← België

ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.126

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 16 juli 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.126 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090716.12 Arrest- Rolnummer: 126/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-07-27 Raadplegingen: 237 - laatst gezien 2026-06-30 03:25 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Waals Gewest - Vergunning PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vordering tot schorsing (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Vordering tot schorsing van het decreet van het Waalse Gewest van 3 april 2009 « houdende goedkeuring van de stedenbouwkundige vergunning toegekend voor de aanleg van de verbinding ‘ Parc-Sud ' van de lichte metro van Charleroi, overeenkomstig het decreet van 17 juli 2008 betreffende enkele vergunningen waarvoor er dringende redenen van algemeen belang bestaan », ingesteld door de stad Charleroi en anderen. Bestuursrecht - Ruimtelijke ordening en stedenbouw - Waals Gewest - Stedenbouwkundige vergunning - Dwingende redenen van algemeen belang - Bekrachtiging. # Schorsing - Geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Tekst van de beslissing Rolnummer 4687 Arrest nr. 126/2009 van 16 juli 2009 In zake : de vordering tot schorsing van het decreet van het Waalse Gewest van 3 april 2009 « houdende goedkeuring van de stedenbouwkundige vergunning toegekend voor de aanleg van de verbinding ‘ Parc-Sud ’ van de lichte metro van Charleroi, overeenkomstig het decreet van 17 juli 2008 betreffende enkele vergunningen waarvoor er dringende redenen van algemeen belang bestaan », ingesteld door de stad Charleroi en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 21 april 2009 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 22 april 2009, is een vordering tot schorsing ingesteld van het decreet van het Waalse Gewest van 3 april 2009 « houdende goedkeuring van de stedenbouwkundige vergunning toegekend voor de aanleg van de verbinding ‘ Parc-Sud ’ van de lichte metro van Charleroi, overeenkomstig het decreet van 17 juli 2008 betreffende enkele vergunningen waarvoor er dringende redenen van algemeen belang bestaan » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 april 2009) door de stad Charleroi, vertegenwoordigd met toepassing van artikel L1242-2 van het Waalse Wetboek van de plaatselijke democratie door de hierna genoemde personen, en door de hierna genoemde personen handelend uit eigen naam : André Lierneux, wonende te 6000 Charleroi, Quai de Brabant 25, Jean-Noël Lorsignol, wonende te 6000 Charleroi, rue du Pont Neuf 3, Henri Prevot, wonende te 6000 Charleroi, rue de Marcinelle 91, Paul Catoir, wonende te 6000 Charleroi, rue du Collège 9, Jean-Claude Nackers, wonende te 6032 Charleroi, rue Hector Denis 83, en Alain Pelgrims, wonende te 6032 Charleroi, rue du Mayeuri 18/

  1. Bij hetzelfde verzoekschrift vorderen de verzoekende partijen eveneens de vernietiging van hetzelfde decreet. Bij beschikking van 12 mei 2009 heeft het Hof de terechtzitting bepaald op 2 juni 2009 na de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 bedoelde overheden te hebben verzocht hun eventuele schriftelijke opmerkingen, in de vorm van een memorie, ten laatste op 27 mei 2009 neer te leggen ter griffie en een afschrift ervan binnen dezelfde termijn aan de verzoekende partijen over te zenden. De Waalse Regering heeft schriftelijke opmerkingen ingediend. Op de openbare terechtzitting van 2 juni 2009 : - zijn verschenen : . Mr. V. Letellier, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; . Mr. A. Delvaux en Mr. N. Van Damme, advocaten bij de balie te Luik, voor de stad Charleroi, vertegenwoordigd door haar college; . Mr. F. Haumont, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Waalse Regering en voor de nv van publiek recht « Société régionale wallonne du Transport » (SRWT); - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- A.
  2. Zes inwoners van de stad Charleroi, handelend in eigen naam en namens de stad Charleroi, hebben een vordering ingediend tot schorsing van het decreet van 3 april 2009 « houdende goedkeuring van de stedenbouwkundige vergunning toegekend voor de aanleg van de verbinding ‘ Parc-Sud ’ van de lichte metro van Charleroi, overeenkomstig het decreet van 17 juli 2008 betreffende enkele vergunningen waarvoor er dringende redenen van algemeen belang bestaan ». De vordering is ingesteld namens de stad Charleroi met toepassing van artikel L1242-2 van het Waalse Wetboek van de plaatselijke democratie, dat het inwoners van de stad mogelijk maakt in rechte te treden namens de gemeente « wanneer het college van burgemeester en schepenen niet in rechte optreedt » voor de « rechtsvorderingen die aan de gemeente toebehoren ». A.2.
  3. In 2002 heeft de Waalse Regering beslist de metro van Charleroi te voltooien door de ring rond het stadscentrum te sluiten. Na die beslissing en de indiening van een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning door de « Société régionale wallonne du Transport (Waalse Gewestelijke Vervoersmaatschappij, hierna : « SRWT ») heeft het openbaar onderzoek aanleiding gegeven tot zeven bezwaarschriften waarin met name het feit werd aangeklaagd dat het project niet was geïntegreerd in de benedenstad, alsook de rampzalige gevolgen ervan voor het verkeer; in drie negatieve adviezen werden eveneens de tekortkomingen van het milieueffectenrapport onderstreept. De stedenbouwkundige vergunning is verstrekt op 11 december
  4. Na een petitie met bezwaren van 815 ondergetekenden heeft het college van burgemeester en schepenen drie verzoeken ingediend om de vergunning grondig te wijzigen, waarvan vervolgens is afgezien. Een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring zijn tegen de vergunning voor de Raad van State ingediend door handelaars van de stad, die, volgens de verzoekers, niet het beginsel zelf van de sluiting van de metroring in het geding wilden brengen, maar een denkwerk eisten dat zou leiden tot de uitwerking van een project dat werkelijk coherent en doeltreffend was op het vlak van de levenskwaliteit en de mobiliteit. Naast die vordering voor de Raad van State hebben zes inwoners van Charleroi - die eveneens verzoekers zijn in de onderhavige procedure - namens de stad Charleroi een vordering tot staking inzake leefmilieu voor de Rechtbank van eerste aanleg te Charleroi ingesteld. A.2.
  5. Hoewel de vordering tot schorsing voor de Raad van State op 14 augustus 2008 is verworpen wegens de ontstentenis van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, was de auditeur van de Raad van State in zijn verslag, neergelegd eind januari 2009 in het kader van de procedure tot nietigverklaring, van mening dat het eerste middel, waarin de regelmatigheid van het besluit van de gemeenteraad betreffende de varianten van het project werd betwist, gegrond was en dat de andere middelen dus niet dienden te worden onderzocht. Op 16 februari 2009 heeft de gemeenteraad dringend een nieuw besluit genomen over de wijziging van het verkeersnet en op 18 februari 2009 heeft de Minister een nieuwe beslissing genomen waarmee hij enerzijds, een nieuwe stedenbouwkundige vergunning toekent op grond van een motivering die identiek is aan die van de vergunning van 2006 - behalve dat daarin wordt verwezen naar het nieuwe besluit van de gemeenteraad - en, anderzijds, de vergunning van 2006 intrekt op datum van de bekendmaking van de nieuwe vergunning in het Belgisch Staatsblad. In het kader van de vordering tot staking inzake leefmilieu hebben de advocaten handelend in opdracht van het college van burgemeester en schepenen op 11 maart 2009 een fax gericht aan de voorzitter bij wie de 4 vordering tot staking aanhangig is, om hem in te lichten over de nieuwe beslissing en over het feit dat die pas in werking zal treden na de bekrachtiging ervan door het Waals Parlement, met toepassing van het decreet van 17 juli
  6. De vordering tot staking is ontvankelijk verklaard, maar niet gegrond, en tegen die beslissing is hoger beroep ingesteld. Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.3.
  7. Wat de stad Charleroi betreft, herinneren de verzoekers eraan dat, zoals het Hof in het arrest nr. 151/2003 heeft geoordeeld, het feit dat een gemeente, bij wege van haar bevoegde organen, heeft deelgenomen aan de totstandkoming van de bekrachtigde stedenbouwkundige vergunning, haar belang om in rechte te treden via haar inwoners niet aantast. Het belang van de stad Charleroi vloeit eveneens voort uit de gevolgen van het bestreden decreet voor de gerechtelijke procedure met betrekking tot de vordering tot staking die zij heeft ingesteld en die thans voor het Hof van Beroep te Bergen hangende is. A.3.
