← België

ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.128

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 24 juli 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.128 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090724.1 Arrest- Rolnummer: 128/2009 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Strafrecht Invoerdatum: 2009-07-27 Raadplegingen: 234 - laatst gezien 2026-06-30 03:26 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof, alvorens uitspraak te doen ten gronde, stelt aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen de volgende prejudiciële vragen :

  1. Dient het Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een veroordeling die bij verstek is gewezen zonder dat de veroordeelde in kennis is gesteld van de plaats of de datum van de terechtzitting en waartegen die persoon nog over een rechtsmiddel beschikt, te worden beschouwd, niet als een aanhoudingsbevel met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, in de zin van artikel 4, punt 6), van het kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, maar wel als een aanhoudingsbevel met het oog op de instelling van strafvervolging, in de zin van artikel 5, punt 3), van hetzelfde kaderbesluit ?
  2. Dienen, indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, de artikelen 4, punt 6), en 5, punt 3), van hetzelfde kaderbesluit in die zin te worden geïnterpreteerd dat zij de lidstaten niet toelaten de overlevering aan de rechterlijke autoriteiten van de uitvaardigende Staat van een persoon die op hun grondgebied verblijft en op wie, in de in de eerste vraag beschreven omstandigheden, een aanhoudingsbevel met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel betrekking heeft, afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat die persoon naar de uitvoerende Staat wordt teruggezonden teneinde aldaar de vrijheidsstraf of de tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel te ondergaan die definitief tegen hem in de uitvaardigende Staat zou worden uitgesproken ?
  3. Schenden, indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, diezelfde artikelen artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, meer bepaald het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie ?
  4. Dienen, indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, de artikelen 3 en 4 van hetzelfde kaderbesluit in die zin te worden geïnterpreteerd dat zij zich ertegen verzetten dat de rechterlijke autoriteiten van een lidstaat de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel weigeren indien er ernstige redenen bestaan om te denken dat de tenuitvoerlegging ervan afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokkene, zoals zij in artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie zijn vervat ? UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) STRAFRECHT - AANHOUDINGSBEVEL - EUROPEES Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 8 van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, gesteld door de raadkamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Nijvel. Strafrecht - Europees aanhoudingsbevel -
  5. Kaderbesluit van de Europese Raad - Omzetting -
  6. Bevel uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een niet-definitieve veroordeling bij verstek tot een vrijheidsstraf -
  7. Stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Wettelijke bepalingen: Wet - 19-12-2003 - 8 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Tekst van de beslissing Rolnummer 4503 Arrest nr. 128/2009 van 24 juli 2009 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 8 van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, gesteld door de raadkamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Nijvel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij beschikking van 22 juli 2008 in zake I.B., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 24 juli 2008, heeft de raadkamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Nijvel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 8 van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, in die zin geïnterpreteerd dat het enkel van toepassing is op het Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd met het oog op de instelling van vervolging in tegenstelling tot het aanhoudingsbevel uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf of veiligheidsmaatregel, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het zou verhinderen dat de overlevering aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit van een persoon van Belgische nationaliteit of van een persoon die in België verblijft en die het voorwerp uitmaakt van een Europees aanhoudingsbevel met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf uitgesproken bij een vonnis gewezen bij verstek te zijnen aanzien, afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat die persoon, na hoger beroep te hebben ingesteld en de nieuwe vonnisprocedure te hebben genoten waarover de uitvaardigende rechterlijke autoriteit waarborgen heeft geboden die als toereikend worden beschouwd in de zin van artikel 7 van die wet, naar België wordt teruggezonden teneinde aldaar de straf of de veiligheidsmaatregel te ondergaan die tegen hem in de uitvaardigende Staat zou zijn uitgesproken ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - I.B.; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 11 maart 2009 : - zijn verschenen : . Mr. P. Huget, advocaat bij de balie te Brussel, voor I.B.; . Mr. A.-C. Rasson loco Mr. J. Bourtembourg en Mr. F. Belleflamme, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers P. Martens en T. Merckx-Van Goey verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil I.B. is van Roemeense nationaliteit en heeft in Roemenië gewoond tot februari 2002, datum waarop hij verklaart zijn land te zijn ontvlucht om naar België te vluchten nadat hij, volgens hem, het slachtoffer is geweest van ernstige schendingen van het recht op een eerlijk proces. Hij verblijft voortaan met zijn echtgenote en zijn drie kinderen in België. Zijn echtgenote is als zelfstandige in België gevestigd en I.B. lijkt op 14 februari 2006 een verblijfsvergunning van meer dan drie maanden te hebben verkregen. Op 19 december 2007 heeft I.B. bij de Dienst Vreemdelingenzaken een aanvraag tot erkenning als vluchteling ingediend. Die administratie heeft hem op 11 maart 2008 de status van asielzoeker toegekend. Op 7 juli 2008 heeft het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen geweigerd om aan I.B. de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus toe te kennen. Die beslissing maakt het voorwerp uit van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die de behandeling van het verzoekschrift naar de rol heeft verwezen in afwachting van het antwoord van het Hof op de gestelde prejudiciële vraag. I.B. werd op 11 december 2007 van zijn vrijheid beroofd, naar aanleiding van een politiecontrole, krachtens een Interpolsignalement van 10 februari 2006 dat uitging van de Roemeense autoriteiten en strekte tot zijn voorlopige aanhouding met het oog op zijn uitlevering, op grond van een vonnis van het Roemeense Hooggerechtshof van 15 januari 2002 waarin hij tot vier jaar gevangenisstraf was veroordeeld wegens inbreuk op artikel 279/1, met betrekking tot nucleaire en radioactieve stoffen, van het Roemeense Strafwetboek. Overwegende dat dat verzoek tot voorlopige