id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 17 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.141 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090917.6 Arrest- Rolnummer: 141/2009 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-09-21 Raadplegingen: 281 - laatst gezien 2026-06-30 03:33 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - In de in B.3.2 vermelde interpretatie, schendt artikel 42, § 3, van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - In de in B.9 vermelde interpretatie, schendt dezelfde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en met artikel 6, leden 1 en 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Uitkering tot levensonderhoud (rechtspleging) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 42, § 3, van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding, gesteld door de Vrederechter van het kanton Thuin. Burgerlijk recht - Echtscheiding - Uitkeringen tot levensonderhoud - Overgangsrecht. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-04-2007 - 42,§3 - 00 ELI link Pub nr 2007009493 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - 14 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag of internationale overeenkomst - 07-02-1992 - 6,§1 - 32 Link Justel databank 19920207-32 Verdrag of internationale overeenkomst - 07-02-1992 - 6,§2 - 32 Link Justel databank 19920207-32 Tekst van de beslissing Rolnummer 4571 Arrest nr. 141/2009 van 17 september 2009 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 42, § 3, van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding, gesteld door de Vrederechter van het kanton Thuin. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit rechter M. Melchior, waarnemend voorzitter, voorzitter M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, A. Alen, J.-P. Snappe, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van rechter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 1 december 2008 in zake A.C. tegen J.-L. C., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 5 december 2008, heeft de Vrederechter van het kanton Thuin de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt de interpretatie van artikel 42, § 3 (in samenhang gelezen met artikel 42, § 2), van de wet van 27 april 2007 [betreffende de hervorming van de echtscheiding] volgens welke het recht op levensonderhoud zou worden geregeld bij de oude wet terwijl de modaliteiten voor vaststelling van dat levensonderhoud zouden worden geregeld door de nieuwe wet, de bepalingen van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet geïnterpreteerd in samenhang met de artikelen 6 en/of 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 6.1 en 6.2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie ? ». De Ministerraad heeft een memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 7 juli 2009 : - is verschenen : Mr. J. Helson loco Mr. J. Bourtembourg, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en E. De Groot verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij de verwijzende rechter is een vordering aanhangig gemaakt tot veroordeling van J.-L. C. tot de betaling, inzonderheid, van een uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding ten gunste van zijn ex-echtgenote A.C. De echtscheiding is uitgesproken op 12 september 2005 maar het beginsel van het recht op een uitkering - waarvoor de aanvraag werd ingediend op 19 juni 2006 - werd niet beslecht vóór 1 september 2007, datum van inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding. De verwijzende rechter brengt de draagwijdte in herinnering van de overgangsbepalingen vervat in artikel 42, §§ 2 tot 4, van die wet en stelt vast dat de partijen het erover eens zijn dat het recht op de uitkering wordt geregeld door de vroegere wet maar niet dat de nieuwe wet moet worden toegepast op de wijze waarop het bedrag van die uitkering wordt vastgesteld. De verweerder voert rechtsleer en rechtspraak aan volgens welke met name de nieuwe wet onmiddellijk van toepassing is op de nog niet bepaalde modaliteiten van de uitkering en doet gelden dat de duur van de uitkering, volgens de vroegere rechtspraak, hoe dan ook beperkt is naar gelang van de context. De eiseres voert andere rechtsleer aan volgens welke het recht op de uitkering en de vaststelling van het bedrag ervan geregeld zouden blijven door het vroegere artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek, wat betreft de uitkeringen naar aanleiding van een echtscheiding uitgesproken op grond van de vroegere bepalingen, al dan niet vóór 1 september
- Recht doende aan het verzoek van de eiseres, richt de verwijzende rechter aan het Hof de hiervoor weergegeven vraag. 3 III. In rechte -A- A.
