← België

ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.102

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 18 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.102 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090618.4 Arrest- Rolnummer: 102/2009 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-06-22 Raadplegingen: 316 - laatst gezien 2026-06-30 03:16 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 72, tweede lid, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de termijn van drie jaar waarover het slachtoffer van een arbeidsongeval beschikt om de beslissing tot genezenverklaring zonder blijvende arbeidsongeschiktheid te betwisten, een vaste termijn is. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Arbeidsrechtbank - Arbeidsongevallen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 72, tweede lid, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Hoei. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Arbeidsongevallen - Beslissing tot genezenverklaring zonder blijvende arbeidsongeschiktheid - Beroep - Verjaring - Privé-sector - Vaste termijn van drie jaar. Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - 72,L2 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4530 Arrest nr. 102/2009 van 18 juni 2009 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 72, tweede lid, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Hoei. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 8 oktober 2008 in zake de nv « Axa Belgium » tegen Laetitia Leroy, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 14 oktober 2008, heeft de Arbeidsrechtbank te Hoei de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 72, tweede lid, van de wet van 10 april 1971 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het bepaalt dat het slachtoffer van een arbeidsongeval in de privésector aan wie kennis is gegeven van een beslissing tot genezenverklaring zonder gevolgen, beschikt : - over een vaste termijn van drie jaar om die beslissing aan te vechten, terwijl het slachtoffer van een dergelijk ongeval met dezelfde gevolgen in de overheidssector volgens artikel 20 van de wet van 3 juli 1967, in samenhang gelezen met artikel 10, § 1, van het koninklijk besluit van 24 januari 1969, beschikt : - over een verjaringstermijn van drie jaar om die beslissing aan te vechten ? ». Memories zijn ingediend door : - de nv « Axa Belgium », waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 1170 Brussel, Vorstlaan 25; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 11 maart 2009 : - zijn verschenen : . Mr. V. Neuprez, advocaat bij de balie te Luik, voor de nv « Axa Belgium »; . Mr. P. Slegers en Mr. B. Fonteyn loco Mr. L. Depré, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers P. Martens en T. Merckx-Van Goey verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil L. Leroy was op 16 februari 2000 het slachtoffer van een ongeval op de weg naar en van het werk, terwijl zij in de privésector was tewerkgesteld. Zij is door de nv « Axa Belgium » vergoed voor tijdelijke algehele arbeidsongeschiktheid van 17 februari 2000 tot 23 februari

  1. Haar toestand is vanaf 24 februari 2000 geconsolideerd zonder toekenning van een graad van gedeeltelijke blijvende arbeidsongeschiktheid. Bij dagvaarding van 29 december 2003 vraagt zij om de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 toe te passen, aangezien zij van mening is dat de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid vanaf 24 februari 2000 op 5 pct. moet worden vastgesteld en dat zij op grond daarvan recht heeft op schadeloosstelling. Zij eist eveneens schadeloosstelling voor nieuwe periodes van arbeidsongeschiktheid in
  2. De Arbeidsrechtbank te Hoei, die op 14 januari 2004 bij verstek uitspraak doet, verklaart de eis van L. Leroy ontvankelijk en wijst, alvorens recht te doen ten gronde, een deskundige aan. De nv « Axa Belgium » tekent verzet aan tegen dat vonnis en voert aan dat de eis van L. Leroy, ongeacht of die eis als een rechtsvordering tot eerste evaluatie of als een rechtsvordering tot herziening wordt beschouwd, onontvankelijk is aangezien hij na het verstrijken van de bij de wet van 10 april 1971 vastgestelde termijn van drie jaar is ingesteld. Na de debatten te hebben heropend om het de partijen mogelijk te maken conclusies te nemen over de wenselijkheid om aan het Hof een prejudiciële vraag te stellen, stelt de Rechtbank op verzoek van L. Leroy de voormelde vraag. III. In rechte -A– A.1.
  3. De nv « Axa Belgium » is in hoofdorde van mening dat het in de prejudiciële vraag aangevoerde verschil in behandeling niet bestaat. Zij doet gelden dat de aard van de betwistingstermijn in de overheidssector, net zoals in de privésector, een vaste termijn is die ingaat op de datum van de kennisgeving van de beslissing door de administratie als werkgever, en niet, zoals de verwijzende rechter heeft geoordeeld, een verjaringstermijn die kan worden gestuit. De nv « Axa Belgium » beklemtoont dat het verschil, dat verband houdt met de specificiteiten van de procedure die van toepassing is in de overheidssector, waar het optreden van de Gerechtelijk-Geneeskundige Dienst (Medex) verplicht is, enkel betrekking heeft op de aanvangsdatum van de termijn en niet op de aard ervan. A.1.