aanhouding als een verzoek tot overlevering in het kader van een Europees aanhoudingsbevel kon worden geïnterpreteerd, heeft de procureur des Konings de onderzoeksrechter gevorderd, die bij beschikking van 12 december 2007 heeft besloten I.B. voorwaardelijk in vrijheid te stellen, tot het ogenblik van de definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel. Op 13 december 2007 heeft de Rechtbank te Boekarest tegen I.B. een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van vier jaar die tegen hem is uitgesproken bij een vonnis van 15 januari 2002 van het Hooggerechtshof. Verzocht zich uit te spreken over de tenuitvoerlegging van dat Europees aanhoudingsbevel, merkt de verwijzende rechter in de eerste plaats op dat het in het Europees aanhoudingsbevel bedoelde strafbare feit voldoet aan de voorwaarden vastgesteld bij de artikelen 3 en 5 van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel. Hij is bovendien van oordeel dat de gegevens vervat in het Europees aanhoudingsbevel en in de ter ondersteuning van dat aanhoudingsbevel verstrekte stukken toereikend zijn ten aanzien van artikel 2, § 4, van die wet en dat zij het hem mogelijk maken de controle te verrichten waartoe hij krachtens artikel 16, tweede lid, van dezelfde wet is verplicht. Daarenboven, aangezien België geen verklaring heeft neergelegd dat het als uitvoerende lidstaat verzoeken betreffende feiten die vóór 7 augustus 2002 zijn gepleegd, volgens de vóór 1 januari 2004 geldende uitleveringsregeling zou blijven behandelen, zoals dat mogelijk was bij artikel 32 van het kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, dient te dezen de procedure van overlevering op grond van het Europees aanhoudingsbevel te worden toegepast. De verwijzende rechter is bovendien van oordeel dat het voormelde kaderbesluit van 13 juni 2002 het uitleveringsmechanisme vervangt door een regeling van overlevering van de gezochte persoon op grond van het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten en op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning van gerechtelijke beslissingen binnen de Unie, onder voorbehoud van de zogenaamde « niet-discriminatie »-clausule bedoeld in de twaalfde overweging van het kaderbesluit van 13 juni 2002 en overgenomen in artikel 4, 5°, van de wet van 19 december
  8. De situatie van I.B. dient dus te worden onderzocht in het licht van die bepaling en niet ten aanzien van de vluchtelingenstatus die hij aanvraagt. In dat verband stelt de verwijzende rechter dat de dreigende vervolging waarmee I.B. zou worden geconfronteerd indien hij naar Roemenië terugkeert, onvoldoende onderbouwd is. Bovendien stelt de verwijzende rechter dat er geen ernstige reden bestaat om te denken dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van I.B. Het aanhoudingsbevel is weliswaar gebaseerd op een bij verstek gewezen vonnis van het Roemeense Hooggerechtshof, zonder dat I.B. persoonlijk in kennis is gesteld van de datum en de plaats van de terechtzitting, waarin de beslissingen van 16 juni 2000 van de Rechtbank te Boekarest en van 3 april 2001 van het Hof van Beroep te Boekarest nietig zijn verklaard in zoverre I.B. daarin werd toegestaan zijn veroordeling tot vier jaar gevangenisstraf op zijn werkplaats ten uitvoer te leggen en waarin het Hooggerechtshof de verplichting oplegt dat die straf in een detentieregime ten uitvoer moet worden gelegd. De uitvaardigende autoriteit heeft echter waarborgen geboden die als toereikend kunnen worden beschouwd, aangezien in het Europees aanhoudingsbevel 4 wordt verduidelijkt dat krachtens artikel 522/1 van het Roemeense Wetboek van strafvordering, op verzoek van de bij verstek veroordeelde persoon, over de zaak opnieuw uitspraak zal kunnen worden gedaan door de instantie waarbij de zaak in eerste aanleg aanhangig is gemaakt. In tegenstelling tot wat hij beweert, kan I.B. zich evenmin baseren op artikel 6, 4°, van de in het geding zijnde wet dat bepaalt dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel kan worden geweigerd indien het is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf, wanneer de betrokken persoon in België verblijft en de bevoegde Belgische autoriteiten zich ertoe verbinden die straf overeenkomstig de Belgische wetgeving ten uitvoer te leggen. Dat artikel 6, 4°, is immers slechts van toepassing op de bij verstek gewezen veroordelingen die in kracht van gewijsde zijn gegaan, zoals is verduidelijkt in artikel 25 van de wet van 23 mei 1990 inzake de overbrenging tussen Staten van veroordeelde personen. Te dezen beschikt I.B. echter nog over de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen tegen het op 15 januari 2002 door het Hooggerechtshof gewezen vonnis en niets toont aan dat I.B. daarvan zou hebben afgezien. Nu bepaalt artikel 8 van de wet van 19 december 2003 alleen dat de overlevering van een persoon op wie een Europees aanhoudingsbevel met het oog op de instelling van vervolging betrekking heeft en die in België verblijft, afhankelijk kan worden gesteld van de voorwaarde dat die persoon, na te zijn berecht, naar België wordt teruggezonden teneinde aldaar de straf te ondergaan die tegen hem in de uitvaardigende Staat is uitgesproken. Net zoals artikel 5, punt 3), van het voormelde kaderbesluit betreft die bepaling enkel de persoon op wie een Europees aanhoudingsbevel met het oog op de instelling van vervolging en niet met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf betrekking heeft. Zowel uit artikel 7 van de in het geding zijnde wet als uit artikel 5, punt 1), van het voormelde kaderbesluit vloeit evenwel voort dat het Europees aanhoudingsbevel op grond van een bij verstek gewezen vonnis een Europees aanhoudingsbevel is dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf. Rekening houdend met het feit dat I.B. sedert meer dan vijf jaar in België verblijft, en er onmiskenbare familiale, sociale en beroepsbanden heeft, is de verwijzende rechter van oordeel dat dat verschil in behandeling aanleiding zou kunnen geven tot discriminatie. Hij acht het bijgevolg noodzakelijk de voormelde prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A– Standpunt van I.B. A.
  9. Na de essentiële feiten en de relevante bepalingen ter zake in herinnering te hebben gebracht, verklaart I.B. zich de redenering van de verwijzende rechter eigen te maken. A.
  10. Hij beklemtoont dat hij bij verstek is veroordeeld door het Roemeense Hooggerechtshof, dat hij sedert meer dan vijf jaar in België verblijft en er familiale banden heeft opgebouwd aangezien zijn vrouw en zijn drie kinderen, van wie het jongste kind twee jaar en negen maanden is en van wie het oudste kind hogere studies in België aanvat, eveneens aldaar verblijven. I.B. heeft eveneens sociale en beroepsbanden opgebouwd en rijkdom en tewerkstelling gecreëerd. In die context zou de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel, die gepaard gaat met een nieuw vonnis op verzet en met een straf die in Roemenië ten uitvoer dient te worden gelegd, een aantasting vormen van zijn recht op eerbiediging van zijn privé- en gezinsleven en afbreuk doen aan het evenredigheidsbeginsel. I.B. is reeds van zijn gezin gescheiden toen hij besliste zijn land te ontvluchten. Daarenboven kan om financiële, school- en beroepsredenen niet ernstig worden overwogen dat zijn echtgenote en zijn kinderen hem in de gevangenis in Roemenië geregeld een bezoek kunnen brengen. 5 A.