- Om de draagwijdte van artikel 42, § 3, van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding beter af te bakenen, vermeldt de Ministerraad de context van die bepaling door de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot de gronden tot echtscheiding en met betrekking tot de uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding, zowel vóór als na de wijzigingen ervan bij de wet van 27 april 2007, te preciseren. De Ministerraad merkt op dat iedere echtgenoot vóór de voormelde wet de echtscheiding kon vorderen op grond van overspel of op grond van gewelddaden, mishandeling of grove beledigingen vanwege zijn echtgenoot, waarvan het bewijs door alle rechtsmiddelen kon worden geleverd. Een uitkering tot levensonderhoud werd enkel toegekend aan de echtgenoot die de echtscheiding had verkregen. Die uitkering was van vergoedende aard en was eveneens het herstel van de fout die was begaan door de echtgenoot ten nadele van wie de echtscheiding was uitgesproken. De rechter diende echter rekening te houden met de staat van behoefte van de onschuldige echtgenoot, die ten aanzien van zijn levensstandaard gedurende het samenleven werd ingeschat. A.
- Bij de hervorming van 2007 is het begrip « fout » in de gronden tot echtscheiding terzijde gelaten. De echtscheiding kan enkel nog op één grond worden uitgesproken, in casu de onherstelbare ontwrichting tussen de echtgenoten. Daaruit volgt dat het debat over de uitkering tot levensonderhoud voortaan van iedere vergoedende connotatie is ontdaan. Enkel de staat van behoefte van de persoon wordt voortaan in aanmerking genomen voor de berekening van de uitkering tot levensonderhoud. De echtgenoot die de uitkering tot levensonderhoud verschuldigd is, gezien de staat van behoefte van zijn ex-echtgenoot, kan de rechtbank echter verzoeken te weigeren om de vordering tot onderhoudsgeld toe te wijzen. Daartoe dient hij te bewijzen dat zijn ex-echtgenoot een zware fout heeft begaan die de voortzetting van het samenleven onmogelijk heeft gemaakt. De Ministerraad merkt op dat de nadere regels met betrekking tot de uitkering zijn gewijzigd. Op algemene wijze wordt het bedrag van de uitkering niet meer vastgesteld ten aanzien van de levensstandaard die de echtgenoten tijdens hun huwelijk hadden, maar op grond van de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde. De duur van de uitkering mag daarenboven niet langer zijn dan de duur van het huwelijk, behoudens uitzonderlijke omstandigheden die onafhankelijk zijn van de wil van de uitkeringsgerechtigde. De Ministerraad geeft voorts aan dat de echtgenoten op ieder ogenblik tot een vergelijk kunnen komen over het bedrag van de uitkering, dat de uitkering definitief wordt beëindigd in het geval van een nieuw huwelijk of van een wettelijke samenwoning van de uitkeringsgerechtigde, en ten slotte dat de uitkeringsgerechtigde die door de uitkeringsplichtige niet wordt betaald, diens inkomsten of ieder ander bedrag dat hem door derden is verschuldigd, in ontvangst kan nemen. A.
- De Ministerraad stelt dat het in het geding zijnde artikel 42, §§ 2 en 3, een overgangsbepaling is die met name het recht op levensonderhoud na echtscheiding regelt voor de procedures van echtscheiding of scheiding van tafel en bed die niet hebben geleid tot een eindvonnis vóór de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 (§ 2) en het lot van de vorderingen betreffende de uitkeringen tot levensonderhoud in verband met een echtscheiding uitgesproken vóór de inwerkingtreding van die wet (§ 3). Na de feiten in deze zaak in herinnering te hebben gebracht, zet de Ministerraad uiteen dat het onderscheid tussen het recht op de uitkering en de berekeningswijze daarvan, dat expliciet blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 27 april 2007, het gevolg is van het feit dat de echtscheiding « een wettelijke situatie is die aan de gang is ». Artikel 42, § 3, maakt het mogelijk af te wijken van de onmiddellijke toepassing van de nieuwe wet wat betreft het recht op de uitkering tot levensonderhoud, met uitsluiting van de berekeningswijze van het bedrag van de uitkering. A.
