← België

ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.107

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 09 juli 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.107 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090709.4 Arrest- Rolnummer: 107/2009 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-15 Raadplegingen: 338 - laatst gezien 2026-06-30 03:23 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof - vernietigt artikel 21 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 25 april 2008 tot vaststelling van de voorwaarden om te kunnen voldoen aan de leerplicht buiten het onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, in zoverre het van toepassing is op de kinderen die bij artikel 18 van dat decreet worden beoogd; - verwerpt het beroep voor het overige, onder voorbehoud van wat is vermeld in B.9.

  1. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONDERWIJS - Leerplicht Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van het decreet van de Franse Gemeenschap van 25 april 2008 tot vaststelling van de voorwaarden om te kunnen voldoen aan de leerplicht buiten het onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, ingesteld door de vzw « Ecole Notre-Dame de la Sainte-Espérance » en anderen. Grondwettelijk recht - Bevoegdheden van de Gemeenschappen - Franse Gemeenschap - Onderwijs - Huisonderwijs - Territoriaal toepassingsgebied. # Onderwijs - Verplichte inschrijving in een door de Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde inrichting - a. Twee opeenvolgende negatieve controles van het studieniveau - b. Niet slagen voor de proeven voor het behalen van een getuigschrift. # Rechten en vrijheden -
  2. Onderwijsvrijheid - Vrijheid van meningsuiting -
  3. Rechten van het kind - Recht op onderwijs -
  4. Vrijheid van het gebruik van de talen. Wettelijke bepalingen: Decreet Franse Gemeenschap - 25-04-2008 - 18 - 33 ELI link Pub nr 2008029287 Decreet Franse Gemeenschap - 25-04-2008 - 21 - 33 ELI link Pub nr 2008029287 Tekst van de beslissing Rolnummer 4507 Arrest nr. 107/2009 van 9 juli 2009 ___________ In zake : het beroep tot vernietiging van het decreet van de Franse Gemeenschap van 25 april 2008 tot vaststelling van de voorwaarden om te kunnen voldoen aan de leerplicht buiten het onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, ingesteld door de vzw « Ecole Notre-Dame de la Sainte-Espérance » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 29 augustus 2008 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 1 september 2008, is een beroep tot vernietiging ingesteld van het decreet van de Franse Gemeenschap van 25 april 2008 tot vaststelling van de voorwaarden om te kunnen voldoen aan de leerplicht buiten het onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 juni 2008), door de vzw « Ecole Notre-Dame de la Sainte-Espérance », met maatschappelijke zetel te 1050 Brussel, Eendrachtsstraat 37, de vzw « Schola Nova », met maatschappelijke zetel te 1315 Incourt, rue de Brombais 11, Serge Bya en Ysabel Martinez Ovando, wonende te 1348 Louvain-la-Neuve, Cour de la Ciboulette 17/102, François Croonen en Marie Brabant, wonende te 1160 Brussel, Guillaume Dekelverstraat 49, Clothilde Coppieters de Gibson, wonende te 7911 Oeudeghien, Chaussée de Brunehaut 48, Alain Mossay en Catherine Frankart, wonende te 6900 Marche-en-Famenne, rue Hubert Gouverneur 17, Etienne Cassart en Sophie Adam, wonende te 6690 Vielsalm, Cahay 96, Jean- Claude Verduyckt en Yolande Garcia Palacios, wonende te 6470 Sautin, Les Bruyères 1, Jérémie Detournay en Sophie Calonne, wonende te 7880 Vloesberg, Potterée 9, Luc Lejoly en Vinciane Devuyst, wonende te 5020 Malonne, Basses-Calenges 3, Blair Bonin en Dina Gautreaux, wonende te 1348 Louvain-la-Neuve, rue du Bassinia 22, Pierre Wathelet en Ingrid Van den Perreboom, wonende te 4020 Luik, rue de Porto 51, en Dominique Buffet en Mélanie Ducamp, wonende te 5600 Roly, place Saint-Denis
  5. De vordering tot schorsing van hetzelfde decreet, ingesteld door dezelfde verzoekende partijen, is verworpen bij het arrest nr. 158/2008 van 6 november 2008, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 27 januari
  6. De Ministerraad en de Franse Gemeenschapsregering hebben memories ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad en de Franse Gemeenschapsregering hebben ook memories van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 17 maart 2009 : - zijn verschenen : . Mr. R. Lefebvre, advocaat bij de balie te Dinant, voor de verzoekende partijen; . Mr. V. Vander Geeten loco Mr. F. Gosselin, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; . Mr. J. Merodio loco Mr. M. Merodio, advocaten bij de balie te Luik, voor de Franse Gemeenschapsregering; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. 3 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang A.
  7. De eerste twee verzoekende partijen zijn twee verenigingen zonder winstoogmerk (vzw) met als maatschappelijk doel respectievelijk het organiseren van een katholiek onderwijs, vooral basisonderwijs, en het organiseren van een onderwijs met het oog op het bevorderen van de Latijnse en de Griekse taal en de cultuur in het algemeen. De andere verzoekende partijen zijn ouders van een kind dat leerling is van de eerste verzoekende partij (de vierde verzoekers), de moeder van kinderen die in Frankrijk onderwijs volgen in vrije scholen buiten overeenkomst (de vijfde verzoekster), en ouders die thuis onderwijs verstrekken aan hun kinderen. De verzoekende partijen doen in die verschillende hoedanigheden blijken van hun belang om het decreet aan te vechten van de Franse Gemeenschap van 25 april 2008 tot vaststelling van de voorwaarden om te kunnen voldoen aan de leerplicht buiten het onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap. Ten aanzien van de context van de bestreden bepalingen A.2.
  8. Wat de context van dat decreet betreft, brengen de verzoekende partijen in herinnering dat tot in 1999 geen enkele specifieke controlemaatregel voor het huisonderwijs noodzakelijk was gebleken en dat van 1914 tot 1983 er geen enkele specifieke controle bestond voor de niet-gesubsidieerde vrije scholen; zij vragen zich derhalve af welke de ware redenen zijn die de wetgever ertoe hebben gebracht om inzake huisonderwijs een dermate restrictief reglement op te leggen dat de vrijheid van onderwijs daardoor wordt genegeerd en dat elk familiaal educatief project praktisch onmogelijk wordt gemaakt. A.2.
  9. De toename van het aantal kinderen dat huisonderwijs krijgt, wordt scheef bekeken door de wetgever die, zoals blijkt uit een reeks verklaringen van de Gemeenschap, het onderwijs lijkt te willen beheersen om de geesten te vormen volgens een vooraf bepaald ideologisch beleid. Dat « totalitair beleid » wordt onder meer bevestigd door het feit dat de wetgever een Commissie voor het huisonderwijs instelt, maar aan de Regering de zorg voorbehoudt om kennis te nemen van de beroepen tegen de beslissingen van die Commissie - waardoor een situatie wordt gecreëerd die analoog is met die van de belastingplichtigen onder de gelding van de vroegere artikelen 366 tot 377 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen -, alsmede door het feit dat er voor de betrokken partijen geen enkele mogelijkheid bestaat om de door de Regering als rechter voor de geschillen aangestelde ambtenaar te wraken. A.2.
  10. De verzoekers hebben des te meer redenen om argwaan te hebben jegens de diensten van de Gemeenschap (tegen wier beslissingen eventuele beroepen bij de Raad van State geen volle rechtsmacht zouden hebben) daar zij in een brief de ouders van de kinderen die huisonderwijs volgen op de hoogte hebben gebracht van het feit dat, enerzijds, de dienst voor de controle van de schoolplicht na 30 september eerstkomend geen enkele aangifte van huisonderwijs of onderwijs in een gesubsidieerde vrije instelling in aanmerking zal nemen – wat in strijd is met de artikelen 8 en 9 van de gecoördineerde wetten op het lager onderwijs, krachtens welke de ouders nog over een termijn van acht dagen beschikken om die aangifte te doen nadat zij officieel zijn verwittigd - en dat, anderzijds, het onmogelijk is om het ingericht of gesubsidieerd onderwijs te verlaten om in de loop van het jaar naar een andere onderwijsvorm over te gaan - wat in strijd is met artikel 4 van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht en de vrijheid van onderwijs schendt doordat de ouders worden verhinderd van onderwijssysteem te veranderen. 4 A.2.
  11. Ten slotte hebben de eerste verzoekende partij en ouders van betrokken kinderen in 1999 bij de Raad van State een beroep ingesteld tot vernietiging van het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 21 mei 1999 tot vaststelling van de voorwaarden om te kunnen voldoen aan de leerplicht door het verstrekken van onderwijs aan huis : dat besluit werd vernietigd bij een arrest van 30 mei 2006, op grond van een door de Raad van State ambtshalve opgeworpen middel dat was afgeleid uit de onbevoegdheid van de auteur van de akte, aangezien hij aangelegenheden had geregeld die niet van ondergeschikte orde waren en waarvan de beginselen vooraf door de wetgever hadden moeten worden vastgesteld. Ten aanzien van de omvang van het beroep A.
  12. De verzoekende partijen stellen vast dat het Hof, in het arrest nr. 158/2008 dat op hun vordering tot schorsing is gewezen, zijn onderzoek tot de bestreden bepalingen heeft beperkt. Terwijl zij die beperking aanvaarden, zijn zij van mening dat sommige bepalingen van het decreet die niet uitdrukkelijk worden aangevochten, evenwel zonder voorwerp zouden worden wanneer andere die wel uitdrukkelijk worden aangevochten, worden vernietigd, met name die betreffende de mogelijkheid om af te wijken van een maatregel waarvan het beginsel wordt betwist; zij herinneren eraan dat het vierde en vijfde middel in verband met de territoriale onbevoegdheid ertoe strekken te laten erkennen dat het decreet in geen geval kan worden toegepast in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. Ten aanzien van de middelen A.4.
  13. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de vrijheid van onderwijs die bij artikel 24, inzonderheid § 1, eerste en tweede lid, van de Grondwet wordt gewaarborgd. A.4.
  14. De verzoekende partijen bekritiseren in de eerste plaats het vage karakter van verschillende bewoordingen in het decreet. De afdeling wetgeving van de Raad van State had trouwens gewezen op het vage en onduidelijke karakter van de woorden « voldoende studieniveau » die werden vervangen door een al even vaag « gelijkwaardig studieniveau ». Al even vaag is het begrip « individueel opleidingsplan » dat zou moeten worden uitgewerkt en voorgelegd, zelfs in een niet-gesubsidieerde privéschool. Op grond van het vage karakter van de aan de inspectie verleende bevoegdheden zou de inspecteur ook kunnen beslissen dat een onderwijs dat geen gebruik zou maken van de raadpleging van het internet en andere informatica- en audiovisuele middelen ontoereikend is, terwijl de ouders en de schooldirecteurs het recht hebben om die middelen op pedagogisch en educatief vlak als schadelijk te beoordelen. A.4.
  15. De verzoekers zijn van mening dat de « onrechtmatige » pedagogische verplichtingen die bij het decreet worden opgelegd, eveneens in strijd zijn met de vrijheid van onderwijs : de aan de inspectie voor te leggen documenten, de mogelijke controle van de schoolplicht op elk ogenblik, de proeven tot het behalen van een getuigschrift op straffe van de verplichte inschrijving in een door de Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde school. De vereiste te slagen voor die proeven tot het behalen van een getuigschrift heeft trouwens tot gevolg dat de te onderwijzen materies niet kunnen worden geprogrammeerd volgens een chronologie die verschilt van die van het door de Gemeenschap ingericht of gesubsidieerd onderwijs. A.
  16. In zijn memorie stelt de Ministerraad vast dat ruimschoots rekening is gehouden met het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State en dat geenszins moet worden gevreesd voor willekeur vanwege de Algemene Inspectiedienst. In verband met artikel 11 heeft de decreetgever gepreciseerd dat die bepaling het referentiekader van het studieniveau vaststelt, maar dat, gelet op de vrijheid van onderwijs, geen sprake ervan kan zijn de basisvaardigheden, de eindvaardigheden, de vereiste gemeenschappelijke kennis of de minimale vaardigheden als dusdanig te doen in acht nemen. 5 Het doel van de controle bestaat niet erin de filosofische opvattingen te controleren, maar de kwaliteit van de opleiding te verzekeren, zodat alle kinderen een studieniveau kunnen verwerven dat gelijkwaardig is aan de minimale vaardigheden en de doelstellingen die zijn gedefinieerd in het « decreet taken » van 24 juli 1997, waarvan de inhoud voor het overige te dezen niet kan worden bekritiseerd, vermits het een andere norm dan het bestreden decreet betreft. Het is trouwens naar aanleiding van een opmerking van de Raad van State dat de beslissingsbevoegdheid inzake huisonderwijs is toevertrouwd aan een commissie samengesteld uit ambtenaren, waarbij een dergelijke delegatie voor het overige niet in strijd is met artikel 24 van de Grondwet. Het middel faalt ten slotte in rechte in zoverre het een verplichte inschrijving van het kind aanvoert wanneer de Algemene Inspectiedienst het studieniveau ontoereikend zou bevinden. Een eventuele verplichte inschrijving in een onderwijsinrichting vloeit immers niet voort uit het bestreden decreet, maar uit de tenuitvoerlegging ervan, vermits de beslissing houdende de verplichte inschrijving noodzakelijkerwijs voortvloeit uit een administratieve beslissing die het voorwerp kan uitmaken van het georganiseerde beroep waarin het decreet voorziet en die kan worden voorgelegd aan de toetsing van de Raad van State. Het studieniveau wordt aldus gecontroleerd door de Algemene Inspectiedienst, die een verslag uitbrengt waarover de Commissie voor het huisonderwijs zich uitspreekt, waarbij de voor de minderjarige verantwoordelijke personen de mogelijkheid hebben hun opmerkingen voor die Commissie aan te voeren. Een eerste negatieve beslissing zal leiden tot een tweede controle van het studieniveau onder dezelfde voorwaarden, en slechts indien het eerste verslag wordt bevestigd, zal de minderjarige moeten worden ingeschreven in een door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde inrichting, met de mogelijkheid om beroep in te stellen voor de Franse Gemeenschapsregering, waarbij de beslissing van die laatstgenoemde het voorwerp kan uitmaken van een beroep tot nietigverklaring, tot schorsing of tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid voor de Raad van State. A.6.
  17. In hun memorie van antwoord verwonderen de verzoekende partijen zich in de eerste plaats erover dat de Ministerraad optreedt om het decreet integraal te verdedigen, terwijl zijn belang is beperkt tot het vierde middel, en stellen zij vast dat zijn memorie een nagenoeg letterlijke overname is van de memorie die in het kader van de schorsingsprocedure is ingediend. A.6.
