id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 30 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.147 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.20090930.1 Arrest- Rolnummer: 147/2009 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-09-30 Raadplegingen: 255 - laatst gezien 2026-06-30 03:37 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : In zoverre artikel 488bis, h), § 2, eerste lid, eerste zin, van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is op het testament, schendt het niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN - Testamenten PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 488bis, h), § 2, van het Burgerlijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 8 van de wet van 3 mei 2003 tot wijziging van de wetgeving betreffende de bescherming van de goederen van personen die wegens hun lichaams- of geestestoestand geheel of gedeeltelijk onbekwaam zijn die te beheren, gesteld door het Hof van Beroep te Bergen. Burgerlijk recht - Erfenissen - Testament - Beschermde persoon - Machtiging van de vrederechter. # Rechten en vrijheden - Eigendomsrecht - Recht om over zijn eigendom te beschikken. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 488bis,h),§2 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 488bis,h),§2,L1 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Wet - 03-05-2003 - 8 - 62 ELI link Pub nr 2003009448 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 4534 Arrest nr. 147/2009 van 30 september 2009 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 488bis, h), § 2, van het Burgerlijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 8 van de wet van 3 mei 2003 tot wijziging van de wetgeving betreffende de bescherming van de goederen van personen die wegens hun lichaams- of geestestoestand geheel of gedeeltelijk onbekwaam zijn die te beheren, gesteld door het Hof van Beroep te Bergen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Martens en M. Bossuyt, en de rechters M. Melchior, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van rechter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 14 oktober 2008 in zake M.P. tegen J.P. en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 17 oktober 2008, heeft het Hof van Beroep te Bergen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 488bis, h), § 2, van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij de wet van 3 mei 2003, in zoverre het bepaalt dat de beschermde persoon slechts geldig een uiterste wilsbeschikking kan maken na machtiging, op zijn verzoek, door de vrederechter, artikel 1, eerste lid, van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en bijgevolg de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ? ». Memories zijn ingediend door : - M.P.; - J.P.; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 7 juli 2009 : - is verschenen : Mr. J. Helson loco Mr. J. Bourtembourg, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij beschikking van 16 juni 2003 wijst de Vrederechter van het eerste kanton te Bergen M.P. aan als voorlopige bewindvoerder van G.D., in de zin van artikel 488bis, a), van het Burgerlijk Wetboek. Op 6 maart 2006 dicteert G.D., zonder daartoe de in artikel 488bis, h), § 2, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde machtiging van de vrederechter te hebben verkregen, aan haar notaris een testament luidens hetwelk zij J.P. aanwijst als universeel legataris, en ten laste voor haar om een bijzonder legaat uit te keren aan drie andere personen dan M.P. Zij overlijdt op 4 juni
- Bij dagvaarding van 8 november 2006 vraagt M.P. aan de Rechtbank van eerste aanleg te Bergen de nietigheid uit te spreken van het testament van 6 maart 2006, en voert daarbij de artikelen 488bis, § 2, en 901 van het Burgerlijk Wetboek aan. Bij vonnis van 17 oktober 2007 verwerpt die Rechtbank die vordering omdat de vrederechter geen enkele reden zou gehad hebben om die machtiging te weigeren, de ontstentenis daarvan niet wordt bestraft en de krankzinnigheid van de erflaatster niet vaststaat. 3 Het Hof van Beroep te Bergen, waarbij een beroep van M.P. tegen dat vonnis is aanhangig gemaakt, vraagt zich ambtshalve af of de voorafgaande controle van de bekwaamheid van de erflater, ingesteld bij artikel 488bis, h), § 2, van het Burgerlijk Wetboek, bestaanbaar is met het recht om over zijn goederen te beschikken. Het stelt bijgevolg de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A– A.1.
- J.P. is van mening dat de prejudiciële vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Zij is van oordeel dat het Hof wordt verzocht de situatie van personen die over een voorlopige bewindvoerder beschikken te vergelijken met die van de andere personen. A.1.