  8. De andere verzoekers hebben de eerste aan de « SRWT » verstrekte vergunning voor de Raad van State betwist. De inwerkingtreding van het bestreden decreet brengt echter met zich mee dat die eerste beslissing wordt vervangen door een tweede, waarvan de motivering volkomen identiek is aan die welke het voorwerp uitmaakt van het beroep, behalve dat daarin uitdrukkelijk melding wordt gemaakt van het nieuwe besluit van de gemeenteraad, zodat het bestreden decreet niets anders is dan een akte van bevestiging die op zich de verzoekers niet benadeelt, maar waarvan het doel duidelijk erin bestaat het voor de Raad van State hangende beroep te belemmeren. De verzoekers stellen vast dat, in geval van schorsing of vernietiging van het bestreden decreet, de vergunning van 18 februari 2009 zou worden geacht nooit te zijn verstrekt, zodat de werken zouden worden gerealiseerd ter uitvoering van de vergunning die op 11 december 2006 op onregelmatige wijze is verstrekt, en in dat geval de voor de Raad van State hangende procedure haar voorwerp zou behouden, waarbij, volgens de verzoekers, de kans groot is dat de middelen die het auditoraat nog niet heeft onderzocht tot een vernietiging leiden. A.4.
  9. De Waalse Regering betwist het belang van de verzoekende partijen om in rechte te treden, zowel namens de stad Charleroi als uit eigen naam. A.4.
  10. Zij is in de eerste plaats van mening dat de toepassingsvoorwaarden van artikel L1242-2 van het Waalse Wetboek van de plaatselijke democratie niet vervuld zijn : enerzijds blijkt noch uit het verzoekschrift, noch uit de inventaris dat de verzoekende partijen een zekerheid hebben gesteld om namens de stad Charleroi in rechte te treden; anderzijds is het vorderingsrecht van de inwoners van de gemeente subsidiair en kan het slechts worden uitgeoefend wanneer de gemeente niet zelf voorziet in de verdediging van het collectief belang waarvoor zij instaat, wat veronderstelt dat de inwoners de gemeente hebben aangemaand of tenminste verzocht om in rechte te treden, hetgeen te dezen niet wordt aangetoond. A.4.
  11. Overigens tonen de verzoekende partijen niet aan dat hun situatie rechtstreeks en ongunstig wordt geraakt door het decreet waarvan zij de schorsing vorderen. Een schorsing van het bestreden decreet zou immers geen nuttig gevolg hebben voor hun situatie vermits zij de vergunning van 11 december 2006, die niet werd geschorst door de Raad van State, zou doen « herleven », zodat de werken op grond van die laatste vergunning zouden kunnen worden voortgezet. De Raad van State heeft zich overigens reeds uitgesproken over een vordering tot schorsing die de verzoekende partijen tegen de vergunning van 2006 hadden ingesteld, en heeft die vordering verworpen vanuit de overweging dat er geen sprake was van een risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. A.4.
  12. Gesteld dat het Hof zou oordelen dat de voorwaarden van de vordering namens de stad Charleroi zijn vervuld, is de Waalse Regering ten slotte van mening dat de verzoekende partijen niet verantwoorden dat zij 5 handelen in het gemeentelijk belang, dat moet samenvallen met het belang van alle inwoners van Charleroi, en niet met het persoonlijke belang van de verzoekende partijen; niet alleen wordt dat collectief belang niet aangetoond, maar het is waarschijnlijk dat een grote meerderheid van de inwoners van Charleroi met ongeduld wachten op de uitvoering van de werken. Ten aanzien van de middelen A.
  13. De verzoekers merken in de eerste plaats op dat het bestreden decreet, in tegenstelling tot wat het opschrift ervan laat uitschijnen, geen akte van bekrachtiging zonder voorwaarde vormt, bepaald in een machtigingswet, te dezen het decreet van 17 juli
  14. In tegenstelling tot het Vlaams decreet betreffende het « Deurganckdok » bevat het decreet van 17 juli 2008 immers geen enkele « afwijkende » machtiging aan de Regering : artikel 2 van het decreet bepaalt dat de vergunning wordt verstrekt onder de voorwaarden en op de wijze vastgesteld in artikel 127 van het Waalse Wetboek van ruimtelijke ordening, stedenbouw en patrimonium (hierna : WWROSP), zodat het niet afwijkt van de formele en materiële regels die overeenkomstig het WWROSP van toepassing zijn. De verzoekers stellen overigens vast dat de bij het bestreden decreet bekrachtigde vergunning in de motivering ervan nergens de vermeende machtigingswet beoogt die die « bekrachtigingsregeling » zou organiseren, waarbij alleen artikel 127 van het WWROSP wordt beoogd als wettelijke grondslag van de bekrachtigde beslissing. A.
  15. De Waalse Regering merkt in de eerste plaats op dat de kritiek van de verzoekende partijen in werkelijkheid niet gericht is tegen het decreet van 3 april 2009, maar tegen het decreet van 17 juli 2008, waarbij het mechanisme van parlementaire ratificatie werd ingevoerd; de verzoekende partijen hebben echter geen beroep ingesteld tegen dat decreet. Overigens is de Waalse Regering van mening dat het mechanisme dat werd ingevoerd bij het decreet van 17 juli 2008 en het mechanisme dat werd ingevoerd bij het Vlaamse decreet van 2001 betreffende het « Deurganckdok » soortgelijk zijn : die decreten vertrouwen het Parlement de bevoegdheid toe om vergunningen al dan niet te ratificeren, waarbij afwijkingen op de bestemmingsplannen worden toegestaan, teneinde een grotere transparantie bij het uitreiken van de vergunningen te waarborgen. A.
  16. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 160 van de Grondwet, alsook van artikel 19, § 1, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Volgens de verzoekers behoudt artikel 160 van de Grondwet aan de federale wetgever de exclusieve bevoegdheid voor om de samenstelling, de bevoegdheid en de werking van de Raad van State te regelen, zodat de gewestelijke wetgever die de Raad van State zijn bevoegdheid ontneemt door een decreet aan te nemen om een individuele administratieve handeling geldig te verklaren, de bevoegdheidverdelende regels schendt. Dat standpunt vloeit voort uit de rechtspraak van het Hof in de arresten nrs. 46/88 en 30/95, die in ruime mate zijn goedgekeurd door de rechtsleer. Hoewel die rechtspraak en die rechtsleer dateren van vóór de wijziging van artikel 19, § 1, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bij de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen, blijft de bevoegdheid van de Raad van State overigens een grondwettelijk voorbehouden aangelegenheid in de zin van die bepaling, zoals die is gewijzigd in
  17. A.
  18. De Waalse Regering is van mening dat de Waalse decreetgever de Raad van State niet diens bevoegdheid heeft ontnomen. In de eerste plaats is het Waalse Parlement, door het bestreden decreet aan te nemen, niet opgetreden in een uitsluitend federale aangelegenheid, maar heeft het enkel een vergunning geratificeerd overeenkomstig de procedure waarin het decreet van 17 juli 2008 voorziet : het feit dat dit decreet niet kan worden voorgelegd aan de Raad van State, is een gevolg van artikel 142 van de Grondwet zelf, en van de bijzondere wet van 6 januari 1989 die concreet vorm geeft aan die grondwetsbepaling. 6 Overigens is de kritiek eigenlijk gericht tegen het systeem van ratificatie dat werd ingevoerd bij het decreet van 17 juli
  19. Vermits echter de gewesten bevoegd zijn inzake stedenbouw en leefmilieu, vermogen zij de regels te bepalen voor het uitreiken van de stedenbouwkundige vergunningen, de milieuvergunningen en de globale vergunningen, en bijgevolg een systeem in te voeren voor de ratificatie van die vergunningen. Ten slotte geven de verzoekende partijen niet aan waarin het aangevoerde verschil in behandeling zou bestaan, noch tussen welke categorieën van personen dat verschil zou bestaan. In de veronderstelling dat dit verschil betrekking heeft op de vergunningen die worden uitgereikt volgens de gemeenrechtelijke procedure en op de geratificeerde vergunningen, stelt de Waalse Regering vast dat dit verschil voortvloeit uit de verdeling van de bevoegdheden onder de rechtscolleges, en niet uit het bestreden decreet; dat verschil in behandeling is in elk geval redelijk verantwoord in het licht van het doel dat wordt nagestreefd door het decreet van 17 juli 2008, en dat erin bestaat het Parlement een beperkte machtiging te verlenen om bepaalde vergunningen te ratificeren waarvoor dringende redenen van algemeen belang zijn aangetoond. A.9.
