id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 01 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.135 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090901.1 Arrest- Rolnummer: 135/2009 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-09-01 Raadplegingen: 861 - laatst gezien 2026-07-02 09:38 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in zoverre zij niet voorziet in het recht, voor de gemachtigde ambtenaar van het Bestuur van stedenbouw en ruimtelijke ordening die handelt op grond van artikel 155 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium, om een rechtsplegingsvergoeding te eisen ten laste van de beklaagde en de burgerrechtelijk aansprakelijke personen die zijn veroordeeld. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Uitgaven en kosten (gerechtelijk recht) - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Hoei. Strafrechtspleging - Verhaalbaarheid van kosten en honoraria van een advocaat - Toepassingsgebied - Uitsluiting - Gemachtigde ambtenaar van het Bestuur van stedenbouw en ruimtelijke ordening. Wettelijke bepalingen: Wet - 21-04-2007 - 85 ELI link Pub nr 2007009497 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Waals Wetboek van Sociale actie en Gezondheid - 14-05-1984 - 155 - 35 ELI link Pub nr 1984900200 Tekst van de beslissing Rolnummers 4600, 4601, 4602 en 4603 Arrest nr. 135/2009 van 1 september 2009 In zake : de prejudiciële vragen over de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Hoei. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vier vonnissen van 16 december 2008 in zake het openbaar ministerie tegen respectievelijk Giel Mathieu, Mélanie Jamart, de nv « Palifor Logistics », en de bvba « Le Grenier » en Pol Tagnon, vrijwillig tussenkomende partij in de vier zaken : Jean Lentz, ambtenaar van het Bestuur van stedenbouw en ruimtelijke ordening, gemachtigd door de Waalse Regering voor de provincie Luik, waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 8 januari 2009, heeft de Correctionele Rechtbank te Hoei de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij niet voorziet in het recht, voor de gemachtigde ambtenaar van het Bestuur van stedenbouw en ruimtelijke ordening die handelt op grond van artikel 155 van het WWROSP, om een rechtsplegingsvergoeding te eisen ten laste van de beklaagde en de burgerrechtelijk aansprakelijke personen die strafrechtelijk zijn veroordeeld ? ». Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4600, 4601, 4602 en 4603 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - de Ministerraad; - de Vlaamse Regering. Op de openbare terechtzitting van 14 juli 2009 : - zijn verschenen : . Mr. F. Tulkens, tevens loco Mr. P. Peeters, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; . Mr. E. Maes loco Mr. P. Van Orshoven, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers P. Martens en T. Merckx-Van Goey verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen Verschillende natuurlijke en rechtspersonen worden voor de Correctionele Rechtbank te Hoei vervolgd voor diverse inbreuken op het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium (WWROSP). In elk van de vier procedures komt de ambtenaar van het Bestuur van stedenbouw en ruimtelijke ordening, die voor de provincie Luik werd gemachtigd door de Waalse Regering, vrijwillig tussen. Hij wordt op elk van de terechtzittingen vertegenwoordigd door zijn raadsman. Op strafrechtelijk gebied verklaart de Rechtbank de tenlasteleggingen bewezen en veroordeelt zij elk van de beklaagden tot een geldboete. Zij veroordeelt hen eveneens tot herstel van de plaats in overeenstemming met de stedenbouwkundige bepalingen en verklaart voor recht dat, wanneer de opgelegde werken niet vrijwillig worden uitgevoerd, de gemachtigde ambtenaar van ambtswege de uitvoering daarvan kan vorderen. In de vier procedures vordert de gemachtigde ambtenaar, die door een advocaat wordt vertegenwoordigd, de rechtsplegingsvergoeding omdat hij de hoedanigheid van burgerlijke partij zou hebben en bijgevolg het voordeel zou kunnen genieten van artikel 162bis, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering. Hij doet gelden dat, in het licht van de rechtspraak van het Hof van Cassatie en meer bepaald van een arrest van 24 februari 2004, de vordering van de gemachtigde ambtenaar gelijkstaat met een burgerlijkepartijstelling. De Rechtbank is het niet eens met die interpretatie van artikel 155 van het WWROSP. Zij oordeelt dat het optreden van de gemachtigde ambtenaar en het type van vorderingen die hij kan instellen en die tot doel hebben de overtreding van de reglementaire bepalingen van het WWROSP te herstellen, tot de strafvordering behoren en er nauw mee verbonden zijn, waarbij de gemachtigde ambtenaar ernaar streeft het algemeen belang te vrijwaren. Zij besluit eruit dat aan het Hof een vraag moet worden gesteld over de bestaanbaarheid van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij niet toestaat dat vrijwillig tussenkomende partijen, zoals de gemachtigde ambtenaar van het Bestuur van stedenbouw en ruimtelijke ordening in de aangelegenheden waarvoor hij bevoegd is, een rechtsplegingsvergoeding kunnen verkrijgen ten laste van de beklaagde en de burgerrechtelijk aansprakelijke personen die zijn veroordeeld. III. In rechte -A– A.