- J.P. is van mening dat de wet van 3 mei 2003 « tot wijziging van de wetgeving betreffende de bescherming van de goederen van personen die wegens hun lichaams- of geestestoestand geheel of gedeeltelijk onbekwaam zijn die te beheren » waarbij de in het geding zijnde bepaling in het Burgerlijk Wetboek wordt ingevoegd, de beginselen die aan de grondslag liggen van de wet van 18 juli 1991 « betreffende de bescherming van de goederen van personen die wegens hun lichaams- of geestestoestand geheel of gedeeltelijk onbekwaam zijn die te beheren » niet opnieuw in het geding heeft gebracht. Zij vat de doelstelling van de voorlopige bewindvoerder samen als de bekommernis om het lot van de beschermde persoon en zijn onmiddellijk welzijn te verbeteren, onder meer door hem in staat te stellen in zijn dagelijkse behoeften te voorzien en daarbij de verdwijning van zijn vermogen te vrijwaren. Zij verwijst in dat verband naar de motivering van een beslissing van een Vrederechter te Sint-Niklaas van 27 augustus
- J.P. is van oordeel dat de noodzaak om van de vrederechter een machtiging te verkrijgen om te testeren de doelstelling van de wetgever overstijgt. A.1.
- J.P. betoogt dat de in het geding zijnde bepaling de beschermde persoon een grondrecht ontzegt dat de wet voorbehoudt aan de burgers die niet over een voorlopige bewindvoerder beschikken en dat de voorafgaande machtiging van de vrederechter « het op willekeurige wijze mogelijk maakt het testament op voorhand te legitimeren » van alleen de beschermde personen. Zij is van mening dat die verschillen in behandeling onevenredige gevolgen hebben. Zij brengt in herinnering dat de onbekwaamheid om zijn goederen te beheren en de dagelijkse bescherming ervan te verzekeren, niet volstaat om de onbekwaamheid om te testeren aan te tonen. Zij merkt vervolgens op dat de in het geding zijnde bepaling de vrederechter niet ertoe machtigt inzage te hebben in de inhoud van het ontworpen testament, aangezien dat laatste het persoonlijke werk van de beschermde persoon blijft. Zij stelt zich bijgevolg vragen bij het nut van de oproeping van de in artikel 488bis, h), § 2, vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde personen. J.P. is van mening dat er geen enkel motief bestaat dat de vrederechter – die optreedt in een aangelegenheid die buiten het kader valt van de voorlopige bewindvoering – in staat stelt de beschermde persoon de machtiging te weigeren om een testament op te stellen, aangezien dat document hoe dan ook wordt onderworpen aan een eventuele gerechtelijke controle die door de erfgenamen na het overlijden van de beschermde persoon wordt gevraagd. Ten slotte voegt zij daaraan toe dat de voorlopige bewindvoerder niet betrokken is in het geding en dat een testament geen enkel gevolg heeft voor het beheer van de voorlopige bewindvoering. A.2.
- M.P. is van mening dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Zij onderstreept van meet af aan dat de vraag betrekking heeft op de situatie van de persoon die over zijn goederen beschikt bij laatste wilsbeschikking en niet op die van de erfgenaam. 4 A.2.
- In hoofdorde is M.P. van mening dat artikel 1, eerste lid, van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens te dezen niet van toepassing is. Zij verwijst, wat die bepaling betreft, naar drie arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (13 juni 1979, Marckx t. België; 23 september 1982, Sporrong en Lönnroth t. Zweden; 28 oktober 1987, Inze t. Oostenrijk) en naar een arrest van het Hof van Cassatie van 21 mei
- Zij merkt op dat de schenkingen en testamenten geen handelingen van beheer van goederen zijn maar strikt persoonlijke handelingen die niet voor iemand anders kunnen worden gesteld, zelfs niet door een voorlopige bewindvoerder. Zij voegt eraan toe dat, wanneer de vrederechter de beschermde persoon ertoe heeft gemachtigd te schenken of te testeren na enkel diens bekwaamheid te hebben onderzocht, de voorlopige bewindvoerder enkel een bijstandverlenende rol heeft. A.2.