  20. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van artikel 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 1 en 9, leden 2 en/of 4, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (Verdrag van Aarhus). Volgens de verzoekers is het recht op toegang tot de rechter inzake het leefmilieu een fundamenteel recht dat, zoals in het Verdrag van Aarhus wordt bepaald, moet worden gewaarborgd door doeltreffende gerechtelijke mechanismen. A.9.
  21. In een eerste onderdeel van het middel herinneren de verzoekers eraan dat, aangezien de vergunningsprocedure een raadpleging van het publiek inhoudt, artikel 9 van het Verdrag van Aarhus, dat een beroep waarborgt om de materiële en formele rechtmatigheid te bestrijden, van toepassing is. Door het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu te bevestigen, veronderstelt artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet dus minstens het bestaan van een jurisdictioneel beroep dat het mogelijk maakt de materiële en formele rechtmatigheid te betwisten van de vergunningen met betrekking tot het leefmilieu die vallen onder het toepassingsgebied van artikel 9 van het Verdrag van Aarhus. Volgens de verzoekers is het recht op een beroep wegens bevoegdheidsoverschrijding dus inherent aan het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu. Het bestreden decreet heeft echter niet tot gevolg dat de verzoekers elke beroepsmogelijkheid wordt ontnomen, vermits zij zich op geldige wijze hebben kunnen richten tot het grondwettelijk rechtscollege, maar wel dat hun een jurisdictioneel beroep wordt ontzegd dat beantwoordt aan de vereisten van artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet, gecombineerd met artikel 9 van het Verdrag van Aarhus, vermits het grondwettelijk rechtscollege zich niet kan uitspreken over de materiële en formele rechtmatigheid van de bekrachtigde vergunning, noch een kennelijke beoordelingsfout kan afkeuren. In de veronderstelling dat de Waalse Regering aanvoert dat de eventuele aantasting van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu niet zou voortvloeien uit het bestreden decreet, maar uit de toepassing van artikel 142 van de Grondwet, dat de perken van de bevoegdheid van het grondwettelijk rechtscollege vaststelt, herinneren de verzoekers eraan dat, onder de artikelen van de Grondwet die onder de bevoegdheid van het Hof vallen, artikel 23 van de Grondwet een positieve verplichting ten laste van de betrokken wetgevers bevestigt om de bescherming van een gezond leefmilieu te waarborgen, en dat een decreet dat alleen tot gevolg heeft de burgers een beroep te ontnemen dat beantwoordt aan de vereisten van artikel 9 van het Verdrag van Aarhus, klaarblijkelijk in strijd is met de aan de wetgever toegewezen plicht. A.9.
  22. In het tweede onderdeel van het middel voeren de verzoekers aan dat artikel 23 van de Grondwet een standstill-verplichting inhoudt die zich ertegen verzet dat de wetgever het bestaande beschermingsniveau aanzienlijk vermindert, zonder dat daartoe motieven in verband met het algemeen belang bestaan. Het bestreden decreet ontzegt derden beroepen die zijn ingevoerd bij de artikelen 14 en 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, alsook de mogelijkheid om de exceptie van onwettigheid aan te voeren waarin artikel 159 van de Grondwet voorziet, met name naar aanleiding van een vordering tot staking inzake leefmilieu. In de parlementaire voorbereiding betreffende het decreet van 17 juli 2008 worden geenszins redenen van algemeen belang uiteengezet die een dergelijke aantasting van de fundamentele rechten in kwestie zouden 7 verantwoorden; daarin wordt echter integendeel gesteld dat de bekrachtigingsprocedure niet ertoe strekt het jurisdictioneel toezicht te beperken, maar gewoon blijk geeft van de toenemende belangstelling van het Parlement voor de milieuproblematiek. A.10.
  23. De Waalse Regering is van mening dat het middel moet worden verworpen, enerzijds, omdat het gericht is tegen het decreet van 17 juli 2008 en, anderzijds, omdat het niet ernstig is. A.10.
  24. Wat het eerste onderdeel van het middel betreft, oordeelt de Waalse Regering dat de toetsing door het Grondwettelijk Hof, dat zowel inhoudelijke als procedurele kwesties behandelt, voldoet aan artikel 9, lid 2, van het Verdrag van Aarhus, dat ertoe strekt een daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen in milieuaangelegenheden. Niet alleen kunnen de verzoekende partijen het grondwettelijk rechtscollege aanzoeken; zij behouden eveneens de mogelijkheid om de gewone hoven en rechtbanken of de Raad van State aan te zoeken, die zich overigens niet « zonder rechtsmacht » hebben verklaard na de aanneming van het bestreden decreet. Beweren dat een beroep voor het grondwettelijk rechtscollege niet voldoet aan artikel 9 van het Verdrag van Aarhus, is overigens een middel dat in werkelijkheid gericht is tegen artikel 142 van de Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989, die concreet vorm geeft aan die grondwetsbepaling. Vermits het bestreden decreet niet de jurisdictionele beroepen tegen zijn eigen wettigheid organiseert - en die overigens niet vermag te organiseren -, kan het onmogelijk artikel 9 van het Verdrag van Aarhus schenden. Ten slotte is het middel niet gegrond in zoverre het artikel 23 van de Grondwet aanvoert, omdat die bepaling geen rechtstreeks gevolg heeft en de decreetgever, door het bestreden decreet aan te nemen, die bepaling ten uitvoer legt, door de bescherming van een gezond leefmilieu te waarborgen. A.10.
  25. Wat het tweede onderdeel van het middel betreft, is de Waalse Regering van mening dat de standstill-verplichting niet is geschonden vermits het bestreden decreet in geen enkel opzicht een aanzienlijke achteruitgang vormt van het beschermingsniveau inzake leefmilieu en vermits het, in de veronderstelling dat het in die aangelegenheid een aanzienlijke achteruitgang teweegbrengt, verantwoord zou zijn door dringende redenen van algemeen belang, die kenmerkend zijn voor een geratificeerde vergunning. De verzoekende partijen beweren overigens ten onrechte dat zij geen vordering tot staking inzake leefmilieu zouden kunnen instellen wegens het bestreden decreet : enerzijds is het artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 dat de voorwaarden van die vordering bepaalt en, anderzijds, hebben zij zulk een vordering ingesteld met toepassing van artikel L1242-2 van het Waalse Wetboek van de plaatselijke democratie. Het bestreden decreet maakt hun vordering dus niet onontvankelijk : ook al kan de aangezochte rechter zich niet rechtstreeks uitspreken over de wettigheid van de bekritiseerde vergunning, toch kan hij beslissen om het Hof een prejudiciële vraag te stellen; het bekritiseerde verschil in behandeling vloeit dus niet voort uit het bestreden decreet, maar uit de regels die de bevoegdheid verdelen onder de rechtscolleges. A.