  18. Het feit dat de tekst de woorden « voldoende studieniveau » heeft vervangen door de woorden « een met de basisvaardigheden gelijkwaardig studieniveau » komt niet tegemoet aan de kritiek in verband met de gevolgen van het « decreet taken » bij de toepassing van het bestreden decreet. De verzoekers hebben dat decreet indertijd immers niet kunnen bestrijden omdat het niet op hen van toepassing was; het decreet van 25 april 2008 verplicht hen dat « decreet taken » na te leven, enerzijds, rechtstreeks, door hun de verplichting op te leggen de doelstellingen van het decreet na te streven en, anderzijds, indirect, door hen te verplichten een studieniveau te verwerven dat « gelijkwaardig » is aan de basisvaardigheden. Terwijl hij aanvoert dat het decreet zich niet mengt in de religieuze of filosofische beoordelingen van het huisonderwijs, aarzelt de Ministerraad overigens niet om aan te voeren dat de Gemeenschap een recht van inmenging in de onderwezen materies heeft. A.6.
  19. Ten aanzien van de bewering van de Ministerraad volgens welke niet het decreet de vrijheid van onderwijs aantast, maar de tenuitvoerlegging ervan, antwoorden de verzoekende partijen dat die redenering absurd is, daar zij ertoe leidt te beschouwen dat eender welke wet die de administratie ermee belast die toe te passen, niet het voorwerp zou kunnen uitmaken van een beroep tot vernietiging voor het Hof. Indien het beroep tot vernietiging wordt verworpen, dient ten slotte te worden gevreesd dat de administratieve beslissingen die zullen steunen op de bewust gekozen vage en onrechtmatige criteria van het decreet zullen ontsnappen aan de toetsing door de Raad van State, in zoverre die laatstgenoemde zal oordelen dat de uitvoerende macht geen klaarblijkelijke beoordelingsvergissing heeft begaan bij de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid. A.
  20. De Ministerraad repliceert in de eerste plaats dat hij, overeenkomstig artikel 85 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, het recht heeft een memorie in te dienen in het kader van een beroep dat is gericht tegen een decreet van de Franse Gemeenschap. 6 Overigens is hij van mening dat de verwijzing naar « gelijkwaardig studieniveau » geen vaag begrip is, maar dat het een heel precieze objectieve inhoud heeft, namelijk de vereisten gelet op de basisvaardigheden bepaald in het « decreet taken ». Voor het overige heeft de Ministerraad nooit beweerd, zoals de verzoekende partijen doen, dat de decreetgever het recht zou hebben zich te mengen in de godsdienstige of filosofische appreciaties van het huisonderwijs, maar heeft hij zich ertoe beperkt eraan te herinneren dat, overeenkomstig de grondwettelijke rechtspraak, de vrijheid van onderwijs niet onbeperkt is. Te dezen heeft de decreetgever aan de Algemene Inspectiedienst criteria willen bezorgen voor de controle van de kennis die elk kind moet verwerven, gelet op de onderwijstaken van de Franse Gemeenschap. A.
  21. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van artikel 24, § 1, in samenhang gelezen met artikel 19, van de Grondwet. Door de verplichting op te leggen dat het onderwijs dat wordt verstrekt buiten het door de Gemeenschap ingericht of gesubsidieerd onderwijs de doelstellingen nastreeft die zijn vastgelegd in het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs, in overeenstemming is met titel II van de Grondwet en geen waarden vooropstelt die klaarblijkelijk onverenigbaar zijn met het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, beantwoordt het aangevochten decreet volgens de verzoekers aan « totalitaire bedoelingen die vijandig staan tegenover de vrijheid van onderwijs ». Zoals reeds in de memorie van toelichting bij het « opdrachtendecreet » werd onderstreept, wil de Gemeenschap aldus het onderwijs en de opleiding uniformiseren door te verbieden dat de ouders of de leerkrachten de kinderen onderwijs verstrekken en opvoeden volgens waarden of opvattingen die verschillen van die welke thans door de Gemeenschap worden erkend, waarden die morgen misschien verouderd zullen zijn. De verzoekers stellen bijvoorbeeld vast dat de ouders of leerkrachten, om niet homofoob over te komen, niet meer zouden mogen herinneren aan de vernietiging van de steden Sodom en Gomorra, aan het tragische einde van Herculanum en Pompeï, of bepaalde auteurs uit de oudheid niet meer zouden mogen citeren. Zo ook worden beginselen - zoals de evolutietheorie van Darwin - voorgesteld als onbetwistbare wetenschappelijke waarheden die moeten worden onderwezen, terwijl zij slechts een « hypothese » vormen. Het decreet schendt aldus de « vrije keuze » van de ouders en leerkrachten, vermits een onderwijs dat niet zou samenvallen met de filosofische of ideologische opvattingen van het decreet dwingende sancties riskeert, zoals de verplichting om het kind, wanneer het niet slaagt, in te schrijven in een door de Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde school. A.9.
  22. In zijn memorie is de Ministerraad van mening dat het middel in rechte faalt in zoverre daarin het « decreet taken » wordt bekritiseerd, dat losstaat van het bestreden decreet, en in zoverre daarin de gevolgen worden aangevoerd van een negatieve controle die zou kunnen leiden tot de verplichte inschrijving in een onderwijsinrichting. A.9.
  23. Voor het overige tracht het bestreden decreet een moeilijk evenwicht tot stand te brengen tussen verschillende vereisten : de daadwerkelijke uitvoering van de schoolplicht waarborgen, het recht op kwalitatief onderwijs waarborgen en het beginsel van de vrijheid van onderwijs waarborgen. Dat evenwicht is moeilijk om te bereiken omdat, enerzijds, de keuze van de ouders voor huisonderwijs of een privéschool een gewettigde keuze is en, anderzijds, de Franse Gemeenschap ervoor moet zorgen dat die onderwijsvormen voor de kinderen geen ongunstige situaties met zich meebrengen. In dat opzicht is de in de Grondwet verankerde vrijheid van onderwijs geen absolute vrijheid en verzet zij zich niet ertegen dat de decreetgever voorwaarden oplegt die die vrijheid beperken, met name wat de vorm en de inhoud van het onderwijs en de filosofische, religieuze of ideologische keuzes betreft. De Raad van State, bij wie de eerste verzoekende partij een beroep aanhangig heeft gemaakt tot schorsing van het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 21 mei 1999 tot vaststelling van de voorwaarden om te kunnen voldoen aan de leerplicht door het verstrekken van onderwijs aan huis, heeft in zijn arrest nr. 87.093 overigens geoordeeld dat de bij artikel 24 van de Grondwet gewaarborgde vrijheid van onderwijs niet is geschonden wanneer een norm het mogelijk maakt na te gaan of alle leerlingen een gelijkwaardig studieniveau genieten. Te dezen heeft de wetgever geen oordeel willen vellen over de in het kader van huisonderwijs meegegeven filosofische waarden, maar de Algemene Inspectiedienst alleen controlecriteria willen aanreiken door te 7 verwijzen naar de onderwijstaken die de Franse Gemeenschap in het « decreet taken » nastreeft. Dat doel is volkomen in overeenstemming met de vrijwaring van het algemeen belang en schendt dus niet artikel 24 van de Grondwet. A.10.
  24. De verzoekende partijen antwoorden dat er een - gewilde – verwarring bestaat tussen, enerzijds, de door middel van overheidsgeld ingerichte of gesubsidieerde onderwijsnetten en, anderzijds, de netten en particulieren die ervoor hebben gekozen daarvan niet afhankelijk te zijn. De wetgever is de grenzen van de naleving van de vrijheid van onderwijs te buiten gegaan door het beginsel te vestigen dat in alle netten en zelfs in het huisonderwijs de leerplannen en de verworven kennis voor alle kinderen dezelfde moeten zijn. Zoals blijkt uit verschillende verklaringen van de organen van de Gemeenschap effent het bestreden decreet aldus het pad voor een unieke school met een uniek leerplan - zoals dat overigens de utopische droom was van Napoleon Bonaparte – voor alle netten, ook voor het huisonderwijs. A.10.
  25. In verband met de verwijzing naar het arrest nr. 87.093 van de Raad van State antwoorden de verzoekende partijen dat dat arrest in het stadium van de vordering tot schorsing op voorlopige wijze is gewezen door een alleenzetelend magistraat die voor de grond van het geschil is gewraakt; het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 21 mei 1999 is overigens uiteindelijk op eensluidend advies van de auditeur vernietigd wegens onbevoegdheid, dus zonder onderzoek van de grond van de aangevoerde middelen, zodat het in het kader van de schorsing gewezen arrest geen jurisprudentiële waarde heeft; ten slotte bevatte het genoemde arrest een verwarring tussen, enerzijds, de beperkingen die kunnen worden opgelegd aan het gesubsidieerd onderwijs en, anderzijds, het absolute verbod van elke « preventieve maatregel » ten aanzien van het werkelijk vrij onderwijs. A.
  26. De Ministerraad repliceert dat het voormelde arrest van de Raad van State, zelfs al is het uitgesproken door een alleenzetelend magistraat in het kader van een vordering tot schorsing, gezag van gewijsde heeft zoals elk ander arrest, en dat gezag van gewijsde verhindert dat de vordering opnieuw wordt ingesteld. Het feit dat het bestreden besluit vernietigd is, ontneemt niets aan de relevantie van het voormelde arrest, vermits het vernietigingsarrest zich geenszins heeft uitgesproken over de middelen die door de verzoekende partijen zijn aangevoerd, en heeft de redenering die in het kader van de schorsing werd gevolgd dus geenszins in het geding gebracht. A.
  27. Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De verzoekers, die verwijzen naar het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, zijn van mening dat artikel 21 van het decreet een discriminatie teweegbrengt tussen de minderjarigen die thuis onderwezen worden en die, in geval van niet-slagen voor de proeven of de examens, in een door de Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde school moeten worden ingeschreven en de anderen, die hun onderwijs zullen kunnen voortzetten zonder van instelling te veranderen, zelfs in geval van niet-slagen of van leerachterstand. Terwijl het niet-slagen van een kind te wijten kan zijn aan emotionele, affectieve of voorbijgaande factoren die het kunnen verhinderen zijn verworven kennis te bewijzen, vertrekt het decreet aldus van de opvatting dat het niet-slagen van het kind dat huisonderwijs volgt, te wijten is aan het type van onderwijs, maar dat het niet-slagen in het ingericht of gesubsidieerd onderwijs te wijten zou zijn aan de middelmatigheid van de leerling. Die discriminatie wordt nog versterkt door het feit dat het « opdrachtendecreet » voorziet in, enerzijds, een aanpassing van de proef die leidt tot de toekenning van het getuigschrift van basisonderwijs voor de instellingen die een afwijking van de eindtermen genieten, en, anderzijds, in de mogelijkheid voor de examenjury om het getuigschrift van basisonderwijs toe te kennen aan een leerling die ingeschreven is in het zesde jaar van het lager onderwijs die niet geslaagd is of niet heeft kunnen deelnemen aan de gezamenlijke externe proef. A.
  28. In zijn memorie is de Ministerraad van mening dat het middel in rechte faalt in zoverre het een verschil in behandeling bekritiseert dat zou worden « versterkt » door een decreet dat losstaat van het bestreden decreet. In elk geval heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State, hoewel zij heeft gesteld dat het huidige artikel 21 een verschil in behandeling zou kunnen teweegbrengen tussen de kinderen die huisonderwijs volgen 8 en de anderen, dat beginsel evenwel niet veroordeeld, maar gewoon geëist dat dat verschil in behandeling wordt uitgelegd in de commentaar bij de bepaling, hetgeen de wetgever heeft gedaan. De wetgever heeft aldus een objectieve verantwoording voor de verplichte inschrijving gegeven, namelijk het willen voorkomen dat een minderjarige die huisonderwijs volgt, waarvoor de waarborgen inzake opvolging minder groot zijn dan voor het ingerichte of gesubsidieerde onderwijs, een achterstand oploopt ten aanzien van de andere medeleerlingen die die opvolging genieten. Daar het verschil in behandeling steunt op een objectief criterium dat evenredig is met het nagestreefde doel, is er geen sprake van een met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet strijdige discriminatie. Een specifieke regeling inrichten voor het huisonderwijs is op zich immers niet discriminerend, vermits het huisonderwijs niet dezelfde waarborgen biedt als het door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs, zodat, zoals de Raad van State heeft geoordeeld in zijn arrest nr. 87.093 van 9 mei 2000, « het noch onredelijk, noch overdreven is op te leggen dat een leerling, wanneer twee keer is vastgesteld dat hij niet over een voldoende studieniveau beschikt, ingeschreven wordt in een onderwijsinstelling die in staat is hem degelijk onderricht te verstrekken ». A.14.
  29. De verzoekende partijen antwoorden dat, in tegenstelling tot wat de Ministerraad beweert, zij niet het decreet van 2 juni 2006, afzonderlijk beschouwd, aanvechten, maar dat zij in het bestreden decreet, beschouwd en toegepast rekening houdend met het decreet van 2006, een discriminatie zien die dat laatste op zich niet bevatte. A.14.
  30. De waarborgen inzake « schoolbezoek » die beweerdelijk groter zijn in het georganiseerd en gesubsidieerd onderwijs, blijken geenszins uit statistieken, noch officiële, noch officieuze; integendeel, indien dergelijke statistieken bestonden, dan zou de confrontatie met het werkelijk vrij onderwijs in het voordeel van dat laatste uitvallen. Toen dat nog mogelijk was, namelijk vóór het decreet van 2 juni 2006, had de eerste verzoekende partij aldus de gewoonte haar leerlingen van het vijfde leerjaar te laten deelnemen aan de proef tot het behalen van het getuigschrift van lager onderwijs, waarbij al die leerlingen voor die proef slaagden één jaar eerder dan die van de officiële en vrije gesubsidieerde scholen. Ook de resultaten van de leerlingen van de tweede verzoekende partij zijn uitstekend. Ten slotte bedraagt in Frankrijk het slaagpercentage voor het baccalaureaat in de vrije scholen buiten overeenkomst waar de kinderen van de vijfde verzoekende partij sinds 2004 les volgen, 90 pct. of zelfs 100 pct. De verzoekende partijen stellen vast dat zowel de Ministerraad als de Franse Gemeenschap moeilijk vrije scholen of ouders die aan hun kinderen huisonderwijs verstrekken, zouden kunnen noemen die zich, zoals dat voor de « basisvaardigheden » het geval is, tevreden zouden stellen met het feit dat hun kind op het einde van het tweede leerjaar slechts één woord op twee correct kan schrijven of die slechts in de eerste twee jaren van het secundair onderwijs een begrip van de logische afleidingen zouden eisen; het contrast tussen het verwachte intellectuele niveau en het gebruik van informatica-instrumenten sterkt de verzoekers overigens in hun overtuiging dat die instrumenten niet alleen duur zijn, maar bovendien overbodig zijn voor de kinderen in het lager onderwijs. Aangezien de minimumleeftijd die vereist is om deel te nemen aan de proef tot het behalen van het getuigschrift van lager onderwijs overeenstemt met de leeftijd waarop men daarvoor moet slagen, is het ten slotte in de meeste gevallen niet langer mogelijk meer dan één keer aan die proef deel te nemen. A.
