← België

ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.108

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 09 juli 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.108 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090709.5 Arrest- Rolnummer: 108/2009 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-07-15 Raadplegingen: 242 - laatst gezien 2026-06-30 03:23 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 357, § 4, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Benoeming van leden rechterlijke orde - Magistraten PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: prejudiciële vraag betreffende artikel 357, § 4, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Gerechtelijk recht - Rechterlijke organisatie - Magistraten - Geldelijk statuut - Taalpremie - Begunstigden - Uitsluiting - Voorzitter van de Kansspelcommissie. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 357,§4,L3 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4518 Arrest nr. 108/2009 van 9 juli 2009 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 357, § 4, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 18 september 2008 in zake de Belgische Staat tegen Etienne Marique, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 24 september 2008, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Is artikel 357, § 4, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat het een magistraat die is belast met een voltijdse opdracht van voorzitter van de Kansspelcommissie, waar tweetaligheid is vereist, niet toelaat de tweetaligheidspremie te ontvangen waarin die bepaling voorziet, terwijl hij de kennis bewijst van een andere taal dan die waarin hij de examens van het doctoraat of van de licentie in de rechten heeft afgelegd, overeenkomstig artikel 43quinquies van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, niet in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de magistraten die ambten in een rechtscollege uitoefenen en voldoen aan artikel 43quinquies van de wet van 15 juni 1935 de toekenning van de tweetaligheidspremie genieten, terwijl het door de wetgever nagestreefde doel zoals vervat in artikel 10, § 3, van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers en in artikel 323bis, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, erin bestaat dat de magistraten die met een opdracht van algemeen belang of met een mandaat zijn belast, alle geldelijke voordelen verbonden aan hun ambt van magistraat binnen hun rechtscollege genieten en behouden, en terwijl de voorzitter van de Kansspelcommissie noodzakelijkerwijs een magistraat is die aan artikel 43quinquies van de wet van 15 juni 1935 moet voldoen ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - Etienne Marique, wonende te 1050 Brussel, Defacqzstraat 41; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 28 april 2009 : - zijn verschenen : . Mr. E. Gourdin loco Mr. A. Verriest, advocaten bij de balie te Brussel, voor Etienne Marique; . Mr. M. Pilcer loco Mr. P. Schaffner, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en A. Alen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De geïntimeerde partij voor de verwijzende rechter is raadsheer bij het Hof van Beroep te Brussel. Bij een koninklijk besluit van 16 december 1999 wordt hij benoemd tot voorzitter van de Kansspelcommissie voor een duur van drie jaar met ingang van 1 januari

  1. Dat mandaat, twee keer hernieuwd voor een periode van 3 jaar, eindigt op 31 december
  2. Met toepassing van de wet van 22 april 2003 die een artikel 357, § 4, in het Gerechtelijk Wetboek invoegt, wordt onder bepaalde voorwaarden en volgens een vastgestelde quota aan de magistraten van de rechterlijke orde een tweetaligheidspremie toegekend. In drie brieven aan de administratie van de federale overheidsdienst Justitie vraagt de geïntimeerde partij voor de verwijzende rechter de effectieve betaling van de tweetaligheidspremie. De raadsman van de geïntimeerde partij voor de verwijzende rechter richt eveneens vier brieven aan de minister van Justitie. Tijdens een mondeling en informeel onderhoud met een vertegenwoordiger van de administratie van de federale overheidsdienst Justitie wordt de geïntimeerde partij voor de verwijzende rechter een grond van niet-ontvankelijkheid van zijn aanvraag tegengeworpen. Bij dagvaarding van 11 augustus 2004 dagvaardt de geïntimideerde partij voor de verwijzende rechter de Belgische Staat voor de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel en eist dat de Staat ertoe wordt veroordeeld haar de achterstallige tweetaligheidspremies te betalen waarop zij volgens haar recht heeft. In ondergeschikte orde verzoekt zij de Rechtbank aan het Hof een prejudiciële vraag te stellen over de bestaanbaarheid van artikel 357, § 4, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. In een vonnis van 26 januari 2006 verklaart de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de vordering ontvankelijk en gegrond. Bij een verzoekschrift neergelegd op 13 april 2006 ter griffie van het Hof van Beroep te Brussel stelt de Belgische Staat hoger beroep in tegen het vonnis. Op 18 september 2008 verklaart het Hof van Beroep te Brussel het hoger beroep ontvankelijk en beslist het, alvorens uitspraak te doen, een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. III. In rechte -A- Memorie van de Ministerraad A.1.