  4. Subsidiair voert de nv « Axa Belgium » aan dat de situaties niet kunnen worden vergeleken, aangezien de werknemers die het slachtoffer zijn van arbeidsongevallen die bij de wet van 10 april 1971 zijn geregeld en zij die het slachtoffer zijn van arbeidsongevallen die bij de wet van 3 juli 1967 zijn geregeld, rechten hebben die op tal van punten grondig van elkaar verschillen, en aangezien de erkende verzekeraars en de administraties als werkgevers eveneens verschillende correlatieve verplichtingen hebben. De nv « Axa Belgium » haalt meerdere verschillen tussen beide regelingen aan. A.1.
  5. Ten slotte zet de nv « Axa Belgium » uiteen dat de vaste termijn die onmiddellijk ingaat in geval van kennisgeving van een beslissing tot genezenverklaring zonder gevolgen, veeleer dan een stuitbare verjaringstermijn, de bewaartermijn van de dossiers kan verkorten voor de erkende verzekeraars, en bijgevolg hun lasten kan verlichten. Die maatregel kan worden verklaard door een voor de privésector specifieke bekommernis om doeltreffendheid en evenwicht. A.
  6. De Ministerraad is van oordeel dat de verwijzende rechter twee onderscheiden rechtsvorderingen vergelijkt, de rechtsvordering tot betwisting van de beslissing tot genezenverklaring zonder blijvende arbeidsongeschiktheid en de rechtsvordering tot betaling, die worden ingesteld in het kader van twee verschillende regelingen. De Ministerraad zet uiteen dat de overheidssector de rechtsvordering tot betwisting van de beslissing tot genezenverklaring niet kent, en dat dat verschil tussen beide sectoren is verantwoord door de procedure voor de vergoeding van arbeidsongevallen in de overheidssector en in de privésector. In de privésector staat het aan de verzekeringsonderneming, krachtens artikel 24, eerste lid, van de wet van 10 april 1971, het slachtoffer van het ongeval genezen te verklaren zonder blijvende arbeidsongeschiktheid, bij een eenzijdige beslissing van de verzekeraar. De beslissing van de verzekeraar waarin wordt geconcludeerd dat het slachtoffer is genezen zonder blijvende arbeidsongeschiktheid, doet het recht op een rechtsvordering tot betwisting ontstaan. 4 In de overheidssector daarentegen kan geen enkele eenzijdige beslissing worden genomen, en is bijgevolg geen enkele rechtsvordering tot betwisting van een beslissing tot genezenverklaring zonder blijvende arbeidsongeschiktheid specifiek geregeld. De Ministerraad besluit daaruit dat beide regelingen elk een eigen logica volgen, en dat de vergeleken rechtsvorderingen noch hetzelfde onderwerp, noch hetzelfde oogmerk hebben. -B– B.1.
  7. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over artikel 72, tweede lid, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, dat bepaalt : « De getroffene of zijn rechthebbenden kunnen binnen de drie jaar die volgen op de dag van de in artikel 24 bedoelde kennisgeving, een rechtsvordering instellen tegen de beslissing tot genezenverklaring zonder blijvende arbeidsongeschiktheid. In dat geval kan de in het eerste lid bedoelde eis ingesteld worden binnen drie jaar die volgen op de datum van de in artikel 24 bedoelde beslissing ». B.1.
  8. De in artikel 24 bedoelde beslissing is die waarmee de erkende verzekeraar beslist dat het slachtoffer van het ongeval is genezen zonder blijvende arbeidsongeschiktheid. Van die beslissing wordt het slachtoffer in kennis gesteld. B.2.
  9. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over het verschil in behandeling dat bij de in het geding zijnde bepaling is ingevoerd tussen de werknemers van de privésector en de werknemers van de overheidssector die het slachtoffer zijn van een arbeidsongeval en die de beslissing tot genezenverklaring zonder blijvende arbeidsongeschiktheid die te hunnen aanzien is genomen, wensen te betwisten. B.2.
