← België

ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.111

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 09 juli 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.111 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090709.8 Arrest- Rolnummer: 111/2009 Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-07-15 Raadplegingen: 274 - laatst gezien 2026-06-30 03:23 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De artikelen 395 en 396 van de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij het de strafrechter op geen enkele wijze mogelijk maken de in die bepalingen bedoelde geldboete te matigen, indien er verzachtende omstandigheden bestaan. UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Algemene wet inzake douane en accijnzen - Boeten - straffen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende de artikelen 395, 396 en 399 van de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur en artikel 263 van de algemene wet inzake douane en accijnzen, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 18 juli 1977, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Luik. Strafrecht - Bijzonder strafrecht - Douane en accijnzen - Misdrijven - Geldboeten - Beoordelingsvrijheid van de rechter - Onmogelijkheid om verzachtende omstandigheden in aanmerking te nemen. Wettelijke bepalingen: Wet - 16-07-1993 - 395 - 31 ELI link Pub nr 1993021259 Wet - 16-07-1993 - 396 - 31 ELI link Pub nr 1993021259 Wet - 16-07-1993 - 399 - 31 ELI link Pub nr 1993021259 Wet - 18-07-1977 - 263 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Rolnummers 4543 en 4544 Arrest nr. 111/2009 van 9 juli 2009 In zake : de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 395, 396 en 399 van de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur en artikel 263 van de algemene wet inzake douane en accijnzen, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 18 juli 1977, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters A. Alen, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

  1. a)Bij vonnis van 23 oktober 2008 in zake de minister van Financiën en de procureur des Konings tegen Jean-Claude Marechal, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 29 oktober 2008, heeft de Correctionele Rechtbank te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 395, 396 en 399 van de gewone wet van 16 juli 1993 en artikel 263 van het koninklijk besluit van 18 juli 1977 houdende coördinatie van de algemene bepalingen inzake douane en accijnzen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre die bepalingen het de strafrechter niet mogelijk maken, indien er verzachtende omstandigheden bestaan, de erin bepaalde geldboete te matigen, terwijl die ruimte wel wordt overgelaten aan de administratie ? ».
  2. b)Bij vonnis van 23 oktober 2008 in zake de minister van Financiën en de procureur des Konings tegen Osman Bulus, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 29 oktober 2008, heeft de Correctionele Rechtbank te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 395 en 399 van de gewone wet van 16 juli 1993 en artikel 263 van het koninklijk besluit van 18 juli 1977 houdende coördinatie van de algemene bepalingen inzake douane en accijnzen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre die bepalingen het de strafrechter niet mogelijk maken, indien er verzachtende omstandigheden bestaan, de erin bepaalde geldboete te matigen, terwijl die ruimte wel wordt overgelaten aan de administratie ? ». Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4543 en 4544 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Ministerraad heeft een memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 2 juni 2009 : - is verschenen : Mr. F. T’Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en A. Alen verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Jean-Claude Marechal wordt door de Administratie van douane en accijnzen vervolgd omdat hij elektrische batterijen heeft verkocht en in omloop heeft gebracht zonder de ecotaks te hebben betaald en zonder die batterijen te hebben onderworpen aan een stelsel van statiegeld, retourpremie, inzameling of toegestane recyclage. De beklaagde heeft geen enkel gevolg gegeven aan het voorstel van transactie dat hem werd gedaan door de administratie. Osman Bulus wordt door