  3. De Ministerraad onderstreept dat, volgens de verwijzende rechter, de Kansspelcommissie geen rechtscollege is maar een administratieve overheid, zodat niet is voldaan aan de criteria vastgesteld in artikel 357, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek. Op basis van die redenering zou de verwijzende rechter hebben beslist dat de geïntimeerde partij geen aanspraak kan maken op enig recht op de toekenning van een tweetaligheidspremie met toepassing van artikel 357, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek, daar zij haar ambt niet daadwerkelijk uitoefent of geen opdracht vervult in een rechtscollege. Ten aanzien van artikel 10, § 3, van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers merkt de Ministerraad op dat het Hof heeft geoordeeld dat de tweetaligheidspremie waarin artikel 357, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek voorziet, niet mag worden opgenomen onder de voordelen waarvan in die bepaling sprake is. Volgens de Ministerraad is het voormelde artikel 10, § 3, aangenomen toen de tweetaligheidspremie nog niet bestond, zodat de wetgever die op het ogenblik van de redactie van dat artikel a fortiori niet kon beogen. Uit de parlementaire voorbereiding van de latere wet die de premie invoert, zou eveneens duidelijk blijken dat de wetgever die heeft willen voorbehouden aan de magistraten die hun ambt daadwerkelijk uitoefenen binnen een justitieel gerecht teneinde de personeelsformaties van de rechtscolleges en van de parketten in te vullen, waarbij de kandidatuur van tweetalige kandidaten wordt aangemoedigd. 4 Artikel 323bis, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat een zittende magistraat die een opdracht vervult, zijn plaats op de ranglijst behoudt, alsook de aan dat ambt verbonden wedde met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen, en dat hij wordt geacht het ambt uit te oefenen waarin hij werd benoemd. De Ministerraad merkt op dat, volgens de verwijzende rechter, die bepaling niet van toepassing is op de situatie van de voorzitter van de Kansspelcommissie, aangezien die Commissie valt onder specifieke regels die voorrang hebben op de bepalingen van algemene aard. Uit hetgeen voorafgaat, zou voortvloeien dat de geïntimeerde partij voor de verwijzende rechter geen recht zou hebben op de in het geding zijnde tweetaligheidspremie, hetgeen de verwijzende rechter ertoe zou hebben gebracht een prejudiciële vraag te stellen over de eventuele discriminatie die hierdoor te haren aanzien zou zijn gecreëerd. A.1.
  4. De Ministerraad steunt op de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 april 2003 die in het Gerechtelijk Wetboek het gelaakte artikel 357, § 4, heeft ingevoegd, om aan te tonen dat het doel van de wetgever erin bestond het tekort aan magistraten op te vangen in sommige justitiële gerechten waar minstens een deel van de magistraten krachtens de wetgeving op het gebruik der talen in gerechtszaken het bewijs moet leveren van de kennis van meer dan één landstaal, daar te weinig magistraten aan het tweetaligheidsexamen hebben deelgenomen en daarvoor zijn geslaagd. De wetgever heeft in de in het geding zijnde bepaling gepreciseerd dat de magistraat, om die premie te kunnen genieten, zijn ambt daadwerkelijk moest uitoefenen in het rechtscollege waar hij is benoemd. Dat standpunt zou overigens zijn bevestigd door de afdeling wetgeving van de Raad van State in haar advies over het voorontwerp van wet tot wijziging van de artikelen 357 en 362 van het Gerechtelijk Wetboek. A.1.
