id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 24 juli 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.131 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090724.4 Arrest- Rolnummer: 131/2009 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-07-27 Raadplegingen: 203 - laatst gezien 2026-06-30 03:26 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende, stelt vast dat het beroep tot vernietiging niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GEMEENSCHAPPEN - GEWESTEN - Belangenconflicten PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de motie van het Waals Parlement van 14 januari 2009 « betreffende een belangenconflict naar aanleiding van het onderzoek, door de Kamer van volksvertegenwoordigers, van de wetsvoorstellen tot wijziging van de kieswetten met het oog op de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde », ingesteld door de vzw « Nieuw-Vlaamse Alliantie » en anderen. Voorafgaande rechtspleging - Beroep tot vernietiging - Klaarblijkelijke niet-bevoegdheid van het Hof - Motie van het Waals Parlement betreffende een belangenconflict. Tekst van de beslissing Rolnummer 4697 Arrest nr. 131/2009 van 24 juli 2009 In zake : het beroep tot vernietiging van de motie van het Waals Parlement van 14 januari 2009 « betreffende een belangenconflict naar aanleiding van het onderzoek, door de Kamer van volksvertegenwoordigers, van de wetsvoorstellen tot wijziging van de kieswetten met het oog op de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde », ingesteld door de vzw « Nieuw-Vlaamse Alliantie » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, beperkte kamer, samengesteld uit voorzitter M. Bossuyt en de rechters-verslaggevers E. Derycke en R. Henneuse, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 6 mei 2009 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 7 mei 2009, is beroep tot vernietiging ingesteld van de motie van het Waals Parlement van 14 januari 2009 « betreffende een belangenconflict naar aanleiding van het onderzoek, door de Kamer van volksvertegenwoordigers, van de wetsvoorstellen tot wijziging van de kieswetten met het oog op de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde » door de vzw « Nieuw-Vlaamse Alliantie », met zetel te 1210 Brussel, Liefdadigheidsstraat 39, Geert Bourgeois, wonende te 8870 Izegem, Baronielaan 12, Ben Weyts, wonende te 1654 Beersel, Oudstrijdersstraat 24C, en Bart De Wever, wonende te 2610 Antwerpen, Neptunusstraat
- Op 14 mei 2009 hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en R. Henneuse, met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, de voorzitter ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarin wordt vastgesteld dat het beroep tot vernietiging klaarblijkelijk niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort. De verzoekende partijen hebben een memorie met verantwoording ingediend. De bepalingen van voormelde bijzondere wet met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.
- In hun memorie met verantwoording wijzen de verzoekende partijen erop dat de conclusies van de rechters-verslaggevers zijn gegrond op de overweging dat de bestreden motie geen norm met een wetgevend karakter zou zijn, zodat het Hof klaarblijkelijk niet bevoegd zou zijn om van het beroep kennis te nemen. De verzoekende partijen zijn het niet eens met de daarin impliciet besloten interpretatie van artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari
- Dat artikel omschrijft de bevoegdheid van het Hof ten aanzien van beslissingen van een Gewestparlement, niet op grond van het criterium « norm met een wetgevend karakter », maar op grond van het criterium « een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel ». De term « wetgevend karakter » kan geen leidraad voor de interpretatie zijn, aangezien de term « wet » in de rechtstaal twee betekenissen heeft, namelijk een materiële en een organieke. In de materiële betekenis heeft « wet » betrekking op een regel met algemene gelding, in een onbepaald aantal gevallen; in de organieke betekenis heeft « wet » betrekking op een beslissing van een wetgevend orgaan. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat het voor de organieke betekenis van de term « wet » heeft gekozen. Het Hof heeft zich immers meermaals bevoegd verklaard om kennis te nemen van beslissingen van wetgevende organen die geen wetten in materiële zin zijn, zoals begrotingswetten en begrotingsdecreten, en wetten en decreten houdende instemming met internationale overeenkomsten of met samenwerkingsakkoorden. Indien het Hof van die vaste rechtspraak zou willen afwijken en een meer beperkte interpretatie van de term « wet » zou voorstaan, past het volgens de verzoekende partijen daaromtrent een debat op tegenspraak te voeren in plaats van zulks zonder debat in een beperkte kamer te beslechten overeenkomstig artikel 71, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari
- Het betreft immers een fundamentele uitlegging van artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 in samenhang met het grondwettelijk recht op toegang tot de rechter. 3 A.
- Bovendien dient volgens de verzoekende partijen het begrip « een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel » in artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, aan de hand van de inhoud van die grondwetsbepaling te worden begrepen : artikel 134 van de Grondwet omvat alle beslissingen van de Gewestparlementen waarmee zij van oordeel zijn bepaalde aangelegenheden te moeten « regelen », ongeacht de vorm welke die beslissingen aannemen. Er anders over oordelen zou ertoe leiden dat een Gewestparlement ermee zou kunnen volstaan zijn beslissingen anders te benoemen om aan de controle van het Hof te ontsnappen. A.
- Aanvullend merken de verzoekende partijen op dat de bestreden beslissing weliswaar « motie » wordt genoemd, doch dat die beslissing van een geheel andere aard is dan die van een « motie » in de gebruikelijke betekenis, die betrekking heeft op interne aangelegenheden van een wetgevende vergadering zelf of op de verhouding met de eigen regering. Te dezen betreft de bestreden motie een regeling van de werkzaamheden van een andere wetgevende vergadering, namelijk het federale Parlement. In die zin wordt er wel degelijk een materie geregeld op een wijze die rechtsgevolgen heeft voor een andere dan de eigen instelling. -B- B.
- De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de « motie betreffende een belangenconflict aangenomen door het Waals Parlement, tijdens zijn zitting van 14 januari 2009 », wegens schending van de bevoegdheidverdelende regels, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van het evenredigheidsbeginsel en van het verbod van rechtsmisbruik. B.
- Die motie werd aangenomen naar aanleiding van de wetsvoorstellen tot wijziging van de kieswetgeving met het oog op de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde. In de bestreden motie vraagt het Waals Parlement dat, « zodra het belangenconflict in werking is getreden, de procedure in verband met de voormelde wetsvoorstellen wordt geschorst in het Federaal Parlement, met het oog op overleg » (Parl. St., Waals Parlement, 2008-2009, nr. 907/4, p. 3; zie ook Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-0037/017, p. 10). B.3.
- Het Hof vermag zich enkel uit te spreken over de schending van de bevoegdheidverdelende regels of van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, als die schending aan een wetgevende norm kan worden toegeschreven. Noch artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, noch enige grondwets- of wetsbepaling verleent het Hof de bevoegdheid om uitspraak te doen over een beroep tot vernietiging gericht tegen een door een wetgevende vergadering aangenomen motie die geen wetgevende norm is. 4 B.3.
- Voor het overige past de bestreden motie in het kader van een procedure tot regeling van belangenconflicten, waarvoor het Hof, krachtens artikel 142 van de Grondwet, onbevoegd is. B.
- Het beroep tot vernietiging behoort klaarblijkelijk niet tot de bevoegdheid van het Hof. 5 Om die redenen, het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende, stelt vast dat het beroep tot vernietiging niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 24 juli
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.131 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div