- In ondergeschikte orde is M.P. van mening dat indien het testament wordt beschouwd als zijnde een handeling van beheer van goederen, het in de prejudiciële vraag bedoelde verschil in behandeling objectief en redelijk verantwoord is. In dat verband merkt zij op dat de regeling van de voorlopige bewindvoering onder meer tot doel heeft zich ervan te vergewissen dat de goederen van de beschermde persoon niet op « onbezonnen » wijze verdwijnen. Zij betoogt dat de in het geding zijnde bepaling de voorwaarden preciseert waaronder de beschermde persoon een schenking kan doen en stelt a contrario dat die persoon niet bekwaam is om om niet te beschikken indien die voorwaarden niet zijn vervuld. Zij merkt op dat de vrederechter zijn machtiging enkel kan weigeren wat de schenkingen betreft, ook al wordt de bekwaamheid van de beschermde persoon aangetoond. M.P. leidt uit de leden 4 tot 6 van de in het geding zijnde bepaling af dat de vrederechter, tot wie de beschermde persoon zich alleen richt, de bekwaamheid van de erflater beoordeelt op grond van dezelfde criteria als die welke worden aangewend op het ogenblik dat uitspraak wordt gedaan over de opportuniteit om een voorlopige bewindvoerder aan te wijzen. Zij is van mening dat zulks bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstelling van bescherming van de voorlopige bewindvoerder, vermits de in het geding zijnde reglementering de beschermde persoon ervan verzekert dat de laatste wilsbeschikkingen waarover die persoon beslist, gevolg zullen hebben en niet nietig zullen worden verklaard wegens onbekwaamheid van de erflater. Zij merkt ten slotte op dat de beschermde persoon in staat wordt gesteld het statuut van zijn goederen te bepalen voor de periode na zijn overlijden, het ogenblik vanaf wanneer de bescherming geen bestaansreden meer heeft. A.3.
- De Ministerraad is eveneens van mening dat de in het geding zijnde bepaling noch artikel 1, eerste lid, van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, noch de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt. Hij onderstreept voorafgaandelijk dat de voorlopige bewindvoering ertoe strekt een persoon te beschermen die niet in staat is zijn goederen te beheren om reden van zijn gezondheidstoestand en die niet in staat is zijn wil te kennen te geven. A.3.
- Volgens de Ministerraad wordt het Hof verzocht de situatie van een persoon die over een voorlopige bewindvoerder beschikt – die enkel door middel van een machtiging van de vrederechter over zijn testamentaire goederen kan beschikken – te vergelijken met de situatie van de personen die zelf al hun goederen beheren en die kunnen testeren zonder zich aan een voorafgaande controle te moeten onderwerpen. De Ministerraad leidt uit de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling af dat die tot voornaamste doel heeft het vermogen van de beschermde persoon en zijn familie te beschermen, op dezelfde wijze als de regels uitgedrukt in de artikelen 901 en 907 van Burgerlijk Wetboek. Hij voert aan dat een testament kan worden vernietigd wanneer de erflater niet handelingsbekwaam was of niet in staat was in concreto geldig zijn wil te kennen te geven. Hij merkt op dat een persoon die over een voorlopig bewindvoerder beschikt, wordt erkend als zijnde volledig of gedeeltelijk onbekwaam om zijn goederen te beheren om medische redenen die zijn bekwaamheid om zijn wil uit te oefenen en te kennen te geven, ondermijnen. Hij is dus van mening dat het logisch is dat de wetgever wenst dat de vrederechter kan nagaan of een dergelijke persoon voldoende bekwaam is om geldig zijn wil te kennen te geven bij een testament, een handeling die, volgens de Ministerraad, een grotere helderheid van geest en sterkere wil vereist dan die welke vereist zijn om een contract af te sluiten. 5 De Ministerraad, die het voormelde arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 13 juni 1979 aanhaalt, erkent dat het eigendomsrecht het recht bevat om over zijn goederen te beschikken. Hij is echter van mening dat de in het geding zijnde bepaling niet discriminerend is ten nadele van de beschermde persoon in de zin van artikel 488bis van het Burgerlijk Wetboek, vermits artikel 901 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is op het testament van de persoon die niet over een voorlopige bewindvoerder beschikt. Hij merkt op dat noch de in die bepaling uitgedrukte regel, noch de regelingen ter bescherming van de goederen van een onbekwame persoon