  11. I.B. maakt eveneens voorbehoud ten aanzien van het bestaan en de actualiteit van artikel 522/1 van het Roemeense Wetboek van strafvordering dat voorziet in de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen tegen het door het Hooggerechtshof bij verstek gewezen vonnis. Het zou in elk geval veeleer om een mogelijkheid dan om een recht gaan, en zij zou hem kunnen worden geweigerd. Bovendien vreest I.B. dat de beroepsprocedure die voor hem zou openstaan, zijn rechten van verdediging niet volledig zou waarborgen en dat hij zich aan nieuwe vervolgingen zou blootstellen door een dergelijke procedure in Roemenië in te stellen. In dit stadium rijst echter niet zozeer de vraag of over de zaak opnieuw uitspraak kan worden gedaan in Roemenië aangezien de verwijzende rechter heeft geoordeeld dat zulks het geval was, maar wel of de in het geding zijnde bepaling een discriminatie teweegbrengt ten aanzien van I.B. A.
  12. Wat betreft de vraag of het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in dat verband dient te worden ondervraagd, gedraagt I.B. zich naar de wijsheid van het Hof. Standpunt van de Ministerraad A.
  13. De in het geding zijnde bepaling sluit de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf, uit van het toepassingsgebied van die bepaling. Daaruit vloeit echter geen enkel discriminerend verschil in behandeling voort. Artikel 6, 4°, van de in het geding zijnde wet bepaalt immers dat de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf, kan worden geweigerd wanneer de persoon in België verblijft en de bevoegde Belgische autoriteiten zich ertoe verbinden die straf overeenkomstig de Belgische wetgeving ten uitvoer te leggen. In bepalingen die het mogelijk maken om in België een straf ten uitvoer te leggen die in het buitenland is uitgesproken tegen een persoon die in België verblijft, is door de wetgever dus voorzien. Die wetgever heeft bijgevolg geen enkele discriminatie gecreëerd ten aanzien van de doelstelling die erin bestaat de gedetineerde niet uit zijn leefmilieu en zijn familiale, culturele en sociale omgeving te verwijderen. A.
  14. Sedert de bij de wet van 26 mei 2005 aangebrachte wijziging aan de wet van 23 mei 1990 inzake de overbrenging tussen Staten van veroordeelde personen heeft de wetgever bovendien een procedure ingevoerd die het daadwerkelijk mogelijk maakt om een straf die in het buitenland is uitgesproken en die het voorwerp uitmaakt van een Europees aanhoudingsbevel, in België ten uitvoer te leggen. Krachtens artikel 18, § 2, van de wet van 23 mei 1990 beslissen de onderzoeksgerechten ofwel om het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen, ofwel om de tenuitvoerlegging in België van de in het buitenland uitgesproken straf te bevelen, waarbij die straf enkel door de weigering om het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen, in België uitvoerbaar wordt gemaakt. Het is juist dat krachtens artikel 25 van de wet van 23 mei 1990 artikel 18, § 2, van dezelfde wet niet van toepassing is op de bij verstek gewezen strafrechtelijke veroordelingen, behalve wanneer het gaat om een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan. Die uitzondering was verantwoord door de noodzaak om de eerbiediging van de rechten van de verdediging te verzekeren. In dergelijke situaties moet desalniettemin worden vastgesteld dat het individu zich in een objectief verschillende situatie bevindt doordat het het voorwerp uitmaakt van een bevel met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf en niet met het oog op de instelling van vervolging, waarbij het individu tevens nog over een rechtsmiddel beschikt. Bovendien zou dat verschil in behandeling niet uit de in het geding zijnde bepaling, maar uit artikel 25 van de wet van 23 mei 1990 voortvloeien. A.
  15. Gesteld dat het verschil in behandeling zijn oorsprong zou vinden in de bestreden bepaling, dan zou die bepaling evenwel geen enkele discriminatie inhouden. Wanneer het aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een bij verstek uitgesproken straf waartegen nog een mogelijkheid tot hoger beroep bestaat, zou immers moeten worden aangenomen dat dat aanhoudingsbevel in werkelijkheid is uitgevaardigd met het oog op de instelling van vervolging. 6 A.
  16. Nog meer subsidiair is de Ministerraad van oordeel dat het in het geding zijnde verschil in behandeling rechtstreeks voortvloeit uit de artikelen 4, punt 6), en 5, punt 3), van het voormelde kaderbesluit van 13 juni
  17. Rekening houdend met de bindende werking van de kaderbesluiten in het recht van de Europese Unie, had de wetgever, zonder voorbij te gaan aan het resultaat dat hij krachtens het kaderbesluit van 13 juni 2002 diende te bereiken, niet in bijkomende uitzonderingen op het beginsel van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel kunnen voorzien. De Belgische Staat kon dus niet toestaan dat de overlevering afhankelijk kon worden gesteld van de voorwaarde dat de persoon, na te zijn gehoord, naar België wordt teruggezonden teneinde aldaar zijn straf te ondergaan, niet alleen in het kader van een Europees aanhoudingsbevel met het oog op de instelling van vervolging, maar ook in het geval van een Europees aanhoudingsbevel met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf. A.
  18. Het staat echter niet aan het Hof de grondwettigheid van een kaderbesluit te toetsen, noch over een wet die dat kaderbesluit omzet, een grondwettigheidsoordeel te vellen dat rechtstreeks betrekking heeft op de geldigheid van dat kaderbesluit. Het afgeleide gemeenschapsrecht, net zoals het primaire gemeenschapsrecht, behoort krachtens artikel 34 van de Grondwet en artikel 26bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 immers niet tot de bevoegdheid van het Hof. Het Hof zou bijgevolg geen uitspraak kunnen doen over de grondwettigheid van de in het geding zijnde bepaling vooraleer de vraag met betrekking tot de geldigheid en, eventueel, de interpretatie van artikel 5, punt 3), van het kaderbesluit is opgelost. Het staat aan het Hof van Justitie om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de vragen met betrekking tot de interpretatie en de geldigheid van de handelingen van afgeleid recht. Wanneer een dergelijke vraag wordt opgeworpen voor een nationaal rechtscollege waarvan de beslissingen internrechtelijk niet in aanmerking komen voor jurisdictionele beroepen, is dat rechtscollege ertoe gehouden het Hof van Justitie te raadplegen. Dat is trouwens de gebruikelijke praktijk van het Grondwettelijk Hof. Ten slotte lijkt het dat het Hof van Justitie zich nog niet over een dergelijke vraag heeft moeten uitspreken. A.