  5. Ten aanzien van het onderzoek van de aangevoerde discriminatie en meer bepaald de vergelijkbaarheid van de in het geding zijnde categorieën van personen voert de Ministerraad aan dat de magistraat die de opdracht van voorzitter van de Kansspelcommissie vervult, zijn ambt uitoefent binnen een administratieve overheid, terwijl de magistraten van de rechterlijke orde die de tweetaligheidspremie genieten, hun ambt uitoefenen in rechtscolleges. Er zou derhalve moeten worden nagegaan of dat verschil in behandeling berust op een objectief en redelijk criterium dat in verband staat met het door de wetgever nagestreefde doel. In dat opzicht merkt de Ministerraad op dat het Hof, met het arrest nr. 208/2004 van 21 december 2004, het beroep tot vernietiging heeft afgewezen dat gericht was tegen de artikelen 357 en 362 van het Gerechtelijk Wetboek zoals gewijzigd bij de wet van 22 april
  6. De Ministerraad voert aan dat het niet discriminerend is de toekenning van een tweetaligheidspremie te weigeren aan de magistraat die een voltijdse opdracht van voorzitter van de Kansspelcommissie vervult, terwijl hij eveneens de kennis van een andere taal aantoont dan die waarin hij de examens van het doctoraat of van de licentie in de rechten heeft afgelegd, overeenkomstig artikel 43quinquies van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Die magistraat zou zijn opdracht immers niet vervullen in een rechtscollege, maar binnen een andere administratieve overheid en zou zijn ambt niet daadwerkelijk uitoefenen in het rechtscollege waar hij is benoemd. A.1.
  7. De Ministerraad merkt ten overvloede op dat de gestelde vraag geen ander antwoord zou behoeven in zoverre daarin wordt verwezen naar het door de wetgever nagestreefde doel zoals het is opgenomen in artikel 10, § 3, van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers en in artikel 323bis, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Volgens de Ministerraad zou moeten worden vastgesteld dat de toekenning van de tweetaligheidspremie aan de magistraat die de voltijdse opdracht van voorzitter van de Kansspelcommissie vervult, zou ingaan tegen het doel dat wordt nagestreefd door de wetgever die die premie heeft ingevoerd. Memorie van de geïntimeerde partij voor de verwijzende rechter A.2.
  8. De analyse die leidt tot het besluit dat de Kansspelcommissie niet kan worden beschouwd als een administratief rechtscollege, zou volgens de geïntimeerde partij voor de verwijzende rechter in strijd zijn met artikel 357, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Er zou immers moeten worden vastgesteld dat de Kansspelcommissie beantwoordt aan de meeste kenmerken die zowel door de rechtspraak als door de rechtsleer worden beschouwd als die welke een rechterlijke instantie kunnen kwalificeren. De Rechtbank van eerste aanleg te Brussel zou dus in haar vonnis van 5 26 januari 2006 terecht voor recht hebben gezegd dat de Kansspelcommissie een rechtscollege is in de zin van artikel 357, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek. A.2.
  9. De geïntimeerde partij voor de verwijzende rechter merkt in de eerste plaats op dat de Kansspelcommissie is opgericht bij de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers. Er zou echter eraan moeten worden herinnerd dat de wetgever als enige bevoegd is om, eventueel door middel van een bevoegdheidsdelegatie ten behoeve van de uitvoerende macht, een rechtscollege in te stellen en in te richten. A.2.