en zijn familie nooit strijdig werden geacht met artikel 1, eerste lid, van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, vermits het algemeen belang van elke democratische samenleving gebiedt dat de zwaksten worden beschermd. De Ministerraad leidt daaruit af dat de enige bijzonderheid van de in het geding zijnde bepaling erin bestaat dat a priori wordt voorzien in een controle van de bekwaamheid om te testeren. De Ministerraad is van oordeel dat het verschil in behandeling dat daaruit voortvloeit relevant is ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde doelstelling. Hij is van mening dat een persoon die over een voorlopig bewindvoerder beschikt, geacht wordt geen toereikende « wilsgeschiktheid » te hebben en dat het over zijn goederen beschikken een stevigere « instemming » vereist dan die welke is vereist voor het stellen van de handelingen waarvoor die persoon onbekwaam geacht wordt. Hij leidt daaruit af dat een groot deel van de beschermde personen zou kunnen testeren zonder geldige wilsuiting. Hij merkt op dat het voorafgaande karakter van de controle van de geldigheid van de wilsuiting het mogelijk maakt om het risico van de onmogelijkheid om, na het overlijden, een testament te vernietigen dat is opgesteld door een persoon wiens geestelijke vermogens zijn aangetast, sterk af te zwakken, bij gebrek aan bewijs van die aantasting. Aan de doelstelling van bescherming van de goederen van de beschermde persoon en zijn familie zou dus in grotere mate worden tegemoetgekomen. De Ministerraad betoogt ten slotte dat de aangewende middelen redelijkerwijze evenredig zijn met de nagestreefde doelstelling. De in het geding zijnde bepaling zou in dat opzicht noodzakelijk zijn om te vermijden dat een testament dat is opgesteld door een beschermde persoon wiens bekwaamheid om zijn wil te uiten was aangetast, gevolg kan hebben wanneer het niet mogelijk is die aantasting te bewijzen. De Ministerraad brengt in herinnering dat de in het geding zijnde bepaling een beschermd persoon die bekwaam is om zijn wil te uiten, niet verhindert een testament op te stellen. -B- B.
- Artikel 488bis, h), § 2, van het Burgerlijk Wetboek, zoals het werd ingevoegd bij artikel 8 van de wet van 3 mei 2003 « tot wijziging van de wetgeving betreffende de bescherming van de goederen van personen die wegens hun lichaams- of geestestoestand geheel of gedeeltelijk onbekwaam zijn die te beheren », bepaalt : « De beschermde persoon kan slechts geldig schenken onder levenden of een uiterste wilbeschikking maken na machtiging, op zijn verzoek, door de vrederechter. De vrederechter oordeelt over de wilsgeschiktheid van de beschermde persoon. De vrederechter mag de machtiging om te schenken weigeren indien de beschermde persoon of zijn onderhoudsgerechtigden door de schenking behoeftig dreigen te worden. De bepalingen van de artikelen 1026 tot 1034 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing. In afwijking van artikel 1026, 5°, van hetzelfde Wetboek, volstaat de handtekening van de verzoeker. 6 De vrederechter kan een geneesheer-deskundige aanstellen die advies moet uitbrengen over de gezondheidstoestand van de te beschermen [lees : beschermde] persoon. De vrederechter wint alle dienstige inlichtingen in en kan eenieder die hij geschikt acht om hem in te lichten, oproepen bij gerechtsbrief om door hem in raadkamer te worden gehoord. Hij roept in ieder geval de voorlopige bewindvoerder op in geval van schenking. De procedure van artikel 488bis, b), § 6, is van overeenkomstige toepassing ». B.
- Uit de feiten van de aan de verwijzende rechter voorgelegde zaak, de motivering van zijn beslissing en de bewoordingen van de prejudiciële vraag blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van artikel 488bis, h), § 2, eerste lid, eerste zin, van het Burgerlijk Wetboek, in zoverre het van toepassing is op het testament. B.3.
- Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren ». B.3.
- Het recht om over zijn eigendom te beschikken vormt een fundamenteel element van het eigendomsrecht (EHRM, 13 juni 1979, Marckx t. België, § 63). B.
- Artikel 488bis, h), § 2, eerste lid, eerste zin, van het Burgerlijk Wetboek verbiedt een categorie van personen om bij testament over hun eigendom te beschikken zonder voorafgaande machtiging van een rechter. Het vormt bijgevolg een reglementering van het gebruik van de eigendom in de zin van het tweede lid van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 7 B.