  19. Rekening houdend met wat voorafgaat, is de Ministerraad van oordeel dat aan het Hof van Justitie, subsidiair, dient te worden gevraagd of artikel 5, punt 3), van het kaderbesluit van 13 juni 2002, in die zin geïnterpreteerd dat het het niet mogelijk maakt de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf of veiligheidsmaatregel, afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de persoon, na te zijn berecht, naar de uitvoerende Staat wordt teruggezonden teneinde aldaar de straf of de veiligheidsmaatregel te ondergaan waartoe hij is veroordeeld, artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie schendt, en meer bepaald het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie dat bij die bepaling is gewaarborgd, in zoverre de persoon op wie een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd met het oog op berechting betrekking heeft, een dergelijke voorwaarde bij de tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel wel kan genieten. -B– Ten aanzien van de in het geding zijnde wet B.1.
  20. De wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel zet het kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten om in het interne recht. 7 B.1.
  21. Artikel 2, § 3, van de in het geding zijnde wet bepaalt : « Het Europees aanhoudingsbevel is een gerechtelijke beslissing genomen door de bevoegde rechterlijke autoriteit van een lid-Staat van de Europese Unie, uitvaardigende rechterlijke autoriteit genaamd, met het oog op de aanhouding en de overlevering door de bevoegde rechterlijke autoriteit van een andere lidstaat, uitvoerende autoriteit genaamd, van een persoon gezocht met het oog op de instelling van strafvervolging of de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf of veiligheidsmaatregel ». B.1.
  22. Artikel 4 van de in het geding zijnde wet bepaalt : « De tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel wordt in volgende gevallen geweigerd : […] 5° ingeval ernstige redenen bestaan te denken dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals die worden bevestigd door artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie ». In de parlementaire voorbereiding werd die bepaling als volgt verantwoord : « De laatste grond voor niet-tenuitvoerlegging is niet als dusdanig bepaald in het kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel. Deze grond beantwoordt evenwel aan het streven aan artikel 1, § 3, van het kaderbesluit passend gevolg te geven. Aangezien in die bepaling is vereist dat het kaderbesluit artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie in acht neemt, waarin wordt verwezen naar andere normen van internationaal publiekrecht van toepassing op de lidstaten, draagt zij niets bij aan de bestaande juridische realiteit. Zodra dit beginsel evenwel wordt opgenomen in een instrument dat overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie voor de staten verbindend is ten aanzien van het te bereiken resultaat, waarbij de nationale instanties bevoegd zijn om de vorm en de middelen te kiezen, mag het worden begrepen als een oproep tot de nationale wetgever om uitdrukkelijke relevante bepalingen goed te keuren teneinde deze inachtneming te waarborgen. Vanuit dit oogpunt is in artikel 4 van dit ontwerp een nieuwe grond tot weigering van de overlevering gegrond op de niet-naleving van de fundamentele rechten en de rechtsbeginselen als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ingevoegd » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-279/001, p. 12). B.1.4.
  23. Artikel 6 van de in het geding zijnde wet bepaalt : « De tenuitvoerlegging kan worden geweigerd : […] 8 4° ingeval het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf of van een veiligheidsmaatregel, de betrokken persoon Belg is of in België verblijft, en de bevoegde Belgische autoriteiten zich ertoe verbinden die straf of veiligheidsmaatregel overeenkomstig de Belgische wetgeving ten uitvoer te leggen; […] ». In de parlementaire voorbereiding werd die bepaling als volgt verantwoord : « Hoewel het nieuwe instrument niet langer voorziet in een algemene reden tot weigering op grond van nationaliteit, wordt daarmee nog steeds rekening gehouden in specifieke gevallen. Ingeval het Europees aanhoudingsbevel immers is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf of van een veiligheidsmaatregel, kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel weigeren, indien de gezochte persoon onderdaan of ingezetene is van de uitvoerende staat en die staat zich ertoe verbindt zelf die straf of veiligheidsmaatregel overeenkomstig zijn recht ten uitvoer te leggen. De bepaling is ruimer dan de reden tot weigering met betrekking tot de onderdanen, aangezien zij tevens van toepassing is op de ingezetenen en meer in het algemeen op eenieder die op het grondgebied van de uitvoerende staat ` verblijft ΄. De toepassing ervan is beperkter aangezien zij slechts kan worden aangewend voor zover op grond van het Belgische recht de straf of de veiligheidsmaatregel uitgesproken door een andere staat ten uitvoer kan worden gelegd en enkel ingeval België zich concreet ertoe verbindt van deze mogelijkheid gebruik te maken » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-279/001, pp. 15-16). B.1.4.
  24. Artikel 18, § 2, van de wet van 23 mei 1990 « inzake de overbrenging tussen Staten van veroordeelde personen, de overname en de overdracht van het toezicht op voorwaardelijk veroordeelde of voorwaardelijk in vrijheid gestelde personen, en de overname en de overdracht van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen » maakt de daadwerkelijke toepassing van de in artikel 6, 4°, van de in het geding zijnde wet bedoelde procedure mogelijk. Dat artikel 18, § 2, bepaalt : « De rechterlijke beslissing die genomen is met toepassing van artikel 6, 4°, van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, brengt de overname van de tenuitvoerlegging mee van de vrijheidsbenemende straf of maatregel waarop die rechterlijke beslissing betrekking heeft. De vrijheidsbenemende straf of maatregel wordt overeenkomstig de bepalingen van deze wet ten uitvoer gelegd ». 9 Artikel 18 van de wet van 23 mei 1990 is ingevoegd in een hoofdstuk VI, getiteld « De tenuitvoerlegging in België van in het buitenland opgelegde vrijheidsbenemende straffen en maatregelen ». Het dient te worden gelezen in het licht van artikel 25 van dezelfde wet, dat bepaalt : « De bepalingen van hoofdstuk V en VI zijn niet van toepassing op bij verstek gewezen strafrechtelijke veroordelingen, behalve in de in artikel 18, § 2, bedoelde gevallen, wanneer het gaat om een bij verstek gewezen veroordeling die in kracht van gewijsde is gegaan ». De invoeging van dat artikel 25 in de wet van 23 mei 1990 bij de wet van 26 mei 2005 werd als volgt verantwoord : « België heeft n.a.v. de ratificatie van het Toezichtverdrag op 21 september 1970 een voorbehoud gemaakt op basis waarvan de titels II en IV van het Verdrag geen toepassing zullen vinden in het geval dat de betrokken persoon veroordeeld werd bij verstek. Artikel 25 voorziet dat alleen op strafrechtelijke veroordelingen met een definitief en uitvoerbaar karakter het Toezichtverdrag in België toepassing kan vinden. Aangezien de instemming van de betrokken persoon niet nodig is in toepassing van het Toezichtverdrag, is het immers noodzakelijk dat de rechten van de verdediging in de eerste plaats voldoende worden gewaarborgd » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1555/001, p. 17). B.1.4.
