recht van laatstgenoemde op het verkrijgen van een uitkering tot levensonderhoud en, anderzijds, dat het nieuwe artikel 301, § 2, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek te dezen niet toepasbaar was, heeft geoordeeld dat daaruit het verschil in behandeling voortvloeide dat in herinnering is gebracht in de hiervoor vermelde prejudiciële vraag, die aan het Hof is voorgelegd. III. In rechte -A- Standpunt van C.C., hoofdeiseres voor de verwijzende rechter A.
  2. Het is niet de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 die, volgens C.C., de oorzaak zou zijn van de kennelijke discriminatie ten nadele van de hoofdverweerder. Het is het feit dat laatstgenoemde - die wel degelijk op de hoogte moest zijn van het bestaan van de nieuwe wet - zijn tegenvordering niet heeft betekend vóór de inwerkingtreding van de genoemde wet, wat de Rechtbank in staat zou hebben gesteld die vorderingen samen te beoordelen en, in voorkomend geval, de verweerster haar recht op een uitkering tot levensonderhoud te ontzeggen. Standpunt van M.H., hoofdverweerder voor de verwijzende rechter A.
  3. M.H. herinnert eraan dat er in de huidige stand van de rechtspraak en de rechtsleer twee strekkingen bestaan in verband met de kwestie van het recht dat toepasbaar is op de in het geding zijnde procedure. Volgens de eerste strekking is elke tegenvordering die in het raam van een vóór 1 september 2007 ingestelde hoofdvordering na die datum wordt geformuleerd, onderworpen aan de nieuwe wet : dat is het standpunt dat door de verwijzende rechter in aanmerking wordt genomen en dat uiteraard de oorzaak is van discriminatie. Volgens de tweede strekking, die zich met name baseert op artikel 42 van de wet van 27 april 2007, blijft de hele procedure onderworpen aan de vroegere wet, met inbegrip van een tegenvordering die is ingesteld na de inwerkingtreding van de nieuwe wet, waardoor bijgevolg kan worden bepaald welke regeling van toepassing is op de uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding. Dat is ook het standpunt dat de auteur van de memorie in aanmerking neemt. Die interpretatie maakt het bijgevolg mogelijk te oordelen dat het in de prejudiciële vraag aangevoerde verschil in behandeling niet bestaat. 4 Standpunt van de Ministerraad A.
  4. De Ministerraad brengt de twee standpunten van de rechtsleer in herinnering die door de hoofdverweerder zijn aangehaald in verband met de regeling die bij wijze van overgang toepasbaar is op de echtscheidingsprocedures die lopende zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 27 april
  5. Hij voegt daar een derde, volgens hem « sterk beperkend » standpunt aan toe, dat zich uitspreekt ten gunste van de onmiddellijke toepassing van de nieuwe enige echtscheidingsgrond wanneer de zaak in beraad is genomen vóór 1 september 2007 maar de beslissing slechts wordt uitgesproken nadien. De Ministerraad brengt vervolgens in herinnering dat het Hof van Cassatie onder gelding van de vroegere wet oordeelde dat, inzake echtscheiding, de zogenaamde « tegenvordering » niet een exclusief verdedigend en bijkomstig karakter had ten opzichte van de hoofdvordering, zodat er aldus wederzijdse en onderscheiden vorderingen bestonden. De Ministerraad oordeelt dat de doelstelling die wordt nagestreefd met artikel 42, § 2, van de voormelde wet van 27 april 2007, dat de toepassing handhaaft van de vroegere artikelen 229, 231 en 232 van het Burgerlijk Wetboek op de procedures die zijn ingeleid vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet en waarvoor geen eindvonnis is uitgesproken, een doelstelling is die eigen is aan het overgangsrecht : afwijken