- De Ministerraad herinnert aan de context waarin artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering werd aangenomen, en aan het arrest nr. 182/2008 van het Hof. Hij is van mening dat, om dezelfde redenen als die welke het Hof in dat arrest ertoe gebracht hebben te besluiten dat het niet discriminerend is de regeling van de verhaalbaarheid niet te hebben uitgebreid tot de verhouding tussen de beklaagde en het openbaar ministerie, de niet-toepassing van die regeling op de verhouding tussen de beklaagde en de gemachtigde ambtenaar van het Waalse Gewest die optreedt krachtens artikel 155 van het WWROSP, evenmin discriminerend is. Hij oordeelt immers dat de verschillen tussen de gemachtigde ambtenaar en de burgerlijke partij even fundamenteel zijn als die tussen die laatste en het openbaar ministerie, en verwijst in dat verband onder meer naar het arrest nr. 10/2005 van het Hof. Hij leidt eruit af dat de gemachtigde ambtenaar niet kan worden gelijkgesteld met de burgerlijke partij, maar wel met het openbaar ministerie omdat hij specifiek belast is met een opdracht van algemeen belang inzake stedenbouw. A.2.
- De Vlaamse Regering is in hoofdorde van mening dat de prejudiciële vraag onontvankelijk is omdat zij niet duidelijk de categorieën van personen of van situaties aangeeft waarmee de situatie van de gemachtigde ambtenaar zou moeten worden vergeleken. A.2.
- In ondergeschikte orde is de Vlaamse Regering van mening dat de onmogelijkheid, voor de gemachtigde ambtenaar om een rechtsplegingsvergoeding te verkrijgen, in overeenstemming is met het gelijkheidsbeginsel wegens de aard van de opdracht die aan de gemachtigde ambtenaar is toegewezen en wegens het bijzondere karakter van de herstelvordering. Zij citeert verschillende arresten van het Hof dienaangaande en leidt eruit af dat de gemachtigde ambtenaar bij zijn optreden uitsluitend het algemeen belang nastreeft en dus niet kan worden gelijkgesteld met een burgerlijke partij die alleen het herstel van haar eigen schade vordert. 4 Zij voegt eraan toe dat, indien verhaalbaarheid niet uitgesloten zou zijn in de verhouding tussen de beklaagde en de gemachtigde ambtenaar, dat aanzienlijke budgettaire gevolgen zou kunnen hebben voor de overheid, wat afbreuk zou kunnen doen aan de onafhankelijkheid van de gemachtigde ambtenaren. -B– B.1.
- De prejudiciële vraag die in de vier samengevoegde zaken is gesteld, heeft betrekking op de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat. Artikel 7 van die wet vervangt artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, dat voortaan in het eerste lid bepaalt dat « de rechtsplegingsvergoeding […] een forfaitaire tegemoetkoming [is] in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij ». B.1.
- De artikelen 8 tot 11 van de wet van 21 april 2007 wijzigen respectievelijk de artikelen 128, 162bis, 194 en 211 van het Wetboek van strafvordering. Artikel 12 van die wet voegt daarin een nieuw artikel 369bis in. Die bepalingen breiden het beginsel van de verhaalbaarheid uit tot de strafzaken, maar beperken die uitbreiding tot de verhoudingen tussen de beklaagde en de burgerlijke partij. De persoon die door een strafgerecht ten aanzien van de burgerlijke partij wordt veroordeeld, moet aldus aan die laatstgenoemde de rechtsplegingsvergoeding betalen. De burgerlijke partij wordt daarentegen ertoe veroordeeld de rechtsplegingsvergoeding te betalen aan de inverdenkinggestelde die een buitenvervolgingstelling geniet of aan de vrijgesproken beklaagde, maar enkel in de hypothese dat zij alleen verantwoordelijk is voor het op gang brengen van de strafvordering. Wanneer de strafvordering op gang wordt gebracht door ofwel het openbaar ministerie, ofwel een onderzoeksgerecht dat de inverdenkinggestelde verwijst naar een vonnisgerecht, is geen enkele rechtsplegingsvergoeding verschuldigd aan de buiten vervolging gestelde inverdenkinggestelde of aan de vrijgesproken beklaagde, noch ten laste van de burgerlijke partij, noch ten laste van de overheid. B.