  26. Het derde middel, waarin een aantasting van het recht op een eerlijk proces en van het beginsel van de wapengelijkheid wordt aangevoerd, is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en/of met artikel 9, lid 4, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden. Volgens de verzoekers verzetten het beginsel van de voorrang van het recht en het begrip « eerlijk proces » die voortvloeien uit de aangevoerde bepalingen, zich, tenzij om dwingende redenen van algemeen belang, tegen elke inmenging van de wetgevende macht in de rechtsbedeling met als doel de gerechtelijke afloop van geschillen te beïnvloeden. Hoewel, zoals de Waalse Regering zeker zal opmerken, het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van oordeel is dat de bevoegdheden van de Staat om op te treden, op ruimere wijze moeten worden benaderd op het vlak van leefmilieu en stedenbouw, aangezien het erom gaat wetgevend op te treden met het oog op het algemeen belang, formuleren de verzoekers hieromtrent twee opmerkingen. In de eerste plaats had de zaak die tot die lering heeft geleid, betrekking op de wijziging van de ten gronde toepasselijke regels in het kader van de toekenning van betwiste vergunningen : dat geval verschilt dus 8 fundamenteel van het onderhavige geval, waarin een individuele handeling wordt bekrachtigd teneinde een ongunstige afloop te beletten in geschillen die voor de Raad van State en de justitiële gerechten hangende zijn. Dat doel is overigens duidelijk bevestigd in de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet teneinde het spoedeisend karakter van de aanneming ervan te verantwoorden. Een dergelijke restrictieve interpretatie van de draagwijdte van het recht op een eerlijk proces houdt overigens geen rekening met de autonome vereisten van artikel 9 van het Verdrag van Aarhus, die precies op het gebied van de bescherming van het leefmilieu gelden. In dat verband dekt het nieuwe besluit van de gemeenteraad niet de andere grieven die tegen de vergunning zijn aangevoerd, zoals de tekortkomingen van het milieueffectenrapport of het feit dat geen rekening is gehouden met de resultaten van het openbaar onderzoek. A.
  27. De Waalse Regering herinnert eraan dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van oordeel is dat het recht op toegang tot een rechtbank niet absoluut is en dat de Staten over een beoordelingsmarge beschikken om het recht op een eerlijk proces te waarborgen, meer in het bijzonder in milieuaangelegenheden. Overigens is het van mening dat de inmenging van de wetgevende macht in de werking van het gerecht enkel kan worden afgekeurd indien zij in de eerste plaats ertoe strekt de afloop van het geschil te beïnvloeden, tenzij dwingende redenen van algemeen belang voorhanden zijn. Te dezen beschikken de verzoekende partijen over een beroep voor het grondwettelijk rechtscollege tegen het bestreden decreet en, wat hun hangende beroepen betreft, heeft noch de Raad van State, noch het Hof van Beroep te Bergen zich « onbevoegd » verklaard. Overigens toont de memorie van toelichting van het decreet van 17 juli 2008 aan dat het systeem van ratificatie de wil van het Parlement vertolkt om zich opnieuw een bevoegdheid toe te eigenen die het aan de Regering had gedelegeerd, zonder de voortzetting van hangende geschillen te willen verhinderen; de parlementsleden oefenen die bevoegdheid overigens ten volle uit, doordat zij zich uitspreken over het algemeen belang. In ondergeschikte orde stelt de Waalse Regering vast dat de geratificeerde vergunning te maken heeft met dwingende redenen van algemeen belang, zodat de voorwaarden die door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens worden gesteld voor de inachtneming van het recht op een eerlijk proces zijn vervuld, en dat geen enkele van de procedures die tot hiertoe door de verzoekende partijen werden ingesteld, heeft geleid tot een beslissing die voor hen ongunstig zou zijn. A.
  28. Het vierde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 13 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 127 van het WWROSP, met artikel 9 van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, met de artikelen 14 en 17 van de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State en met artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu. Artikel 127 van het WWROSP voorziet in een procedure die afwijkt van het gemeen recht van de procedure voor de toekenning van de stedenbouwkundige vergunningen, voor verschillende handelingen en werken waarvan het gemeenschappelijk punt erin bestaat dat zij op een of andere manier een algemeen belang nastreven; het project inzake de sluiting van de metroring valt onder die bijzondere procedure. Het bestreden decreet heeft tot gevolg dat de derden de beroepen worden ontzegd waarin is voorzien tegen de beslissing die met toepassing van artikel 127 van het WWROSP is genomen, door hen te beletten de beroepen in te stellen bepaald in de artikelen 14 en 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State of de exceptie van onwettigheid aan te voeren waarin artikel 159 van de Grondwet voorziet in het kader van de vordering tot staking inzake leefmilieu. De verzoekers zijn overigens van mening dat de procedure voor het grondwettelijk rechtscollege niet beantwoordt aan de vereisten van artikel 9 van het Verdrag van Aarhus. Daarmee voert de decreetgever een discriminatie in tussen de rechtzoekenden die zijn betrokken bij een project dat is aangenomen op grond van de procedure van artikel 127 van het WWROSP, en diegenen die zijn betrokken bij een project dat is toegestaan volgens die procedure, geconsolideerd door de decreetgever. 9 Te dezen beperkt de verantwoording die wordt gegeven in de parlementaire voorbereiding van bet bestreden decreet, zich tot een verwijzing naar de rechtspraak betreffende het « Deurganckdok », terwijl de situatie te dezen verschillend is. Aldus kan niet worden aangevoerd dat de aanpassingen aan de metroring van Charleroi een uitzonderlijk strategisch belang van het Waalse Gewest vertonen in dezelfde mate als de vergroting van de haven van Antwerpen. De aanvaardbaarheid van het proces moet overigens worden beoordeeld in het licht van het doel en de gevolgen ervan : te dezen mengt de decreetgever zich rechtstreeks in hangende jurisdictionele procedures. In de veronderstelling dat de door het project nagestreefde belangen kunnen worden afgewogen tegen die van de verzoekers, onderstrepen de laatstgenoemden ten slotte dat zij geenszins een persoonlijk belang nastreven, ook al zijn zij persoonlijk betrokken bij de inrichting van hun grondgebied of van hun min of meer onmiddellijke omgeving; hetgeen de verzoekers bekritiseren, en wat door verschillende negatieve adviezen is bevestigd, zijn de rampzalige gevolgen op het vlak van mobiliteit, met name wat de vrachtwagens betreft. A.
  29. De Waalse Regering stelt vast dat de ratificatie van de vergunning tot gevolg heeft dat de Raad van State niet meer bevoegd is om van de vergunning kennis te nemen, maar dat het het Grondwettelijk Hof is dat bevoegd wordt; dat is een gevolg van de verdeling van de bevoegdheden onder de rechtscolleges, zonder dat de verzoekende partijen kunnen worden beschouwd als zijnde onttrokken aan de rechter die de wet hun toewijst. Wat het aangevoerde verschil in behandeling betreft, stelt de Waalse Regering vast dat de geratificeerde vergunning onderdeel is van het ruime geheel van de netwerken voor gemeenschappelijk vervoer van het Waalse Gewest, en dat zij bijdraagt tot het verwezenlijken van de doelstelling van het GROP (Gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan) dat betrekking heeft op het algemeen belang van de Walen en dat sedert tien jaar richting geeft aan het gewestelijk beleid inzake ruimtelijke ordening; het verschil tussen de gemeenrechtelijke vergunningen en de geratificeerde vergunningen is dus objectief verantwoord. Ten slotte kan de rechtspraak van het Hof betreffende het « Deurganckdok » niet worden geïnterpreteerd in die zin dat de decreetgever niet zou kunnen optreden om vergunningen te bekrachtigen wanneer jurisdictionele procedures hangende zijn. Ten aanzien van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel A.15.
  30. De verzoekers merken op dat het bestreden decreet rechtstreeks interfereert met de procedure van de vordering tot staking inzake leefmilieu die thans voor het Hof van Beroep te Bergen hangende is. In hoofdorde eist de eerste verzoekende partij daarmee dat de onwettigheid van de door de Regering verstrekte vergunning wordt vastgesteld, gelet op het ontoereikende karakter van het milieueffectenrapport en het feit dat geen rekening is gehouden met de pertinente resultaten van het openbaar onderzoek. Het bestreden decreet heeft echter rechtstreeks tot gevolg dat het Hof van Beroep ten aanzien van die kwestie geen rechtsmacht heeft. Aangezien het fundamenteel recht van toegang tot de rechter op onbetwistbare wijze is aangetast met schending van het recht van de eerste verzoekende partij op een eerlijk proces, zijn de verzoekers van mening dat het nadeel ernstig is. Dat nadeel zou bovendien niet op gepaste wijze kunnen worden hersteld door een vernietigingsarrest, aangezien de vordering tot staking inzake leefmilieu, met toepassing van de wet van 12 januari 1993, moet worden behandeld zoals in kort geding en de onderzoekstermijnen ervan niet te verzoenen zijn met de gewone termijnen van een vernietigingsprocedure of van een prejudiciële procedure indien het Hof van Beroep zou beslissen een prejudiciële vraag aan het Hof te stellen. Een eventuele latere vernietiging of vaststelling van ongrondwettigheid naar aanleiding van een prejudiciële vraag maken het het Hof van Beroep dus niet mogelijk om, zoals dat het geval moet zijn voor de vordering tot staking, uitspraak te doen binnen nuttige termijnen, namelijk vóór de werken worden aangevat op een wijze dat de situatie onomkeerbaar zou zijn of kunnen zijn. 10 De verzoekers herinneren immers eraan dat op het ogenblik van de indiening van de onderhavige vordering, alleen de werkzaamheden met betrekking tot de verplaatsing van de ondergrondse voorzieningen voor leidingen en collectoren zijn uitgevoerd, zonder dat de werken van de metro als dusdanig werkelijk zijn aangevat. Alleen de schorsing van het bestreden decreet zou het dus mogelijk maken te voorkomen dat de decreetgever zich mengt in de hangende gerechtelijke procedure door een daadwerkelijke jurisdictionele controle te verhinderen. A.15.