van het algemene principe van het overgangsrecht dat wil dat een nieuwe wetgeving onmiddellijk van toepassing zou zijn vanaf de inwerkingtreding ervan, met behoud van de toepassing van de vroegere wetgeving op de hangende procedures. Te dezen gaat het erom de debatten niet te moeten overdoen en aldus een toestroom van vorderingen tot heropening te vermijden op het ogenblik van de inwerkingtreding van de nieuwe wet. Het gemaakte onderscheid berust volgens de Ministerraad op een objectief criterium : de datum van indiening van de vordering tot echtscheiding. Dat criterium is tevens relevant ten aanzien van de nagestreefde doelstelling. De omstandigheid dat de tegenvorderingen die zijn ingesteld na de inwerkingtreding van de nieuwe wet, hunnerzijds worden beoordeeld ten aanzien van de nieuwe artikelen, zou niets veranderen aan die vaststelling. Het zijn enkel de nieuwe debatten, in verband met de indiening van de tegenvordering, die worden beoordeeld in het licht van de nieuwe wetgeving. Ten slotte is de Ministerraad van mening dat er een redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. Het nieuwe recht moet immers, terwijl tijdens een overgangsperiode de toepassing van het vroegere recht wordt gehandhaafd, snel kunnen worden toegepast. De Ministerraad voegt daaraan toe dat de periode van overgangsrecht lang genoeg was om het mogelijk te maken dat diegenen die, onder gelding van de oude wet, in een echtscheidingsprocedure waren gedagvaard als verweerders, een tegenvordering kunnen instellen waarop het overgangsrecht van toepassing zou zijn geweest. De prejudiciële vraag dient volgens de Ministerraad ontkennend te worden beantwoord. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen en het onderwerp van de prejudiciële vraag B.1.
  6. De artikelen 229 en 231 van het Burgerlijk Wetboek, die de echtscheiding wegens sommige vastgestelde gronden regelden, bepaalden vóór de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 : « Art.
  7. Ieder der echtgenoten kan echtscheiding vorderen op grond van overspel door de andere echtgenoot gepleegd ». 5 « Art.
  8. Ieder der echtgenoten kan echtscheiding vorderen op grond van gewelddaden, mishandeling of grove beledigingen door de andere echtgenoot jegens hem gepleegd ». B.1.
  9. Artikel 301, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, dat het recht op uitkering tot levensonderhoud regelde, bepaalde vóór de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 : « De rechtbank kan aan de echtgenoot die de echtscheiding heeft verkregen, uit de goederen en de inkomsten van de andere echtgenoot, een uitkering toekennen die, rekening houdend met zijn inkomsten en mogelijkheden, hem in staat stellen kan in zijn bestaan te voorzien op een gelijkwaardige wijze als tijdens het samenleven ». B.1.
  10. Artikel 1268 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde vóór de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 : « Aanvullende vorderingen en tegenvorderingen tot echtscheiding kunnen bij nieuwe op tegenspraak genomen conclusies worden ingesteld. Die vorderingen worden niet als nieuwe vorderingen beschouwd ». B.2.
  11. Artikel 229, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding, bepaalt : « De echtscheiding wordt uitgesproken wanneer de rechter vaststelt dat het huwelijk onherstelbaar ontwricht is. Het huwelijk is onherstelbaar ontwricht wanneer de voortzetting van het samenleven tussen de echtgenoten en de hervatting ervan redelijkerwijs onmogelijk is geworden ingevolge die ontwrichting. Het bewijs van de onherstelbare ontwrichting kan met alle wettelijke middelen worden geleverd ». B.2.