  31. Het vierde middel is afgeleid uit de schending van artikel 127, § 1, 2°, en § 2 (a contrario), van de Grondwet. Terwijl het bestreden decreet zijn territoriaal toepassingsgebied niet definieert, stellen de verzoekers vast dat uit de artikelen 3, 5 en 15 van het decreet blijkt dat het in aanmerking genomen criterium de woonplaats van het kind is. Voor een onderwijs dat uitdrukkelijk bekend staat als « huisonderwijs » zijn de gemeenschappen echter niet bevoegd in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (waar de vierde verzoekers en hun kinderen wonen), waar geen criterium van subnationaliteit bestaat. 9 Uit een briefwisseling van de algemene directie van het verplicht onderwijs blijkt dat zij van mening is dat, door de aangifte van huisonderwijs door de ouders die in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wonen, de ouders zich ipso facto onderwerpen aan de controle van de algemene directie en dus aan het bestreden decreet. De verzoekers zijn van mening dat het hier gaat om een misbruik van bevoegdheid waarvoor geen grondwettelijke basis bestaat, vermits die aangelegenheid federaal is gebleven : dat type van onderwijs kan niet alleen in het Frans, het Nederlands of het Duits worden gegeven (artikel 30 van de Grondwet), maar ook in andere talen (artikel 22, eerste lid, van de Grondwet). De vereiste aangifte verleent dus geen grondwettelijke basis aan de binding aan een gemeenschap met de daaraan gekoppelde onderwerping aan haar reglementering, te meer daar niets belet de aangifte tegelijk aan beide gemeenschappen te doen. A.
  32. In zijn memorie herinnert de Ministerraad eraan dat het voornaamste doel van de institutionele hervorming van 1988 erin bestond een einde te maken aan de meeste uitzonderingen op de principiële bevoegdheid van de gemeenschappen inzake onderwijs, zodat, wanneer uitzonderingen blijven bestaan, die restrictief moeten worden geïnterpreteerd. Gelet op die ruime en volle bevoegdheid van de gemeenschappen inzake onderwijs, zijn de decreten inzake onderwijs van toepassing op het overeenkomstige taalgebied, alsook op de onderwijsinrichtingen van de overeenkomstige taal die zijn gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. Te dezen kan niet worden aangevoerd dat het bestreden decreet de federale bevoegdheden raakt, namelijk de vaststelling van de aanvang en van het einde van de leerplicht, de minimale voorwaarden voor de toekenning van de diploma’s of de pensioenregeling; artikel 127 van de Grondwet is derhalve niet geschonden. A.
  33. De verzoekende partijen antwoorden dat zij de onbevoegdheid aanvoeren van de Franse Gemeenschap en van de Vlaamse Gemeenschap inzake huisonderwijs verstrekt in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, niet ten opzichte van de geregelde materie, maar ten opzichte van de plaats waar het onderwijs wordt gegeven of wordt verondersteld te worden gegeven. Indien de zuiver private instellingen, die geen subsidies, noch erkenning van de overheid vragen, worden geacht onder het huisonderwijs te vallen, bestaat er evenwel een tegenstrijdigheid wanneer men dat onderwijs wil reglementeren alsof het in een schoolinstelling wordt gegeven. Er bestaat in elk geval een probleem voor het onderwijs dat wordt verstrekt in een andere taal dan het Frans of het Nederlands, of zelfs in beide talen. Het officiële standpunt van het ministerie van de Franse Gemeenschap doet de bevoegdheid van de Gemeenschap overigens steunen op de verklaring van huisonderwijs van de ouders en niet op de taal van het onderwijs. Dat standpunt is in elk geval niet toepasbaar wanneer de ouders weigeren een keuze te maken door gelijktijdig een aangifte aan beide gemeenschappen te doen. De vierde verzoekende partij heeft overigens een dergelijke dubbele aangifte gedaan, met kopie aan beide gemeenschappen en aan de federale overheid, waarbij de Kanselarij van de Eerste Minister haar overigens heeft geantwoord dat zij haar aangifte zou bezorgen aan de Programmatorische Federale Overheidsdienst Wetenschapsbeleid, waaruit aldus blijkt dat, in de veronderstelling dat het Hof zou oordelen dat de federale overheid ter zake bevoegd blijft, reeds een daartoe bevoegde dienst bestaat waarin de federale overheid uitdrukkelijk heeft voorzien. A.
  34. De Ministerraad repliceert dat, vanaf het ogenblik dat de Franse Gemeenschap het huisonderwijs erkent, dat onderwijs onder de gemeenschapsbevoegdheid valt overeenkomstig artikel 127 van de Grondwet. De stelling van de verzoekende partijen volgens welke de federale wetgever als enige bevoegd zou zijn voor het huisonderwijs in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, is overigens onjuist : buiten de drie domeinen die bij uitsluiting zijn opgesomd in artikel 127 van de Grondwet en die onder de federale Staat ressorteren, moet het onderwijs immers noodzakelijk en grondwettelijk door de gemeenschappen worden geregeld, met inbegrip van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. A.
  35. Het vijfde middel is afgeleid uit de schending van artikel 127, § 1, van de Grondwet en van het beginsel van de « territoriale soevereiniteit ». Artikel 3 van het decreet onderwerpt het onderwijs dat wordt verstrekt in sommige instellingen voor buitenlands onderwijs aan een controle en plaatst het onderwijs dat niet voldoet aan de vereisten van dat artikel onder het toepassingsgebied van het « huisonderwijs ». De ouders die in het Franse taalgebied wonen, in tegenstelling tot de ouders die in het tweetalige gebied Brussels-Hoofdstad wonen, moeten, zelfs voor de in het 10 buitenland onderwezen kinderen (zoals voor de kinderen van de vijfde verzoekster), aan de overheden van de Franse Gemeenschap de aangifte doen betreffende het verplicht onderwijs. De Franse Gemeenschap heeft evenwel geen enkele territoriale bevoegdheid, noch op basis van het volkenrecht, noch op basis van artikel 127 van de Grondwet, om aan haar controle, zowel op pedagogisch als op ideologisch vlak, een onderwijs te onderwerpen dat in een andere Staat wordt verstrekt, dat onderworpen is aan de wetgeving van zijn land en wordt gecontroleerd door de autoriteiten van dat land. A.
  36. In zijn memorie merkt de Ministerraad in de eerste plaats op dat het beginsel van de territoriale soevereiniteit geen deel uitmaakt van de normen waarvan de naleving door het Hof wordt verzekerd. Het middel faalt overigens in rechte in zoverre het de briefwisseling aanvoert, die geen deel uitmaakt van het bestreden decreet. Het is immers niet het decreet dat bepaalt dat de Franse scholen niet voldoen aan de voorwaarde van artikel 3, eerste lid, 2°, van het decreet, maar een briefwisseling tussen de Gemeenschap en de vijfde verzoekster, in de veronderstelling, quod non, dat die bewering juist zou zijn. Daar het middel steunt op bepalingen die volkomen losstaan van de inhoud van de bestreden norm, dient het te worden verworpen. A.
  37. De verzoekende partijen antwoorden dat de Ministerraad hun middel verkeerd begrijpt. Zij preciseren dat de verwijzing naar een briefwisseling alleen tot doel heeft het belang van de vijfde verzoekende partij aan te tonen bij het bestrijden van artikel 3 en in ondergeschikte orde van artikel 5 van het bestreden decreet. A.
  38. De Ministerraad repliceert dat de kritiek van territoriale onbevoegdheid van de Franse Gemeenschap, die door de verzoekende partijen in hun memorie van antwoord wordt uiteengezet, niet voortvloeide uit het verzoekschrift tot vernietiging en derhalve zou moeten worden verworpen omdat hij niet van bij het begin van de procedure tot vernietiging is geuit. A.23.
  39. Het zesde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 22, 24, 30, 129, § 1, 2° (a contrario), van de Grondwet. A.23.
  40. De verzoekers zijn van mening dat de vrijheid van onderwijs, dat de vrijheid van huisonderwijs omvat, niet kan worden losgekoppeld van het recht van eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven, dat wordt gewaarborgd door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, noch van het recht op het vrij gebruik van de in België gesproken talen, dat wordt gewaarborgd bij artikel 30 van de Grondwet. Terwijl het huisonderwijs in een andere taal dan het Frans kan worden gegeven, worden de proeven die leiden tot het behalen van het getuigschrift waarvoor het kind zal moeten slagen om niet te worden gesanctioneerd zoals voorgeschreven bij artikel 21, evenwel uitsluitend in het Frans ingericht, zodat de kinderen die volledig (zoals de kinderen van de elfde verzoekers) of grotendeels (zoals de dochter van de derde verzoekers) in een andere taal dan het Frans zijn onderwezen, voor die proeven voor het getuigschrift niet zullen kunnen slagen. Die kinderen ondergaan aldus een ongrondwettige discriminatie, ook ten aanzien van de kinderen die huisonderwijs in het Frans krijgen. Overigens zijn de verzoekers van mening dat die situatie een feitelijke belemmering kan vormen voor het vrije verkeer van onderdanen van andere lidstaten van de Europese Unie of van de Zwitserse Bondsstaat die gedurende jaren in België verblijven en hun kinderen onderwijs in hun nationale taal willen verstrekken zonder dat die taal noodzakelijkerwijze in een Europese school wordt onderwezen of omdat zij hun recht op huisonderwijs willen uitoefenen. A.23.
  41. Door proeven in de Franse taal op te leggen, met de verplichting om te slagen, in het kader van dat onderwijs, overschrijdt de Gemeenschap haar bevoegdheden en schendt zij artikel 129, § 1, 2°, van de Grondwet, dat haar toestaat het gebruik van de talen in het onderwijs te regelen enkel voor de door de overheid « opgerichte, gesubsidieerde of erkende instellingen ». A.23.
  42. Bovendien is er een discriminatie tussen de ouders die in het Franse taalgebied wonen en hun kinderen naar een instelling sturen die is « ingericht, gesubsidieerd of erkend door een andere gemeenschap » (artikel 3, eerste lid, 1°, van het decreet) en de ouders die hun kinderen een gelijkwaardig onderwijs thuis of in een vrije instelling geven, zelfs wanneer die buiten het Franse taalgebied gelegen is. 11 A.23.
  43. Ten slotte legt de Vlaamse Gemeenschap dergelijke proeven niet op, noch in haar decreet van 14 februari 2003, noch in de toepassingsbesluiten ervan, wat wijst op het nutteloze en ten onrechte dwingende karakter van de beperkingen die door de Franse Gemeenschap aan de aangevoerde grondwettelijke vrijheden worden opgelegd en wat aantoont dat haar inmenging in het privéleven en het gezinsleven niet kan worden beschouwd als een « noodzakelijke maatregel » in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 22 van de Grondwet. A.
  44. In zijn memorie herinnert de Ministerraad eraan dat de decreetgever, gelet op de volheid van bevoegdheid van de gemeenschappen inzake onderwijs, het bestreden decreet vermocht aan te nemen. De wetgever heeft uitdrukkelijk bepaald dat huisonderwijs kan worden verstrekt in een andere taal dan het Frans, maar de controle door de Gemeenschap moet noodzakelijkerwijs toelaten om, in het Frans, na te gaan of de leerlingen die huisonderwijs volgen een studieniveau halen dat gelijkwaardig is aan dat van alle andere leerlingen in de Franse Gemeenschap. Er kan niet worden aangevoerd, zoals de verzoekende partijen dat doen, dat de Gemeenschap haar controles zou moeten uitvoeren in een andere taal dan het Frans, vermits de Franse Gemeenschap, volgens de Grondwet en de wet van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, die van openbare orde zijn, en de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, in haar bestuursdiensten alleen het Frans mag gebruiken. Ten slotte zijn de decreten inzake onderwijs van toepassing in het overeenkomstige taalgebied en op de overeenkomstige onderwijsinrichtingen die zijn gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, en moeten die bijgevolg niet worden verward met de decreten die het gebruik van de talen in het onderwijs regelen. Een decreet kan dus criteria vaststellen, met name op het gebied van de taal, waaruit zal blijken dat een in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad gevestigde inrichting wel degelijk, vanwege haar activiteiten, behoort tot de ene of de andere gemeenschap. A.
  45. De verzoekende partijen antwoorden dat de verplichting om deel te nemen aan en te slagen voor de proeven tot het behalen van een getuigschrift die door de Franse Gemeenschap worden georganiseerd, niet verenigbaar is met vrijheid van het gebruik van de talen gewaarborgd bij de artikelen 22 en 30 van de Grondwet, en de bevoegdheid van de gemeenschappen overschrijdt, in zoverre die proeven niet aangepast zijn wanneer het onderwijs volledig of gedeeltelijk in een of meerdere ander talen dan het Frans wordt verstrekt. Hoewel niet wordt betwist dat de Franse Gemeenschap het Frans als administratieve taal moet gebruiken, kan zij zich evenwel niet verschuilen achter haar interne taalregeling om de schending van de taalvrijheid van de ouders en de privélesgevers te verantwoorden. Het is overigens goed bekend dat in universiteiten en andere instellingen voor hoger onderwijs die onder de Gemeenschap vallen, talrijke vakken worden gegeven in een andere taal dan het Frans en dat de examens, mondeling en schriftelijk, in diezelfde taal worden afgelegd. Het zou perfect mogelijk zijn het toereikende niveau van het huisonderwijs na te gaan zonder een proef tot het behalen van een getuigschrift te moeten afnemen, zoals de Vlaamse Gemeenschap aantoont, die men niet ervan kan verdenken niet over de kwaliteit van het onderwijs te waken, en die geen dergelijke proeven oplegt. A.26.
  46. In haar memorie verklaart de Franse Gemeenschapsregering dat zij, om redenen die eigen zijn aan haar interne organisatie, niet in staat is om uitgebreid te antwoorden op de argumenten van de verzoekers, en verwijst zij naar haar memorie van antwoord die voor de Raad van State is ingediend in het kader van het beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 21 mei 1999; die memorie vormt stuk 11 van de bijlagen bij het verzoekschrift tot vernietiging. De Franse Gemeenschapsregering vraagt om te beschouwen dat die tekst integraal is opgenomen in de voor het Hof ingediende memorie. A.26.