  31. De verzoekers voeren ook aan dat de voortzetting van de werken, toegestaan op basis van een onvolledig milieueffectenrapport en zonder dat rekening is gehouden met de pertinente bezwaren in het kader van het openbaar onderzoek, eveneens riskeert een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te veroorzaken, « dat zowel het milieueffectenrapport als het openbaar onderzoek juist beogen te kwalificeren, kwantificeren en voorkomen ». A.16.
  32. Wat betreft het gevolg van het bestreden decreet voor de procedure voor het Hof van Beroep te Bergen, stelt de Waalse Regering vast dat artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 geen enkel onderscheid maakt met betrekking tot de aard van de overschreden norm : ongeacht of het gaat om een decreet of om een besluit, de rechter behoudt dus zijn hele bevoegdheid om een handelwijze die strijdig is met de bescherming van het leefmilieu te toetsen en te bestraffen. Overigens betreft de vordering tot staking inzake leefmilieu de vergunning van 2006, die werd ingetrokken bij een decreet dat een nieuwe vergunning uitreikt die een antwoord geeft op de kritiek van de verzoekende partijen op de vergunning van 2006 : het Hof van Beroep te Bergen wordt dus niet « zijn rechtsmacht ontnomen » vermits het ofwel zal moeten vaststellen dat het beroep zonder voorwerp is, ofwel uitspraak zal moeten doen over de vordering indien het Hof zou beslissen het decreet van 3 april 2009 te schorsen. In elk geval kan de weerslag van het bestreden decreet op de lopende procedure geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel veroorzaken vermits een eventuele vernietiging van de norm een beroep tot intrekking zou openen voor de rechter die het beroep van de verzoekende partijen zou hebben verworpen. In dat verband werd de vordering tot staking in normale omstandigheden gepleit voor de voorzitter van de Rechtbank te Charleroi, die heeft beslist de vordering van de verzoekende partijen te verwerpen door eenvoudigweg vast te stellen dat de vergunning in geen enkel opzicht onwettig was. A.16.
  33. Wat de voortgang van de werken betreft, stelt de Waalse Regering vast dat die werken verder gevorderd zijn dan de verzoekende partijen aangeven en dat de vordering tot schorsing de verzoekende partijen sowieso niet in staat stelt om hun doel - namelijk een stopzetting van de werken voor de aanleg van de metro - te bereiken. Een schorsing van het decreet van 3 april 2009 zou immers tot gevolg hebben dat de intrekking van de vergunning van 2006 wordt geschorst, die opnieuw uitwerking zou krijgen. A.16.
  34. Ten slotte dient, zoals het Hof heeft gedaan in het kader van de vorderingen tot schorsing van het Vlaamse decreet met betrekking tot het « Deurganckdok », een afweging te worden gemaakt tussen de collectieve doelstellingen die met de bestreden akte worden nagestreefd en de doelstellingen van de verzoekende partijen; om dezelfde redenen dient de bestreden akte niet te worden geschorst. Ten aanzien van de tussenkomsten van de stad Charleroi en van de « SRWT » A.17.
  35. De stad Charleroi, vertegenwoordigd door haar gemeentecollege, is van mening dat zij er belang bij heeft in deze procedure tussen te komen : enerzijds moet zij de gevolgen ondergaan van het beroep dat in haar naam door inwoners werd ingesteld, en, anderzijds, behoort het tot de vaste rechtspraak dat een gemeente er belang bij heeft om in rechte te treden teneinde haar opvatting inzake leefmilieu en gemeentelijke ruimtelijke ordening te verdedigen. A.17.
  36. De stad Charleroi is in de eerste plaats van mening dat de vordering die namens haar werd ingesteld, niet ontvankelijk is vermits artikel L1242-2 van het Waalse Wetboek van de plaatselijke democratie niet van toepassing is op de beroepsprocedure voor het Grondwettelijk Hof. In ondergeschikte orde is zij van oordeel dat de voorwaarden van tenuitvoerlegging van die bepaling niet zijn vervuld : niet alleen heeft de stad zich aan geen enkel verzuim schuldig gemaakt, maar hebben de 11 individuele verzoekers de stad Charleroi niet aangemaand om in rechte te treden, alvorens hun beroep in te stellen; men kan overigens niet beweren dat de stad nalatig is geweest doordat zij geen beroep instelde vermits zij, zoals te dezen, objectieve en aanvaardbare redenen had om dat niet te doen. In werkelijkheid bekritiseren de verzoekers de opportuniteit van een vordering van de gemeente, door gebruik te maken van artikel L1242-2 van het Waalse Wetboek van de plaatselijke democratie, waarvan het doel echter niet erin bestaat een recht te creëren om het beleidsmatige optreden van de gemeente aan te vechten, vermits dat een coherent gemeentelijk beleid onmogelijk zou maken. Ten slotte verplicht artikel L1242-2 van het Waalse Wetboek van de plaatselijke democratie tot een zekerheidsstelling, wat te dezen niet werd gedaan. A.18.
  37. De stad Charleroi is van mening dat er geen risico bestaat voor een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. A.18.
  38. In de eerste plaats wordt het recht op toegang tot een rechter in geen enkel opzicht aangetast. Zo zijn thans twee jurisdictionele procedures hangende, enerzijds voor de Raad van State en anderzijds voor het Hof van Beroep te Bergen. De zaak voor het Hof van Beroep te Bergen werd naar de rol verwezen en niets verhindert de partijen - of de rechter om dat ambtshalve op te leggen - de zaak op de rol te laten in afwachting van de beslissing van het Hof over het vernietigingsberoep. Overigens dient het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, zoals de grondwettelijke rechtspraak heeft geoordeeld, te worden beoordeeld rekening houdend met de gewone en buitengewone rechtsmiddelen die de verzoekers zouden kunnen aanwenden wanneer de norm zou worden vernietigd. In geval van vernietiging zouden de verzoekers dus over de mogelijkheid beschikken om een cassatieberoep in te stellen of een beroep tot intrekking op grond van artikel 16 van de bijzondere wet van 6 januari
  39. Ten slotte herinnert de stad Charleroi eraan dat de verzoekers spoedprocedures hebben kunnen voeren in hun poging om de werken met betrekking tot de metrolus van Charleroi te laten onderbreken, en dat zowel de voorzitter van de Rechtbank te Charleroi als de Raad van State de vorderingen van de verzoekers niet hebben ingewilligd om reden dat het niet aangetoond was dat de onmiddellijke uitvoering van de werken voor de verzoekers een nadeel zou teweegbrengen; het bestreden decreet heeft dus totaal niets te maken met het falen van die procedures, en werd overigens op een later tijdstip aangenomen. A.18.
  40. Er is evenmin sprake van schade verbonden aan de uitvoering van de werken. Zoals de voorzitter van de Rechtbank te Charleroi heeft geoordeeld, werden de werken op geldige wijze uitgevoerd op grond van de vergunning van 2006, en wijzigt het bestreden decreet in dat opzicht niets, maar verandert het gewoon de grondslag van de vergunning voor de uitvoering van de werken. Indien het decreet zou worden geschorst, zou de vergunning van 2006 echter opnieuw uitwerking krijgen en zouden de werken op die basis kunnen worden voortgezet. Overigens hebben zowel de voorzitter van de Rechtbank te Charleroi als de Raad van State beslist dat de verzoekers geen nadeel ondervonden door het aangevoerde ontbreken van een voldoende beoordeling van de milieueffecten. Die beslissingen betreffende de vergunning van 2006 mag men niet naast zich neerleggen vermits de werken die door het bestreden decreet worden toegestaan, volledig identiek zijn aan die welke door de vergunning van 2006 werden toegestaan. A.18.