  10. De verwijzende rechter verwijst, met betrekking tot de rechtsvordering die openstaat voor de ambtenaren van de overheidsdiensten en die hij vergelijkt met de rechtsvordering tegen de beslissing tot genezenverklaring zonder blijvende arbeidsongeschiktheid waarover de werknemers van de privésector beschikken, naar artikel 20 van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector en naar artikel 10, § 1, van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding ten gunste van de personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk. Volgens de motieven van het vonnis waarin het Hof wordt ondervraagd, leidt de verwijzende 5 rechter uit die bepalingen af dat het slachtoffer van een arbeidsongeval dat genezen is verklaard zonder blijvende arbeidsongeschiktheid, in de overheidssector over een verjaringstermijn van drie jaar beschikt om die beslissing te betwisten, namelijk een termijn die kan worden gestuit of geschorst, terwijl de persoon in dezelfde situatie in de privésector slechts over een vaste termijn van drie jaar beschikt, namelijk een termijn die niet kan worden gestuit of geschorst, om die beslissing te betwisten. B.
  11. De verwerende partij voor de verwijzende rechter en de Ministerraad zijn van oordeel dat de werknemers van de privésector en die van de overheidssector zich in essentieel verschillende situaties bevinden, en dat de door de verwijzende rechter vergeleken rechtsvorderingen niet vergelijkbaar zijn. B.4.
  12. Door de objectieve verschillen tussen beide categorieën van werknemers is het verantwoord dat zij aan verschillende systemen worden onderworpen, zodat kan worden aanvaard dat bij een nadere vergelijking van beide systemen verschillen in behandeling aan het licht komen, nu eens in de ene zin, dan weer in de andere, onder voorbehoud dat elke regel dient overeen te stemmen met de logica van het systeem waarvan die regel deel uitmaakt. B.4.
  13. Door de eigen logica van elk systeem zijn verschillen verantwoord, meer bepaald wat de procedureregels, het bedrag en de uitvoeringsbepalingen van de vergoeding betreft. Het behoort tot de bevoegdheid van de wetgever te beoordelen of een grotere gelijkschakeling wenselijk is en te bepalen op welk tijdstip en op welke wijze via concrete maatregelen vorm moet worden gegeven aan een grotere eenvormigheid tussen beide regelgevingen. B.
  14. Het is juist, zoals de Ministerraad en de tussenkomende partij doen opmerken, dat de procedures met betrekking tot de genezenverklaring zonder gevolgen van een slachtoffer van een arbeidsongeval op meerdere punten tussen beide systemen verschillen. Desalniettemin, wanneer het slachtoffer van een arbeidsongeval in de privésector genezen wordt verklaard zonder blijvende arbeidsongeschiktheid en die beslissing wenst te betwisten en bijgevolg vergoedingen wenst te verkrijgen die een blijvende arbeidsongeschiktheid compenseren, kan de logica van het vergoedingsstelsel in die sector niet verantwoorden dat de rechtsvordering waarover het slachtoffer beschikt, is onderworpen aan een termijn die niet kan worden gestuit of geschorst. 6 Noch de contractuele aard van de band die hem met zijn werkgever verbindt, noch de aard van de in de privésector uitgevoerde taken, noch de procedure voor de vergoeding van arbeidsongevallen, noch ten slotte het private karakter van de verzekeringsmaatschappijen die in die sector optreden, kunnen immers verantwoorden dat een vaste termijn wordt opgelegd aan de werknemer van de privésector die het slachtoffer is van een arbeidsongeval en die de beslissing tot genezenverklaring zonder blijvende arbeidsongeschiktheid die te zijnen aanzien door de verzekeraar is genomen, wenst te betwisten. B.
  15. Zulks geldt des te meer daar de in artikel 69 van de wet van 10 april 1971 bedoelde rechtsvorderingen tot betaling van de vergoedingen gepaard gaan met een verjaringstermijn, terwijl de bij artikel 72, eerste lid, vastgestelde vaste termijn betrekking heeft op de eis tot herziening van de vergoedingen op grond van een wijziging van de arbeidsgeschiktheid van het slachtoffer die zich ten gevolge van een gebeurtenis na het ongeval heeft voorgedaan. Aangezien de rechtsvordering tot betwisting van de beslissing tot genezenverklaring zonder blijvende arbeidsongeschiktheid geen eis tot herziening is maar aansluit bij een rechtsvordering tot betaling van vergoedingen, is het niet redelijk verantwoord dat die rechtsvordering met een vaste termijn en niet met een verjaringstermijn gepaard zou moeten gaan. B.
  16. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 72, tweede lid, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de termijn van drie jaar waarover het slachtoffer van een arbeidsongeval beschikt om de beslissing tot genezenverklaring zonder blijvende arbeidsongeschiktheid te betwisten, een vaste termijn is. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 18 juni
  17. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.102 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.020 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.