  12. Artikel 301, § 2, van het Burgerlijk Wetboek, gewijzigd bij artikel 7 van de voormelde wet van 27 april 2007, bepaalt : « Bij gebrek aan overeenkomst zoals bedoeld in § 1, kan de rechtbank in het vonnis dat de echtscheiding uitspreekt of bij een latere beslissing, op verzoek van de behoeftige echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud toestaan ten laste van de andere echtgenoot. De rechtbank kan het verzoek om een uitkering weigeren indien de verweerder bewijst dat verzoeker een zware fout heeft begaan die de voortzetting van de samenleving onmogelijk heeft gemaakt. 6 In geen geval wordt de uitkering tot levensonderhoud toegekend aan de echtgenoot die schuldig werd bevonden aan een in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403 of 405 van het Strafwetboek bedoeld feit dat is gepleegd tegen de persoon van de verweerder of aan een poging tot het plegen van een in de artikelen 375, 393, 394 of 397 van hetzelfde Wetboek bedoeld feit tegen diezelfde persoon. In afwijking van artikel 4 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering kan de rechter in afwachting dat de beslissing over de strafvordering in kracht van gewijsde is getreden, aan de verzoeker een provisionele uitkering toekennen, hierbij rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak. Hij kan het toekennen van deze provisionele uitkering ondergeschikt maken aan het stellen van een waarborg die hij bepaalt en waarvoor hij de nadere regels vaststelt ». B.2.
  13. Artikel 1254, § 5, van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij artikel 22 van de voormelde wet van 27 april 2007, bepaalt : « Tot aan de sluiting van de debatten kunnen de partijen of een van de partijen de zaak of het voorwerp van de vordering uitbreiden of wijzigen, tegenvorderingen of aanvullende vorderingen inleiden, en dit aan de hand van op tegenspraak genomen conclusies of door conclusies die aan de andere echtgenoot worden meegedeeld bij gerechtsdeurwaardersexploot of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs ». B.2.
  14. Artikel 42, § 2, van de voormelde wet van 27 april 2007 bepaalt : « De vroegere artikelen 229, 231 en 232 van hetzelfde Wetboek blijven van toepassing op de procedures van echtscheiding of scheiding van tafel en bed die zijn ingeleid voor de inwerkingtreding van deze wet en waarvoor geen eindvonnis is uitgesproken. Het recht op levensonderhoud na echtscheiding blijft bepaald door het bepaalde in de vroegere artikelen 301, 306, 307 en 307bis van hetzelfde Wetboek, onverminderd het bepaalde in de §§ 3 en 5 ». B.
  15. De verwijzende rechter heeft de echtscheiding van de beide echtgenoten uitgesproken op grond van de vroegere artikelen 229 en 231 van het Burgerlijk Wetboek, overeenkomstig de vordering van de eisende echtgenote, die werd geformuleerd in hoofdorde bij dagvaarding ingeleid vóór 1 september 2007, zijnde de datum van inwerkingtreding van de voormelde wet van 27 april
  16. In hetzelfde vonnis kent de rechter aan de eiseres een uitkering tot levensonderhoud toe op grond van artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek, vóór de wijziging ervan bij de voormelde wet van 27 april
  17. Bovendien verklaart de verwijzende rechter in hetzelfde vonnis de tegenvordering ontvankelijk die door de verwerende echtgenoot werd ingesteld na 1 september 2007 en verklaart die gegrond op basis van het nieuwe artikel 229, § 1, van het Burgerlijk Wetboek. 7 De verwijzende rechter, die van oordeel is dat de nieuwe wetgeving, en in het bijzonder de overgangsbepaling van het voormelde artikel 42, § 2, van de wet van 27 april 2007, het niet mogelijk maakt zich te verzetten tegen de toekenning van een uitkering tot levensonderhoud in het raam van een hoofdvordering die werd ingesteld vóór 1 september 2007, vraagt aan het Hof of de gedifferentieerde toepassing van de nieuwe wet op de hoofdvordering, enerzijds, en de tegenvordering, anderzijds, strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het Hof antwoordt op de vraag in de interpretatie van de bepaling die door de verwijzende rechter is voorgelegd en vanuit de toepassing die hij te dezen van de in het geding zijnde bepalingen heeft gemaakt, waarbij de wijze waarop hij die toepassing heeft gemaakt, niet door het Hof kan worden getoetst. Ten gronde B.4.
