← België

ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.119

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 16 juli 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.119 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090716.5 Arrest- Rolnummer: 119/2009 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-07-27 Raadplegingen: 217 - laatst gezien 2026-06-30 03:25 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 132 van het Wetboek der successierechten schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - SUCCESSIERECHTEN - Basiswetgeving - Vlaamse Gewest - Aangifte van nalatenschap PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 132 van het Wetboek der successierechten, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Fiscaal recht - Successierechten - Vestiging en invordering - Niet- of onvolledige aangifte van de nalatenschap - Fiscale geldboete -

  1. Overdraagbaarheid op de erfgenamen -
  2. Strafrechtelijke maatregel - a. Persoonlijk karakter van de straffen - b. Vermoeden van onschuld. Wettelijke bepalingen: Wetboek der successierechten - 31-03-1936 - 132 - 30 Link Justel databank 19360331-30 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Rolnummer 4539 Arrest nr. 119/2009 van 16 juli 2009 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 132 van het Wetboek der successierechten, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 14 oktober 2008 in zake de Belgische Staat tegen Walter Van Proeyen en tegen de nv « Dexia Bank België », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 22 oktober 2008, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 132 W.Succ., samen gelezen met de artikelen 126, 128 en 131 W.Succ., de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, samen gelezen met artikel 6 E.V.R.M., doordat deze artikelen toelaten dat de erfgenaam gehouden is tot betaling van een boete, opgelegd na het overlijden van de belastingplichtige, wegens niet- of onvolledige aangifte van nalatenschap door de overledene, daar waar in het gemeen strafrecht het principe geldt van de persoonlijkheid van de straf (artikel 86 Sw. en artikel 20 V.T.Sv.) alsook het vermoeden van onschuld, verwoord in artikel 6 E.V.R.M. ? Wordt bijgevolg een erfgenaam van iemand die een fiscaal verzuim wordt verweten, dat aanleiding kan geven tot het opleggen van een sanctie die een strafrechtelijk karakter vertoont in de zin van artikel 6 E.V.R.M. zonder redelijke verantwoording anders behandeld dan een erfgenaam van iemand die een gemeenrechtelijk misdrijf pleegde [, die] kan genieten van de waarborgen van artikel 86 Sw., artikel 20 V.T.Sv. en artikel 6 E.V.R.M. ? ». Memories zijn ingediend door : - de nv « Dexia Bank België », met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Pachecolaan 44; - de Ministerraad; - de Vlaamse Regering. Op de openbare terechtzitting van 2 juni 2009 : - zijn verschenen : . Mr. H. Demedts, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. C. De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, voor de nv « Dexia Bank België »; . Mr. B. Cardoen en Mr. E. Maurits loco Mr. V. Dauginet, advocaten bij de balie te Antwerpen, voor de Vlaamse Regering; . Mr. N. Starckx loco Mr. M. Van Huffelen, advocaten bij de balie te Antwerpen, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. 3 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Angela De Ridder was bij het overlijden van Frans Van Heugten op 17 maart 1996 zijn algemene legataris. Zij deed aangifte van de nalatenschap en betaalde op de aangegeven bedragen de verschuldigde successierechten. Zij verzuimde evenwel de banktegoeden ten belope van 74 662,55 euro aan te geven. Zij overleed op 7 januari 2000 en haar zoon Walter Van Proeyen, geïntimeerde voor de verwijzende rechter, is haar algemene legataris. Na haar overlijden komt het verzuim van aangifte van de tegoeden aan het licht. De ontvanger heeft W. Van Proeyen uitgenodigd het verzuim van aangifte te herstellen. Hij heeft de verschuldigde bijrechten en de nalatigheidsinteresten betaald. Hij betwist evenwel de fiscale geldboete ten bedrage van 21 194,49 euro die hem is opgelegd. In eerste aanleg oordeelt de rechter in het voordeel van W. Van Proeyen en stelt dat hij ervan is vrijgesteld de boete te betalen. Voor de toepassing van artikel 131 van het Wetboek der successierechten volstaat het dat degene die de boete zou moeten betalen, bewijst dat hij geen fout heeft begaan. De Belgische Staat gaat in beroep tegen dat vonnis. De rechter in beroep meent dat het onzeker is dat, niettegenstaande de fiscale geldboete van artikel 126 van het Wetboek der successierechten strafrechtelijk van aard is, het principe van het persoonlijk karakter van de straf tevens toepassing vindt op de artikelen 126 tot 130 van het Wetboek der successierechten. Dienvolgens stelt het Hof van Beroep bovenvermelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1.