- De Ministerraad merkt op dat in de vraag niet de categorieën van personen worden gedefinieerd tussen welke artikel 42, § 3, een verschil in behandeling in het leven zou roepen, maar is van mening dat, in zijn 4 geheel gelezen, het vonnis een verschil in behandeling in het geding brengt tussen de aanvrager van levensonderhoud na echtscheiding wiens echtscheidingsprocedure werd ingesteld vóór de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 maar wiens eindvonnis nog niet is uitgesproken, enerzijds, en de aanvrager van levensonderhoud na echtscheiding wiens vonnis reeds werd uitgesproken vóór de inwerkingtreding van de nieuwe procedure, anderzijds. Met andere woorden, de ex-echtgenoot die een vordering instelt in verband met het levensonderhoud na echtscheiding waarop het voormelde artikel 42, § 3, van toepassing is, zou worden gediscrimineerd in vergelijking met de ex-echtgenoot wiens vordering zou worden geregeld door artikel 42, § 2, tweede lid, aangezien het bedrag van de uitkering zou worden berekend op grond van het nieuwe artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek in het eerste geval, en op grond van de vroegere artikelen 301, 306, 307 en 307bis van het Burgerlijk Wetboek in het tweede geval. Het criterium van onderscheid is dus het al dan niet bestaan van een echtscheidingsvonnis vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet. A.
- Artikel 42, § 3, van de in het geding zijnde wet heeft, volgens de Ministerraad, tot doel de onmiddellijke toepassing van de nieuwe wet mogelijk te maken op de berekeningswijze van het bedrag van de uitkering, aangezien die wet per definitie beter is aangepast aan de hedendaagse realiteit van de echtscheiding, vermits elke nieuwe wet geacht moet worden beter te zijn dan de vorige. Zij moet dus wat betreft de nieuwe modaliteiten van de uitkering tot levensonderhoud worden toegepast op de echtscheidingen die zijn uitgesproken vóór 1 september 2007 maar waarvoor de kwesties in verband met de uitkering nog niet werden beslecht; in een arrest van 19 februari 1987 had het Hof van Cassatie, inzake echtscheiding, eveneens beslist dat de nieuwe wet ook van toepassing is op de toekomstige gevolgen van de situaties die zijn ontstaan onder de gelding van de vroegere wet en die zich voordoen of voortzetten onder de gelding van de nieuwe wet. De draagkracht van de uitkeringsplichtige echtgenoot moet niet worden beoordeeld op het precieze tijdstip van de echtscheiding, die wordt beschouwd als een voldongen feit dat vaststaat in de tijd. Het bedrag van de uitkering moet kunnen worden aangepast (zowel krachtens de vroegere wet als krachtens de nieuwe wet), indien die uitkering niet langer toereikend is en de rechtspraak beoordeelt de inkomsten en mogelijkheden van de aanvrager niet op de dag van de uitspraak van de echtscheiding maar op de dag van het vonnis over de uitkering. De parlementaire voorbereiding en in het bijzonder die in verband met de beperking in de tijd van de uitkering, maakt overigens duidelijk dat de uitkering tot levensonderhoud wordt beschouwd als een hulp ter compensatie van de financiële moeilijkheden die een echtgenoot ondervindt naar aanleiding van de echtscheiding, en die worden geacht een einde te nemen wanneer de echtgenoot in kwestie heeft kunnen reageren op de nieuwe situatie en voortaan alleen in zijn behoeften kan voorzien. Het is in die zin dat de wetgever de keuze heeft gemaakt de uitkering te beperken tot de duur van het huwelijk, ervan uitgaande dat dit zou overeenstemmen met een zekere billijkheid en dat het voor een behoeftige echtgenoot die reeds een bepaalde leeftijd heeft veel moeilijker is om de maatschappelijke draad weer op te nemen dan voor een jonge persoon. Het gaat dus erom rekening te houden (zoals dat steeds het geval geweest is in het verleden) met gewijzigde levensomstandigheden van de partijen die zich later kunnen voordoen, waarbij de modaliteiten van de uitkering tot levensonderhoud nooit in die zin werden beschouwd dat ze voor eens en altijd moesten worden vastgesteld op het ogenblik van de echtscheiding. A.