  47. In die tekst herinnert de Franse Gemeenschapregering eraan dat het huisonderwijs het door de ouders verstrekte onderwijs gelijkstelt met het onderwijs dat wordt verstrekt door de instellingen die noch georganiseerd, noch gesubsidieerd, noch erkend zijn door de Franse Gemeenschap : de voorwaarden om te voldoen aan de leerplicht en de controle van het studieniveau zijn identiek in beide gevallen. Er dient geen onderscheid te worden gemaakt tussen beide onderwijstypes, die zijn onderworpen aan een specifieke regeling die altijd verschilde van die welke van toepassing is op de door de Gemeenschap georganiseerde, gesubsidieerde of erkende instellingen. De niet-gesubsidieerde vrije instellingen zijn overigens niet vergelijkbaar met de gesubsidieerde instellingen, vermits, enerzijds, zij niet noodzakelijkerwijs dezelfde 12 waarborgen bieden als die welke zijn opgelegd bij de schoolpactwet en, anderzijds, hun personeel door geen enkel reglementair statuut is geregeld. Voor het overige is de bewering volgens welke leerlingen die ressorteren onder de twee andere gemeenschappen of onder het buitenland, aan het toezicht van de tegenpartij zijn onderworpen, bespottelijk, gelet op de elementaire bevoegdheidsregels. A.26.
  48. In verband met de vrijheid van onderwijs is de Franse Gemeenschapregering van mening dat in dat opzicht rekening dient te worden gehouden met het hoger belang van het kind en met name met zijn door het Verdrag inzake de rechten van het kind gewaarborgde recht op opvoeding en informatie. Die opvoeding moet met name erop gericht zijn het kind de naleving van zijn culturele waarden aan te leren en het voor te bereiden op het opnemen van de verantwoordelijkheden van het leven in een vrije maatschappij, met een open geest : in tegenstelling tot wat de verzoekers stellen, maakt de opvoeding het niet mogelijk zich los te maken van de nieuwe technologie, noch de kinderen informatie te weigeren over de voortplanting en de instandhouding van de soort. Alle kinderen hebben recht op moderne onderwijsmethoden en op eigentijdse informatie. In verband met de gevolgen van een ontoereikend studieniveau, vastgesteld tijdens twee opeenvolgende controles die gepaard gaan met diverse waarborgen, blijkt de verplichte inschrijving van het kind in een georganiseerde, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstelling, niet onevenredig, aangezien het van belang is de toekomst van de kinderen niet langer op het spel te zetten wanneer een ontoereikend studieniveau wordt vastgesteld. Ten slotte verantwoorden de fundamentele verschillen tussen het huisonderwijs en het georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs de verplichte inschrijving van het kind in een georganiseerde, gesubsidieerde of erkende instelling wanneer tweemaal een ontoereikend studieniveau wordt vastgesteld, teneinde daadwerkelijk te voldoen aan de leerplicht. A.27.
  49. De verzoekende partijen gedragen zich naar het oordeel van het Hof over de vraag of de gewone verwijzing naar een stuk dat bij een ander rechtscollege is ingediend in een geschil met een ander formeel onderwerp, een memorie kan zijn die regelmatig is in de zin van de bijzondere wet van 6 januari
  50. Zij zijn van mening dat de naleving van het beginsel van de tegenspraak vereist dat, indien de Franse Gemeenschap wordt toegestaan een memorie van wederantwoord in te dienen na een memorie « pro forma » te hebben ingediend, het Hof uit de debatten eventuele nieuwe argumenten weert, die niet uitdrukkelijk voorkwamen in de reeds ingediende memories, daar de verzoekende partijen niet meer de mogelijkheid zullen hebben die argumenten te weerleggen. In dat opzicht stellen de verzoekers vast dat de memorie waarnaar de Franse Gemeenschapsregering verwijst, geen enkel antwoord bevat op het vierde, vijfde en zesde middel. A.27.
  51. In verband met de verklaring volgens welke de controle van het in het buitenland gevolgde onderwijs « bespottelijk is gelet op de elementaire bevoegdheidsregels », stellen de verzoekers vast dat de Franse Gemeenschap thans wil doen « wat zij in 2000 ‘ bespottelijk ’ vond haar te verwijten dat zij dat zou doen ». A.27.
  52. Vermits de Gemeenschap wil beslissen over de vorm en de inhoud van de opvoeding van de kinderen geeft zij overigens openlijk blijk van haar totalitaire wil om een eenvormig onderwijs op te leggen op grond van de ideologische waarden die alleen zij bepaalt. In verband met het Verdrag inzake de rechten van het kind stellen de verzoekers vast dat die bepalingen onvoldoende nauwkeurig zijn om rechtstreekse werking te kunnen hebben en dat, indien het Verdrag in die zin zou worden geïnterpreteerd dat het een algemene bevoegdheid toestaat om een eenvormig type van opvoeding voor de jeugd in te voeren – hetgeen door het Hooggerechtshof van de Verenigde Staten wordt veroordeeld sinds het arrest Oregon school cases van 1 juni 1925 -, het Hof de toepassing ervan dan zou moeten weigeren omdat die in strijd zou zijn met artikel 24 van de Grondwet. A.
  53. De Ministerraad herinnert eraan dat het aanvoeren van de wetgeving die in Vlaanderen van toepassing is, overeenkomstig de grondwettelijke rechtspraak niet pertinent is om de inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te beoordelen. 13 A.
  54. De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat haar memorie van wederantwoord ontvankelijk is, aangezien zij een memorie heeft ingediend. Wat betreft de context van het bestreden decreet, wordt in herinnering gebracht dat het begrip « hoger belang van het kind » vaag is. Bovendien blijkt uit arrest nr. 49/2001 dat de inachtneming van de fundamentele rechten, waarnaar artikel 24, § 3, van de Grondwet verwijst, geen belemmering vormt voor de vrijheid van onderwijs. Ten slotte hebben de overheden de plicht zich ervan te vergewissen dat de schoolplicht in acht wordt genomen. De Franse Gemeenschap heeft het dus wenselijk geacht wetgevend op te treden inzake het huisonderwijs opdat de schoolplicht in het raam van dat onderwijs in acht zou worden genomen zoals in de andere onderwijsvormen, en zulks door het resultaat te controleren via de vereiste van certificering, maar ook door te voorzien in een controle op de aangewende middelen. Die controle maakt het aldus mogelijk vast te stellen dat, rekening houdend met de situatie van het kind en het door de ouders vastgestelde en gewenste programma, het onderwijs dat aan huis wordt verstrekt het mogelijk maakt een studieniveau te verwerven dat gelijkwaardig is aan het referentiesysteem voor de basisvaardigheden. Het decreet dat helemaal niet de bedoeling heeft bijkomende controles op te leggen, wil dus de oorspronkelijke regeling versoepelen. A.
  55. Wat betreft het eerste middel is de Franse Gemeenschapsregering van oordeel dat het bestreden decreet is tegemoetgekomen aan de kritiek van de Raad van State door te voorzien in een studieniveau dat « gelijkwaardig » is aan het referentiesysteem voor de basisvaardigheden, wat ertoe strekt een gelijke inhoud te garanderen, zonder dat de inachtneming van het referentiesysteem voor de basisvaardigheden echter als dusdanig kan worden opgelegd. Het bestreden decreet voert overigens geen enkele « overdreven pedagogische dwang » in, maar wil zich vergewissen van de middelen die in het raam van het huisonderwijs worden aangewend, door met name de « pedagogische documenten » na te kijken. De controle van de aangewende middelen en de vereiste van certificering strekken ertoe zich ervan te vergewissen of het kind daadwerkelijk recht op onderwijs heeft en te vermijden dat situaties van onderscholing blijven voortbestaan zonder voor het overige enige chronologie of enig precies programma op te leggen. Het ingevoerde systeem biedt bovendien alle waarborgen tegen mogelijke misbruiken. A.
  56. Wat betreft het tweede middel is de Franse Gemeenschapregering van mening dat, hoewel de vrijheid van onderwijs uiterst belangrijk is, het belang van kind moet primeren, en dat het in het belang van het kind is om te worden onderwezen met inachtneming van de beginselen van onze democratische samenleving. A.
  57. Wat betreft het derde middel brengt de Franse Gemeenschapregering in herinnering dat het, rekening houdend met de vrijheid die zowel vanuit het oogpunt van de inhoud als van de pedagogische methodes wordt gelaten, het redelijk is dat werd geoordeeld dat het huisonderwijs niet dezelfde waarborgen van voortgangscontrole bood als één van de onderwijsvormen die onder artikel 3 van het decreet vallen. Bovendien zullen de minderjarigen met moeilijkheden kunnen worden vrijgesteld van het afleggen van de certificeringsexamens, overeenkomstig artikel 12 van het bestreden decreet. Bovendien voeren de verzoekers de kwaliteit van het huisonderwijs aan en maken zij daarbij gewag van de slaagpercentages van de thuis onderwezen leerlingen, wat aldus aantoont dat de kinderen van de verzoekers niets te vrezen hebben van de bij het decreet ingevoerde controles. A.
  58. Wat betreft het vierde middel brengt de Franse Gemeenschapsregering in herinnering dat de materie onderwijs aan de gemeenschappen is toegekend zodat, voor de toepassing van het bestreden decreet in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, de Franse Gemeenschap redelijkerwijze vermocht te oordelen dat de verantwoordelijken van leerlingen die ervoor kiezen hun aangifte van huisonderwijs aan de ene of aan de andere gemeenschap te richten, respectievelijk aan de regeling van die gemeenschap zullen worden onderworpen. A.
  59. Wat betreft het vijfde middel is de Franse Gemeenschapsregering van oordeel dat de in artikel 3 bedoelde inrichtingen reeds onderworpen zijn aan een controle « van derden », zodat het ongepast zou zijn hen aan een nieuwe controle van de Franse Gemeenschap te onderwerpen. Voor de in artikel 3, 3°, bedoelde inrichtingen zal er dus geen inspectie zijn, indien de Regering haar goedkeuring hecht aan het toegezonden programma : dat systeem maakt het aldus mogelijk het studieniveau te onderzoeken en zich ervan te vergewissen 14 dat de fundamentele rechten en vrijheden van onze samenleving in acht worden genomen, maar niet om de inhoud van het onderwijs of de pedagogische methodes van de onderwijsinrichting te controleren. A.
  60. Wat betreft het zesde middel brengt de Franse Gemeenschapsregering in herinnering dat, in het arrest van 23 juli 1968 met betrekking tot bepaalde aspecten van de taalregeling van het onderwijs in België, het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in herinnering heeft gebracht dat het wettig was de taaleenheid te bevorderen binnen eentalige gebieden en bij de leerlingen de grondige kennis van de omgangstaal van het gebied te bevorderen. Het is bijgevolg normaal dat kinderen wier ouders vrij hebben beslist om zich te domiciliëren in het Franse taalgebied aan een controle worden onderworpen die wordt uitgevoerd in de taal van dat gebied. -B– Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1.
  61. Het beroep tot vernietiging is gericht tegen het decreet van de Franse Gemeenschap van 25 april 2008 tot vaststelling van de voorwaarden om te kunnen voldoen aan de leerplicht buiten het onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap (hierna : decreet van 25 april 2008). B.1.
  62. Dat decreet voert voor dat type van onderwijs een regeling in die ertoe strekt « het mogelijk te maken de minderjarigen hun recht op kwalitatief onderwijs te waarborgen, hetgeen de invoering veronderstelt van doeltreffende procedures om de leerplicht te controleren, alsook van referentienormen » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2007-2008, nr. 521/1, p. 3), en « het beginsel van de vrijheid van onderwijs verankerd in artikel 24 van de Grondwet, in acht te nemen » (ibid.). In dat perspectief onderscheidt het decreet twee onderwijstypes naast datgene dat door de Gemeenschap wordt ingericht of gesubsidieerd : « In de eerste plaats wordt erin voorzien dat de minderjarigen die onderwijs volgen in een inrichting die een diploma kan uitreiken dat gelijkwaardig is aan die welke in de Franse Gemeenschap worden uitgereikt, voldoen aan de leerplicht wanneer zij de administratie hebben ingelicht over hun inschrijving in die inrichting. Dat is het geval voor de inrichtingen die ressorteren onder een van de andere gemeenschappen of die waarvan de gelijkwaardigheid is erkend. Een andere hypothese beoogt de inrichtingen die, zonder die gelijkwaardigheid te genieten, kunnen leiden tot de uitreiking van een buitenlands diploma. In dat geval zal de Regering moeten erkennen dat hun schoolbezoek toelaat aan de leerplicht te voldoen. 15 Alle andere vormen van onderwijs, zelfs collectief, vallen onder het huisonderwijs en zijn in die zin onderworpen aan specifieke bepalingen : verplichting om zich te onderwerpen aan de controle van het studieniveau en deel te nemen aan de door de Franse Gemeenschap georganiseerde proeven voor het behalen van een getuigschrift » (ibid.). B.2.
  63. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. Die bepaling vereist derhalve dat de verzoekende partijen zelf aangeven welke de artikelen zijn die volgens hen een schending uitmaken van de in de middelen uiteengezette normen waarvan het Hof de naleving verzekert. B.2.
  64. Hoewel de verzoekende partijen de volledige vernietiging van het decreet van 25 april 2008 vorderen, kan uit de uiteenzetting van de middelen evenwel worden afgeleid dat die alleen zijn gericht tegen sommige bepalingen van het decreet, namelijk de artikelen 3, eerste lid, 3°, en het tweede tot het vierde lid, 5, 11 en 13 tot 21 van het decreet van 25 april
  65. Het Hof beperkt zijn onderzoek derhalve tot die bepalingen. B.3.
  66. Artikel 3 van het decreet van 25 april 2008 bepaalt : « Geacht worden aan de leerplicht te voldoen de minderjarige leerlingen die ingeschreven zijn in een schoolinrichting : 1° ingericht, gesubsidieerd of erkend door een andere gemeenschap; 2° waarvan het onderwijs tot het behalen van een bekwaamheidsbewijs kan leiden dat gelijkwaardig kan worden verklaard bij wijze van algemene bepaling met toepassing van de wet van 19 maart 1971 betreffende de gelijkwaardigheid van de buitenlandse diploma's en studiegetuigschriften; 3° waarvan het onderwijs tot het behalen van een diploma of een getuigschrift bekomen onder een buitenlands stelsel kan leiden en waarvan het onderwijs erkend is door de Regering, op aanvraag van de inrichting of de personen die verantwoordelijk is/zijn voor de minderjarige leerling onderworpen aan de leerplicht, dat het mogelijk maakt om de leerplicht te voldoen. 16 Voor de toepassing van het 3° van het vorige lid, controleert de Regering dat het verstrekte onderwijs van gelijkwaardig niveau is aan dat verstrekt in de Franse Gemeenschap, dat het in overeenstemming is met titel II van de Grondwet en in geen enkel opzicht waarden vooropstelt die klaarblijkelijk onverenigbaar zijn met het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, getekend te Rome, op 4 november
  67. De Regering baseert haar beslissing op de studieprogramma's gevolgd binnen de inrichting. Wanneer de Regering acht dat het verstrekte onderwijs niet toelaat aan de leerplicht te voldoen, wordt van de beslissing kennisgegeven aan de natuurlijke of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de inrichting alsook aan de verantwoordelijke personen die de leerplichtige minderjarige ingeschreven hebben in deze inrichting ». B.3.