  3. Allereerst voert de Ministerraad aan dat de aard van administratieve sancties en strafsancties verschilt. De administratieve sanctie is van rechtswege verschuldigd, zonder dat rekening dient te worden gehouden met de intenties van de overtreder, waarbij de afwezigheid van een fout van de overtreder reeds tot een vrijstelling kan leiden. A.1.
  4. Vervolgens stelt de Ministerraad vast dat het de wetgever is toegestaan in beginsel te kiezen voor administratieve dan wel strafsancties bij de bestraffing van tekortkomingen ten aanzien van de wettelijke verplichtingen. De Ministerraad meent dat, hoewel de fiscale geldboete van artikel 126 van het Wetboek der successierechten een repressief karakter heeft, de wetgever de fiscus de taak heeft kunnen toevertrouwen dergelijke fiscale inbreuken te vervolgen en te bestraffen, voor zover dit niet ertoe leidt dat aan een categorie van personen, op een discriminerende manier, het recht ontzegd wordt op een daadwerkelijk jurisdictioneel beroep, dat zowel door een algemeen rechtsbeginsel als door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van mens wordt gewaarborgd. De Ministerraad doet tevens opmerken dat de plaats van de artikelen 126 tot 132 van het Wetboek der successierechten erop wijst dat er een verschil bestaat tussen de administratieve en strafsancties, aangezien de administratieve sancties niet in de afdeling II « Correctionele straffen » werden opgenomen. Tevens is het gebrek aan een onterend effect bij administratieve sancties een onderscheidingscriterium in tegenstelling tot de strafsancties. Voormeld gegeven dient de belangen van de individuele burger. A.1.
  5. Als laatste element brengt, volgens de Ministerraad, de vaststelling dat een administratieve geldboete een penaal karakter heeft in de zin van de mensenrechtenverdragen niet met zich mee dat alleen de strafrechter nog zou mogen oordelen over de schuld en de sanctie van de betrokkenen of dat andere 4 internrechtelijke strafrechtelijke voorschriften op de administratieve sancties van toepassing zouden zijn. Indien de internrechtelijke strafrechtelijke voorschriften eveneens van toepassing zouden zijn op administratieve sancties met een penaal karakter, dan verdwijnt het onderscheid tussen de beide soorten sancties. Dat onderscheid wordt echter in de nationale en internationale rechtspraak erkend. A.2.
  6. Allereerst merkt de nv « Dexia Bank België » op dat artikel 132 van het Wetboek der successierechten, in zoverre dat het als draagwijdte heeft dat de boete wegens een onjuiste aangifte, bij overlijden van degene die de onjuiste aangifte heeft ingediend, aan diens erfopvolger moet worden opgelegd, een schending inhoudt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De nv « Dexia Bank België » is de mening toegedaan dat artikel 126 van het Wetboek der successierechten aan de drie voorwaarden voldoet die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vooropstelt om een sanctie als strafrechtelijk te kwalificeren. A.2.
  7. Door de kwalificatie van de fiscale boete als strafrechtelijke sanctie in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag van de rechten van de mens zijn zowel het voormelde artikel 6 als de internrechtelijke strafrechtelijke regels van toepassing, waardoor het principe van de persoonlijkheid van de straf geldt (artikelen 6.1 en 6.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van mens, artikel 20 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, artikel 86 van het Strafwetboek). A.
  8. De Vlaamse Regering meent dat zij belang heeft bij het indienen van een memorie van tussenkomst daar de opbrengst van de fiscale boete toekomt aan het Vlaamse Gewest. -B- B.
