id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 17 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.146 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090917.11 Arrest- Rolnummer: 146/2009 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-09-23 Raadplegingen: 633 - laatst gezien 2026-07-03 00:10 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Uitgaven en kosten (gerechtelijk recht) - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: prejudiciële vraag over artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Brussel. Strafrechtspleging - Verhaalbaarheid van kosten en honoraria van een advocaat - Veroordeling in solidum van de beklaagde en diens verzekeraar tot betaling van de rechtsplegingsvergoeding aan de burgerlijke partij. Wettelijke bepalingen: Wet - 21-04-2007 - 9 - 85 ELI link Pub nr 2007009497 Wetboek van Strafvordering - 19-11-1808 - 162bis - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4646 Arrest nr. 146/2009 van 17 september 2009 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit voorzitter M. Bossuyt, rechter M. Melchior, waarnemend voorzitter, en de rechters E. De Groot, A. Alen, J.-P. Snappe, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 20 februari 2009 in zake Aude-Isabelle De Smet en anderen tegen Maryse Nicolas en de vzw « Belgisch Bureau van de Autoverzekeraars », in aanwezigheid van de procureur des Konings, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 27 februari 2009, heeft de Correctionele Rechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 162bis van het Wetboek van Strafvordering, zoals ingevoegd bij wet van 21 april 2007, het gelijkheidsbeginsel zoals vastgesteld in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het bepaalt dat enkel de veroordeelde beklaagde en de burgerlijk aansprakelijke personen veroordeeld worden om de rechtsplegingsvergoeding te betalen aan de burgerlijke partij en niet de vrijwillig of gedwongen tussenkomende partij terwijl deze laatste in een vonnis uitgesproken door de burgerlijke rechtbank wel kan worden veroordeeld om rechtsplegingsvergoeding te betalen ? ». De Ministerraad heeft een memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 7 juli 2009 : - is verschenen : Mr. J. Mosselmans, tevens loco Mr. P. Peeters, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. De Groot en J. Spreutels verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De zaak betreft de behandeling ten gronde in beroep voor de Correctionele Rechtbank te Brussel van een vonnis van de Politierechtbank te Vilvoorde met betrekking tot een verkeersongeval. Het hoger beroep is ingesteld door de vzw « Belgisch Bureau van de Autoverzekeraars » en heeft enkel betrekking op de veroordeling van de vzw om de rechtsplegingsvergoeding aan de burgerlijke partij te betalen. Volgens de verwijzende rechter kan de benadeelde op basis van artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering geen rechtsplegingsvergoeding verkrijgen van de vrijwillig of gedwongen tussenkomende verzekeraar, omdat in voormeld artikel uitsluitend wordt aangegeven dat een benadeelde een rechtsplegingsvergoeding kan verkrijgen van de beklaagde en de burgerrechtelijk aansprakelijke persoon. Daarbij vraagt de verwijzende rechter zich af of er geen ongelijkheid wordt gecreëerd waarvoor geen objectieve rechtvaardiging bestaat en stelt derhalve bovenvermelde prejudiciële vraag. 3 III. In rechte -A- A.
- Volgens de Ministerraad wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of de artikelen 10 en 11 van de Grondwet worden geschonden, nu een benadeelde die een vordering instelt voor de burgerlijke rechter wel een rechtsplegingsvergoeding kan verkrijgen van de vrijwillig of gedwongen tussenkomende verzekeraar van een in het ongelijk gestelde verzekerde, terwijl een benadeelde voor een strafrechtbank geen rechtsplegingsvergoeding zou kunnen verkrijgen van de vrijwillig of gedwongen tussenkomende verzekeraar. A.
- De Ministerraad wijst erop dat in aansprakelijkheidsgeschillen de verzekeraar in principe de leiding van het geschil op zich neemt (artikel 79 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst), behalve wanneer zijn belangen en die van de verzekerde niet samenvallen. In die gevallen kan de verzekeraar evenwel vrijwillig tussenkomen (artikel 89, § 2, van de wet op de landverzekeringsovereenkomst), zodat hij zijn rechten en actiemogelijkheden kan vrijwaren, met het oog op de eventuele latere instelling van een regresvordering tegen de verzekerde. Artikel 89, § 5, van de wet van 25 juni 1992 bepaalt dat onder dezelfde voorwaarden als zou de vordering voor een burgerlijke rechtbank worden gebracht, in strafzaken de verzekeraar door de benadeelde of door de verzekerde in de zaak kan worden betrokken. A.
- Volgens de Ministerraad betekent het gegeven dat een verzekeraar niet de leiding neemt over het geschil, doch vrijwillig of gedwongen tussenkomt, niet dat de verzekeraar vrijgesteld is om overeenkomstig artikel 82 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst de benadeelde verzekerde te vergoeden voor de door de beklaagde veroorzaakte schade, alsook voor de kosten van de burgerlijke rechtsvordering. De verplichting vanwege de verzekeraar om de benadeelde te vergoeden staat los van de vraag of de verzekeraar de leiding neemt over het geschil, dan wel vrijwillig of gedwongen tussenkomt. A.
- De Ministerraad meent dat, niettegenstaande noch in de wet op de landverzekeringsovereenkomst, noch in de parlementaire voorbereiding ervan wordt aangegeven wat precies onder « burgerlijke rechtsvordering » dient te worden verstaan, de betekenis zich niet uitsluitend beperkt tot de burgerlijke zaken, maar tevens van toepassing is op de gevallen waarbij de strafrechter in een strafzaak uitspraak doet over burgerlijke belangen (zie artikel 89, § 5, van de wet op de landverzekeringsovereenkomst, dat melding maakt van « dezelfde voorwaarden »). Onder « kosten betreffende burgerlijke rechtsvorderingen » (artikel 82 van de voormelde wet) moet worden verstaan, de hoofdsom en de intresten en de rechtsplegingsvergoeding, nu de rechtsplegingsvergoeding een accessorium vormt van de beslissing over de grond van het geschil en derhalve geen bijkomende veroordeling uitmaakt. A.