- Artikel 42, § 2, van de in het geding zijnde wet wijkt, volgens de Ministerraad, af van het beginsel van het overgangsrecht volgens hetwelk het nieuwe recht, dat beter wordt geacht, van onmiddellijke toepassing is en zulks teneinde te vermijden dat, naar aanleiding van de inwerkingtreding van de nieuwe wet, alle debatten moeten worden herbegonnen wanneer het vonnis nog niet is uitgesproken. A.
- Volgens de Ministerraad is het aldus in de paragrafen 2 en 3 van artikel 42 gemaakte onderscheid naargelang het vonnis al dan niet werd uitgesproken vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet relevant ten aanzien van de doelstelling van de wetgever. Artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek stelt de rechtbank, in dezelfde beslissing als die in verband met de echtscheiding als dusdanig, immers in staat eveneens de kwestie te beslechten van het levensonderhoud na echtscheiding. Aangezien er nog geen enkel vonnis werd gewezen, heeft de wetgever het opportuun geacht af te wijken van de algemene beginselen van het overgangsrecht opdat dezelfde wet zou worden toegepast op de hele procedure, met de bedoeling om niet de debatten te herbeginnen van een procedure die doorgaans moeilijk ligt op menselijk vlak. Indien daarentegen een echtscheiding werd uitgesproken vóór 1 september 2007, verschilt de procedure in verband met de uitkering tot levensonderhoud noodzakelijkerwijze van die van de echtscheiding als dusdanig. De meest gevoelige debatten op menselijk vlak hebben reeds plaatsgevonden. De wetgever heeft bijgevolg geoordeeld dat de kwestie van de berekeningswijze van de uitkering tot levensonderhoud kon worden geregeld op grond van de nieuwe wet, die beter wordt geacht. 5 A.
- De Ministerraad is van mening dat artikel 42, § 3, ook voldoet aan de vereiste van evenredigheid, vermits het erom gaat nieuwe vorderingen tot uitkering te vermijden in het licht van het nieuwe criterium - dat vrij is van het begrip « fout » om plaats te maken voor het begrip « behoefte » - in de reeds afgesloten echtscheidingsprocedures. Men ziet niet in in welk opzicht het onevenredig zou zijn om op het recht op uitkering bepalingen te blijven toepassen die de echtgenoten reeds kenden bij de instelling van de echtscheidingsprocedure. Aangezien de begunstigde van de uitkering op zijn minst een bedrag zal ontvangen dat hem in staat stelt in zijn behoeften te voorzien en dat een uitkering tot levensonderhoud steeds kan worden herzien, kan de in het geding zijnde bepaling niet als onevenredig worden beschouwd. A.
- Ten slotte brengt de Ministerraad in herinnering dat het Hof aanneemt dat een overgangsbepaling de toepassingsvoorwaarden van de vroegere bepaling kan beperken zonder daarom de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te schenden. Het blijkt niet dat andere uiteenzettingen vereist zijn ten aanzien van de in de prejudiciële vraag geciteerde internationaalrechtelijke bepalingen, bij ontstentenis van enige overweging die daarmee verband zou houden. -B- B.
- Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van artikel 42, § 3, in samenhang gelezen met artikel 42, § 2, van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 6, leden 1 en 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie. B.2.