  25. Artikel 25 van de wet van 23 mei 1990 maakt artikel 6, 4°, van de in het geding zijnde wet niet-toepasselijk op een procedure van tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf die bij verstek is uitgesproken, maar waartegen de veroordeelde nog over een beroepsmogelijkheid beschikt waarvan hij niet heeft afgezien. B.1.
  26. Artikel 7 van de in het geding zijnde wet bepaalt : « Indien het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf of van een veiligheidsmaatregel uitgesproken bij een bij verstek gewezen vonnis en de betrokken persoon niet persoonlijk is gedagvaard of op een andere wijze in kennis is gesteld van de datum en de plaats van de terechtzitting waarop voornoemd vonnis is gewezen [lees : de terechtzitting die tot het verstekvonnis heeft geleid], kan de overlevering afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit waarborgen biedt die als toereikend worden beschouwd om de persoon op wie het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft, ervan te verzekeren dat hij in de uitvaardigende Staat een nieuwe vonnisprocedure kan vragen en in zijn aanwezigheid wordt berecht. 10 Het gegeven dat in het recht van de uitvaardigende Staat een bepaling bestaat die voorziet in de mogelijkheid tot hoger beroep en in de voorwaarden voor het instellen ervan, waaruit blijkt dat de persoon daadwerkelijk beroep kan instellen, moet in de zin van het eerste lid als toereikend worden beschouwd ». In de parlementaire voorbereiding werd die bepaling als volgt verantwoord : « Naast de gronden voor niet-tenuitvoerlegging voorziet het kaderbesluit in gevallen waarin de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel afhankelijk kan worden gesteld van waarborgen die de uitvaardigende staat moet verstrekken. Het eerste in artikel 7 bedoelde geval heeft betrekking op de bij verstek gewezen vonnissen. ` Indien de betrokken persoon niet persoonlijk is gedagvaard of op een andere wijze in kennis is gesteld van de datum en de plaats van de terechtzitting waarop voornoemd vonnis is gewezen [lees : de terechtzitting die tot het verstekvonnis heeft geleid], kan in dat geval de overlevering afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit waarborgen biedt die als toereikend worden beschouwd om de persoon op wie het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft, ervan te verzekeren dat hij in de uitvaardigende staat om een nieuwe vonnisprocedure kan vragen en in zijn aanwezigheid worden berecht. ΄ Deze formulering is gebaseerd op artikel 3 van het tweede aanvullende protocol bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 1978 en stemt overeen met de omschrijving van verstek gegeven in resolutie 75

(11)van de Raad van Europa. In artikel 7, tweede lid, is nader bepaald wat moet worden verstaan onder ` voldoende garantie ΄, teneinde te voorkomen dat de Belgische rechterlijke autoriteiten die zich over de verzoeken moeten uitspreken, een verschillende aanpak zullen hanteren » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-279/001, p. 17). B.1.6.
  1. Artikel 8 van dezelfde wet bepaalt : « Indien de persoon op wie het Europees aanhoudingsbevel met het oog op de instelling van vervolging betrekking heeft, Belg is of in België verblijft, kan de overlevering afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat de persoon, na te zijn berecht, naar België wordt teruggezonden teneinde aldaar de straf of de veiligheidsmaatregel te ondergaan die tegen hem in de uitvaardigende Staat is uitgesproken ». Het betreft de in het geding zijnde bepaling. B.1.6.
  2. In de parlementaire voorbereiding werd die bepaling als volgt verantwoord : « Het tweede geval waarin de overlevering afhankelijk wordt gesteld van het verstrekken van waarborgen door de uitvaardigende [Staat] is omschreven in artikel
  3. In dit geval wordt de nationaliteit van de betrokken persoon in aanmerking genomen. Indien het gaat om een Europees aanhoudingsbevel met het oog op de instelling van vervolging en de persoon onderdaan of ingezetene is van de uitvoerende staat, kan deze laatste de overlevering afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de persoon naar de uitvoerende staat wordt 11 teruggezonden teneinde aldaar de straf of de veiligheidsmaatregel te ondergaan die na zijn overlevering te zijnen laste in de uitvaardigende staat wordt uitgesproken. Een dergelijke mogelijkheid bestond reeds in het Belgische recht sedert de bekrachtiging van de overeenkomst van de Europese Unie van 1996 (artikel 7) en wordt hier uitgebreid tot de ingezetenen. Voor de toepassing van deze bepaling moet onder meer worden verwezen naar de wet van 23 mei 1990 inzake de overbrenging tussen Staten van de gevonniste personen, naar het Verdrag van de Raad van Europa van 21 maart 1983 inzake de overbrenging van gevonniste personen, opgemaakt te Straatsburg, en naar de Overeenkomst van 25 mei 1987 betreffende de toepassing tussen de lidstaten van de Europese Gemeenschap van dat Verdrag, opgemaakt te Brussel en goedgekeurd bij de wet van 19 juni 1990, waarin onder meer vereist wordt dat de betrokken persoon zijn instemming verleent » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-279/001, pp. 17-18). Ten aanzien van het kaderbesluit 2002/584/JBZ B.2.