  41. De stad Charleroi is van mening dat de belangen tegen elkaar moeten worden afgewogen : het voordeel dat de verzoekers uit de schorsing zouden halen, rechtvaardigt geenszins de nadelen die een schorsing zou teweegbrengen voor het algemeen belang. Een schorsing van het decreet en een stopzetting van de werken die daaruit zou voortvloeien, zouden voor de stad Charleroi immers een aanzienlijk nadeel veroorzaken en zouden de situatie inzake mobiliteit en woonklimaat verslechteren, situatie die men met het project van de sluiting van de metrolus precies wilde verbeteren. De hinder die de verzoekers ondervinden kan weliswaar als nadelig worden beschouwd, maar kan niet de verwezenlijking afbreken van een project dat beantwoordt aan het algemeen belang van een hele gemeenschap. 12 A.
  42. De « SRWT » betwist het belang om in rechte te treden van de verzoekers, daar zij meent dat, ongeacht de beslissing die het Hof neemt ten aanzien van de vordering tot schorsing, de werken zullen worden toegestaan op basis van ofwel de vergunning van 2006, ofwel de vergunning van
  43. Ten aanzien van de ernst van de middelen en het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel verwijst de « SRWT » naar de door het Waalse Gewest uiteengezette argumenten. -B– Ten aanzien van het bestreden decreet en de context ervan B.1.
  44. De vordering tot schorsing is gericht tegen het decreet van 3 april 2009 « houdende goedkeuring van de stedenbouwkundige vergunning toegekend voor de aanleg van de verbinding ‘ Parc-Sud ’ van de lichte metro van Charleroi, overeenkomstig het decreet van 17 juli 2008 betreffende enkele vergunningen waarvoor er dringende redenen van algemeen belang bestaan » (hierna : decreet van 3 april 2009). Het enige artikel van dat decreet bepaalt : « De stedenbouwkundige vergunning die op 18 februari 2009 bij ministerieel besluit aan de ‘ Société régionale wallonne du Transport (S.R.W.T.) ’ (Waalse Gewestelijke Vervoersmaatschappij) afgegeven werd met het oog op de aanleg van de verbinding ‘ Parc- Sud ’ van de lichte metro van Charleroi (M.L.C.) met bouw van een brug op de Samber, van een lijn tot het Zuidstation en van een rotonde (Olof Palme) wordt goedgekeurd ». B.1.
  45. Zoals het opschrift aangeeft, is het decreet van 3 maart 2009 aangenomen met toepassing van het decreet van 17 juli 2008 « betreffende enkele vergunningen waarvoor er dringende redenen van algemeen belang bestaan » (hierna : decreet van 17 juli 2008). B.2.
  46. Het decreet van 17 juli 2008 voert, enerzijds, een procedure in voor de bekrachtiging van enkele vergunningen waarvoor dwingende redenen van algemeen belang bestaan (artikelen 1 tot 4) en bekrachtigt, anderzijds, enkele verstrekte vergunningen waarvoor dwingende redenen van algemeen belang worden geacht te bestaan (artikelen 5 tot 17). 13 Door die bekrachtiging van bepaalde vergunningen mogelijk te maken, strekt het decreet van 17 juli 2008 aldus ertoe « gevolg te geven aan de toenemende belangstelling van het Waals Parlement voor de opvolging van dossiers die het lokaal belang overstijgen » (Parl. St., Waals Parlement, 2007-2008, nr. 805/1, p. 2). B.2.
  47. Het bestreden decreet is aangenomen volgens de procedure bepaald in de artikelen 1 tot 4 van het decreet van 17 juli
  48. B.2.
  49. De artikelen 1 tot 4 van het decreet van 17 juli 2008 voeren een procedure in voor de bekrachtiging van stedenbouwkundige vergunningen, milieuvergunningen en globale vergunningen met betrekking tot bepaalde handelingen en werken die worden opgesomd in artikel 1 van het decreet en waarvoor volgens het decreet dwingende redenen van algemeen belang zijn aangetoond. Die artikelen bepalen : « Artikel
  50. De dringende redenen van algemeen belang zijn aangetoond voor de toekenning van de stedenbouwkundige vergunningen, de milieuvergunningen en de globale vergunningen met betrekking tot volgende handelingen en werken : 1° volgende handelingen en werken voor de inrichting van de infrastructuren en onthaalgebouwen van de gewestelijke luchthavens Luik-Bierset en Charleroi-Brussels South : […] 2° ter uitvoering van het samenwerkingsakkoord van 11 oktober 2001 tussen de federale overheid, het Vlaamse, het Waalse en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende het meerjareninvesteringsplan 2001-2012 van de N.M.B.S., de handelingen en werken op het grondgebied van het Waalse Gewest in verband met het GEN; 3° in het kader van de uitvoering van het gewestelijk structuurplan (deel 3, punt 1.4), aangenomen door de Waalse Regering op 27 mei 1999, de handelingen en werken in verband met de structurerende openbaar-vervoersmodi voor Charleroi, Luik, Namen en Bergen; 4° de ontbrekende schakels in het wegen- en waterwegennet op het grondgebied van het Waalse Gewest van het trans-Europese vervoersnet bedoeld in Beschikking nr. 884/2004/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 29 april 2004 tot wijziging van Beschikking nr. 1692/96/EG betreffende communautaire richtsnoeren voor de ontwikkeling van een trans- Europees vervoersnet. Art.
  51. Wanneer de handelingen en werken, opgesomd in artikel 1, beoogd zijn in artikel 84 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en 14 Energie, wordt de vergunning verstrekt door de Regering of haar gemachtigde op de wijze en met de voorwaarden vastgesteld in artikel 127 van hetzelfde Wetboek, met inbegrip van de wijzen en voorwaarden waarvan sprake in § 3 van dat artikel. Wanneer de handelingen en werken, opgesomd in artikel 1, een vestiging betreffen in de zin van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, wordt artikel 13, lid 2, van dat decreet toegepast. In afwijking van leden 1 en 2 wordt de vergunningsaanvraag waarvan het bericht van ontvangst of de indiening voorafgaan aan de inwerkingtreding van dit decreet verder behandeld volgens de voor die datum vigerende bepalingen. Art.
  52. Binnen de vijfenveertig dagen na toekenning ervan legt de Regering de stedenbouwkundige vergunning, de milieuvergunning of de globale vergunning betreffende de handelingen en werken waarvan sprake in artikel 1 voor aan het Waals Parlement. De vergunningen waarvan sprake in artikel 2, lid 3, worden aan het Parlement voorgelegd binnen de vijfenveertig dagen na ontvangst ervan door de Regering. Het Waals Parlement ratificeert de voorgelegde vergunning binnen de zestig dagen te rekenen van de indiening van het vergunningsdossier bij het bureau van het Waalse Parlement. Wanneer er geen enkel ratificatiedecreet is goedgekeurd binnen voormelde termijn, wordt de vergunning geacht niet verstrekt te zijn. De termijnen waarvan sprake in leden 1 en 2 worden geschorst tussen 16 juli en 15 augustus. De door het Waals Parlement geratificeerde vergunning is uitvoerbaar te rekenen van de bekendmaking van het decreet in het Belgisch Staatsblad en de vergunning wordt door de Regering verstuurd overeenkomstig de bepalingen van hetzelfde Wetboek of overeenkomstig het decreet van 11 maart
  53. Art.
  54. Wanneer een vergunningsaanvraag een geringe wijziging in een door het Waals Parlement geratificeerde vergunning betreft, volgt de aanvraag de regels van het gemene recht van hetzelfde Wetboek of van hetzelfde decreet ». B.2.