- De zaken die hangende zijn voor de verwijzende rechter zijn strafzaken waarin de ambtenaar van het Bestuur van stedenbouw en ruimtelijke ordening, die door de Waalse Regering daartoe werd gemachtigd (hierna : de gemachtigde ambtenaar), is opgetreden met toepassing van artikel 155 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw 5 en Patrimonium (WWROSP). Die bepaling staat de gemachtigde ambtenaar of het gemeentecollege toe een van de erin opgesomde wijzen van herstel voor de correctionele rechtbank te vorderen. B.
- Zoals de verwijzende rechter opmerkt, wordt de gemachtigde ambtenaar die met toepassing van artikel 155 van het WWROSP voor een strafgerecht optreedt, doordat hij geen burgerlijke partij is, niet beoogd door artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering. Dat artikel bepaalt immers in het eerste lid dat « ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, […] hen [veroordeelt] tot het betalen aan de burgerlijke partij van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek ». B.
- De verwijzende rechter stelt het Hof een vraag over het daaruit voortvloeiende verschil in behandeling tussen, enerzijds, de gemachtigde ambtenaar die met toepassing van artikel 155 van het WWROSP optreedt voor een strafgerecht, die niet de rechtsplegingsvergoeding kan verkrijgen ten laste van de beklaagde die is veroordeeld en, anderzijds, de andere rechtzoekenden, waaronder de personen die zich voor een strafgerecht burgerlijke partij hebben gesteld, die wel de rechtsplegingsvergoeding kunnen verkrijgen ten laste van de partij die in het ongelijk is gesteld. B.
- Toen tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 21 april 2007 de vraag werd opgeworpen inzake de toepassing van de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van advocaten bij de strafgerechten, heeft de wetgever geoordeeld dat het « meer conform [was] met de principes van gelijkheid en non-discriminatie dat men de rechtsonderhorigen die het herstel vragen van een schade voor een burgerlijke of een strafrechtelijke jurisdictie op gelijke voet zou behandelen ». De wetgever heeft dan ook ervoor gekozen « het systeem van de verhaalbaarheid uit te breiden tot de relaties tussen de beklaagde (of de beschuldigde) en de burgerlijke partij » (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-1686/4, p. 8). Hij heeft daarentegen beslist dat de verhaalbaarheid niet zou gelden in de verhouding tussen de beklaagde en de Staat, die is vertegenwoordigd door het openbaar ministerie. In dat verband werd opgemerkt dat « het openbaar ministerie, door vervolging in te stellen, het algemeen belang vertegenwoordigt en derhalve niet op één lijn kan worden gesteld met een burgerlijke partij die de strafvordering alleen in gang zou zetten om een privébelang te verdedigen » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2891/002, p. 7). 6 B.
- Dankzij een burgerlijkepartijstelling kan het slachtoffer van een misdrijf het herstel verkrijgen van de schade die het heeft geleden ten gevolge van dat misdrijf. De vordering die met toepassing van artikel 155 van het WWROSP wordt ingesteld door de gemachtigde ambtenaar, stelt deze in staat de opdracht van algemeen belang waarmee hij is belast, te vervullen, vermits het in het geding zijnde herstel te maken heeft met de goede ruimtelijke ordening en niet met de schade die door bepaalde personen wordt geleden. Er bestaat bijgevolg tussen de burgerlijke partij en de gemachtigde ambtenaar een wezenlijk verschil doordat de eerstgenoemde het herstel van haar eigen schade vordert, terwijl de laatstgenoemde optreedt om het algemeen belang te vrijwaren. Wegens de opdracht die aan de gemachtigde ambtenaar werd toegewezen, die lijkt op die van het openbaar ministerie, kon de wetgever redelijkerwijs oordelen dat het niet aangewezen was om in diens voordeel de regeling van de verhaalbaarheid uit te breiden, die hij op strafrechtelijk vlak uitdrukkelijk wilde beperkt zien tot de verhouding tussen de beklaagde en de burgerlijke partij. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in zoverre zij niet voorziet in het recht, voor de gemachtigde ambtenaar van het Bestuur van stedenbouw en ruimtelijke ordening die handelt op grond van artikel 155 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium, om een rechtsplegingsvergoeding te eisen ten laste van de beklaagde en de burgerrechtelijk aansprakelijke personen die zijn veroordeeld. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 1 september 2009, door voorzitter P. Martens, ter vervanging van voorzitter M. Melchior, wettig verhinderd. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Martens PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.135 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.169 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div