- Artikel 42 van die wet bepaalt : « §
- Voor de toepassing van artikel 229, §§ 2 en 3, van het Burgerlijk Wetboek, wordt de periode van feitelijke scheiding die voorafgaat aan de inwerkingtreding van deze wet in aanmerking genomen. §
- De vroegere artikelen 229, 231 en 232 van hetzelfde Wetboek blijven van toepassing op de procedures van echtscheiding of scheiding van tafel en bed die zijn ingeleid voor de inwerkingtreding van deze wet en waarvoor geen eindvonnis is uitgesproken. Het recht op levensonderhoud na echtscheiding blijft bepaald door het bepaalde in de vroegere artikelen 301, 306, 307 en 307bis van hetzelfde Wetboek, onverminderd het bepaalde in de §§ 3 en
- §
- Indien de echtscheiding werd uitgesproken voor de inwerkingtreding van deze wet, overeenkomstig de vroegere artikelen 229, 231 en 232 van hetzelfde Wetboek, blijft het in artikel 301 van hetzelfde Wetboek bepaalde recht op een uitkering verworven of uitgesloten krachtens de vroegere wettelijke voorwaarden. §
- Voor de toepassing van de bepalingen van artikel 301, §§ 2, 3 en 5, van hetzelfde Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 7, kan men zich beroepen op feiten die voorafgaan aan de inwerkingtreding van deze wet. 6 §
- Artikel 301, § 4, van hetzelfde Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 7, is van toepassing op de uitkeringen tot levensonderhoud, die zijn vastgesteld door een vonnis dat voorafgaat aan de inwerkingtreding van deze wet. Indien de duur van de uitkering niet werd bepaald, neemt de in artikel 301, § 4, bepaalde termijn een aanvang op de datum van de inwerkingtreding van deze wet. Indien de duur van de uitkering werd bepaald, blijft deze duur van toepassing, zonder dat ze de beperking waarin wordt voorzien in het tweede lid kan overschrijden. §
- Artikel 1274 van hetzelfde Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 28, is niet van toepassing op de arresten die uitgesproken zijn voor de inwerkingtreding van deze wet, indien de debatten voordien werden afgesloten ». B.2.
- De artikelen 229, 231 en 232 van het Burgerlijk Wetboek, die de echtscheiding wegens sommige vastgestelde gronden regelden, bepaalden vóór de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 : « Art.
- Ieder der echtgenoten kan echtscheiding vorderen op grond van overspel door de andere echtgenoot gepleegd ». « Art.
- Ieder der echtgenoten kan echtscheiding vorderen op grond van gewelddaden, mishandeling of grove beledigingen door de andere echtgenoot jegens hem gepleegd. Art.
- Ieder der echtgenoten kan echtscheiding vorderen op grond van feitelijke scheiding van meer dan twee jaar, indien daaruit de duurzame ontwrichting van het huwelijk blijkt en het toekennen van de echtscheiding op deze grond de materiële toestand van de minderjarige kinderen uit het huwelijk van de echtgenoten geboren of door hen geadopteerd niet op gevoelige wijze verslecht. Echtscheiding kan tevens door een der echtgenoten gevorderd worden, indien de feitelijke scheiding van meer dan twee jaar het gevolg is van de toestand van krankzinnigheid of van diepe geestesgestoordheid waarin de andere echtgenoot zich bevindt en uit deze toestand een duurzame ontwrichting van het huwelijk blijkt, en het toekennen van de echtscheiding op deze grond de materiële toestand van de minderjarige kinderen uit het huwelijk van de echtgenoten geboren of door hen geadopteerd niet op gevoelige wijze verslecht. Die echtgenoot wordt vertegenwoordigd door zijn voogd, zijn algemene of bijzondere voorlopige bewindvoerder of, bij gebreke daarvan, door een beheerder ad hoc vooraf door de voorzitter van de rechtbank aangewezen op verzoek van de eisende partij ». Artikel 301, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, dat het recht op uitkering tot levensonderhoud regelde, bepaalde vóór de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007 : 7 « De rechtbank kan aan de echtgenoot die de echtscheiding