  9. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 132 van het Wetboek der successierechten, in samenhang gelezen met de artikelen 126, 128 en 131 ervan, die in afdeling I, « Fiscale boeten », van hoofdstuk XIII, « Strafbepalingen », zijn opgenomen. Artikel 132 van het Wetboek der successierechten bepaalt : « In geval van overlijden van een persoon die een evenredige boete opgelopen heeft, kan zijn erfgenaam, legataris of begiftigde niet gehouden zijn uit hoofde dezer boete tot de betaling van een som hoger dan de helft van de rechten, ten ware hij persoonlijk aan de overtreding medegeholpen heeft ». Artikel 126 van hetzelfde Wetboek bepaalt : « De erfgenaam, legataris of begiftigde, die verzuimd heeft in België gelegen onroerende goederen of renten en schuldvorderingen aan te geven, die in de in België gehouden registers van de hypotheekbewaarders ingeschreven zijn, betaalt, boven de rechten, een gelijke som als boete. Wanneer het verzuim andere goederen betreft, is de boete gelijk aan tweemaal de rechten ». 5 Artikel 128 van hetzelfde Wetboek bepaalt : « Een boete gelijk aan het tweevoud van het ontdoken recht wordt verbeurd door de erfgenaam, legataris of begiftigde : 1° die ten nadele van de Staat een legaat, een schenking, een graad van verwantschap of de leeftijd van de persoon op wiens hoofd een vruchtgebruik is gevestigd, verzwijgt of onjuist aangeeft; 2° die schulden aangeeft die niet ten laste van de nalatenschap komen of die in het geval vermeld in artikel 42, VIII, tweede zin, nalaat te vermelden dat een opgegeven schuld werd aangegaan met als doel de gezinswoning te verwerven of te behouden; 3° die een onjuiste aangifte doet omtrent het aantal kinderen van de rechtsopvolgers van de overledene; 4° die verzuimt de in artikel 42, VIIIbis en X bedoelde vermeldingen in de aangifte op te nemen of die dienaangaande een onjuiste of onvolledige vermelding maakt ». Artikel 131 van hetzelfde Wetboek bepaalt : « De partijen worden vrijgesteld van de boeten voorzien in de artikelen 126 tot 128, indien zij bewijzen dat zij niet in fout zijn ». B.2.
  10. De verwijzende rechter vraagt het Hof of artikel 132 van het Wetboek der successierechten, in samenhang gelezen met de artikelen 126, 128 en 131 van hetzelfde Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat die artikelen toelaten dat een erfgenaam gehouden is tot de betaling van een fiscale geldboete, opgelegd na het overlijden van de nalatige belastingplichtige, wegens niet- of onvolledige aangifte van de nalatenschap, terwijl in het gemeen strafrecht het principe van de persoonlijkheid van de straf geldt (artikel 86 van het Strafwetboek, artikel 20 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering), alsook het vermoeden van onschuld (artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens). B.2.
  11. Uit de feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil blijkt dat de nalatige belastingplichtige, alsook de erfgenaam van de nalatige belastingplichtige natuurlijke personen zijn. Het Hof beperkt derhalve zijn onderzoek tot die hypothese. 6 B.3.
  12. De boete wegens verzuim bedoeld in artikel 132, in samenhang gelezen met artikel 126, van het Wetboek der successierechten, is door de wetgever expliciet opgevat als een fiscale administratieve boete vermits zij voorkomt in afdeling I, « Fiscale boeten », van hoofdstuk XIII, « Strafbepalingen », van het Wetboek der successierechten, die is onderscheiden van afdeling II, « Correctionele straffen », van hetzelfde hoofdstuk. De boete wegens verzuim kan ten hoogste het dubbele bedragen van de ontdoken rechten. Krachtens artikel 131 van het Wetboek der successierechten kunnen partijen worden vrijgesteld van de boeten waarin de artikelen 126 tot 128 voorzien indien zij bewijzen dat zij niet in de fout zijn gegaan. B.3.