  10. De geïntimeerde partij voor de verwijzende rechter merkt vervolgens op dat de beslissingen van de Kansspelcommissie gezag van gewijsde hebben. De beslissingen tot schorsing of intrekking van een vergunning of tot het verbieden van de exploitatie van een spel gewezen door de Kansspelcommissie kunnen immers alleen opnieuw in het geding worden gebracht mits binnen een bepaalde termijn een beroep wordt uitgeoefend bij een door de wetgever aangewezen rechtscollege. Uit de wet van 7 mei 1999 zou eveneens voortvloeien dat de Commissie wordt voorgezeten door een magistraat die volledig onafhankelijk is van de Regering. De regels inzake de samenstelling en de werking van de Commissie zouden eveneens aantonen dat de wetgever alle voorzorgen heeft getroffen om de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de leden van de Kansspelcommissie te verzekeren. De geïntimeerde partij voor de verwijzende rechter merkt eveneens op dat, overeenkomstig artikel 21 van de wet van 7 mei 1999, de te nemen beslissingen moeten worden gemotiveerd, dat de persoon vooraf moet worden gehoord en de mogelijkheid heeft zich door een advocaat te laten bijstaan. Bovendien volgen de beslissingen van de Commissie in die materie op een bijzondere door de wet omschreven handeling of onthouding. De geïntimeerde partij voor de verwijzende rechter geeft voorts aan dat zou moeten worden vastgesteld dat het loutere feit dat de beslissingen van de Kansspelcommissie zijn onderworpen aan het vernietigingscontentieux van de Raad van State en niet aan het cassatiecontentieux, niet volstaat om te oordelen dat die Commissie geen administratief rechtscollege is. De geïntimeerde partij voor de verwijzende rechter beklemtoont voorts dat de Kansspelcommissie sancties kan opleggen, in voorkomend geval waarschuwingen, een schorsing voor bepaalde duur, de intrekking van de vergunning, een voorlopig of definitief verbod om één of meer kansspelen te exploiteren. In het licht van dat element zou niet kunnen worden beschouwd dat de Kansspelcommissie, naar het voorbeeld van de Raad voor de Mededinging opgericht bij de wet van 10 juni 2006 en de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas, geen administratief rechtscollege is. Uit al die elementen zou voortvloeien dat het onderscheid dat het Hof van Beroep te Brussel in zijn tussenarrest van 18 september 2008 maakt op geen enkel objectief criterium berust. Het zou niet verantwoord zijn dat een onderscheid wordt gemaakt tussen het rechtscollege waar de magistraat is benoemd die een tweetaligheidspremie kan genieten en een rechtscollege waar hij een opdracht vervult. In die tweede hypothese preciseert geen enkele bepaling van het Gerechtelijk Wetboek immers dat het moet gaan om een justitieel gerecht. A.2.
  11. De geïntimeerde partij voor de verwijzende rechter geeft voorts aan dat, in de veronderstelling dat de toekenning van de tweetaligheidspremie enkel dient om de gerechtelijke achterstand te verminderen, men zich zou kunnen afvragen waarom de wetgever onder meer administratieve rechtscolleges zou hebben ingevoerd die noodzakelijkerwijs moeten worden voorgezeten door magistraten van de rechterlijke orde met een tweetalig statuut, hetgeen een klaarblijkelijke discriminatie zou invoeren tussen de tweetalige magistraten die hun ambt binnen een justitieel gerecht uitoefenen en de magistraten die hun ambt uitoefenen in een rechtscollege dat niet onder de rechterlijke orde valt. A.2.
  12. De geïntimeerde partij voor de verwijzende rechter onderstreept ten slotte dat de leden van het parket de uitkering van de tweetaligheidspremie genieten, terwijl zij geen deel uitmaken van een rechtscollege als dusdanig. Artikel 357, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek zou dus alleen in die zin kunnen worden geïnterpreteerd dat het wel degelijk van toepassing is op de voorzitter van de Kansspelcommissie in zijn hoedanigheid van magistraat die een opdracht vervult in een administratief rechtscollege, zo niet wordt een discriminatie en een ongelijkheid tussen beide categorieën van tweetalige magistraten ingevoerd. 6 A.2.
  13. De geïntimeerde partij voor de verwijzende rechter voegt eraan toe dat, in de veronderstelling dat de Kansspelcommissie moet worden beschouwd als een administratieve overheid, dan nog zou moeten worden vastgesteld dat een en ander haar niet belet beslissingen van jurisdictionele aard uit te spreken wanneer zij uitspraak doet in het kader van artikel 21 van de wet van 7 mei
  14. In die hypothese zou artikel 357, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing zijn op de voorzitter van de Kansspelcommissie wegens de jurisdictionele aard van de door haar genomen beslissingen. Memorie van antwoord van de Ministerraad A.3.