  55. Die vier artikelen maken het voorwerp uit van beroepen tot vernietiging die thans hangende zijn voor het Hof. B.
  56. Ten aanzien van de « structurerende openbaar-vervoersmodi » bedoeld in artikel 1, 3°, van het decreet van 17 juli 2008 wordt in de parlementaire voorbereiding van dat decreet uiteengezet : « In het derde deel van het gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan (GROP; vastgesteld door de Waalse Regering in haar zitting van 27 mei 1999) worden de uitvoeringsmiddelen behandeld, met name ten aanzien van de structurering van de Waalse ruimte. 15 In het bijzonder opteert het GROP binnen de steden voor een organisatie van de interne mobiliteit die verenigbaar is met de levenskwaliteit van de gebruikers en de inwoners. Het stadscentrum moet, volgens het GROP, in de eerste plaats een ontmoetings- en uitwisselingsplaats zijn waar de voorrang wordt gegeven aan voetgangers, fietsers en het openbaar vervoer. Het is in die zin dat de vergunning voor de uitbreiding van de metro in Charleroi reeds is toegekend, of nog, dat de herinrichting wordt overwogen van het plein voor het nieuwe station van Luik-Guillemins : de handelingen en werken beperken zich niet tot het aanleggen van een nieuwe stedelijke structurerende modus, maar het project bestaat voor een groot deel en bij die gelegenheid in een volledige herinrichting van de openbare ruimte, van rooilijn tot rooilijn. Het zijn dezelfde beginselen die de studies en verwezenlijkingen van de structurerende modi in Charleroi, Luik, Namen of Bergen moeten begeleiden. Die handelingen en werken, die steunen op het GROP, waarborgen een betere inrichting van het stadscentrum, een teruggevonden stedelijke leefbaarheid, die de gemengdheid van de functies en de energiebesparing op het vlak van verplaatsingen een nieuwe dynamiek kan geven, met andere woorden dwingende motieven van algemeen belang » (Parl. St., Waals Parlement, 2007-2008, nr. 805/1, p. 22). B.4.
  57. Op 11 december 2006 is aan de « Société régionale wallonne du Transport » (SRWT) een stedenbouwkundige vergunning verstrekt om de metroring rond de stad Charleroi te voltooien. B.4.
  58. Die vergunning heeft het voorwerp uitgemaakt van een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring voor de Raad van State, ingesteld door handelaars van de stad Charleroi, particulieren en vennootschappen, waaronder de eerste drie individuele verzoekers in het kader van de onderhavige procedure. Zij bekritiseerden voor de Raad van State met name lacunes in het milieueffectenrapport en het feit dat geen rekening is gehouden met de bezwaren die in het kader van het openbaar onderzoek zijn geformuleerd. De vordering tot schorsing is verworpen bij het arrest nr. 185.702 van 14 augustus 2008, wegens het niet aantonen van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. In het kader van de vernietigingsprocedure heeft de eerste auditeur in zijn verslag, neergelegd op 21 januari 2009, het eerste middel, afgeleid uit de schending van artikel 129 16 van het WWROSP, gegrond geacht, in zoverre het besluit van de gemeenteraad voorafgaand aan de toekenning van de bestreden vergunning geen rekening zou hebben gehouden met bepaalde varianten van het project; hij heeft de andere middelen bijgevolg niet onderzocht. B.4.
  59. Parallel met dat beroep hebben de zes individuele verzoekers in het kader van de onderhavige procedure voor de Rechtbank van eerste aanleg te Charleroi, namens de stad Charleroi, met toepassing van artikel L1242-2 van het Waalse Wetboek van de plaatselijke democratie, een vordering tot staking inzake leefmilieu ingesteld op grond van artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 « betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu ». De vordering tot staking is ontvankelijk, maar niet gegrond verklaard en tegen die beslissing is voor het Hof van Beroep te Bergen hoger beroep ingesteld; op het ogenblik van de terechtzitting betreffende de onderhavige vordering tot schorsing was de zaak naar de rol verwezen. B.4.
  60. Bij ministerieel besluit van 18 februari 2009 heeft de minister de beslissing van 11 december 2006 ingetrokken en aan de « SRWT » een stedenbouwkundige vergunning verstrekt. In de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet wordt uiteengezet : « Teneinde zoveel mogelijk de stopzetting van de werken te voorkomen, bepaalt het ministerieel besluit van 18 februari 2009 dat de intrekking van de handeling pas in werking treedt op de datum waarop de bekrachtiging van de nieuwe vergunning wordt bekendgemaakt » (Parl. St., Waals Parlement, 2008-2009, nr. 933/2, p. 4). B.4.
  61. Bij arrest nr. 193.238 van 12 mei 2009 heeft de Raad van State het beroep tot nietigverklaring van de vergunning van 11 december 2006 verworpen, overwegende dat het beroep, gelet op het bestreden decreet, « zonder voorwerp » was geworden. B.5.
  62. Na melding te hebben gemaakt van het verslag van de eerste auditeur van de Raad van State die tot een formele onwettigheid van de op 11 december 2006 verstrekte vergunning besluit, wordt de context in de memorie van toelichting van het decreet van 3 april 2009 als volgt verduidelijkt : 17 « De gemeenteraad van Charleroi heeft op 16 februari 2009 het initiatief genomen om te beraadslagen over de verkeersaangelegenheden met betrekking tot de onderhavige stedenbouwkundige vergunning. De theorie van de intrekking van de administratieve handelingen maakt het elke administratieve overheid mogelijk een administratieve handeling in te trekken die rechten doet ontstaan tot de sluiting van de debatten wanneer zij wordt bestreden voor de Raad van State. De gemeenteraad heeft de door de eerste auditeur van de Raad van State in zijn verslag aangevoerde onwettigheid gecorrigeerd. Onder die voorwaarden kan de administratieve overheid de stedenbouwkundige vergunning van 11 december 2006 intrekken en een nieuwe stedenbouwkundige vergunning met hetzelfde voorwerp verstrekken. Bij ministerieel besluit de dato 18 februari 2009 wordt de op 11 december 2006 verstrekte stedenbouwkundige vergunning ingetrokken en opnieuw onder voorwaarden verstrekt. Overeenkomstig het decreet van 17 juli 2008 wordt de op 18 februari 2009 verstrekte stedenbouwkundige vergunning dus voorgelegd aan het Parlement met het oog op de bekrachtiging ervan door dat laatstgenoemde » (Parl. St., Waals Parlement, 2008-2009, nr. 933/1, p. 2). De minister heeft eveneens uiteengezet : « De uitbreiding van de metro van Charleroi en de ontwikkeling van een nieuwe mobiliteit in Charleroi vertegenwoordigen investeringen van 105 miljoen euro. De sluiting van de ring vormt op zich een investering van 24,5 miljoen euro, dat is bijna een vierde van de totale investering. Die investeringen dragen onbetwistbaar bij tot de vermindering van het energieverbruik en de uitstoot van CO2, proces waaraan het Waalse Gewest deelneemt » (Parl. St., Waals Parlement, 2008-2009, nr. 933/2, p. 3). B.5.
  63. In verband met de gevolgen van de hangende beroepen tegen het decreet van 17 juli 2008 heeft de minister, hoewel het « voorbarig is een juridisch advies over die beroepen uit te brengen » (Parl. St., Waals Parlement, 2008-2009, nr. 933/2, p. 5), gesteld : « In het kader van de onderhavige vergunning zou, indien die vergunning wordt bekrachtigd, de vernietiging van de algemene bepalingen van het decreet inzake gewestelijke vergunningen niet tot gevolg hebben dat de vergunning in het gedrang komt die bij ministerieel besluit overeenkomstig de in artikel 127 van het WWROSP bepaalde procedure is verstrekt ». 18 Ten aanzien van het belang B.6.
  64. Aangezien de vordering tot schorsing ondergeschikt is aan het beroep tot vernietiging, dient de ontvankelijkheid van het beroep, inzonderheid het voorhanden zijn van het vereiste belang bij het instellen ervan, reeds bij het onderzoek van de vordering tot schorsing te worden betrokken. B.6.
  65. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 verplichten iedere natuurlijke of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging indient, te doen blijken van een belang. Alleen de personen wier situatie rechtstreeks en ongunstig door de bestreden norm zou kunnen worden geraakt, doen blijken van het vereiste belang. B.7.