  4. Het kaderbesluit 2002/584/JBZ van 13 juni 2002 heeft tot doel het multilaterale uitleveringssysteem tussen de lidstaten te vervangen door een op het beginsel van wederzijdse erkenning gebaseerde regeling van overlevering tussen rechterlijke autoriteiten van veroordeelde of verdachte personen met het oog op tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen of vervolging (HvJ, grote kamer, 3 mei 2007, Advocaten voor de Wereld, C-303/05, Jurispr., blz. I-3633, punt 28; HvJ, grote kamer, 17 juli 2008, Szymon Kozlowski, C-66/08, punt 31; HvJ, 1 december 2008, Leymann, C-388/08 PPU, punt 42). B.2.
  5. De eerste, de tiende en de twaalfde overweging van het kaderbesluit van 13 juni 2002 luiden als volgt : «
(1)Volgens de conclusies van de Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999, en met name punt 35, moet voor personen die na een definitieve veroordeling aan de rechtspleging proberen te ontkomen, de formele uitleveringsprocedure tussen de lidstaten worden afgeschaft en moeten voor personen die ervan verdacht worden een strafbaar feit te hebben begaan, de uitleveringsprocedures worden versneld. […]
(10)De regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten. De toepassing ervan kan slechts worden opgeschort in geval van een ernstige en voortdurende schending door een lidstaat van de in artikel 6, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde beginselen, welke schending door de Raad is geconstateerd overeenkomstig artikel 7, lid 1, en volgens de procedure van artikel 7, lid 2, van dat Verdrag. 12 […]
(12)Dit kaderbesluit eerbiedigt de grondrechten en voldoet aan de beginselen die worden erkend bij artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en zijn weergegeven in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name in hoofdstuk VI. Niets in dit kaderbesluit staat eraan in de weg dat de overlevering kan worden geweigerd van een persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, indien er objectieve redenen bestaan om aan te nemen dat het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op vervolging of bestraffing van die persoon op grond van zijn geslacht, ras, godsdienst, etnische afstamming, nationaliteit, taal, politieke overtuiging of seksuele geaardheid of dat de positie van die persoon kan worden aangetast om een van deze redenen ». B.2.
  1. Artikel 1 van het kaderbesluit bepaalt : «
  2. Het Europees aanhoudingsbevel is een rechterlijke beslissing die door een lidstaat wordt uitgevaardigd met het oog op de aanhouding en de overlevering door een andere lidstaat van een persoon die gezocht wordt met het oog op strafvervolging of uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel.
  3. De lidstaten verbinden zich ertoe om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit, elk Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen.
  4. Dit kaderbesluit kan niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, wordt aangetast ». B.2.
  5. Artikel 4 van het kaderbesluit bepaalt : « De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel weigeren in de volgende gevallen : […] 6) het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, terwijl de gezochte persoon verblijft in of onderdaan of ingezetene is van de uitvoerende lidstaat en deze staat zich ertoe verbindt die straf of maatregel overeenkomstig zijn nationale recht zelf ten uitvoer te leggen; […] ». 13 Die grond tot niet-tenuitvoerlegging « strekt […] er in het bijzonder toe de uitvoerende rechterlijke autoriteit in staat te stellen een bijzonder gewicht te hechten aan de mogelijkheid de kansen op sociale re-integratie van de gezochte persoon na het einde van de straf waartoe deze is veroordeeld, te verhogen » (HvJ, grote kamer, 17 juli 2008, Szymon Kozlowski, C-66/08, punt 45). B.2.
  6. Artikel 5 van het kaderbesluit bepaalt : « De tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel door de uitvoerende rechterlijke autoriteit kan door het recht van de uitvoerende lidstaat afhankelijk worden gesteld van een van de volgende voorwaarden :
  7. indien het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd ter uitvoering van een bij verstek opgelegde vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, dat wil zeggen dat de betrokkene niet aanwezig was omdat hij niet persoonlijk gedagvaard of anderszins in kennis gesteld is van datum en plaats van de terechtzitting die tot het verstekvonnis heeft geleid, kan overlevering afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit een voldoende garantie geeft dat de persoon tegen wie het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, in de gelegenheid zal worden gesteld in de uitvaardigende lidstaat om een nieuw proces te verzoeken en aanwezig te zijn op de terechtzitting; […]
  8. indien de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel ter fine van een strafvervolging is uitgevaardigd, onderdaan of ingezetene van de uitvoerende lidstaat is, kan overlevering afhankelijk worden gesteld van de garantie dat de persoon, na te zijn berecht, wordt teruggezonden naar de uitvoerende lidstaat om daar de vrijheidsstraf of de tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel te ondergaan die hem eventueel wordt opgelegd in de uitvaardigende lidstaat ». Ten aanzien van de prejudiciële vraag B.3.
  9. Aan de verwijzende rechter wordt een verzoek tot tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel voorgelegd dat door een Roemeense rechterlijke autoriteit is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een bij verstek uitgesproken veroordeling tot een gevangenisstraf van vier jaar. 14 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de in het geding zijnde persoon, die van Roemeense nationaliteit is en met zijn gezin in België verblijft, in eerste aanleg tot vier jaar gevangenisstraf is veroordeeld. Die veroordeling is in hoger beroep bevestigd. Zowel de tweede strafrechtelijke afdeling van de Rechtbank te Boekarest als het Hof van Beroep te Boekarest hadden de veroordeelde toegestaan zijn straf op zijn werkplaats uit te voeren. Die twee beslissingen zijn na een procedure op tegenspraak gewezen. Bij een beslissing van 15 januari 2002 verklaarde de strafrechtelijke afdeling van het Hooggerechtshof, die bij verstek uitspraak deed, die twee beslissingen nietig en legde zij de veroordeelde de verplichting op zijn straf in een regime van hechtenis te ondergaan, terwijl hij niet persoonlijk in kennis was gesteld van de datum en de plaats van de terechtzitting voor het Hooggerechtshof. In het aanhoudingsbevel wordt verduidelijkt dat, in dergelijke omstandigheden, « op verzoek van de veroordeelde, over de zaak opnieuw uitspraak zal kunnen worden gedaan door de instantie die in eerste aanleg over de zaak heeft geoordeeld ». De verwijzende rechter merkt op dat niets aantoont dat de veroordeelde van dat recht heeft afgezien. B.3.
  10. In die context wordt het Hof ondervraagd over de bestaanbaarheid van artikel 8 van de in het geding zijnde wet met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, indien dat artikel wordt geïnterpreteerd als zijnde enkel van toepassing op het Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd met het oog op de instelling van strafvervolging en niet eveneens op het Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een veroordeling tot een vrijheidsbenemende straf, die bij verstek is uitgesproken en waartegen de veroordeelde nog over een rechtsmiddel beschikt. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag B.4.