  15. De Ministerraad geeft aan dat de geïntimeerde partij voor de verwijzende rechter, door aan te voeren dat de Kansspelcommissie niet kan worden beschouwd als een administratieve overheid, aan het Hof voorstelt de juridische aard van de Kansspelcommissie opnieuw te onderzoeken, rechtsvraag die nochtans op definitieve wijze is beslecht door de verwijzende rechter. Volgens de Ministerraad zou een dergelijke redenering niet kunnen worden gevolgd daar zij geen rekening houdt met de beperkingen van de bevoegdheid van het Hof en in het bijzonder met de noodzaak voor het Hof om de prerogatieven van de verwijzende rechter in acht te nemen. Te dezen zou moeten worden vastgesteld dat de geïntimeerde partij voor de verwijzende rechter voor het Hof een nieuw onderzoek tracht te verkrijgen van een rechtsvraag die definitief is beslecht door de verwijzende rechter die het geschil over de problematiek van de juridische aard van de Kansspelcommissie heeft beëindigd. Het zou overigens tot de vaste rechtspraak behoren dat het Hof zich uitspreekt over de geldigheid van de getoetste norm in de interpretatie die de verwijzende rechter eraan geeft. Het is echter wel degelijk in de door de verwijzende rechter gegeven interpretatie dat het Hof de geldigheid van artikel 357, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek moet onderzoeken. Volgens de Ministerraad zou die interpretatie onbetwistbaar berusten op de in de motieven van het verwijzingsarrest verantwoorde voorwaarde dat de Kansspelcommissie een administratieve overheid is. A.3.
  16. De Ministerraad geeft voorts aan dat de geïntimeerde partij voor de verwijzende rechter niet zou kunnen worden gevolgd in haar ondergeschikte stelling volgens welke de Kansspelcommissie, als administratieve overheid, ertoe kan worden gebracht beslissingen uit te spreken van jurisdictionele aard, zodat artikel 357, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing zou kunnen zijn op de voorzitter van de Kansspelcommissie. Volgens de Ministerraad heeft de verwijzende rechter in zijn arrest immers duidelijk beslist dat, zelfs wanneer de Kansspelcommissie de bevoegdheid uitoefent die haar is toegewezen door artikel 21 van de wet van 7 mei 1999, zij handelt in de hoedanigheid van administratieve overheid, en de krachtens dat artikel genomen beslissingen houden geen jurisdictionele bevoegdheid in. De stelling van de geïntimeerde partij voor de verwijzende rechter zou het betoog van de Ministerraad waarbij het Hof wordt voorgesteld de gestelde prejudiciële vraag ontkennend te beantwoorden, dus niet kunnen ontkrachten. Memorie van antwoord van de geïntimeerde partij voor de verwijzende rechter A.4.
  17. Volgens de geïntimeerde partij voor de verwijzende rechter zou moeten worden vastgesteld dat het arrest van het Hof nr. 208/2004 van 21 december 2004 te dezen niet relevant zou zijn, doordat het debat geen betrekking heeft op de grondwettigheid van artikel 357, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek in zoverre het het voordeel van de taalpremie voorbehoudt aan de magistraten die hun ambt uitoefenen in het rechtscollege waar zij zijn benoemd, ofwel hun opdracht vervullen in een rechtscollege. De gestelde vraag zou immers betrekking hebben op de verenigbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de voormelde bepaling van het Gerechtelijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat zij van het voordeel van de taalpremie de voorzitter van de Kansspelcommissie uitsluit, terwijl die laatstgenoemde voldoet aan de voorwaarden vastgesteld in de voormelde bepaling, in zoverre hij een opdracht vervult in een administratief rechtscollege. Het verschil in behandeling tussen beide categorieën van magistraten zou dus steunen op de juridische kwalificatie van de Kansspelcommissie ten aanzien van haar opdrachten. A.4.