  68. Artikel 5 van het decreet van 25 april 2008 bepaalt : « Ressorteren onder het huisonderwijs, de minderjarigen die onderworpen zijn aan de leerplicht die noch ingeschreven zijn in een schoolinrichting ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap noch ingeschreven in een inrichting bedoeld bij artikel 3 ». B.3.
  69. Artikel 11 van het decreet van 25 april 2008 bepaalt : « De Algemene Inspectiedienst wordt belast met de controle van het studieniveau in het kader van het huisonderwijs. Hij zorgt ervoor dat het verstrekte onderwijs de leerplichtige minderjarige de mogelijkheid biedt een studieniveau te verwerven dat gelijkwaardig is aan het referentiesysteem voor de basisvaardigheden, de eindvaardigheden, de vereiste gemeenschappelijke kennis en de minimale vaardigheden bedoeld, respectief, bij de artikelen 16 en 25 of 35 van het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren. De Algemene Inspectiedienst zorgt eveneens ervoor dat het verstrekte onderwijs de doelstellingen nastreeft die zijn bepaald in artikel 6 van het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren, dat het in overeenstemming is met titel II van de Grondwet en in geen enkel opzicht waarden vooropstelt die klaarblijkelijk onverenigbaar zijn met het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, getekend te Rome, op 4 november 1950 ». B.3.
  70. Artikel 13 van het decreet van 25 april 2008 bepaalt : « De verantwoordelijke personen bezorgen de Algemene Inspectiedienst de documenten waarop het huisonderwijs steunt. In de zin van dit artikel, wordt onder ‘ documenten ’ onder meer verstaan de gebruikte schoolboeken, het opgebouwde en gebruikte pedagogisch 17 materiaal, de fardes en schoolboeken, de geschreven producties van de leerplichtige minderjarige, een individueel opleidingsplan ». B.3.
  71. Artikel 14 van het decreet van 25 april 2008 bepaalt : « De Algemene Inspectiedienst kan elk ogenblik overgaan tot de controle van het studieniveau, op eigen initiatief of op aanvraag van de Regering of van de Commissie, en baseert zijn controle op de vernomen feiten namelijk via de ontleding van de documenten bedoeld bij artikel 13 en op de ondervraging van de leerlingen. Er gebeuren, nochtans, controles minstens gedurende de jaren waarin de leerplichtige minderjarige de leeftijd van acht en tien jaar bereikt. De Algemene Inspectiedienst bepaalt de datum voor de controle en geeft er kennis van aan de verantwoordelijke personen minstens een maand op voorhand ». B.3.
  72. Artikel 15 van het decreet van 25 april 2008 bepaalt : « De Algemene Inspectiedienst organiseert de controle van het studieniveau op individuele basis of voor het geheel van de leerplichtige minderjarigen die thuis les volgen, gedomicilieerd in eenzelfde zone in de zin van artikel 13 van het decreet van 14 maart 1995 tot bevordering van het welslagen in de basisscholen en artikel 1 van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 15 maart 1993 tot vaststelling van de verplichtingen tot overleg tussen gelijkaardige inrichtingen in het secundair onderwijs met volledig leerplan ». B.3.
  73. Artikel 16 van het decreet van 25 april 2008 bepaalt : « De controle van het studieniveau geschiedt in een gebouw van de overheid dat door de Algemene Inspectiedienst gekozen wordt. Op met redenen omklede aanvraag van de verantwoordelijke personen en inzonderheid steunend op ernstige mobiliteitsmoeilijkheden voortvloeiend uit de gezondheidstoestand of de handicap van de leerplichtige minderjarige, kan de controle echter op een andere plaats gebeuren ». B.3.
  74. Artikel 17 van het decreet van 25 april 2008 bepaalt : « Na de controle van het studieniveau, stelt de Algemene Inspectiedienst een verslag op en brengt een advies uit over de overeenstemming met artikel 11 van het ten huize verstrekte onderwijs. Aan de verantwoordelijke personen wordt kennisgegeven van het verslag en het advies. Ze kunnen, binnen de tien dagen van de kennisgeving, schriftelijk hun opmerkingen aan de Commissie mededelen. Het advies van de Algemene Inspectiedienst wordt ten laatste gedurende de maand die volgt op de datum van de controle aan de Commissie overgezonden. 18 In geval van een negatieve beslissing, wordt een nieuwe controle uitgeoefend, volgens dezelfde nadere regels, minimum twee maanden en maximum vier maanden na de kennisgeving van de beslissing. Indien de Algemene Inspectiedienst acht dat het ten huize verstrekte onderwijs nog steeds niet in overeenstemming is met artikel 11, besluit hij zijn verslag met een advies over de nadere regels voor de integratie van de leerplichtige minderjarige in een schoolinrichting ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap. De verantwoordelijke personen kunnen hun opmerkingen laten gelden overeenkomstig het eerste lid. Indien, na de tweede controle, de Commissie beslist dat het studieniveau niet in overeenstemming is met artikel 11, schrijven de verantwoordelijke personen de leerplichtige minderjarige in een schoolinrichting ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap of in een inrichting bedoeld bij artikel
  75. De Commissie bepaalt, voor het gewoon onderwijs, en met inachtneming van het zesde lid, voor het bijzonder secundair onderwijs van vorm 4, de vorm, de afdeling en het studiejaar waarvoor de leerplichtige minderjarige ingeschreven moet worden. Wanneer het advies van de Algemene Inspectiedienst tot de integratie besluit van de leerplichtige minderjarige in het bijzonder onderwijs, wordt van dit advies kennisgegeven aan de verantwoordelijke personen die bezwaar kunnen indienen tegen deze integratie bij de Commissie binnen de vijftien dagen van de kennisgeving van het advies. In geval van instemming of gebrek aan bezwaar binnen de termijn, laten de verantwoordelijke personen het medisch onderzoek, het psychologisch onderzoek, het pedagogisch examen en de sociale studie bedoeld bij artikel 12, § 1, van het decreet van 3 maart 2004 houdende organisatie van het bijzonder onderwijs uitvoeren. Het verslag van deze wordt aan de Commissie overgezonden, die daarna een beslissing neemt. De Commissie bepaalt, voor het bijzonder onderwijs, het type en, desnoods, de vorm alsook de maturiteitsgraad of de fase waarvoor de leerplichtige minderjarige ingeschreven moet worden. Voor de toepassing van de vijfde en zevende leden, kan de Commissie afwijken van de toelatingsvoorwaarden. Haar beslissing rust op de leeftijd alsook de vaardigheden en de verworven kennis van de leerplichtige minderjarige ». B.3.
  76. Artikel 18 van het decreet van 25 april 2008 bepaalt : « Ten laatste gedurende het schooljaar waarin hij de leeftijd van twaalf jaar zal bereiken, schrijven de verantwoordelijke personen de leerplichtige minderjarige die thuis les volgt, in voor de gemeenschappelijke externe proef ingericht voor het behalen van het getuigschrift van basisonderwijs krachtens het decreet van 2 juni 2006 betreffende de externe evaluatie van de verworven kennis van leerlingen van het leerplichtonderwijs en het getuigschrift van basisonderwijs na het lager onderwijs ». B.3.
  77. Artikel 19 van het decreet van 25 april 2008 bepaalt : 19 « Ten laatste gedurende het schooljaar waarin hij de leeftijd van veertien jaar zal bereiken, schrijven de verantwoordelijke personen de leerplichtige minderjarige die thuis les volgt, in voor de examens ingericht voor het behalen van de oriëntatieattesten voor de eerste graad krachtens het decreet van 12 mei 2004 houdende de organisatie van de examencommissie van de Franse Gemeenschap voor het secundair onderwijs ». B.3.
  78. Artikel 20 van het decreet van 25 april 2008 bepaalt : « Ten laatste gedurende het schooljaar waarin hij de leeftijd van zestien jaar zal bereiken, schrijven de verantwoordelijke personen de leerplichtige minderjarige die thuis les volgt, in voor de examens ingericht voor het behalen van de oriëntatieattesten voor de tweede graad krachtens het decreet van 12 mei 2004 houdende de organisatie van de examencommissie van de Franse Gemeenschap voor het secundair onderwijs ». B.3.
  79. Artikel 21 van het decreet van 25 april 2008 bepaalt : « De verantwoordelijke personen schrijven de leerplichtige minderjarige die onder het ten huize verstrekte onderwijs ressorteert, in in een schoolinrichting ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap of in een inrichting bedoeld bij artikel 3, indien hij het getuigschrift of de attesten niet verkregen heeft met inachtneming van de voorwaarden bedoeld bij de artikelen 18 tot
  80. Voor het gewoon onderwijs en voor het [bijzonder] secundair onderwijs van vorm 4, bepaalt de Commissie de vorm, de afdeling en het studiejaar waarvoor de leerplichtige minderjarige ingeschreven moet worden. De Commissie bepaalt, voor het [bijzonder] onderwijs, het type en, desnoods, de vorm alsook de maturiteitsgraad of de fase waarvoor de leerplichtige minderjarige ingeschreven moet worden. Voor de toepassing van de tweede en derde leden, kan de Commissie afwijken van de toelatingsvoorwaarden volgens dezelfde nadere regels als deze bepaald bij artikel 17, laatste lid. Indien de Commissie acht onvoldoende ingelicht te zijn, kan ze de Algemene Inspectiedienst verzoeken om een verslag op te stellen zoals bedoeld bij artikel 17, derde lid. Wanneer dit verslag tot de integratie in het [bijzonder] onderwijs besluit, zijn de formaliteiten bedoeld bij artikel 17, zesde lid, van toepassing. Indien de verantwoordelijke personen zich een inschrijving van de leerplichtige minderjarige in het [bijzonder] onderwijs voornemen, brengen ze er de Commissie op de hoogte van binnen de vijftien dagen die volgen op de proclamatie van de resultaten of de beslissing tot niet-toekenning van het getuigschrift van basisonderwijs en laten de examens bedoeld bij artikel 12, § 1, van het decreet van 3 maart 2004 houdende organisatie van het [bijzonder] onderwijs geschieden. Het verslag over deze examens wordt aan de Commissie overgezonden. 20 In geval van beroep tegen de beslissing tot niet-uitreiking van het getuigschrift van basisonderwijs, neemt de termijn voor de berichtgeving aan de Commissie bedoeld in het vorige lid een aanvang de dag van de kennisgeving van de beslissing van de Raad van beroep ». Ten aanzien van de memorie van de Franse Gemeenschapsregering B.4.
  81. De Franse Gemeenschapsregering heeft een memorie ingediend waarin wordt verwezen naar de memorie van antwoord die zij heeft neergelegd in het kader van de procedure voor de Raad van State met betrekking tot het beroep tot vernietiging van het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 21 mei 1999, die aanleiding heeft gegeven tot het arrest nr. 159.340 van 30 mei 2006; zij vraagt dat die memorie, die stuk nr. 11 van de bijlagen bij het verzoekschrift tot vernietiging vormt, wordt beschouwd als « zijnde integraal overgenomen, mutatis mutandis » in haar memorie. B.4.
  82. De verzoekende partijen gedragen zich naar het oordeel van het Hof over de vraag of de gewone verwijzing naar een stuk dat voor een ander rechtscollege is ingediend in een geschil met een ander formeel onderwerp, een regelmatige memorie kan vormen in de zin van de bijzondere wet van 6 januari
  83. B.4.
  84. Hoewel de artikelen 81 en volgende van de bijzondere wet van 6 januari 1989 aan de partijen die een memorie indienen de verplichting opleggen verschillende formele regels na te leven, formuleren zij evenwel geen enkele vereiste ten aanzien van de inhoud van de memorie. Een partij kan bijgevolg verwijzen naar een tekst die zijzelf eerder heeft ingediend voor een ander rechtscollege dan het Hof, aangezien die tekst, die een van de bij het verzoekschrift tot vernietiging gevoegde stukken vormt, de tegenspraak in acht neemt, vermits de verzoekende partijen die kennen, en hij voor de verzoekende partijen een voldoende nauwe band met het bestreden decreet vertoont, in die mate dat zij het zelf nodig hebben geacht die bij hun verzoekschrift te voegen. 21 Ten gronde B.
  85. Het decreet van 25 april 2008 voert voor het huisonderwijs, zoals het is gedefinieerd in artikel 5 van het decreet, enerzijds, een controle in op het aan huis verstrekte onderwijs (artikelen 11 en volgende) en, anderzijds, een vereiste van certificatie (artikelen 18 en volgende). Het Hof zal de middelen in de onderstaande volgorde onderzoeken :
  86. Ten aanzien van het toepassingsgebied van het decreet van 25 april 2008 in het licht van de bevoegdheidverdelende regels (vierde en vijfde middel);
  87. Ten aanzien van de controle op het huisonderwijs (eerste en tweede middel);
  88. Ten aanzien van de proeven voor het behalen van een getuigschrift (tweede, derde en zesde middel).
  89. Ten aanzien van het toepassingsgebied van het decreet van 25 april 2008 in het licht van de bevoegdheidverdelende regels Wat het vierde middel betreft B.
  90. Het vierde middel is afgeleid uit de schending van artikel 127, § 1, eerste lid, 2°, en § 2, van de Grondwet. Overwegende dat uit de artikelen 3, 5 en 15 van het bestreden decreet volgt dat het voor het aan huis verstrekte onderwijs gekozen criterium de woonplaats van het kind is, voeren de verzoekende partijen aan dat de Franse Gemeenschap niet bevoegd is om dit onderwijs te regelen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, en dat die aangelegenheid federaal is gebleven. Zij zijn overigens van mening dat een aanknoping met de Franse Gemeenschap door een verklaring van huisonderwijs op geen enkele grondwettelijke basis berust en dat in elk geval een 22 probleem bestaat voor het onderwijs dat in Brussel wordt verstrekt in een andere taal dan het Frans of het Nederlands, of in beide talen. B.