de Administratie van douane en accijnzen vervolgd omdat hij in België 540 liter limonade heeft ingevoerd zonder voorafgaandelijk het bedrag van de accijnzen en ecotaksen te hebben betaald of te hebben gewaarborgd. De beklaagde heeft de genoemde rechten geregulariseerd maar heeft geen enkel gevolg gegeven aan het aanbod van transactie dat hem werd gedaan door de administratie. De verwijzende rechter stelt vast dat artikel 396 van de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur verwijst naar artikel 263 van het koninklijk besluit van 18 juli 1977 houdende coördinatie van de algemene bepalingen inzake douane en accijnzen. Dat artikel stelt de administratie in staat te transigeren, terwijl een dergelijke bevoegdheid niet wordt toegekend aan de correctionele rechtbank. Na te hebben onderstreept dat soortgelijke wettelijke voorschriften reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van arresten van het Grondwettelijk Hof waarbij werd besloten tot de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, acht de verwijzende rechter het noodzakelijk de voormelde prejudiciële vragen te stellen. III. In rechte -A- A.1. Gelet op de arresten van het Hof nrs. 138/2006, 165/2006, 199/2006 en 81/2007, gedraagt de Ministerraad zich als naar recht wat betreft de gestelde prejudiciële vragen. A.2. De Ministerraad acht het echter noodzakelijk te onderstrepen dat een eensgezinde rechtsleer en rechtspraak de uitsluiting van verzachtende omstandigheden door de wetgever aannamen in verband met misdrijven waarin niet is voorzien in het Strafwetboek zelf. Bovendien zijn de geldboeten en andere maatregelen die de overtreders inzake douane en accijnzen moeten bestraffen, bestemd om het nadeel te herstellen dat de fraude aan de Schatkist toebrengt. De aan de rechter gelaten mogelijkheid om verzachtende omstandigheden aan te nemen, met name om reden van het geringe veroorzaakte nadeel, is precies het gevaar dat de beoogde bepalingen tot doel hadden te vermijden. Het is immers niet de betaling van de ontdoken rechten die, in geval van een misdrijf dat de inwerkingstelling van aanzienlijke middelen van onderzoek en vervolging heeft vereist, de rechten van de Schatkist kan beschermen. A.3. In ieder geval is de bevoegdheid van het Hof beperkt tot de gestelde vragen. Die hebben evenwel geen betrekking op de in artikel 395 van de in het geding zijnde wet vastgestelde maatregelen van verbeurdverklaring. Ook al zouden die door de verwijzende rechter worden beoogd, het antwoord op de vraag zou, wat hen betreft, ontkennend dienen te zijn. Enerzijds, ziet de Ministerraad niet goed in dat het voorwerp zelf van de fraude, indien het in beslag wordt genomen, aan de verbeurdverklaring zou kunnen ontsnappen. Anderzijds, moeten de voor de fraude aangewende vervoermiddelen eveneens in beslag worden genomen, behalve wanneer de eventuele derde-eigenaar kan aantonen dat hij niets te maken heeft met de fraude en geenszins heeft deelgenomen aan het begaan van het misdrijf. 4 -B- B.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de artikelen 395, 396 en 399 van de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur, in samenhang gelezen met artikel 263 van het koninklijk besluit van 18 juli 1977 houdende coördinatie van de algemene bepalingen inzake douane en accijnzen (hierna : AWDA). Artikel 395 van de voormelde gewone wet van 16 juli 1993 bepaalt : « Elke inbreuk op de bepalingen van deze wet waardoor de milieutaks opeisbaar wordt, wordt bestraft met een geldboete van tienmaal de in het spel zijnde milieutaks zonder dat ze minder mag bedragen dan 250 EUR en onverminderd de betaling van de milieutaks. De goederen waarvoor de milieutaks opeisbaar wordt en de vervoermiddelen die bij deze inbreuk worden gebruikt, alsook de voorwerpen die gediend hebben of bestemd waren voor het plegen van fraude worden in beslag genomen en verbeurdverklaard ». Artikel 396 van dezelfde wet bepaalt : « Wanneer inzake milieutaks getracht wordt op bedrieglijke wijze een vrijstelling van de milieutaks te verkrijgen, wordt zulks bestraft met een geldboete van tienmaal de betrokken milieutaks waarvoor getracht werd op bedrieglijke wijze een vrijstelling te verkrijgen, zonder dat ze minder mag bedragen dan 250 EUR ». Artikel 399 van dezelfde wet bepaalt : « De inbreuken op deze wet en op de besluiten