  18. De geïntimeerde partij voor de verwijzende rechter refereert andermaal aan de kenmerken op basis waarvan de hoedanigheid van de Kansspelcommissie zou kunnen worden bepaald. Zij haalt een arrest van 18 oktober 2007 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen aan waarin de verschillende kenmerken van een rechtscollege worden beklemtoond. De rechtspraak van het Hof van 7 Cassatie wordt eveneens aangehaald en meer bepaald een arrest van 11 januari 2001, voorafgegaan door de conclusies van advocaat-generaal A. Henkes, waaruit zou blijken dat als een rechtscollege wordt beschouwd het orgaan waarvan de opdracht erin bestaat een geschil in rechte te beslechten, met inachtneming van de tegensprekelijkheid van het debat en de motivering van de handeling, dat voldoet aan de waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid, en waarvan de beslissingen gezag van gewijsde hebben. Op basis van die rechtspraak zou moeten worden vastgesteld dat de Kansspelcommissie beantwoordt aan de meeste kenmerken die zowel door de rechtspraak als de rechtsleer worden beschouwd als die welke een instantie als rechtsprekend kunnen kwalificeren. A.4.
  19. Voor het overige neemt de geïntimeerde partij voor de verwijzende rechter de inhoud van haar eerste memorie voor het Hof in identieke bewoordingen over. -B- B.
  20. Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 357, § 4, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat het een magistraat die is belast met een voltijdse opdracht van voorzitter van de Kansspelcommissie, waar tweetaligheid is vereist, niet toelaat de tweetaligheidspremie te ontvangen waarin die bepaling voorziet, terwijl hij de kennis bewijst van een andere taal dan die waarin hij de examens van het doctoraat of de licentie in de rechten heeft afgelegd, overeenkomstig artikel 43quinquies van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. B.
  21. Artikel 357, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « Een premie wordt toegekend aan de magistraten die de kennis hebben bewezen van een andere taal dan die waarin zij de examens van het doctoraat of van de licentie in de rechten hebben afgelegd, overeenkomstig artikel 43quinquies van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, voorzover zij benoemd zijn in een rechtscollege waar ten minste een gedeelte van de magistraten krachtens de wetgeving op het gebruik der talen in gerechtszaken het bewijs moet leveren van de kennis van meer dan één landstaal. Per rechtscollege is het aantal magistraten aan wie een premie wordt toegekend beperkt, al naargelang van het geval, tot het minimumaantal of het aantal zoals voorgeschreven door de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. De toekenning van de premie gebeurt op basis van de dienstanciënniteit van de magistraat binnen het betrokken rechtscollege. De premie is uitsluitend verschuldigd wanneer de in het eerste lid bedoelde magistraat zijn ambt daadwerkelijk uitoefent in het rechtscollege waar hij benoemd is of hij een opdracht vervult in een rechtscollege waar ten minste een gedeelte van de magistraten krachtens de wetgeving op het gebruik der talen in gerechtszaken het bewijs moet leveren van de kennis van meer dan één landstaal. 8 […] ». B.3.
  22. In zijn arrest heeft de verwijzende rechter geoordeeld dat, in de huidige stand van de wetgeving, de Kansspelcommissie niet kan worden beschouwd als een administratief rechtscollege. Volgens de geïntimeerde partij voor de verwijzende rechter zou een dergelijke analyse in strijd zijn met artikel 357, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zij vraagt het Hof dan ook ervan uit te gaan dat de Kansspelcommissie een rechtscollege is en ertoe te besluiten dat het in de prejudiciële vraag aangeklaagde verschil in behandeling op geen enkel objectief criterium berust. B.3.
  23. Het staat in de regel aan de verwijzende rechter om de bepalingen te interpreteren die hij toepast en die toe te passen op de concrete feiten die hem zijn voorgelegd. Het staat niet aan de partijen om voor het Hof de motieven te betwisten van de beslissing waarmee aan het Hof een prejudiciële vraag wordt gesteld. Het Hof zal de in het geding zijnde bepaling dan ook onderzoeken in de interpretatie die de verwijzende rechter eraan geeft en volgens welke de Kansspelcommissie een administratieve overheid is. B.4.