  91. Artikel 127 van de Grondwet bepaalt : « §
  92. De Parlementen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap regelen, elk voor zich, bij decreet : 1° de culturele aangelegenheden; 2° het onderwijs, met uitsluiting van : a) de bepaling van het begin en het einde van de leerplicht; b) de minimale voorwaarden voor het uitreiken van de diploma’s; c) de pensioenregeling; […] §
  93. Deze decreten hebben kracht van wet respectievelijk in het Nederlandse taalgebied en in het Franse taalgebied, alsmede ten aanzien van de instellingen gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die, wegens hun activiteiten moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap ». B.
  94. Zoals voortvloeit uit de tekst van artikel 5 van het bestreden decreet en zoals in de in B.1.2 aangehaalde parlementaire voorbereiding wordt uiteengezet, heeft het decreet van 25 april 2008 tot doel de naleving van de leerplicht te controleren, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen twee onderwijstypen buiten het door de Franse Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde onderwijs : enerzijds, het onderwijs dat, daar het voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 3 van het decreet van 25 april 2008, het mogelijk maakt aan te nemen dat aan de leerplicht is voldaan en, anderzijds, alle andere onderwijssituaties bedoeld in artikel 5 van het decreet van 25 april 2008 en waarop de bepalingen van het bestreden decreet van toepassing zullen zijn, met name de controle van het studieniveau en de vereiste om te slagen voor proeven voor het behalen van een getuigschrift. Onder het toepassingsgebied van het « huisonderwijs » bedoeld in het bestreden decreet vallen aldus zowel individuele - de kinderen krijgen thuis onderwijs door hun ouders - als collectieve onderwijssituaties - de kinderen worden ingeschreven in onderwijsinstellingen die 23 noch ingericht, noch gesubsidieerd zijn door de Gemeenschap, noch beoogd in artikel 3 van het decreet van 25 april
  95. B.9.
  96. Geen enkele bepaling van het decreet van 25 april 2008 definieert het territoriale toepassingsgebied ervan. Het bestreden artikel 15 bepaalt evenwel dat de controle van het studieniveau door de Algemene Inspectiedienst gebeurt « op individuele basis of voor het geheel van de leerplichtige minderjarigen die thuis les volgen, gedomicilieerd in eenzelfde zone in de zin van artikel 13 van het decreet van 14 maart 1995 tot bevordering van het welslagen in de basisscholen en artikel 1 van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 15 maart 1993 tot vaststelling van de verplichtingen tot overleg tussen gelijkaardige inrichtingen in het secundair onderwijs met volledig leerplan ». Krachtens artikel 1, 8°, van het voormelde decreet van 14 maart 1995 is een zone een « geografische eenheid [is] die identiek is voor elk net ». Met toepassing van artikel 13 van hetzelfde decreet heeft de Franse Gemeenschapsregering in een besluit van 11 juli 2002 tien zones bepaald, waaronder « het gebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ». Artikel 1 van het voormelde besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 15 maart 1993 bepaalt eveneens tien zones, waaronder het « administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad ». B.9.
  97. Op grond van artikel 127, § 2, van de Grondwet hebben de decreten die het onderwijs regelen, kracht van wet respectievelijk in het Nederlandse taalgebied en in het Franse taalgebied, alsmede ten aanzien van de instellingen gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die wegens hun activiteiten moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap. De in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad gedomicilieerde kinderen die onder het huisonderwijs ressorteren, kunnen niet worden beschouwd als « instellingen » in de zin van artikel 127, § 2, van de Grondwet, die uitsluitend onder de bevoegdheid van één gemeenschap kunnen vallen; die kinderen ressorteren bijgevolg, wat die aangelegenheid betreft, onder de bevoegdheid van de federale Staat. 24 B.9.
  98. Uit hetgeen voorafgaat in B.9.1 blijkt evenwel dat de toepassing van het bestreden decreet op kinderen die woonachtig zijn in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad niet voortvloeit uit dat decreet maar uit het voormelde besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 15 maart
  99. Het onderzoek van dergelijke reglementaire bepalingen behoort niet tot de bevoegdheid van het Hof. B.
  100. Onder voorbehoud van hetgeen is vermeld in B.9.2, is het middel niet gegrond. Wat het vijfde middel betreft B.
  101. De verzoekende partijen voeren een vijfde middel aan, afgeleid uit de schending van artikel 127, § 1, van de Grondwet en van het beginsel van « de territoriale soevereiniteit ». Zij zijn van mening dat artikel 3 van het bestreden decreet, door sommige inrichtingen die in het buitenland zijn gevestigd en niet voldoen aan de daarin vastgestelde vereisten, onder het toepassingsgebied van « huisonderwijs » te laten vallen, in strijd is met de bevoegdheidsregels. Volgens de verzoekers beschikt de Franse Gemeenschap immers over geen enkele territoriale bevoegdheid, zowel op basis van het volkenrecht als op basis van artikel 127 van de Grondwet, om in het buitenland verstrekt onderwijs aan een zowel pedagogische als ideologische controle te onderwerpen. B.12.
  102. Op grond van artikel 127, § 1, eerste lid, 2°, van de Grondwet beschikken de gemeenschappen over de principiële bevoegdheid inzake onderwijs. Die bevoegdheid houdt in dat de gemeenschappen de daadwerkelijke naleving van de leerplicht moeten kunnen controleren. De controle van het studieniveau die het bestreden decreet invoert, strekt ertoe de naleving te verzekeren van de leerplicht van de kinderen die thuis onderwijs volgen en onder de Franse Gemeenschap vallen. B.12.
  103. Teneinde rekening te houden met, enerzijds, het feit dat « België op zijn grondgebied onderwijsinstellingen verwelkomt waarvan het onderwijs in overeenstemming is met de wetgeving van de Staat waaraan zij zijn verbonden » (Parl. St., Parlement van de Franse 25 Gemeenschap, 2007-2008, nr. 521/1, p. 4), en, anderzijds, de situatie van de personen die in het Franse taalgebied verblijven en « hun kinderen naar school sturen in het buitenland en in het bijzonder in de buurlanden », bepaalt artikel 3, eerste lid, 3°, van het decreet van 25 april 2008 dat de schoolinrichtingen die onder een buitenlands stelsel vallen, door de Franse Gemeenschapsregering kunnen worden erkend onder de in het tweede tot vierde lid van datzelfde artikel bepaalde voorwaarden. Die erkenning kan dus betrekking hebben op onderwijsinstellingen die onder een buitenlands stelsel vallen ongeacht of zij op het Belgische grondgebied of daarbuiten zijn gevestigd. De kinderen die les volgen in die onderwijsinrichtingen die onder een buitenlands stelsel vallen, zullen kunnen worden geacht te voldoen aan de leerplicht indien die inrichtingen worden erkend bij een regeringsbeslissing : « [De regeringsbeslissing] zal rekening houden met het studieprogramma teneinde te verzekeren dat het opleidingsniveau gelijkwaardig is aan datgene dat door het onderwijs van de Franse Gemeenschap wordt geboden, maar eveneens dat dat onderwijs niet kennelijk onverenigbaar is met onze maatschappelijke waarden. Dat zou aldus bijvoorbeeld het geval zijn voor een inrichting die lijfstraffen zou hanteren of waarvan het onderwijs zou steunen op racistische, seksistische of andere discriminerende opvattingen. Die bepaling wijzigt geenszins de regels betreffende de gelijkwaardigheid van de diploma’s en beperkt zich ertoe te erkennen dat, wanneer de voorwaarden ervan zijn vervuld, de betrokken minderjarige wordt geacht aan de leerplicht te voldoen. De aanvraag zal kunnen worden ingediend door de inrichting zelf, maar eveneens door de personen die verantwoordelijk zijn voor de minderjarige. Die laatste hypothese beoogt in de praktijk hoofdzakelijk de schoolinrichtingen die in het buitenland zijn gevestigd en die, in tegenstelling tot die welke zich in België bevinden, slechts weinig belang erbij zouden hebben de aanvraag in te dienen. De beslissing zal in alle gevallen de inrichting en niet de minderjarige beogen, met dien verstande dat, in geval van weigering, die laatste zal worden geacht onder het huisonderwijs te vallen » (ibid.). B.12.
  104. Uit de formulering van het middel blijkt dat daarin artikel 3 van het decreet van 25 april 2008 enkel wordt bekritiseerd in zoverre het de erkenning mogelijk maakt van onderwijsinrichtingen die onder een buitenlands stelsel vallen en buiten het Belgisch grondgebied zijn gevestigd. 26 B.13.
  105. Wanneer de onder een buitenlands stelsel ressorterende inrichtingen door de Regering worden erkend overeenkomstig artikel 3 van het bestreden decreet, worden de kinderen die in die inrichtingen les volgen, geacht te voldoen aan de leerplicht, zodat zij, doordat zij niet onder het huisonderwijs vallen, worden vrijgesteld van de controle van het studieniveau, alsook van de vereiste om te slagen voor de bij de artikelen 18 tot 20 van het bestreden decreet opgelegde proeven. Het is derhalve coherent dat die erkenning van de onderwijsinrichting gebeurt op basis van dezelfde criteria als die van de controle van het studieniveau, namelijk het studieniveau en de naleving van de fundamentele waarden van onze maatschappij. B.13.
  106. Door de erkenning van een schoolinrichting die onder een buitenlands stelsel valt en buiten het Belgisch grondgebied is gevestigd, uitgevoerd op basis van de in de inrichting gevolgde studieprogramma’s, oefent de Franse Gemeenschap niet op extraterritoriale wijze een controle uit op het in die inrichting verstrekt onderwijs, maar bepaalt zij, binnen haar bevoegdheidssfeer inzake onderwijs, voor de kinderen die huisonderwijs volgen en onder haar bevoegdheid ressorteren, de voorwaarden om te voldoen aan de leerplicht door les te volgen in een erkende buitenlandse inrichting. De weigering om de in het buitenland gevestigde inrichting te erkennen, heeft voor het overige geen gevolgen voor de inrichting zelf, maar zal er enkel toe leiden dat de aan de leerplicht onderworpen kinderen die onder de bevoegdheid van de Gemeenschap vallen en les zouden volgen in een buitenlandse onderwijsinrichting die niet is erkend in de zin van artikel 3 van het decreet, zullen worden geacht te ressorteren onder het huisonderwijs in de zin van artikel 5 van het decreet en bijgevolg zullen worden onderworpen aan de controles van het studieniveau waarin de artikelen 11 en volgende van het decreet van 25 april 2008 voorzien, alsook aan de vereiste te slagen voor de proeven bedoeld in de artikelen 18 tot 20 van het decreet. B.13.
  107. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, strekken de voorwaarden bedoeld in artikel 3 van het decreet van 25 april 2008 ertoe de naleving te waarborgen van de leerplicht van de kinderen die zijn onderworpen aan de leerplicht van de Franse Gemeenschap, zonder tot doel of tot voorwerp te hebben de in het buitenland gevestigde onderwijsinrichtingen te controleren. 27 B.13.
  108. Het middel is niet gegrond.
  109. Ten aanzien van de controle van het huisonderwijs B.14.
  110. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de onderwijsvrijheid gewaarborgd bij artikel 24, in het bijzonder § 1, eerste en tweede lid, van de Grondwet. Volgens de verzoekende partijen kent de onnauwkeurigheid van de bewoordingen van het decreet aan de Algemene Inspectiedienst de bevoegdheid toe om te beoordelen wat onder « gelijkwaardig studieniveau » moet worden begrepen en aldus de keuze van de ouders en van de leerkrachten in het geding te brengen. De verzoekers zijn van mening dat de bij het decreet opgelegde « onrechtmatige » pedagogische verplichtingen, met name de documenten die aan de inspectie moeten worden voorgelegd (artikel 13 van het decreet), de mogelijke controle van het schoolbezoek op elk ogenblik (artikel 14 van het decreet) in een gebouw van de overheid (artikel 16 van het decreet) en de mogelijke sanctie van een verplichte inschrijving in een door de Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde school (artikel 17 van het decreet), eveneens strijdig zijn met de vrijheid van onderwijs. B.14.
  111. In het tweede middel, afgeleid uit de schending van artikel 24, § 1, in samenhang gelezen met artikel 19, van de Grondwet, voeren de verzoekende partijen aan dat het bestreden decreet, door de verplichting op te leggen dat het onderwijs verstrekt buiten het door de Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde onderwijs de doelstellingen nastreeft die zijn gedefinieerd in het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs, in overeenstemming is met titel II van de Grondwet en geen waarden voorstaat die kennelijk onverenigbaar zijn met het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, een schending inhoudt van de « keuzevrijheid » van de ouders en de leerkrachten, vermits onderwijs dat niet zou samenvallen met de filosofische en ideologische uitgangspunten van het decreet, sancties riskeert, zoals de verplichting om het kind in te schrijven in een door de Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde school in geval van niet-slagen. 28 B.15.
  112. Artikel 24 van de Grondwet bepaalt : «
  113. Het onderwijs is vrij; elke preventieve maatregel is verboden; de bestraffing van de misdrijven wordt alleen door de wet of het decreet geregeld. De gemeenschap waarborgt de keuzevrijheid van de ouders. De gemeenschap richt neutraal onderwijs in. De neutraliteit houdt onder meer in, de eerbied voor de filosofische, ideologische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de leerlingen. De scholen ingericht door openbare besturen bieden, tot het einde van de leerplicht, de keuze aan tussen onderricht in een der erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer. §
  114. Zo een gemeenschap als inrichtende macht bevoegdheden wil opdragen aan een of meer autonome organen, kan dit slechts bij decreet, aangenomen met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen. §
  115. Ieder heeft recht op onderwijs, met eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden. De toegang tot het onderwijs is kosteloos tot het einde van de leerplicht. Alle leerlingen die leerplichtig zijn, hebben ten laste van de gemeenschap recht op een morele of religieuze opvoeding. §
  116. Alle leerlingen of studenten, ouders, personeelsleden en onderwijsinstellingen zijn gelijk voor de wet of het decreet. De wet en het decreet houden rekening met objectieve verschillen, waaronder de eigen karakteristieken van iedere inrichtende macht, die een aangepaste behandeling verantwoorden. §
  117. De inrichting, erkenning of subsidiëring van het onderwijs door de gemeenschap wordt geregeld door de wet of het decreet ». B.15.
  118. Artikel 19 van de Grondwet bepaalt : « De vrijheid van eredienst, de vrije openbare uitoefening ervan, alsmede de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten, zijn gewaarborgd, behoudens bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheden worden gepleegd ». B.16.
  119. De door artikel 24, § 1, van de Grondwet gewaarborgde onderwijsvrijheid garandeert het recht tot oprichting - en dus tot keuze - van scholen die al dan niet geënt zijn op een bepaalde confessionele of niet-confessionele levensbeschouwing. Zij impliceert voor privépersonen eveneens de mogelijkheid om - zonder voorafgaande toestemming en onder voorbehoud van de inachtneming van de fundamentele rechten en vrijheden - naar eigen inzicht onderwijs in te richten en te laten verstrekken, zowel naar de vorm als naar de inhoud, 29 bijvoorbeeld door scholen op te richten die hun eigenheid vinden in bepaalde pedagogische of onderwijskundige opvattingen. B.16.