  13. De boete wegens verzuim die aan erfgenamen van een overtreder kan worden opgelegd, kan ten hoogste de helft bedragen van de ontdoken rechten, behalve wanneer de erfgenaam persoonlijk aan de overtreding heeft meegeholpen. Indien de erfgenaam van de overtreder persoonlijk heeft meegeholpen, bedraagt de boete ten hoogste het dubbele van de ontdoken rechten. B.3.
  14. De boete wegens verzuim wordt ambtshalve opgelegd vanwege het enkele feit van de niet-inachtneming, vastgesteld door de administratie, van de verplichting tot aangifte waarin artikel 126, tweede lid, van het Wetboek der successierechten voorziet. Het bewijs van het bestaan van een moreel bestanddeel is niet vereist; de boete vervalt niet door het overlijden van de overtreder en zij is overdraagbaar op de erfgenamen. B.
  15. Wanneer de wetgever oordeelt dat sommige tekortkomingen ten aanzien van wettelijke verplichtingen aan banden moeten worden gelegd, behoort het tot zijn beoordelingsbevoegdheid te beslissen of het opportuun is om voor strafsancties sensu stricto of voor administratieve sancties te opteren. B.5.
  16. Het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 31 maart 1936 tot invoering van het Wetboek der successierechten vermeldt : 7 « De nieuwe bepaling van artikel 132 is gewettigd indien men beschouwt hoe uiterst streng het is van de rechthebbenden van een overleden overtredenden erfgenaam de algeheelheid te vorderen der evenredige boeten - soms zeer hoog - door dezen laatste opgeloopen, terwijl de onregelmatigheid vaak slechts ontdekt wordt na de zuivere aanvaarding van de erfenis van den schuldige » (verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 31 maart 1936 tot invoering van het Wetboek der successierechten, Belgisch Staatsblad, 7 april 1936). B.5.
  17. Bovendien was het de bedoeling, met de invoering van de correctionele straffen, in afdeling II van hoofdstuk X, om de wetgever toe te laten dat hij zich, wanneer personen zich schuldig maken aan bedrieglijke handelingen om de belasting te ontduiken of om het een derde mogelijk te maken deze te ontgaan, te hunnen opzichte streng zou tonen. « Zich met voorbedachtheid ervan te onthouden zijn deel in de fiscale lasten te dragen, is meteen zijn plichten van goeden burger niet erkennen en afbreuk doen aan de verdeelende rechtvaardigheid tegenover de andere belastingplichtigen » (ibid.). B.6.
  18. De in artikel 126 van het Wetboek der successierechten opgenomen fiscale geldboete wegens verzuim heeft tot doel de inbreuken begaan door alle erfgenamen, legatarissen of begiftigden, zonder enig onderscheid, die de in die bepaling bedoelde verplichting tot aangifte niet naleven, te voorkomen en te bestraffen. Zij heeft een overwegend repressief karakter en is derhalve strafrechtelijk in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.6.
  19. De strafrechtelijke aard van een administratieve geldboete in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, brengt weliswaar mee dat de waarborgen van die bepaling in acht moeten worden genomen, maar heeft niet tot gevolg dat die geldboete in de Belgische wetgeving van strafrechtelijke aard zou zijn en, bijgevolg, dat artikel 86 van het Strafwetboek en artikel 20 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering erop van toepassing zouden zijn of zouden moeten zijn. B.6.
  20. Uit artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en uit de waarborgen die voortvloeien uit de algemene beginselen van het strafrecht, die ook van toepassing zijn op administratieve geldboeten met een overwegend repressief karakter, volgt evenwel dat de fundamentele beginselen van het persoonlijk karakter van de straffen en van het vermoeden van onschuld in acht dienen te worden genomen. 8 B.6.
  21. Doordat artikel 132 van het Wetboek der successierechten bepaalt dat in geval van overlijden van een persoon die een evenredige boete opgelopen heeft, de erfgenaam, legataris of begiftigde van die persoon gehouden is die boete, minstens ten dele, te voldoen, doet die bepaling op discriminatoire wijze, ten nadele van voormelde categorie van personen, afbreuk aan de voormelde fundamentele beginselen. B.6.
  22. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 132 van het Wetboek der successierechten schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 16 juli
  23. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.119 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.241 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.