  11. De Ministerraad is van oordeel dat het in de prejudiciële vraag bedoelde verschil in behandeling niet uit de in het geding zijnde bepaling maar uit het in B.1.4.2 aangehaalde artikel 25 van de wet van 23 mei 1990 voortvloeit. 15 B.4.
  12. De artikelen 18, § 2, en 25 van de wet van 23 mei 1990, zoals zij door de verwijzende rechter worden geïnterpreteerd, hebben tot gevolg dat artikel 6, 4°, van de in het geding zijnde wet niet van toepassing is op de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf uitgesproken bij een bij verstek gewezen vonnis dat niet in kracht van gewijsde is gegaan. Daaruit volgt dat het onderzoeksgerecht, in dat geval, niet kan weigeren de betrokkene over te leveren aan de uitvaardigende lidstaat op grond van het feit dat de bevoegde Belgische autoriteiten zich ertoe verbinden de straf « overeenkomstig de Belgische wetgeving » ten uitvoer te leggen, terwijl het, op dezelfde grond, de tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel wel kan weigeren wanneer de veroordeling is uitgesproken bij een bij verstek gewezen vonnis dat definitief is geworden. De prejudiciële vraag heeft echter betrekking op een andere vergelijking. Zij verzoekt het Hof zich uit te spreken over de situatie van de persoon, die is veroordeeld bij een bij verstek gewezen vonnis waartegen hij nog over een rechtsmiddel beschikt, en voor wie, in tegenstelling tot de persoon op wie een Europees aanhoudingsbevel met het oog op de instelling van strafvervolging betrekking heeft, de tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel dat op hem betrekking heeft, niet afhankelijk kan worden gesteld van de voorwaarde dat hij naar België wordt teruggezonden teneinde aldaar de straf of de veiligheidsmaatregel te ondergaan waartoe hij definitief zou zijn veroordeeld. Dat verschil in behandeling vindt zijn oorsprong in de in het geding zijnde bepaling. B.4.
  13. De prejudiciële vraag is bijgevolg ontvankelijk. Ten gronde B.5.
  14. De artikelen 4, 6, 4°, en 8 van de in het geding zijnde wet voeren een juridisch stelsel in op grond van zowel het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten van de Europese Unie als de wens om de grondrechten te eerbiedigen. B.5.
  15. Door te bepalen dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel kan worden geweigerd wanneer de persoon « verblijft in of onderdaan of ingezetene is van de uitvoerende lidstaat », strekt artikel 4, punt 6), van het kaderbesluit « er in het bijzonder toe de 16 uitvoerende rechterlijke autoriteit in staat te stellen een bijzonder belang te hechten aan de mogelijkheid de kansen op sociale re-integratie van de gezochte persoon na het einde van de straf waartoe deze is veroordeeld, te verhogen » (HvJ, grote kamer, 17 juli 2008, Szymon Kozlowski, reeds aangehaald, punt 45). Zulks is het geval bij een persoon die « ofwel zijn werkelijke verblijfplaats in de uitvoerende lidstaat heeft gevestigd, ofwel, op grond van een duurzaam verblijf in deze staat gedurende een bepaalde periode, een band met deze staat heeft opgebouwd die vergelijkbaar is met die van een ingezetene » (punt 46). Te dezen stelt de verwijzende rechter vast dat de betrokkene « sedert meer dan vijf jaar in België verblijft en er onmiskenbare familiale, sociale en beroepsbanden heeft ». De betrokkene doet overigens gelden dat, in de hypothese dat een nieuwe rechterlijke beslissing gewezen op verzet een straf zou uitspreken die in Roemenië en niet in België ten uitvoer moet worden gelegd, afbreuk zou kunnen worden gedaan aan het bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens beschermde recht op eerbiediging van zijn privé- en gezinsleven. B.6.
  16. De Ministerraad is van oordeel dat een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een veroordeling bij verstek die niet definitief is, niet als een aanhoudingsbevel met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf of veiligheidsmaatregel, in de zin van artikel 6, 4°, van de in het geding zijnde wet, maar wel als een aanhoudingsbevel uitgevaardigd met het oog op de instelling van strafvervolging, in de zin van de in het geding zijnde bepaling, moet worden beschouwd. In die interpretatie zou het in de prejudiciële vraag aangevoerde verschil in behandeling niet bestaan. B.6.
  17. De in het geding zijnde wet is het rechtstreekse gevolg van het voormelde kaderbesluit. Rekening houdend met wat in de twaalfde overweging van het kaderbesluit is bepaald, vindt de in artikel 5, punt 1), van dat kaderbesluit besloten regel zijn oorsprong in de vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waaruit volgt dat een persoon die bij verstek is veroordeeld, terwijl hij niet daadwerkelijk persoonlijk was gedagvaard of 17 anderszins individueel en daadwerkelijk in kennis is gesteld van de datum en de plaats van de terechtzitting die tot het verstekvonnis heeft geleid, niet kan worden geacht een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens te hebben genoten en dat hij, ter uitvoering van een dergelijk vonnis, niet op rechtsgeldige wijze van zijn vrijheid kan worden beroofd in de zin van artikel 5.1 van dat Verdrag. Indien de overlevering, volgens het kaderbesluit, afhankelijk « kan » worden gesteld « van de voorwaarde dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit een voldoende garantie geeft dat de persoon tegen wie het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, in de gelegenheid zal worden gesteld in de uitvaardigende lidstaat om een nieuw proces te verzoeken en aanwezig te zijn op de terechtzitting », rijst de vraag of, wanneer van die mogelijkheid gebruik wordt gemaakt door de uitvoerende rechterlijke autoriteit, een dergelijk aanhoudingsbevel zou kunnen worden beschouwd als een aanhoudingsbevel met het oog op de instelling van strafvervolging in de zin van het kaderbesluit, in welk geval de bepalingen van artikel 5, punt 3), van het kaderbesluit van toepassing zouden zijn. Die interpretatie blijkt echter niet overeen te stemmen met de tekstuele bewoordingen van de bepalingen van het kaderbesluit, ook al zou de draagwijdte van de voormelde overweging tot die conclusie kunnen leiden. B.6.