genomen tot uitvoering ervan zijn onderworpen aan de bepalingen van de algemene wet op de douanen en de accijnzen betreffende met name het opstellen en het visum van het proces-verbaal, de afgifte van de afschriften ervan, de bewijskracht van deze akten, de wijze van vervolging, de verantwoordelijkheid, de medeplichtigheid, de poging tot omkoperij en het recht op minnelijke schikking ». Artikel 263 van de AWDA bepaalt : « Wegens alle overtredingen van deze wet en van de bijzondere wetten op de heffing der accijnzen, zal door, of op autorisatie der administratie, omtrent geldboete, verbeurdverklaring en het sluiten der fabrieken of werkplaatsen kunnen worden getransigeerd, zo dikwijls verzachtende omstandigheden de zaak vergezellen, of als aannemelijk kan worden gehouden dat het misdrijf eerder aan verzuim of abuis, dan aan een oogmerk van opzettelijke fraude moet worden toegeschreven ». 5 B.2.1. De verwijzende rechter vraagt aan het Hof of die bepalingen bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij de strafrechter niet toestaan de geldboete waarin zij voorzien te matigen in geval van verzachtende omstandigheden, terwijl een dergelijke mogelijkheid wel wordt overgelaten aan de administratie. B.2.2. Het Hof beperkt zich ertoe die bepalingen te onderzoeken in zoverre zij betrekking hebben op de eigenlijke geldboete. B.3. Het staat aan de wetgever te oordelen of het wenselijk is de rechter te dwingen tot gestrengheid wanneer een inbreuk het algemeen belang schaadt. Die gestrengheid kan niet alleen de omvang van de geldboete betreffen, maar ook de aan de rechter geboden mogelijkheid om de straf tot onder de gestelde grenzen te verminderen wanneer verzachtende omstandigheden aanwezig zijn. Het Hof zou een dergelijke keuze alleen kunnen afkeuren indien die kennelijk onredelijk zou zijn of indien de in het geding zijnde bepaling ertoe zou leiden aan een categorie van beklaagden het recht op een eerlijk proces voor een onafhankelijke en onpartijdige instantie, zoals gewaarborgd bij artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, te ontzeggen. B.4.1. Luidens artikel 263 van de AWDA kan door de administratie, met name wat de geldboete betreft, worden getransigeerd « zo dikwijls verzachtende omstandigheden de zaak vergezellen, of als aannemelijk kan worden gehouden dat het misdrijf eerder aan verzuim of abuis, dan aan een oogmerk van opzettelijke fraude moet worden toegeschreven ». B.4.2. Artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en een algemeen beginsel van strafrecht vereisen evenwel dat niets wat onder de beoordelingsbevoegdheid van de administratie valt, ontsnapt aan de toetsing van de rechter. B.4.3. Het is juist dat, in alle aangelegenheden waarin zij is toegestaan, de transactie een einde maakt aan de strafvordering zonder toetsing van de rechter. Maar de beklaagde kan doorgaans, wanneer de transactie hem niet wordt voorgesteld of hij die weigert, het bestaan van verzachtende omstandigheden voor een rechter aanvoeren. 6 Te dezen staat het de beklaagde vrij de transactie te aanvaarden die de administratie hem zou voorstellen, maar indien hij die weigert of indien die hem niet wordt voorgesteld, zal hij een rechter nooit kunnen laten oordelen of er verzachtende omstandigheden bestaan die verantwoorden dat de geldboete wordt beperkt tot onder het bij de wet vastgestelde bedrag. B.4.4. Het is eveneens juist dat de rechter de opschorting van de uitspraak van de veroordeling of het uitstel van de tenuitvoerlegging van de straffen, met toepassing van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, kan bevelen. Maar de door die wet aan de rechter verleende bevoegdheden zijn niet dezelfde als die welke hij haalt uit artikel 85 van het Strafwetboek en die welke de AWDA aan de administratie toevertrouwt. B.4.5. De prejudiciële vragen dienen bevestigend te worden beantwoord. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 395 en 396 van de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij het de strafrechter op geen enkele wijze mogelijk maken de in die bepalingen bedoelde geldboete te matigen, indien er verzachtende omstandigheden bestaan. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 9 juli 2009. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.111 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.