  18. De wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding, die de echtscheidingsgronden opheft waarin was voorzien in de artikelen 229, 231 en 232 van het Burgerlijk Wetboek, bepaalt in artikel 42, § 2, eerste lid, ervan dat die vroegere artikelen van toepassing blijven op de procedures van echtscheiding of scheiding van tafel en bed die zijn ingeleid vóór de inwerkingtreding van die wet en waarvoor geen eindvonnis is uitgesproken. Die overgangsbepaling vertaalt de bedoeling van de wetgever om, wat betreft de lopende procedures, af te wijken van de onmiddellijke toepassing van de wet van 27 april
  19. In het tweede lid ervan stelt dezelfde bepaling dat het recht op levensonderhoud na echtscheiding bepaald blijft door het bepaalde in de vroegere artikelen 301, 306, 307 en 307bis van het Burgerlijk Wetboek. B.4.
  20. In de door de verwijzende rechter aangenomen interpretatie zou de in het geding zijnde overgangsbepaling een verschil in behandeling in het leven roepen tussen, enerzijds, de partij die de echtscheiding heeft verkregen op grond van de vroegere wet en die bijgevolg, zelfs in geval van fout, recht heeft op een uitkering tot levensonderhoud en, anderzijds, de partij die de echtscheiding heeft verkregen op tegenvordering waarop, volgens de verwijzende rechter, de nieuwe wet moet worden toegepast en die bijgevolg de gevorderde uitkering tot levensonderhoud die door de eisende partij in hoofdvordering werd verkregen, niet mag 8 dwarsbomen, aangezien de nieuwe wet dat enkel nog mogelijk maakt indien wordt bewezen dat de verzoekende partij aan de oorsprong ligt van de onherstelbare ontwrichting. B.
  21. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie verzet zich niet ertegen dat de wetgever terugkomt op zijn oorspronkelijke doelstellingen om er andere na te streven. In het algemeen trouwens moet de overheid haar beleid kunnen aanpassen aan de wisselende vereisten van het algemeen belang. B.
  22. Indien de wetgever een beleidswijziging noodzakelijk acht, vermag hij te oordelen dat die beleidswijziging met onmiddellijke ingang moet worden doorgevoerd en is hij in beginsel niet ertoe gehouden in een overgangsregeling te voorzien. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn slechts geschonden indien de overgangsregeling of de afwezigheid daarvan tot een verschil in behandeling leidt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat of indien aan het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan. B.
  23. Artikel 42, § 2, van de wet van 27 april 2007 kan in die zin worden geïnterpreteerd dat, wanneer een echtscheidingsprocedure werd ingesteld vóór de inwerkingtreding van die wet, de daarin vermelde vroegere bepalingen van het Burgerlijk Wetboek van toepassing blijven op heel die procedure, met inbegrip van de tegenvordering die werd ingesteld na de inwerkingtreding van de wet. In die interpretatie zou het in de prejudiciële vraag aangeklaagde verschil in behandeling niet bestaan, vermits in het vonnis dat ten aanzien van de beide echtgenoten zou worden uitgesproken, zowel wat betreft hun echtscheiding als wat betreft hun recht op een uitkering tot levensonderhoud, toepassing zou worden gemaakt van de vroegere artikelen van het Burgerlijk Wetboek. In de interpretatie van de verwijzende rechter kan daarentegen geen enkele redelijke verantwoording worden gegeven voor het verschil in behandeling dat door het vermelde artikel in het leven wordt geroepen. Aangezien de situatie die ten grondslag ligt aan de vorderingen voor de rechter, dezelfde is - namelijk de ontwrichting van het huwelijk van twee echtgenoten die de echtscheiding wensen te verkrijgen -, kan zij immers niet verantwoorden dat daarop twee regelingen worden toegepast die zowel vanuit het oogpunt van de voorwaarden tot verkrijging van de echtscheiding als vanuit dat van het verkrijgen van een uitkering tot levensonderhoud verschillend zijn. 9 B.
  24. In de door de verwijzende rechter aangenomen interpretatie, dient de prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : In de door de verwijzende rechter aangenomen interpretatie schendt artikel 42, § 2, van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 18 juni
  25. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.100 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.