  18. Krachtens artikel 35, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie is het Hof van Justitie bevoegd om, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak te doen over de uitlegging en de geldigheid van kaderbesluiten. België heeft, overeenkomstig artikel 35, lid 2, van het Verdrag, de bevoegdheid van het Hof van Justitie ter zake aanvaard. B.6.
  19. Bijgevolg dient het Hof van Justitie te worden ondervraagd over de interpretatie van de artikelen 4, punt 6), en 5, punten 1) en 3), van het kaderbesluit en dient aan dat Hof de in het beschikkend gedeelte weergegeven eerste prejudiciële vraag te worden gesteld. B.7.
  20. In het geval dat het Hof van Justitie zou oordelen dat het Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een veroordeling bij verstek tot een vrijheidsstraf waartegen nog een rechtsmiddel openstaat, niet onder het toepassingsgebied van artikel 5, punt 3), van het kaderbesluit valt, dan zou de vraag rijzen of dat artikel, in samenhang gelezen met artikel 4, punt 6), van hetzelfde kaderbesluit, zich ertegen verzet dat het de uitvoerende rechterlijke autoriteiten mogelijk zou worden 18 gemaakt de overlevering van de persoon op wie een Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft, afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat die persoon naar België wordt teruggezonden teneinde de vrijheidsstraf of de tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel ten uitvoer te leggen waartoe die persoon door de rechterlijke autoriteiten van de uitvaardigende Staat definitief zou zijn veroordeeld. De Ministerraad voert dienaangaande aan dat de wetgever niet in een dergelijke mogelijkheid kan voorzien op straffe van schending van het voormelde kaderbesluit. B.7.
  21. Rekening houdend met wat voorafgaat, dient aan het Hof van Justitie de in het beschikkend gedeelte weergegeven tweede prejudiciële vraag te worden gesteld. B.8.
  22. Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, zou het in de prejudiciële vraag opgeworpen verschil in behandeling onrechtstreeks zijn oorsprong vinden in artikel 5, punt 3), van het kaderbesluit, in samenhang gelezen met artikel 4, punt 6), van hetzelfde kaderbesluit, waarvan de in het geding zijnde wet de verplichte omzetting vormt in het interne recht. Zowel de Europese instellingen als de lidstaten, wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer leggen, zijn echter onderworpen aan de controle op de verenigbaarheid van hun handelingen met de verdragen en met de algemene rechtsbeginselen van de Unie (HvJ, grote kamer, 3 mei 2007, Advocaten voor de Wereld, C-303/05, punt 45), met inbegrip van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. B.8.
  23. Verschillen van inzicht tussen de rechterlijke instanties over de geldigheid van een kaderbesluit en over de geldigheid van de wetgeving die daarvan de implementatie vormt in het interne recht, zouden de eenheid van de Europese rechtsorde in gevaar brengen en afbreuk doen aan het rechtszekerheidsbeginsel. B.8.
  24. Aangezien de controle van de uitlegging en van de geldigheid van een krachtens artikel 34, lid 2, onder b), van het Verdrag betreffende de Europese Unie aangenomen kaderbesluit volgens de artikelen 35 en 46 van dat Verdrag tot de bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen behoort, waarvan België de bevoegdheid ter zake heeft aanvaard, is het noodzakelijk het Hof van Justitie te ondervragen over de 19 bestaanbaarheid van artikel 5, punt 3), in samenhang gelezen met artikel 4, punt 6), van het voormelde kaderbesluit, met artikel 6 van het EU-Verdrag en, meer in het bijzonder, met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. De Ministerraad verzoekt trouwens dat een dergelijke vraag aan het Hof van Justitie zou worden voorgelegd. B.8.
  25. Bijgevolg dient subsidiair de in het beschikkend gedeelte weergegeven derde prejudiciële vraag te worden gesteld. B.9.
  26. Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, dient het Hof van Justitie te worden ondervraagd over de mogelijkheid voor de wetgever om in een grond tot weigering te voorzien zoals die is bedoeld in artikel 4, 5°, van de in het geding zijnde wet, hoewel die grond niet is vermeld in de in het kaderbesluit bedoelde gronden tot verplichte of facultatieve weigering, maar slechts in de overwegingen ervan en in artikel 1, lid 3, van het kaderbesluit. Zonder dat het Hof zich thans dient uit te spreken over de juiste draagwijdte van dat artikel 4, 5°, zou het ertoe kunnen worden gebracht dat het met die bepaling rekening dient te houden bij het onderzoek van de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. B.9.
  27. Subsidiair dient bijgevolg de in het beschikkend gedeelte weergegeven vierde vraag te worden gesteld. 20 Om die redenen, het Hof, alvorens uitspraak te doen ten gronde, stelt aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen de volgende prejudiciële vragen :
  28. Dient het Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een veroordeling die bij verstek is gewezen zonder dat de veroordeelde in kennis is gesteld van de plaats of de datum van de terechtzitting en waartegen die persoon nog over een rechtsmiddel beschikt, te worden beschouwd, niet als een aanhoudingsbevel met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, in de zin van artikel 4, punt 6), van het kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, maar wel als een aanhoudingsbevel met het oog op de instelling van strafvervolging, in de zin van artikel 5, punt 3), van hetzelfde kaderbesluit ?
  29. Dienen, indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, de artikelen 4, punt 6), en 5, punt 3), van hetzelfde kaderbesluit in die zin te worden geïnterpreteerd dat zij de lidstaten niet toelaten de overlevering aan de rechterlijke autoriteiten van de uitvaardigende Staat van een persoon die op hun grondgebied verblijft en op wie, in de in de eerste vraag beschreven omstandigheden, een aanhoudingsbevel met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel betrekking heeft, afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat die persoon naar de uitvoerende Staat wordt teruggezonden teneinde aldaar de vrijheidsstraf of de tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel te ondergaan die definitief tegen hem in de uitvaardigende Staat zou worden uitgesproken ?
  30. Schenden, indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, diezelfde artikelen artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, meer bepaald het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie ? 21
  31. Dienen, indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, de artikelen 3 en 4 van hetzelfde kaderbesluit in die zin te worden geïnterpreteerd dat zij zich ertegen verzetten dat de rechterlijke autoriteiten van een lidstaat de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel weigeren indien er ernstige redenen bestaan om te denken dat de tenuitvoerlegging ervan afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokkene, zoals zij in artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie zijn vervat ? Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 24 juli
  32. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.128 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.