heeft verkregen, uit de goederen en de inkomsten van de andere echtgenoot, een uitkering toekennen die, rekening houdend met zijn inkomsten en mogelijkheden, hem in staat stellen kan in zijn bestaan te voorzien op een gelijkwaardige wijze als tijdens het samenleven ». Artikel 229, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, zoals het is gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 27 april 2007, bepaalt : « De echtscheiding wordt uitgesproken wanneer de rechter vaststelt dat het huwelijk onherstelbaar ontwricht is. Het huwelijk is onherstelbaar ontwricht wanneer de voortzetting van het samenleven tussen de echtgenoten en de hervatting ervan redelijkerwijs onmogelijk is geworden ingevolge die ontwrichting. Het bewijs van de onherstelbare ontwrichting kan met alle wettelijke middelen worden geleverd ». Artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt, sinds de wijziging ervan bij artikel 7 van dezelfde wet : « §
- Onverminderd artikel 1257 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen de echtgenoten op elk ogenblik overeenkomen omtrent de eventuele uitkering tot levensonderhoud, het bedrag ervan en de nadere regels volgens welke het overeengekomen bedrag zal kunnen worden herzien. §
- Bij gebrek aan overeenkomst zoals bedoeld in § 1, kan de rechtbank in het vonnis dat de echtscheiding uitspreekt of bij een latere beslissing, op verzoek van de behoeftige echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud toestaan ten laste van de andere echtgenoot. De rechtbank kan het verzoek om een uitkering weigeren indien de verweerder bewijst dat verzoeker een zware fout heeft begaan die de voortzetting van de samenleving onmogelijk heeft gemaakt. In geen geval wordt de uitkering tot levensonderhoud toegekend aan de echtgenoot die schuldig werd bevonden aan een in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403 of 405 van het Strafwetboek bedoeld feit dat is gepleegd tegen de persoon van de verweerder of aan een poging tot het plegen van een in de artikelen 375, 393, 394 of 397 van hetzelfde Wetboek bedoeld feit tegen diezelfde persoon. In afwijking van artikel 4 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering kan de rechter in afwachting dat de beslissing over de strafvordering in kracht van gewijsde is getreden, aan de verzoeker een provisionele uitkering toekennen, hierbij rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak. Hij kan het toekennen van deze provisionele uitkering ondergeschikt maken aan het stellen van een waarborg die hij bepaalt en waarvoor hij de nadere regels vaststelt. §
- De rechtbank legt het bedrag van de onderhoudsuitkering vast die ten minste de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde moet dekken. 8 De rechtbank houdt rekening met de inkomsten en mogelijkheden van de echtgenoten en met de aanzienlijke terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde. Om die terugval te waarderen, baseert de rechter zich met name op de duur van het huwelijk, de leeftijd van partijen, hun gedrag tijdens het huwelijk inzake de organisatie van hun noden en het ten laste nemen van de kinderen tijdens het samenleven of daarna. De rechter kan indien nodig beslissen dat de uitkering degressief zal zijn en in welke mate. De onderhoudsuitkering mag niet hoger liggen dan een derde van het inkomen van de uitkeringsplichtige echtgenoot. […] ». B.3.
- Bij een vonnis van 12 september 2005 heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Charleroi de echtscheiding van de beide echtgenoten uitgesproken. Bij de verwijzende rechter is een vordering tot toekenning van een uitkering tot levensonderhoud aanhangig gemaakt, die werd ingesteld op 19 juni 2006; hij stelt vast dat het beginsel van het recht op de uitkering niet werd beslecht vóór de inwerkingtreding, op 1 september 2007, van de wet van 27 april 2007 en dus wordt geregeld door de overgangsbepalingen van die wet. B.3.