- Derhalve dient, volgens de Ministerraad, uit artikel 82 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst te worden afgeleid dat de strafrechter, op basis van de dwingende bepalingen van het verzekeringsrecht, de verzekeraar moet veroordelen tot de rechtsplegingsvergoeding, ofschoon in artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering die optie niet uitdrukkelijk wordt weergegeven. De Ministerraad wijst tevens erop dat die zienswijze uitdrukkelijk door het Hof is bevestigd in zijn arrest nr. 70/
- A.
- De Ministerraad wijst tevens erop dat een strafproces zich normaliter beperkt tot de beklaagde, de burgerrechtelijk aansprakelijke partij en de burgerlijke partij. Derden kunnen in principe geen partij zijn in een strafproces. De mogelijkheid van een verzekeraar om op grond van een gedwongen of vrijwillige tussenkomst in een strafgeding betrokken te worden, vormt een uitzondering op de voormelde algemene strafrechtsregels. Gezien het uitzonderlijke karakter van de tussenkomst in een strafproces, voorzag de wetgever in voormeld artikel 162bis niet uitdrukkelijk in een mogelijkheid tot veroordeling van een tussenkomende partij tot de rechtsplegingvergoeding. Derhalve dient, volgens de Ministerraad, de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord. 4 -B- B.1.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat. Artikel 9 van de voormelde wet wijzigt, samen met de artikelen 8, 10, 11 en 12, verschillende bepalingen van het Wetboek van strafvordering, teneinde het beginsel van de verhaalbaarheid gedeeltelijk uit te breiden tot de door de strafgerechten berechte zaken. B.1.
- Artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering bepaalt : « Ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, veroordeelt hen tot het betalen aan de burgerlijke partij van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De burgerlijke partij die rechtstreeks heeft gedagvaard en die in het ongelijk wordt gesteld, zal veroordeeld worden tot het aan de beklaagde betalen van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De vergoeding wordt bepaald door het vonnis ». B.2.
- Uit het vonnis waartegen beroep is ingesteld voor de verwijzende rechter, blijkt dat de eerste rechter de beklaagde en diens verzekeraar, vrijwillig tussenkomende partij, in solidum heeft veroordeeld tot het vergoeden van de burgerlijke partijen alsook tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding. B.2.
- Tegen de veroordeling in solidum tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding wordt door de verzekeraar beroep ingesteld, waarbij de verzekeraar van mening is dat hij noch beklaagde, noch burgerlijk aansprakelijke partij is in de zin van artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, waardoor hij niet tot de rechtsplegingsvergoeding kan worden veroordeeld. B.
- Het Hof beperkt zijn onderzoek tot de hypothese waarin een strafgerecht, dat de beklaagde en diens verzekeraar in solidum heeft veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding, hen niet eveneens in solidum zou kunnen veroordelen tot betaling van de rechtsplegingsvergoeding van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. 5 B.
- Artikel 82, derde lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst bepaalt : « De verzekeraar betaalt, zelfs boven de dekkingsgrenzen, de kosten betreffende burgerlijke rechtsvorderingen, alsook de honoraria en de kosten van de advocaten en de deskundigen, maar alleen in zover die kosten door hem of met zijn toestemming zijn gemaakt of, in geval van belangenconflict dat niet te wijten is aan de verzekerde, voor zover die kosten niet onredelijk zijn gemaakt ». B.
- Artikel 89, § 5, van dezelfde wet bepaalt : « Wanneer het geding tegen de verzekerde is ingesteld voor het strafgerecht, kan de verzekeraar door de benadeelde of door de verzekerde in de zaak worden betrokken en kan hij vrijwillig tussenkomen, onder dezelfde voorwaarden als zou de vordering voor het burgerlijk gerecht gebracht zijn, maar het strafgerecht kan geen uitspraak doen over de rechten die de verzekeraar kan doen gelden tegenover de verzekerde of de verzekeringnemer ». B.
- Krachtens artikel 174 van het Wetboek van strafvordering neemt de correctionele rechtbank kennis van alle hogere beroepen ingesteld tegen de vonnissen van de politierechtbank. Krachtens artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek neemt de politierechtbank kennis van alle vorderingen tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval. B.
- Ook al voorziet artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering niet expliciet in die hypothese (zie Cass., 4 maart 2009, P.08.1682.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090304.6), toch kan, wanneer de beklaagde en de vrijwillig tussenkomende verzekeraar in solidum zijn veroordeeld, de politierechtbank die zitting houdt in strafzaken, met toepassing van artikel 89, § 5, van de wet van 25 juni 1992 een rechtsplegingsvergoeding ten laste van de aansprakelijke persoon en zijn verzekeraar toekennen aan de benadeelde, voor zover zij van oordeel is dat zij aan die partij een dergelijke vergoeding zou toekennen ten laste van de aansprakelijke persoon en zijn verzekeraar in solidum, wanneer zij zitting houdt in burgerlijke zaken. 6 Tevens kan de correctionele rechtbank, wanneer zij uitspraak doet over een hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de politierechtbank aangaande de burgerlijke rechtsvordering terwijl zij zitting houdt in strafzaken, dezelfde veroordelingen uitspreken, met toepassing van artikel 89, § 5, van de wet van 25 juni 1992, als de politierechtbank. B.
- Uit hetgeen voorafgaat volgt dat het in de prejudiciële vraag vermelde verschil in behandeling niet bestaat. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 17 september
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.146 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090304.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div