- Er dient te worden onderzocht of de inbreuk op het eigendomsrecht in een redelijk verband van evenredigheid staat tot een doelstelling van algemeen belang. De in het geding zijnde bepaling zou niet voldoen aan die voorwaarde indien ze het billijke evenwicht verbreekt tussen de vereisten van het algemeen belang en de imperatieven van de vrijwaring van de grondrechten van het individu door op de betrokken personen « een bijzondere en buitensporige last » te doen wegen (EHRM, 27 november 2007, Hamer t. België, § 77). B.6.
- De in de in het geding zijnde bepaling beoogde beschermde persoon is een meerderjarige « die, wegens zijn gezondheidstoestand » wordt beschouwd als « geheel of gedeeltelijk niet in staat zijn goederen te beheren » (artikel 488bis, a), van het Burgerlijk Wetboek) en die met het oog op de bescherming daarvan over een voorlopige bewindvoerder beschikt die tot taak heeft « de goederen van de beschermde persoon als een goed huisvader te beheren of de beschermde persoon in dat beheer bij te staan » (artikel 488bis, f), § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek). Een testament is een akte waarbij een persoon om niet over zijn goederen beschikt (artikel 893 van het Burgerlijk Wetboek). Het gaat om een « akte waarbij de erflater, voor de tijd dat hij niet meer in leven zal zijn, over het geheel of een deel van zijn goederen beschikt, en die hij kan herroepen » (artikel 895 van het Burgerlijk Wetboek). De in het geding zijnde bepaling, die tot doel heeft een persoon die zich in een zwakke positie bevindt te beschermen, beoogt een doelstelling van algemeen belang. B.6.
- De in het geding zijnde bepaling verbiedt de erin beoogde personen niet over hun goederen te beschikken bij testament, maar zij maakt de geldigheid van die akte afhankelijk van het verkrijgen van een voorafgaande machtiging van de vrederechter. De aanvraag tot machtiging wordt neergelegd of toegezonden aan de griffie in de vorm van een eenzijdig verzoekschrift dat niet moet worden ondertekend door een advocaat (artikel 488bis, h), § 2, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek in combinatie met artikel 1027 van het Gerechtelijk Wetboek). De machtigingsprocedure is niet openbaar (artikel 488bis, h), 8 § 2, derde lid, eerste zin, van het Burgerlijk Wetboek in combinatie met de artikelen 1028 en 1029, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek; artikel 488bis, h), § 2, vijfde lid, eerste zin, van het Burgerlijk Wetboek) en de machtigingsbeschikking is in principe uitvoerbaar bij voorraad (artikel 1029, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek). De vrederechter kan de machtiging om te testeren enkel weigeren indien de beschermde persoon niet over de vereiste « wilsgeschiktheid » beschikt, dit wil zeggen een « geschiktheid om een geldige rechtswil […] te vormen, te beoordelen in het licht van de geestvermogens » (Parl. St., Senaat, 2002-2003, nr. 2-1087/6, p. 11). Hij doet uitspraak op grond van een recente « omstandige geneeskundige verklaring », opgesteld door een onafhankelijke geneesheer, en die moet worden voorgelegd door de beschermde persoon die de machtiging vraagt om te testeren (artikel 488bis, h), § 2, zesde lid, in combinatie met artikel 488bis, b), § 6, van het Burgerlijk Wetboek) en na alle dienstige inlichtingen te hebben ingewonnen (artikel 488bis, h), § 2, vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek). Hij kan bovendien het advies vragen van een geneesheer-deskundige over de gezondheidstoestand van de beschermde persoon en al diegenen horen die, volgens hem, hem kunnen inlichten (artikel 488bis, h), § 2, vierde en vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek). B.
- Bijgevolg staat de in het geding zijnde maatregel in een redelijk verband van evenredigheid tot de nagestreefde doelstelling. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : In zoverre artikel 488bis, h), § 2, eerste lid, eerste zin, van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is op het testament, schendt het niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 30 september
- De griffier, De wnd. voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.147 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div