  120. Hoewel de vrijheid van onderwijs de keuzevrijheid van de ouders op het vlak van de vorm van het onderwijs omvat, en met name de keuze voor huisonderwijs dat door de ouders wordt verstrekt, of voor onderwijs dat wordt verstrekt in een onderwijsinrichting die niet ingericht, noch gesubsidieerd, noch erkend is in de zin van artikel 3 van dat decreet, moet die keuzevrijheid van de ouders evenwel in die zin worden geïnterpreteerd dat zij rekening houdt met, enerzijds, het hogere belang van het kind en zijn grondrecht op onderwijs en, anderzijds, de naleving van de leerplicht. B.17.
  121. Artikel 24, § 3, van de Grondwet waarborgt immers het recht van iedereen om onderwijs te krijgen « met eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden », terwijl artikel 24, § 4, herinnert aan het beginsel van gelijkheid tussen alle leerlingen en studenten. Artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « Niemand zal het recht op onderwijs worden ontzegd. Bij de uitoefening van alle functies welke de Staat in verband met de opvoeding en het onderwijs op zich neemt zal de Staat het recht eerbiedigen van de ouders om (voor hun kinderen) zich van die opvoeding en van dat onderwijs te verzekeren welke overeenstemmen met hun eigen godsdienstige en filosofische overtuigingen ». Artikel 28 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind bepaalt : «
  122. De Staten die partij zijn, erkennen het recht van het kind op onderwijs, en teneinde dit recht geleidelijk en op basis van gelijke kansen te verwezenlijken […] ». Artikel 29 van dat Verdrag bepaalt : «
  123. De Staten die partij zijn, komen overeen dat het onderwijs aan het kind dient te zijn gericht op : a) de zo volledig mogelijke ontplooiing van de persoonlijkheid, talenten en geestelijke en lichamelijke vermogens van het kind; 30 b) het bijbrengen van eerbied voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en voor de in het Handvest van de Verenigde Naties vastgelegde beginselen; c) het bijbrengen van eerbied voor de ouders van het kind, voor zijn of haar eigen culturele identiteit, taal en waarden, voor de nationale waarden van het land waar het kind woont, het land waar het is geboren, en voor andere beschavingen dan de zijne of hare; d) de voorbereiding van het kind op een verantwoord leven in een vrije samenleving, in de geest van begrip, vrede, verdraagzaamheid, gelijkheid van geslachten, en vriendschap tussen alle volken, etnische, nationale en godsdienstige groepen en personen behorend tot de oorspronkelijke bevolking; e) het bijbrengen van eerbied voor de natuurlijke omgeving. […] ». Artikel 22bis van de Grondwet, zoals aangevuld bij de grondwetsherziening van 22 december 2008 (Belgisch Staatsblad van 29 december 2008) bepaalt overigens : « Elk kind heeft recht op eerbiediging van zijn morele, lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit. Elk kind heeft het recht zijn mening te uiten in alle aangelegenheden die het aangaan; met die mening wordt rekening gehouden in overeenstemming met zijn leeftijd en zijn onderscheidingsvermogen. Elk kind heeft recht op maatregelen en diensten die zijn ontwikkeling bevorderen. Het belang van het kind is de eerste overweging bij elke beslissing die het kind aangaat. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen deze rechten van het kind ». B.17.
  124. Het recht op onderwijs van het kind kan bijgevolg de keuzevrijheid van de ouders en de vrijheid van de leerkrachten op het vlak van het onderwijs dat zij wensen te verstrekken aan het aan de leerplicht onderworpen kind, beperken. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is aldus van oordeel dat, wanneer de rechten van de ouders, in plaats van het recht van het kind op onderwijs te versterken, met dat recht in conflict komen, de belangen van het kind primeren (zie EHRM, 30 november 2004, beslissing Bulski t. Polen; zie ook EHRM, 5 februari 1990, beslissing Graeme t. Verenigd Koninkrijk, EHRM, 30 juni 1993, beslissing B.N. en S.N. t. Zweden, en EHRM, 11 september 2006, beslissing Fritz Konrad en anderen t. Duitsland). 31 B.17.
  125. In de context van het onderwijs vormt de vrijheid van meningsuiting, gewaarborgd bij artikel 19 van de Grondwet, een aspect van de actieve vrijheid van onderwijs, opgevat als de vrijheid om onderwijs te verstrekken volgens zijn ideologische, filosofische en religieuze opvattingen. Zoals de actieve vrijheid van onderwijs, is die vrijheid van meningsuiting in het onderwijs evenwel niet absoluut; zij moet zich immers verzoenen met het recht op onderwijs van de kinderen en met het doel de geest van de kinderen open te stellen voor het pluralisme en de verdraagzaamheid, die essentieel zijn voor de democratie. B.18.
  126. Het bestreden decreet heeft tot doel « te verzekeren dat de aan de leerplicht onderworpen minderjarigen hun recht op onderwijs genieten » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2007-2008, nr. 521/1, p. 4). Door een periode vast te stellen gedurende welke het onderwijs verplicht is voor alle kinderen, strekt de leerplicht ertoe de kinderen te beschermen en de doeltreffendheid van hun recht op onderwijs te verzekeren. Artikel 1, § 2, van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht bepaalt : « Het onderwijs en de vorming die aan de leerplichtige worden verstrekt, moeten bijdragen tot diens opvoeding alsmede tot diens voorbereiding tot de uitoefening van een beroep ». De parlementaire voorbereiding van de voormelde wet van 29 juni 1983, die de duur van de leerplicht heeft verlengd, geeft aan dat de leerplicht in wezen wordt gedefinieerd ten opzichte van de pedagogische inhoud : « Gezien het uitgangspunt - het recht van iedere jongere op een basisvorming - wordt de leerplicht niet alleen afgelijnd naar leeftijd toe, maar ook en vooral naar pedagogische inhoud » (Parl. St., Kamer, 1982-1983, nr. 645/1, p. 6). Ten aanzien van het huisonderwijs werd gepreciseerd : 32 « Hoewel het huisonderwijs nog nauwelijks aan enige sociologische realiteit beantwoordt, houdt § 4 de mogelijkheid open, onder door de Koning vast te stellen voorwaarden, […] huisonderricht [te verstrekken, met naleving van de leerplicht] om te voldoen aan de in artikel 17 van de Grondwet voorgeschreven vrijheid van onderwijs » (ibid., p. 7). B.18.
  127. Hoewel, overeenkomstig artikel 1, § 6, van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht, ook door middel van huisonderwijs kan worden voldaan aan de leerplicht, kan de keuze voor die onderwijsvorm - waarvan het wettige karakter niet wordt betwist door het bestreden decreet – er evenwel niet toe leiden dat de ouders ervan zouden worden vrijgesteld voor hun kinderen de leerplicht in acht te nemen - waarvan de niet-naleving overigens strafrechtelijk wordt bestraft - of dat zij het recht op onderwijs van hun kinderen zouden schenden. De noodzaak om te waken over de naleving van de leerplicht kan de gemeenschappen aldus ertoe brengen controlemechanismen in te voeren die het mogelijk maken na te gaan dat alle kinderen daadwerkelijk, zelfs thuis, onderwijs krijgen waardoor aan de leerplicht wordt voldaan, teneinde hun recht op onderwijs te waarborgen. B.18.
  128. Er dient derhalve te worden nagegaan of de bij het bestreden decreet ingevoerde voorwaarden en controles, afbreuk doen aan de pedagogische vrijheid die is vervat in de vrijheid van onderwijs zoals gewaarborgd bij artikel 24, § 1, van de Grondwet, en of die maatregelen onevenredig zijn, door verder te gaan dan noodzakelijk is voor het bereiken van de beoogde doelstellingen van algemeen belang, namelijk het waarborgen van de kwaliteit en de gelijkwaardigheid van het onderwijs. Ten aanzien van de verwijzing naar bepaalde waarden B.19.
  129. De artikelen 3, tweede lid, en 11, tweede lid, van het decreet van 25 april 2008 maken het mogelijk na te gaan of het verstrekte onderwijs « in overeenstemming is met titel II van de Grondwet en in geen enkel opzicht waarden vooropstelt die klaarblijkelijk onverenigbaar zijn met het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, getekend te Rome op 4 november 1950 ». 33 Die bepalingen leggen een te verifiëren voorwaarde op voor de erkenning van een onderwijsinrichting die onder een buitenlands stelsel valt (artikel 3, tweede lid) en voor de controle van het studieniveau van het onderwijs dat als huisonderwijs wordt beschouwd overeenkomstig artikel 5 van het decreet (artikel 11, tweede lid). Die bepalingen strekken ertoe na te gaan of het onderwijs « niet kennelijk onverenigbaar is met onze maatschappelijke waarden » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2007-2008, nr. 521/1, p. 4) : « Dat zou aldus bijvoorbeeld het geval zijn voor een inrichting die lijfstraffen zou hanteren of waarvan het onderwijs zou steunen op racistische, seksistische of andere discriminerende opvattingen » (ibid.). Die bepalingen maken het mogelijk te verzekeren dat het recht op onderwijs van het kind overeenkomstig artikel 24, § 3, van de Grondwet wordt uitgeoefend « met eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden », waaronder zowel titel II van de Grondwet als het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.19.
  130. De verzoekers zetten niet uiteen hoe de verwijzing naar de fundamentele waarden van een democratische maatschappij, verankerd in de voormelde bepalingen, afbreuk zou kunnen doen aan de vrijheid van onderwijs, of aan de vrijheid van meningsuiting van de ouders en van de leerkrachten, aangezien zij het bij artikel 24, § 3, van de Grondwet gewaarborgde recht op onderwijs van het kind in acht moeten nemen. Ten aanzien van de verwijzing naar het decreet van 24 juli 1997 B.20.
  131. Artikel 11 van het decreet van 25 april 2008 bepaalt dat de Algemene Inspectiedienst het studieniveau in het huisonderwijs controleert, door te verzekeren dat het verstrekte onderwijs « de leerplichtige minderjarige de mogelijkheid biedt een studieniveau te verwerven dat gelijkwaardig is aan het referentiesysteem voor de basisvaardigheden, de eindvaardigheden, de vereiste gemeenschappelijke kennis en de minimale vaardigheden, [respectievelijk] bedoeld […] bij de artikelen 16 en 25 of 35 van het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren ». 34 Op grond van artikel 11, tweede lid, verzekert de Algemene Inspectiedienst eveneens dat het verstrekte onderwijs de doelstellingen nastreeft die zijn gedefinieerd in artikel 6 van het voormelde decreet van 24 juli
  132. B.20.
  133. In de parlementaire voorbereiding wordt ten aanzien van artikel 11 van het bestreden decreet uiteengezet : « Die bepaling legt het referentiekader voor de controle van het studieniveau vast. Rekening houdend met het beginsel van de vrijheid van onderwijs kan geen sprake ervan zijn de naleving van de basisvaardigheden, eindvaardigheden, gemeenschappelijke vereiste kennis of de minimale vaardigheden als dusdanig op te leggen. Zij kunnen daarentegen dienen als criteria om het studieniveau te beoordelen dat moet worden bereikt voor de leerlingen die vallen onder het huisonderwijs. De Algemene Inspectiedienst zal dus ermee worden belast na te gaan of het verstrekte onderwijs redelijkerwijs van dien aard kan worden beschouwd dat het hetzelfde kennisniveau bereikt als datgene dat zou voortvloeien uit de toepassing van de basisvaardigheden » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2007-2008, nr. 521/1, p. 5). Het is echter mogelijk om, overeenkomstig artikel 12 van het decreet van 25 april 2008, op een met redenen omklede aanvraag, een afwijking te verkrijgen van het normaal vereiste studieniveau « wanneer de leerplichtige minderjarige gezondheids-, leer-, gedragsproblemen ervaart of wanneer hij aan een motorische, sensorische of mentale handicap lijdt ». Op die manier « is in mogelijkheden tot aanpassing voorzien voor de minderjarigen met een bijzonder profiel » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2007-2008, nr. 521/3, p. 4; zie ook Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2007-2008, nr. 521/1, p. 3). B.21.
  134. Het voormelde decreet van de Franse Gemeenschap van 24 juli 1997 voert een bijzondere structuur in voor de vorming, die van toepassing is op het basisonderwijs en het gewoon en bijzonder secundair onderwijs ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap. Artikel 6 van het decreet van 24 juli 1997 bepaalt : 35 « De Franse Gemeenschap, voor het onderwijs dat ze organiseert en elke inrichtende macht voor het gesubsidieerd onderwijs, streven tegelijkertijd en zonder hiërarchie de volgende doelstellingen na : 1° het zelfvertrouwen en de ontwikkeling van de persoon van elk van de leerlingen bevorderen; 2° alle leerlingen ertoe brengen wetenschap en competenties te verwerven die ze in staat stellen gedurende hun hele leven te leren en een actieve plaats in te nemen in het economisch, sociaal en cultureel leven; 3° alle leerlingen erop voorbereiden verantwoordelijke burgers te zijn, die in staat zijn mee te werken aan de ontwikkeling van een democratische, solidaire gemeenschap die pluralistisch is en openstaat voor andere culturen; 4° aan alle leerlingen gelijke kansen garanderen op een sociale emancipatie ». B.21.
  135. Door te bepalen dat de Algemene Inspectiedienst controleert of het verstrekte onderwijs de doelstellingen nastreeft die in artikel 6 zijn gedefinieerd, strekt het bestreden artikel 11 ertoe dat het huisonderwijs dezelfde algemene doelstelling nastreeft als het gehele onderwijs, namelijk de intellectuele en sociale ontplooiing van alle kinderen. Voor het overige stemt die doelstelling overeen met die welke het onderwijs en de vorming van de minderjarige moeten nastreven overeenkomstig artikel 1, § 2, van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht, namelijk bijdragen tot de opvoeding van de minderjarige en zijn voorbereiding op het uitoefenen van een beroep. B.22.