- De verwijzende rechter ondervraagt het Hof in de interpretatie van de in het geding zijnde bepaling, in samenhang gelezen met artikel 42, § 2, van de wet van 27 april 2007, volgens welke het recht op de uitkering tot levensonderhoud zou worden geregeld door de vroegere wet terwijl de wijze waarop die uitkering wordt vastgesteld, zou worden geregeld door de nieuwe wet. Daaruit zou een verschil in behandeling voortvloeien tussen, enerzijds, de personen ten aanzien van wie, aangezien ze uit de echt zijn gescheiden vóór 1 september 2007, zijnde de datum van inwerkingtreding van de nieuwe wet, de kwesties in verband met de vaststelling van de uitkering tot levensonderhoud definitief werden beslecht en, anderzijds, de personen ten aanzien van wie, hoewel ze zich in dezelfde feitelijke situatie bevinden, de nieuwe wet wordt toegepast, aangezien dezelfde kwestie niet definitief zou zijn beslecht op 1 september
- B.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie verzet zich niet ertegen dat de wetgever terugkomt op zijn oorspronkelijke doelstellingen om er andere na te streven. In het algemeen trouwens moet de overheid haar beleid kunnen aanpassen aan de wisselende vereisten van het algemeen belang. 9 B.
- Indien de wetgever een beleidswijziging noodzakelijk acht, vermag hij te oordelen dat die beleidswijziging met onmiddellijke ingang moet worden doorgevoerd en is hij in beginsel niet ertoe gehouden in een overgangsregeling te voorzien. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn slechts geschonden indien de overgangsregeling of de afwezigheid daarvan tot een verschil in behandeling leidt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat of indien aan het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan. B.
- Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat, door de toepassing van de vroegere bepalingen betreffende het recht op de uitkering tot levensonderhoud te handhaven voor de personen wier echtscheiding is uitgesproken vóór 1 september 2007, de wetgever wilde vermijden dat de uit de echt gescheiden echtgenoten een uitkering tot levensonderhoud zouden kunnen aanvragen, indien ze voldoen aan de economische voorwaarden voor de toekenning ervan, zelfs degenen die een fout hebben begaan of degenen die het vermoeden van schuld van het vroegere artikel 306 niet hebben weerlegd alsmede de ex-echtgenoten die uit de echt gescheiden zijn op basis van gedeelde fout. Dat gevolg zou talrijke geschillen die soms reeds sedert vele jaren zijn afgesloten, opnieuw hebben doen oplaaien en zou om evidente redenen van rechtszekerheid niet wenselijk zijn geweest (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2341/010). B.
- Rekening houdend met de hiervoor beschreven doelstelling, kan geen enkele redelijke verantwoording worden gegeven voor het feit dat de nieuwe bepalingen worden toegepast op de wijze van vaststelling van de uitkering tot levensonderhoud, terwijl het recht op de uitkering tot levensonderhoud geregeld blijft door de vroegere bepalingen. Aangezien de met elkaar vergeleken categorieën van personen zich immers in een identieke situatie bevinden, namelijk dat het gaat om personen wier echtscheiding is uitgesproken vóór 1 september 2007, is het niet redelijk verantwoord ze aan twee verschillende juridische regelingen te onderwerpen wat betreft de wijze van vaststelling van de uitkering tot levensonderhoud om de enkele reden dat die kwestie nog niet zou zijn beslecht op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet betreffende de hervorming van de echtscheiding. B.
- In de interpretatie geformuleerd in de prejudiciële vraag, dient de vraag bevestigend te worden beantwoord. 10 B.
- Het in het geding zijnde artikel 42, § 3, van de wet van 27 april 2007 kan echter in die zin worden geïnterpreteerd dat, wanneer de echtscheiding is uitgesproken vóór de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007, de daarin vermelde vroegere bepalingen van het Burgerlijk Wetboek van toepassing blijven zowel voor de toekenning van het recht op een uitkering tot levensonderhoud als voor de wijze van vaststelling daarvan. In die interpretatie bestaat het in het prejudiciële vraag aangeklaagde verschil in behandeling niet, vermits de situatie van de echtgenoten uitsluitend wordt geregeld door de vroegere artikelen van het Burgerlijk Wetboek. B.
- In die interpretatie dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - In de in B.3.2 vermelde interpretatie, schendt artikel 42, § 3, van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - In de in B.9 vermelde interpretatie, schendt dezelfde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en met artikel 6, leden 1 en 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 17 september
- De griffier, De wnd. voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.141 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div