  24. Op grond van artikel 357, § 4, wordt een taalpremie toegekend aan magistraten indien is voldaan aan de volgende, cumulatieve voorwaarden : het benoemd zijn in een rechtscollege waar ten minste een gedeelte van de magistraten krachtens de wetgeving op het gebruik der talen in gerechtszaken het bewijs moet leveren van de kennis van meer dan één landstaal; het behoren, op grond van dienstanciënniteit, tot het wettelijk vastgesteld quotum per rechtscollege; het daadwerkelijk uitoefenen van het ambt in het rechtscollege waar men benoemd is of het vervullen van een opdracht in een rechtscollege waar ten minste een gedeelte van de magistraten krachtens de wetgeving op het gebruik der talen in gerechtszaken het bewijs moet leveren van de kennis van meer dan één landstaal. B.4.
  25. Daar de Kansspelcommissie door de verwijzende rechter als een administratieve overheid wordt gekwalificeerd, is de voorzitter van die Commissie uitgesloten van het toepassingsgebied van het in het geding zijnde artikel 357, § 4, derde lid, aangezien daarin het verkrijgen van de premie afhankelijk wordt gesteld van de daadwerkelijke uitoefening van een ambt in een rechtscollege. 9 B.5.
  26. De toekenning van een taalpremie strekt ertoe magistraten met een financiële impuls te stimuleren om aan het taalexamen deel te nemen en ervoor te slagen, zodat de benoeming van magistraten die voldoen aan de benoemingsvoorwaarden op taalgebied, minder problematisch zou zijn dan op het ogenblik dat de wet is aangenomen - vooral in de rechtscolleges en de parketten te Brussel (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-2310/001, p. 4). Tijdens de parlementaire voorbereiding is daaraan toegevoegd : « De doelstelling […] bestaat erin om de kandidaturen aan te moedigen voor de vacante plaatsen van magistraat voorbehouden aan kandidaten die het bewijs hebben geleverd van de kennis van een andere taal dan die van hun diploma ingevolge de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Het is dan ook verantwoord om deze premie uitsluitend toe te kennen aan magistraten die benoemd worden op plaatsen die voorbehouden zijn aan tweetalige kandidaten » (ibid., pp. 5-6). B.5.
  27. De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft, in haar advies over het voorontwerp van wet dat heeft geleid tot de in het geding zijnde bepaling, eveneens opgemerkt dat de gemachtigde ambtenaar, op de vraag welke betekenis moest worden gegeven aan de voorwaarde van de daadwerkelijke uitoefening van het ambt van magistraat, te kennen had gegeven dat het de bedoeling was te voorkomen dat een magistraat de premie krijgt terwijl hij gedetacheerd is, bijvoorbeeld bij een internationale organisatie of een ministerieel kabinet (ibid., p. 10). B.
  28. Zoals het Hof heeft vastgesteld in zijn arrest nr. 208/2004 van 21 december 2004, zijn het criterium van de benoeming in een rechtscollege waar ten minste een gedeelte van de magistraten krachtens de wetgeving op het gebruik der talen in gerechtszaken het bewijs moet leveren van de kennis van meer dan één landstaal en het criterium van de daadwerkelijke uitoefening van het ambt in het rechtscollege waar men is benoemd of van de vervulling van een opdracht in een dergelijk rechtscollege, objectieve criteria. B.
  29. De in B.5.1 vermelde doelstellingen verantwoorden dat de toekenning van een taalpremie wordt beperkt tot de magistraten die daadwerkelijk een ambt vervullen in rechtscolleges waar een behoefte bestaat aan magistraten in ambten die zijn voorbehouden aan tweetalige kandidaten. De wetgever vermocht op rechtmatige wijze ervan uit te gaan dat het, gelet op de beperkte budgettaire middelen (Parl. St., Kamer, 2002-2003, 10 DOC 50-2310/003, p. 6), niet nodig was het toepassingsgebied van artikel 357, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek buiten die hypothese uit te breiden. Het is juist dat artikel 10, § 3, van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers de tweetaligheid vereist om het ambt van voorzitter van de Kansspelcommissie uit te oefenen. Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever om te beslissen of de kandidaturen voor een dergelijk ambt of de uitoefening van dat ambt eveneens moeten worden aangemoedigd door de toekenning van een dergelijk financieel voordeel. Uit het feit dat artikel 357, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek geen dergelijk voordeel toekent, kan niet worden afgeleid dat het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt. B.
  30. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 357, § 4, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 9 juli
  31. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.108 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.