  66. De vordering tot schorsing en het beroep tot vernietiging zijn ingesteld door zes inwoners van de stad Charleroi die, enerzijds, uit eigen naam en, anderzijds, namens de stad Charleroi handelen. De vordering van de verzoekers is ingesteld namens de stad Charleroi met toepassing van artikel L1242-2 van het Waalse Wetboek van de plaatselijke democratie. Artikel L1242-2 van het Waalse Wetboek van de plaatselijke democratie, dat de enige bepaling is van de afdeling met als titel « Uitoefening door een belastingplichtige van de rechtsvorderingen die aan de gemeente toebehoren », bepaalt : « Wanneer het college van burgemeester en schepenen niet in rechte optreedt, kunnen een of meer inwoners in rechte optreden namens de gemeente, mits zij onder zekerheidsstelling aanbieden om persoonlijk de kosten van het geding te dragen en in te staan voor de veroordelingen die mochten worden uitgesproken. De gemeente kan ten aanzien van het geding geen dading treffen zonder medewerking van de inwoner of de inwoners die het geding in haar naam heeft hebben uitgevoerd ». B.7.
  67. De verzoekers verantwoorden hun persoonlijk belang om in rechte te treden door de gevolgen van het bestreden decreet voor het beroep dat zij voor de Raad van State hebben ingesteld tegen de eerste stedenbouwkundige vergunning die in 2006 is verstrekt. 19 Aangezien het decreet van 3 april 2009 een vergunning bekrachtigt die de voor de Raad van State bestreden vergunning moet vervangen, zijn de verzoekers van mening dat zij belang erbij hebben het bestreden decreet te betwisten waarmee de decreetgever zich rechtstreeks mengt in de procedure voor de Raad van State. De Raad van State heeft overigens, rekening houdend met het bestreden decreet, hun beroep « zonder voorwerp » verklaard bij arrest nr. 193.238 van 12 mei
  68. De verzoekers verantwoorden het belang van de stad Charleroi om in rechte te treden overigens door de gevolgen van het bestreden decreet voor de gerechtelijke procedure met betrekking tot de vordering tot staking die zij heeft ingesteld en die thans hangende is voor het Hof van Beroep te Bergen. B.7.
  69. De Waalse Regering en de stad Charleroi, die in de procedure tussenkomt en daarbij wordt vertegenwoordigd door haar gemeentecollege, en de « SRWT » zijn van mening dat de namens de stad Charleroi ingestelde vordering niet ontvankelijk is. B.7.
  70. Zonder dat in dit stadium dient te worden nagegaan of en in welke mate iedere verzoeker, met name de stad Charleroi, doet blijken van het vereiste belang om in rechte te treden, stelt het Hof vast dat de tweede, de derde en de vierde verzoeker in hun hoedanigheid van verzoeker in de voor de Raad van State ingestelde procedure rechtstreeks en individueel worden geraakt door het bestreden decreet, vermits de Raad van State hun beroep « zonder voorwerp » heeft verklaard wegens dat decreet; het perspectief om mogelijk een vordering tot intrekking te kunnen genieten op grond van artikel 17 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, verantwoordt bijgevolg hun belang om in rechte te treden. Voor het overige kan de verzoekers niet worden verweten geen beroep te hebben ingesteld tot vernietiging van artikel 1, 3°, van het decreet van 17 juli 2008, op basis waarvan het bestreden decreet is aangenomen, aangezien zij, alleen op basis van de tekst van die bepaling, gedurende de periode tijdens welke een beroep tot vernietiging had kunnen worden ingediend tegen het voormelde decreet van 17 juli 2008, niet konden vermoeden dat die bepaling later effectief zou worden toegepast in het geval van de metro van Charleroi. 20 B.
  71. Uit het beperkte onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging waartoe het Hof in het kader van de vordering tot schorsing is kunnen overgaan, blijkt in dit stadium van de rechtspleging niet dat het beroep tot vernietiging - en dus de vordering tot schorsing - onontvankelijk moet worden geacht. Ten aanzien van de voorwaarden ten gronde van de vordering tot schorsing B.
  72. Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 dient aan twee grondvoorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : - de middelen die worden aangevoerd, moeten ernstig zijn; - de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat één van die voorwaarden niet is vervuld tot verwerping van de vordering tot schorsing. Ten aanzien van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel B.
  73. Een schorsing door het Hof moet het mogelijk maken te voorkomen dat voor de verzoekers een ernstig nadeel voortvloeit uit de onmiddellijke toepassing van de bestreden norm, nadeel dat niet zou kunnen worden hersteld of moeilijk zou kunnen worden hersteld in geval van een eventuele vernietiging. B.
  74. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 vereisen dat iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep instelt, doet blijken van een belang, waaruit volgt dat de actio popularis niet toelaatbaar is. In dezelfde gedachtegang is vereist dat de schorsing wordt nagestreefd op grond van een risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat betrekking heeft op de verzoekende partijen zelf. 21 B.12.
  75. De verzoekers voeren als moeilijk te herstellen ernstig nadeel een aantasting aan van het recht op een eerlijk proces van de eerste verzoekende partij in zoverre het bestreden decreet rechtstreeks interfereert met de procedure van de vordering tot staking inzake leefmilieu, die thans voor het Hof van Beroep te Bergen hangende is. Zij zijn van mening dat alleen de schorsing van het bestreden decreet het Hof van Beroep te Bergen in staat stelt tijdig uitspraak te doen, namelijk vooraleer de werken in verband met de metro als dusdanig daadwerkelijk worden aangevat. B.12.
  76. De verzoekende partijen voeren overigens aan dat werken uitgevoerd op basis van een onvolledig milieueffectenrapport en zonder dat rekening is gehouden met de bezwaren die zijn geformuleerd in het kader van het openbaar onderzoek, hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. Daarnaast hebben zij ter terechtzitting in het kader van de onderhavige procedure gepreciseerd dat zij niet de werken als dusdanig bekritiseren, maar wel de procedure voor de aanneming van de vergunning met betrekking tot die werken. B.
  77. Er dient te worden vastgesteld dat, in de hiervoor in herinnering gebrachte context van de feiten, een eventuele schorsing van het bestreden decreet niet tot gevolg zou kunnen hebben de voormelde werken stop te zetten, noch die werken onwettig te maken door de ontstentenis van een vergunning : een eventuele schorsing van het bestreden decreet zou alleen tot gevolg hebben het een rechter mogelijk te maken zich uit te spreken over de wettigheid van de vergunning van 2006, die door de bij het bestreden decreet bekrachtigde vergunning wordt vervangen. Te dezen waren twee jurisdictionele procedures hangende op het ogenblik van de indiening van de onderhavige vordering tot schorsing : enerzijds, een vordering tot staking inzake leefmilieu voor het Hof van Beroep te Bergen, ingesteld namens de stad Charleroi en, anderzijds, een beroep tot nietigverklaring voor de Raad van State ingesteld door sommige van de individuele verzoekers in het onderhavige beroep. B.
  78. Ten aanzien van het eventuele nadeel geleden door de stad Charleroi in het kader van de vordering tot staking inzake leefmilieu, namens haar ingesteld door zes inwoners van 22 de stad, tonen de verzoekers niet aan hoe de werken voor de metro of de eventuele gevolgen van het bestreden decreet voor de jurisdictionele procedure voor het Hof van Beroep te Bergen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zouden kunnen berokkenen aan de stad en aan de belangen van de gemeenschap. B.
  79. Ten aanzien van het persoonlijk nadeel dat de zes inwoners van de stad Charleroi die individueel handelen, zouden lijden, zijn die verzoekers, in die zin, geen partij bij de vordering tot staking die hangende is voor het Hof van Beroep te Bergen, die zij namens de stad hebben ingesteld, zodat zij de interferentie van het bestreden decreet met die procedure niet kunnen aanvoeren. B.
  80. Het beroep tot nietigverklaring dat zij voor de Raad van State individueel hebben ingesteld, is bij het arrest nr. 193.238 van 12 mei 2009 verworpen, zodat het bestreden decreet niet kan interfereren met een lopende procedure. Bijgevolg zou een schorsing van het bestreden decreet het door de verzoekende partijen aangevoerde nadeel niet kunnen voorkomen. B.
  81. Daar niet is voldaan aan één van de voorwaarden opgelegd bij artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 dient de vordering tot schorsing te worden verworpen. 23 Om die redenen, het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 16 juli
  82. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.126 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.