  136. Het voormelde decreet van de Franse Gemeenschap van 24 juli 1997 voert het concept « bekwaamheidsniveaus » in, dat wordt gedefinieerd als een « referentiesysteem dat op een gestructureerde manier de basiscompetenties uiteenzet die uitgeoefend moeten worden tot aan het eind van de eerste 8 jaar van het verplicht onderwijs en deze die beheerst moeten worden aan het eind van elk van hun fasen omdat ze als noodzakelijk beschouwd worden voor de sociale integratie en voor de voortzetting van de studies » (artikel 5, 2°). Het voert eveneens het concept van « eindtermen » in, dat wordt gedefinieerd als een « referentiesysteem dat op een gestructureerde manier de competenties uiteenzet waarvan de beheersing verwacht wordt op een bepaald niveau aan het eind van het secundair onderwijs » (artikel 5, 3°). 36 Artikel 16 van het voormelde decreet van 24 juli 1997 bepaalt de beginselen inzake de totstandkoming van de bekwaamheidsniveaus, terwijl de artikelen 25 en 35 betrekking hebben op de eindbekwaamheden, de gemeenschappelijke kennis en de minimale bekwaamheden, respectievelijk voor de algemene en technologische humaniora, en voor de beroeps- en technische humaniora. De artikelen 9 en volgende van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 juli 2001 « tot bekrachtiging van de eindtermen zoals bedoeld in artikel 16 van het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren en tot organisatie van een procedure voor beperkte afwijking » regelt een procedure om af te wijken van de leermethoden die staan omschreven in de eindtermen. B.22.
  137. In het voorontwerp dat is voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State was bepaald dat de Algemene Inspectiedienst moest verzekeren dat het verstrekte huisonderwijs het mogelijk maakt « een voldoende studieniveau te verwerven met verwijzing naar de basisvaardigheden, eindvaardigheden, de vereiste gemeenschappelijke kennis en de minimale vaardigheden […] ». De woorden « voldoende studieniveau » zijn vervangen door « gelijkwaardig studieniveau » teneinde rekening te houden met de opmerkingen van de Raad van State : « De uitdrukking ‘ voldoende studieniveau ’ is bijzonder vaag en laat derhalve een zeer ruime discretionnaire bevoegdheid aan de Algemene Inspectiedienst. […] De Raad van State ziet niet in waarom de leerplichtige minderjarigen alleen een ‘ voldoende studieniveau ’ moeten verwerven met verwijzing naar de basisvaardigheden, de eindvaardigheden, de vereiste gemeenschappelijke kennis en de minimale vaardigheden, temeer daar zij […] moeten worden onderworpen aan voorwaarden die identiek zijn met die van de minderjarigen die voortkomen uit andere onderwijsvormen voor de proef en de examens die zij moeten afleggen […] » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2007-2008, nr. 521/1, p. 23). B.23.1.
  138. Hoewel de vrijheid van onderwijs, bedoeld in artikel 24, § 1, van de Grondwet, het recht inhoudt om, zonder verwijzing naar een bepaalde confessionele of niet-confessionele levensopvatting, onderwijs in te richten of aan te bieden waarvan het specifieke karakter is 37 gesitueerd in de bijzondere pedagogische of opvoedkundige opvattingen, belet zij evenwel niet dat de bevoegde wetgever, teneinde de kwaliteit en de gelijkwaardigheid van het verplichte onderwijs te verzekeren, maatregelen neemt die op algemene wijze van toepassing zijn, los van de specificiteit van het verstrekte onderwijs. B.23.1.
  139. Wat betreft het onderwijs dat met overheidsmiddelen wordt verstrekt, heeft het Hof erkend dat de bevoegde wetgever, met het oog op het verzekeren van de kwaliteit en de onderlinge gelijkwaardigheid van het onderwijs, maatregelen vermag te nemen die op de onderwijsinstellingen in het algemeen van toepassing zijn, ongeacht de eigenheid van het door hen verstrekte onderwijs (arresten nr. 76/96 van 18 december 1996, B.6; nr. 19/98 van 18 februari 1998, B.8.4; nr. 19/99 van 17 februari 1999, B.4.3; nr. 49/2001 van 18 april 2001, B.8; nr. 131/2003 van 8 oktober 2003, B.5.4). In dat opzicht zijn ontwikkelingsdoeleinden, eindtermen en basisvaardigheden een adequaat middel om de gelijkwaardigheid van de studiebewijzen en diploma’s veilig te stellen en om de onderlinge gelijkwaardigheid te vrijwaren van het onderwijs verstrekt in de instellingen die ouders en leerlingen vrij kunnen kiezen (arresten nr. 76/96 van 18 december 1996, B.8.3, en nr. 49/2001 van 18 april 2001, B.10.1). Wat betreft de onderwijsinstellingen die ervoor kiezen geen beroep te doen op overheidssubsidiëring, ofschoon de overheid vermag toe te zien op de kwaliteit van het verstrekte onderwijs, vermag dat toezicht niet zo ver te gaan de inachtneming te eisen van de ontwikkelingsdoeleinden, eindtermen of basisvaardigheden. B.23.
  140. Door te verwijzen naar de basisvaardigheden, de eindvaardigheden, de vereiste gemeenschappelijke kennis en de minimale vaardigheden bepaald in het decreet van 24 juli 1997, maakt het bestreden artikel 11 het mogelijk het studieniveau van het kind te beoordelen ten opzichte van duidelijk vastgestelde « referentiesystemen », zodat het studieniveau zal worden beoordeeld op basis van criteria die de ouders en de leerkrachten bekend zijn, en die bijgevolg voldoende voorzienbaar zijn. De verwijzing naar de basisvaardigheden, de eindvaardigheden, de vereiste gemeenschappelijke kennis en de minimale vaardigheden betekent dus niet dat de inhoud ervan zou kunnen worden opgelegd aan de kinderen die ressorteren onder het huisonderwijs; die 38 verwijzing betekent alleen dat zij criteria zijn die een aanwijzing vormen voor de algemene basiskennis en -vaardigheden die een kind volgens zijn leeftijd moet hebben. In de parlementaire voorbereiding heeft de minister overigens uitdrukkelijk uiteengezet : « De verwijzing naar de voormelde termen en vaardigheden mag het [de Algemene Inspectiedienst] in geen geval mogelijk maken een oordeel uit te brengen over de gehanteerde pedagogische praktijken of eender welke inhoud op te leggen. Die duidelijk vastgestelde referentienormen moeten toelaten elke willekeur te vermijden ! » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2007-2008, nr. 521/3, pp. 3-4). B.23.
  141. Het bestreden artikel 11 maakt het dus niet mogelijk de leerkrachten van het huisonderwijs een leerplan op te leggen. De tekst van het bestreden artikel 11 bepaalt overigens niet dat de Algemene Inspectiedienst controleert of het studieniveau « identiek » is, maar alleen of het « gelijkwaardig » is aan de basisvaardigheden, de eindvaardigheden, de vereiste gemeenschappelijke kennis en de minimale vaardigheden bepaald in het decreet van 24 juli
  142. Die « gelijkwaardigheid » van het studieniveau van het huisonderwijs ten opzichte van het ingerichte of gesubsidieerde onderwijs moet bijgevolg dezelfde betekenis krijgen als de « gelijkwaardigheid » in de zin van de wet van 19 maart 1971 betreffende de gelijkwaardigheid van de buitenlandse diploma’s 0en studiegetuigschriften. B.23.
  143. Rekening houdend, bijgevolg, met de specifieke kenmerken van het huisonderwijs en van de vrijheid van onderwijs, moet de beoordeling van het « gelijkwaardige » karakter van het studieniveau rekening houden met de pedagogische methoden, alsook met de ideologische, filosofische of religieuze opvattingen van de ouders of van de leerkrachten, op voorwaarde dat die methodes en opvattingen niet indruisen tegen het recht van het kind op onderwijs met naleving van de fundamentele vrijheden en rechten en geen afbreuk doen aan de kwaliteit van het onderwijs, noch aan het te bereiken studieniveau. B.23.
  144. Artikel 11 van het bestreden decreet schendt de vrijheid van onderwijs niet. 39 Ten aanzien van de voorwaarden inzake de controle van het studieniveau B.24.
  145. Op grond van artikel 14 van het decreet van 25 april 2008 wordt het studieniveau gecontroleerd door de Algemene Inspectiedienst op basis van de in artikel 13 van het decreet bedoelde pedagogische documenten en op ondervraging van de leerlingen. Volgens artikel 13 van het decreet wordt onder pedagogische documenten verstaan, « [met name] de gebruikte schoolboeken, het opgebouwde en gebruikte pedagogisch materiaal, de fardes en schoolboeken, de geschreven producties van de leerplichtige minderjarige, een individueel opleidingsplan ». Die documenten zijn « zichtbare sporen van de aangewende middelen om het onderwijs te verstrekken » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2007-2008, nr. 521/1, p. 5) : « De raadpleging van die documenten zal het de Algemene Inspectiedienst eventueel mogelijk maken zijn aandacht te vestigen op de gezinnen waarin de voorbereiding minder goed lijkt » (ibid.). B.24.
  146. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren is het begrip « individueel opleidingsplan » bij wijze van voorbeeld gegeven en vormt het dus niet meer dan een van de documenten die een studieprogramma in het huisonderwijs kunnen aantonen. Dat begrip is wel degelijk gepreciseerd en de bestreden bepaling schendt artikel 24, § 5, van de Grondwet bijgevolg niet. B.25.
  147. Overeenkomstig artikel 15 van het decreet gebeurt die controle individueel en voor alle leerplichtige minderjarigen die huisonderwijs volgen en in eenzelfde zone zijn gedomicilieerd. Op grond van artikel 16 van het decreet verloopt die controle van het studieniveau in een gebouw van de overheid dat door de Algemene Inspectiedienst wordt gekozen. B.25.
  148. De verzoekers zetten niet uiteen hoe het feit dat de controle van het studieniveau gebeurt in een overheidsgebouw, afbreuk kan doen aan de vrijheid van onderwijs. 40 Voor het overige is het feit dat de controle van het studieniveau een verplaatsing van de kinderen kan vereisen, geen onevenredige maatregel, daar die verplaatsing beperkt zal zijn, vermits, zoals in artikel 15 van het decreet wordt bepaald, de controle plaatsheeft per zone, volgens de woonplaats van het kind. B.25.
  149. De artikelen 13 en 16 van het bestreden decreet schenden de vrijheid van onderwijs niet. Ten aanzien van de gevolgen van de controle van het studieniveau B.26.
  150. Op grond van artikel 14 kan een controle van het studieniveau op eender welk ogenblik plaatshebben en minstens gedurende de jaren waarin de leerplichtige minderjarige de leeftijd van 8 en 10 jaar bereikt. In de parlementaire voorbereiding wordt uiteengezet : « Naar gelang van de situatie van ieder kind zal de Algemene Inspectiedienst een controle op eender welk ogenblik kunnen uitvoeren. De Regering of de Commissie voor het Huisonderwijs kunnen die eveneens vereisen. In alle gevallen zal een controle evenwel moeten plaatshebben gedurende elk van de in die bepaling aangegeven jaren. Op die manier zal een controle plaatshebben minstens om de twee jaar. Voor de jaren daarna blijven die controles vanzelfsprekend mogelijk, maar ze zijn niet langer verplicht, vermits de minderjarigen een examen zullen moeten afleggen voor de examencommissie » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2007-2008, nr. 521/1, p. 5). B.26.
  151. Door het mogelijk te maken dat op eender welk ogenblik een controle kan plaatshebben, wordt getracht rekening te houden met de situatie van ieder kind. De Algemene Inspectiedienst moet van die controle overigens kennis geven aan de verantwoordelijke personen minstens één maand vóór de datum van de controle (artikel 14, derde lid, van het decreet van 25 april 2008). B.26.
  152. Artikel 14 schendt de vrijheid van onderwijs niet. 41 B.27.
  153. Na de controle van het studieniveau, stelt de Algemene Inspectiedienst binnen de maand een verslag op en brengt een advies uit over de overeenstemming met artikel 11 van het ten huize verstrekte onderwijs. Van het controleverslag en het advies over de overeenstemming met artikel 11 van het decreet wordt kennisgegeven aan de verantwoordelijke personen die, binnen tien dagen na de kennisgeving, hun opmerkingen schriftelijk kunnen meedelen aan de Commissie voor het huisonderwijs, die zich hierover uitspreekt (artikel 17, eerste en tweede lid, van het decreet van 25 april 2008). In geval van een negatieve beslissing heeft een nieuwe controle plaats, volgens dezelfde regels, minstens twee maanden en hoogstens vier maanden na de kennisgeving van die beslissing; indien de beslissing opnieuw negatief is, beschikken de verantwoordelijke personen opnieuw over de mogelijkheid hun opmerkingen schriftelijk mee te delen binnen tien dagen na de kennisgeving (artikel 17, derde lid, van het decreet van 25 april 2008). Er is voorzien in een specifieke regeling wanneer de Algemene Inspectiedienst van mening is dat de minderjarige onder het gespecialiseerd onderwijs valt (artikel 17, zesde lid, van het decreet van 25 april 2008). In geval van een tweede negatieve beslissing van de Commissie beschikken de verantwoordelijke personen over vijftien dagen vanaf de kennisgeving van de beslissing van de Commissie om een beroep in te stellen bij de Regering. De Regering beschikt over één maand om zich uit te spreken over het beroep (artikelen 23 en 24 van het decreet van 25 april 2008). Alleen wanneer de Regering het beroep tegen een tweede negatieve beslissing van de Commissie verwerpt, moeten de verantwoordelijke personen de leerplichtige minderjarige inschrijven in een door de Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde inrichting of in een inrichting bedoeld in artikel 3 van het decreet (artikel 17, vierde lid, van het decreet van 25 april 2008), om een einde te maken aan een situatie van « ontoereikende scholing » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2007-2008, nr. 521/1, p. 6). B.27.
  154. Het is niet onredelijk, noch onevenredig om, na die lange procedure waarbij rekening wordt gehouden met zowel het advies van de verantwoordelijke personen als het belang van het kind, de verplichting op te leggen dat, in de hypothese van twee 42 opeenvolgende vastgestelde lacunes in het studieniveau van het kind dat huisonderwijs volgt, het kind wordt ingeschreven in een ingerichte, gesubsidieerde of in artikel 3 van het decreet bedoelde onderwijsinrichting. De keuzevrijheid van de ouders ten aanzien van het onderwijs dat zij aan hun kind willen verstrekken, wordt aldus slechts beperkt in zoverre hun keuze leidt tot een onderwijs waarvan tot tweemaal toe is vastgesteld dat het gebrekkig is en aldus indruist tegen het recht op onderwijs van het kind. De verplichte inschrijving van het kind in een ingerichte, gesubsidieerde of in artikel 3 van het decreet van 25 april 2008 bedoelde onderwijsinrichting verzekert aldus het kind dat het een onderwijs zal genieten waarvan het studieniveau ofwel voldoet aan de in het decreet van 24 juli 1997 gedefinieerde vaardigheden, ofwel is erkend overeenkomstig artikel 3 van het decreet van 25 april
  155. Voor het overige behouden de ouders hun keuzevrijheid ten aanzien van de onderwijsinrichting, die niet noodzakelijk moet vallen onder het door de Franse Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde onderwijs, ve

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.